De Volksvriend/Jaargang 24/Nummer 29/De katholieke Kerk en de hekserij

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De katholieke Kerk en de hekserij
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 22 juli 1882
Titel De katholieke Kerk en de hekserij
Tijdschrift De Volksvriend
Jg, nr, pg 24, 29, [2]
Brontaal Nederlands
Bron roermond.x-cago.com
Auteursrecht Publiek domein

De katholieke Kerk en de hekserij.

      Het geloof aan heksen is in die landen waar de geestelijken de fakkel der verlichting zwaaijen nog zoo sterk, dat soms personen die men beschuldigt een »kwade hand” over iets of iemand te hebbsn laten gaan, niet alleen blootstaan aan de grofste mishandelingen van den kant van het door die geestelijken verlichte(!) publiek, maar dat zelfs doodslag daarvan soms het gevolg is.
      Zoo zag men in het naburige Belgie, in Forchies in Maart 1880 een man doodslaan voor »hekserij”; in April 1881 waant zich een boer te Havay behekst. Hij neemt inlichtingen bij eene kaartlegster; deze raadt hem, de eerste vrouw die den anderen dag in zijn huis komt in het vuur te werpen, waaraan hij gevolg gaf. Nog onlangs werpt zich ineens eene geheele familie te Marchienne op eene ongelukkige »heks”; men smijt haar op een bed van gloeijende houtskolen, om haar te dwingen den booze uit het huis te verdrijven. In Nederland gaat geen week voorbij waarin niet, meestal oude vrouwen, worden aangegrepen en mishandeld door godvruchtige zielen, omdat ze een kind, een varken, eene geit of eene koe zouden hebben »behekst”, een »kwade hand” daarover hebben laten gaan!

      Dat gebeurt nog in onze eeuw van verlichting en vooruitgang en wij achten het dan ook niet onaardig er eens op te wijzen op welke manier wij daartoe gekomen zijn.
      Gaan wij daarvoor eenige honderd jaar terug.
      De inquisitie die in 1459 in Frankrijk de heksen opspoorde, zette dat werk voort tot in de Nederlanden. Het volk bleef ongeloovig voor de verhalen van den Sabbat; het mompelt bij het gevangen nemen der eerste beschuldigden; het wordt verontwaardigd toen men uit de eerste brandstapels de vlammen deed opstijgen; het dwingt eindelijk het Heilig-Officie op te hooren met zijne onrechtvaardige proceduren.
      Wacht echter nog slechts eenige jaren en geen mensch zal hier meer de werkelijkheid der hekserij in twijfel trekken; geen ziel die meer zijn stem tegenover de gestrengheid der kerk zal doen hooren. Een onfeilbare Innocentius VIII heeft, den pauselijken troon bestijgende, eene verschrikkelijke bul uitgevaardigd tegen de getrouwen van den duivel.
      Alexander VI, Julius II, Leo X, Adriaan VI, Clemens VII, Sixtus-Quintus, honderd Synodes, vergaderd in alle deelen van Europa hebben de banvloeken vernieuwd van den paus dien men, om zijn talrijke bastaardkinderen, den naam gegeven had van: Vader der Romeinen.

      De duivelbeschrijvers hebben een in de eerste tijden van het christendom geformuleerd leerstuk sterk overdreven; de eene overdrijving stapelden ze op de andere en schonken eindelijk aan een volledig heksenwetboek het leven. Ook hier werd de gemeentelijke vrijheid ten onderen gebragt door de absolute magt. De Inquisitie had het denken verboden en het land ontvolkt. De burgers waren bedrukt, ontmoedigd en vatbaar voor alle verschrikkingen. De kerk had over de aarde de schaduw der vleugelen van den engel des verderfs verspreid en op zijn bevel geheele volken naar den brandstapel gevoerd.
      De groote wijsgeren der achttiende eeuw mogten de voldoening smaken, het door het pausdom ingeschreven misdrijf van »hekserij” uit de wetboeken te doen verdwijnen. De kerk echter heeft niet opgehouden het bestaan van den duivel en zijn omgang met de menschen te prediken en onze hedendaagsche bisschoppen laten niet na dat geloof bij het domme volk warm te houden, zonder hetwelk anders dat duivelen- en heksengeloof weldra geheel zou zijn uitgedoofd. Elken dag wordt het daarom opnieuw opgewarmd en voorgediend in de geestelijke onderwijs-inrigtingen, van den kansel en in den biechstoel en men mag dan ook teregt DE KERK er voor verantwoordelijk stellen, wanneer het domme gemeen, door het geloof aan »omgang met den duivel”, aan »hekserij”, moordt.