De hirundine

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De hirundine (Over de zwaluw)

Auteur Bisschop Radboud van Utrecht
Genre(s) Gedicht in elegische disticha
Brontaal Latijn
Datering ca. 870
Vertaler René Veenman
Bron Latijnse tekst: MGH Poetae Latini Aevi Carolini, rec. Paulus de Winterfeld (Berlijn 1964), deel IV, fasc. I, 160-173 [oorspr. 1899]

Nederlandse vertaling: Madoc. tijdschrift over de Middeleeuwen 19, 4 (2005)

Auteursrecht Vertaling gepubliceerd met toestemming van Uitgeverij Verloren
Logo Wikipedia
Meer over De hirundine (Over de zwaluw) op Wikipedia

Het gedicht De hirundine ('Over de zwaluw') is een Latijns gedicht van bisschop Radboud van Utrecht. Het behoort tot de weinige gedichten die van hem bekend zijn. Terwijl zijn andere gedichten religieuze of kerkelijke onderwerpen hebben, is dit een wereldlijk gedicht. Het is waarschijnlijk ontstaan als schooloefening. In het bewaarde oeuvre van Radboud is dit gedicht daarom waarschijnlijk het oudste. En omdat Radbouds gedichten het oudst bekende dichterlijke oeuvre uit de Nederlanden vormen, zou dit gedicht goed het oudst bekende Nederlandse gedicht kunnen zijn.

Versus Ratbodi Sanctae Traiectensis Aecclesiae Famuli
De Hirundine
Est mihi corporeae species aptissima formae,
Quae fore terrigenûm nulli onerosa quaeat;
Vix etenim digitos numerat mensura quaternos,
Formula qua constat corporis arta mei.
Unde dei templis fas est mihi ponere nidos
Inque hominum pullos aede fovere meos.
Agricolis autem veniens nova gaudia porto;
Garrula nam ‘vacuum scindite’ clamo ‘solum’.
Quorum sub laribus medicam dum congero glebam,
Nequiquam augurio spondeo fausta meo.
At mihi mirandum tribuit natura secretum,
Quo medicans pullis lumina reddo meis;
Nam mihi Phytagoras hac coedit in arte magistrae,
Quem frustra caecus, ut reparetur, adit.
Inde est quod nostro nomen de nomine nascens
Urbe tenus crassis accipit herba locis;
Quod qui nosse velit, Grecos primum ore sequatur,
Mox et hirundineam Roma et hirundo dabit.
Ergo iuvat nostrum, lector, tibi dicere morem,
Quo mirere magis cuncta creantis opus.
Floriferas auras et frondea tempora capto
Tumque per humanas hospitor ipsa domos
Atque ibi spectandum cunctis confingo cubile,
Segnis inersque manus quale patrare nequit.
In quo nata mihi praedulcia pignora servo,
Donec me valeant per spatia ampla sequi.
Hunc mihi iungo gregem, et volucres mox explico pennas;
Impigra sic totam duco volando diem,
Nec tamen id frustra: dum quippe per ardua trano,
Arrident densis aethera laeta satis;
At, cum limosas pennis contingo paludes,
Tum pluvia et ventis, Aeole, tundis agros.
Sole dehinc gelido cum ninguida bruma propinquat,
Seu patria pellor seu fugio ipsa mea,
Nec dulces nidos nec hospita limina curans,
Sed propriae sortis indita iura sequens.
Sic rigidas auras ignotis vito sub antris,
Sic quoque naturae do paradigma tenax.
Heus homo, dum causas rerum miraris opertas,
Ne spernas decoris munera quaeso tui:
Tu ratione viges – ego sum rationis egena;
Tu post fata manes – fata ego tota sequor.
His quantum superas, tantum me vince creantis
Imperio parens, iussit ut ipse creans.
Gedicht van Radboud, Dienaar van de Heilige Kerk te Utrecht
Over de zwaluw


Ik heb een lichaam met een zeer geschikte vorm,
waarmee ik voor geen mens op aard tot last kan zijn.
Het is immers maar nauwelijks vier vingers lang;
daaruit bestaat mijn fijngevormde lichaamsbouw.
Vandaar dat ik in kerken nestjes bouwen mag
en in de mensenhuizen voor mijn jongen zorg.
De boeren breng ik nieuwe vreugden met mijn komst,
want kwett’rend roep ik: splijt de kale grond uiteen.
En breng ik in hun huis een beetje klei bijeen,
dan geld ik – tevergeefs – als bode van geluk.
Maar de natuur schonk mij een wonderlijk geheim
waardoor ik bij mijn kroost het zicht herstellen kan;
in die kunst ben ik zelfs Pythagoras de baas,
bij wie een blinde vruchteloos genezing zoekt.
Vandaar ook dat een plant die alom welig groeit
zelfs bij de stad, zijn naam ontleent aan onze naam.
De oudste naam ervan, die vindt men in het Grieks;
‘hirundinea’ komt van zwaluw in ’t Latijn.
Ik zet u, lezer, graag mijn levenswijs uiteen
opdat u meer bewond’ring voor de schepper krijgt.
Wanneer het lover komt en wind de bloemen brengt,
dan kom ik ook en vind bij mensen onderdak.
Daar maak ik dan een nest dat iedereen kan zien
– dat speelt een luie, onbedreven hand niet klaar.
Mijn pasgeboren, lieve jongen schuilen daar,
totdat ze volgen kunnen door de wijde lucht.
Ik neem die schare mee, we slaan de vleugels uit,
en onvermoeibaar vlieg ik zo de hele dag.
En dat is niet voor niets, want zweef ik door de lucht,
dan lacht de hemel blij het dichte koren toe.
Maar raak ik met m’n vleugels ’t modderig moeras,
beuk jij het land, Aeolus, met je regenvlaag.
Verkilt daarna de zon, en komt de herfst met sneeuw,
dan drijft het vaderland me weg, of vlucht ik zelf,
bekommer me niet meer om nest of gastvrij huis,
maar volg ik instinctief mijn eigen levensweg.
In verre grotten schuil ik voor de koude wind
en geef aldus een treffend beeld van de natuur.
O mens, beschouwt u het mysterie der natuur,
waardeer dan het geschenk van uw beschaafd bestaan.
De rede heerst in u, maar ik ben redeloos.
U leeft ook na de dood, mijn leven eindigt hier.
Weest u net zo mijn meerdere in ’t volgen van
uw scheppers wet, want dat beval de schepper zelf.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=De_hirundine&oldid=41396"