De schilder De Winter en zijn werk/I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De schilder De Winter en zijn werk
I. Intieme inleiding.
II. De Psychose van het werk en den werker.
III. Het redelijk Evenwicht.
IV. Zijn werkwijze.


[1]

Theo van Doesburg A.J.J. de Winter.jpg

DE WINTER EN ZIJN WERK
PSYCHO-ANALYTISCHE1) STUDIE
——————

I


INTIEME INLEIDING


HET is nu bijna een jaar geleden dat ik door een schildervriend, in kennis werd gebracht met de Winter en diens werk. Dit gebeurde naar aanleiding van een zeer eigenaardig schilderijtje, dat ik op het atelier van mijn vriend vond en van welk schilderijtje: „De zuivere Rede” hij mij vertelde, dat het gemaakt was door iemand van zeer bijzonderen aanleg, een droomer, die heele tijden niet werkte en dan opeens weer twintig of dertig dingen achter elkaar maakte, iemand zonder zelf-contrôle die hard werken moest voor zijn kostje, iemand, die naast de grootste croûtes opeens een goed ding van hooge beteekenis kon te voorschijn tooveren.
      Enfin, ’n persoonlijkheid, wellicht de grootste die te Utrecht te vinden zou zijn (zichzelf natuurlijk uitgezonderd) besloot mijn vriend. Ik gaf toen mijn verlangen te kennen met die
——————
      1) Hier niet in Pathologischen maar in Aesthetischen zin bedoeld.


[2]

„zeer bijzondere persoonlijkheid” kennis te maken . . . . . .
      Op een kouden avond in ’t najaar bevonden wij ons naar hem op weg. Mijn vriend waarschuwde mij nog voor de Winter’s redeneeringen, die hij in de schilderkunst als „zeer gevaarlijk” beschouwde en ik daar wel eens door in de war gebracht kon worden . . . . .
      Weldra bevond ik mij in een nauwen gang tegenover een heeschen, mageren man, die mij door zijn houding en de manier waarop hij zijn hals uitrekte, waardoor hij zijn hoofd op grooten afstand van zijn lichaam bracht, eenigszins aan Don Quichotte herinnerde. Nu heb ik van jongs af aan een wantrouwen gehad tegen alle menschen met lage voorhoofden en waar ik hier tegenover iemand stond, wiens kruin zich zeer dicht in de nabijheid van zijn oogen bevond, wiens schedel dus elk spoor van voorhoofd miste, daar was mijn vertrouwen wat het intellectueele van de zeer bijzondere persoonlijkheid betrof, afgevoerd naar het psychische en intuitieve. Hij noodigde ons beneden te komen. Het was toen dat ik mij in een laag doch zeer gezellig atelier-huisvertrek bevond, waar aan de muren verscheidene studieplanken hingen, sommige leeg, andere met absurde landschappen, op papier geschilderd, bespannen. Daar deze dingen waarvan de schilder mij te kennen gaf ze gemaakt te hebben voor den verkoop en ze spottend „fabriekjes” noemde, in staat waren iemand alle schildertalent, in den gewonen zin, te ontzeggen, schudde ik ontkennend het hoofd, om mijn vriend voor eens en voor altijd te toonen, dat hij mij geen poets kon spelen. Het was toen juist in den tijd dat ik voor een lezingcyclus, goede abstracte dingen zocht, die als voorbeeld konden dienen, hoe het nieuwe kunstwillen zich ten onzent ontvouwde. Het viel mij dus leelijk tegen en ik bleef erbij, dat het schilderijtje in geel en paars „De zuivere Rede,” dat ik op het atelier van mijn vriend gezien had, het beste was. De Winter zei ons echter dat al zijn goede werk bij een kennis gedeponeerd werd, dat het daar in veiligheid gebracht werd, omdat zijn kinderen zijn schilderijen, die meestal op papier gemaakt zijn in tempera- of harstechniek, zoo „heerlijk” konden verscheuren.


[3]

De schilder verzekerde mij zelfs, dat hij ze met dat doel aan zijn zoontje gaf.
      De Winter kon ons dien avond niets anders laten zien dan een paar oude portefeuilles, waarin ook al niet veel te vinden was, wat mij ook maar eenigszins in enthousiasme zou kunnen brengen. Een der dingen, die ik het beste vond, kreeg ik present. Ik trof wel hier en daar een bijzonder accent aan, doch over ’t geheel genomen bleef ik zeer onbevredigd, den persoon vond ik werkelijk veel belangrijker dan al die half-geniale, half-barokke schilderwerken. Wanneer ik naar den schilder keek, kreeg ik hoe langer hoe meer de zekerheid wel met een zeer bijzondere persoonlijkheid te doen te hebben, doch niet met een schilder, gemeten naar de beteekenis, die ons zeer wisselvallig bepalingsvermogen daaraan hecht.
      Ik keek nog eens rond, vond een boekje van Kandinsky en Oscar Wilde en kreeg de diabolische behoefte van een schilderij van bloemvormen, die in slangenkoppen eindigden, te zeggen, dat dit een „kunstje” was. De uitwerking hiervan was, dat hij voor mij veranderde in een dier gedaanten, zooals ik ze later in zijn werk heb leeren kennen. „Een kunstje?” Hiertegen verzette de schilder zich heftig rekte zich uit en schreeuwde zoo hard hij kon, dat het hem om den dood geen kunstje was, dat hij die dingen zoo waarnam, ja, waarachtig zóó zag aan de menschen waarmede hij omging. Geloofde ik het niet? Nou het was toch waarachtig. Hij zag die dingen, het waren de astrale vormen, die den mensch omgaven.
      Welke vormen hij dan aan mij zag?
      Ja, dat zeg hij alleen, wanneer hij zijn psychische aandacht op iemand concentreerde. Hij zag het niet met z’n oogen maar hier (de Winter wees daarbij op zijn maag.)
      Wij verlieten hem, ik met den nog natten „Chaos”, mijn vriend met een onder-water-sfeertje onder den arm en besloten den volgenden dag ten huize van zijn kennis present te zijn om de Winter’s werk te zien. Het woei hevig en de „Chaos” onder mijn arm deed vreeselijk onrustig. Toen ik op het atelier van mijn


[4]

vriend kwam, zag ik, dat mijn uniform (ik was in dienst) vol roode vlekken zat. „De gevolgen van het wandelen met een natten bloedchaos onder je arm,” dacht ik.
      Den volgenden morgen dan waren wij in de gelegenheid meerdere werken van de Winter te zien. Hij toonde mij eenige portefeuilles met pastels en schilderijen in tempera, waardoor zich voor mij oogenblikkelijk een nieuw psychisch aspect opende. Wonderlijke fantasieën, half plantvormen, draken naast orchydeeën, ook eenige geheel abstracte schilderijen zonder voorstelling. Alles in een min of meer donker gamma. De Winter trachtte ons elke kleur uit te leggen, de beteekenis van elk vormelijk of kleurig onderdeel in verband brengende met een psychische eigenschap van het individu of den toestand, die hem inspireerde. In onderging een bijzondere emotie, doch gaf mij geen rekenschap of de emotie aesthetisch was. Ik raakte zeer onder den indruk en voelde dat alles, zoowel zijn persoon als zijn werk mij in een zekere demonische sfeer bracht, die mij als een roode wierrook omgaf.
      Na 18 maanden verstoken te zijn geweest van alles wat maar even op schilder kunst geleek, slechts omringd door kazernelucht en banken, werkten deze schilderwerken op mij als een psychische indigestie. Uit dat werk sloeg een benauwende walm van erotiek en tegelijkertijd opende zich ’n diepe afgrond waar monsterachtige wezens dansten om een bloedfontein. Ik pakte een dertigtal dezer schilderijen voor mijn lezing bijeen en vertrok.
      Hoewel ik voelde met een zeer bijzonder verschijnsel te doen te hebben, kon ik het toch onmogelijk met een der nieuwe kunstverschijnselen in verband brengen. Ik kon er geen lijn op trekken, dat kan ik eerst heden, nu ik het aanschouw in zijn universeel verband. Toen ik ze nog eens op mijn gemak in een ristige omgeving beschouwde, kwamen deze dingen mij voor als organische wezens, die zich volgens vaste wetten bewogen.
      Ik vertelde mijn vrienden, dat ik een „schilderenden duivel” ontdekt had wiens werk een bijzondere suggestie op mijn uitoefende. Toen ik hun het werk liet zien, ondergingen ook zij die suggestie,


[5]

hoewel niet zoo sterk als ik. Mij vervolgden die schilderijen tot in mijn slaap. Des nachts werd ik gebeten door lichtspuwende slangen en verworden monsters, waarvan de oogen zoover buiten den drakonischen kop uitpuilden, dat ze mij een golf van zwarte verschrikking door het brein joegen. Ik stond op met koorts, met gezwollen lippen. Deze wereld, die de wereld der verschrikking bij uitnemendheid was, had mij volkomen in haar macht en had tegelijkertijd een bijzondere bekoring, voor me. ’t Hielp niets of ik al beweerde, dat het per slot van rekening toch maar fantasieën waren uit een nerveus en verhit zieleleven. Deze wezens bewogen zich en gingen met opengespalkte muil aan u voorbij. Wanneer ge dit alles maar kalm verdroeg, werd dit hellevolk — dat naar de woorden van hun maker toch niets anders was dan de astrale transformatie van de menschenwereld — zoo mak als een schilderij of plaat aan den muur.
      Ik bezocht de Winter daarna meerdere malen. Hij vertelde, dat hij juist op het punt stond, of beter: besloten was, den schilderrommel in een hoek te gooien en zich op de literatuur te werpen. Hij beschouwde mij als een afgezant der goden en zag in mijn aanmoediging een teeken van hooger orde. Toen ik hem eens zei, dat ik zijn werk nog niet genoeg vergeestelijkt vond en ik het uit een lage sfeer herkomstig achtte, zei hij mij, dat hij niet anders dan realiteit schilderde en slechts zulke vormen waarnam. Toen ik hem sprak over een lichter en hooger geestelijk aspect noemde hij dat een verschrikkelijk gebied van vreeselijke eentonigheid, verveling en armoê . . . .
      Ik weet niet of hij gelijk heeft, maar wat ik wel weet, is, dat hij, die de wanhoop en den twijfel tot in de rookerig zwarte, diepten kent, eenmaal het bevrijdende licht zal kennen, dat hem een gansch nieuw aspect opent en welk aspect hem een afwisseling van schoonheidsontroeringen zal openbaren, van nog grootere intensiteit dan de duisternis der levenswanhoop . . . Want ook de zwarte walmerige atmosfeer waarin de Winter leeft en voortbrengt, is eentonig.

——————