Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
| Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1951)
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden |
TEKST → |
TRACTATENBLAD
VAN HET
KONINKRIJK DER NEDERLANDEN
JAARGANG 1951 No. 154
Overgelegd aan de Staten-Generaal door de Minister van Buitenlandse Zaken
A. TITEL
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 4 November 1950
B.TEKST
De tekst van het Verdrag is overgelegd aan de Staten-Generaal bij brief van 20 November 1950 (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer 1950 — 1951, 2000). Hij luidt als volgt: [ 34 ]
C. VERTALING
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend. Leden van de Raad van Europa,
Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens welke op 10 December 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is afgekondigd;
Overwegende, dat deze Verklaring ten doel heeft de algemene en daadwerkelijke erkenning en toepassing van de Rechten welke daarin zijn nedergelegd te verzekeren;
Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een nauwere eenheid tussen zijn Leden, en dat een van de middelen om dit doel te bereiken ligt in de handhaving en, de verdere verwezenlijking van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
Opnieuw haar diep geloof bevestigende in deze fundamentele vrijheden, welke de grondslag vormen voor rechtvaardigheid en vrede in de wereld, en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de Rechten van de mens waarvan die rechten afhankelijk zijn;
Besloten, om, als Regeringen van Europese Staten, die bezield zijn met een zelfde geest en een gemeenschappelijk erfdeel bezitten van politieke tradities, idealen, vrijheid en heerschappij van het recht, de eerste stappen te doen voor de collectieve handhaving van sommige der in de Universele Verklaring vermelde Rechten;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder, die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit Verdrag.
TITEL I
Artikel 2
(1) Het recht van een ieder op het leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, tenzij bij wege van ten uitvoerlegging van een vonnis, dat is uitgesproken [ 35 ]door een rechtbank, wegens een misdrijf, waarop de wet de doodstraf heeft gesteld.
(2) De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied, ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk is;
- a) ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
- b) teneinde een rechtmatige arrestatie te verrichten of het ontsnappen van iemand, die op rechtmatige wijze gevangen wordt gehouden, te voorkomen;
- c) teneinde, door middel van wettige maatregelen, een oproer of opstand te onderdrukken.
Artikel 3
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
Artikel 4
(1) Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
(2) Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.
(3) Niet als „dwangarbeid of verplichte arbeid" in de zin van dit artikel worden beschouwd:
- a) werk hetwelk gewoonlijk wordt verlangd van iemand die wordt gevangen gehouden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag, of gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling;
- b) elke dienst van militaire aard, of, in het geval van hen die daartegen gewetensbezwaar hebben in landen waar dit gewetensbezwaar overeenkomstig de wet wordt erkend, die diensten, welke gevorderd worden in plaats van de verplichte krijgsdienst;
- c) elke dienst, welke wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp welke het leven of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
- d) elk werk of elke dienst, welke deel uitmaakt van de normale burgerplichten.
Artikel 5
(1) Een ieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
- a) indien hij op rechtmatige wijze wordt gevangen gehouden na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;
- b) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen wordt gehouden, wegens weigering een overeenkomstig de wet door een rechter gegeven bevel op te volgen of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren; [ 36 ]
- c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen, dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;
- d) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, teneinde hem voor het bevoegde gezag te geleiden;
- e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen, die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;
- f) in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen teneinde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.
(2) ledere gearresteerde moet onverwijld en in een taal, welke hij verstaat, op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.
(3) Een ieder, die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1 (c) van dit artikel, moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen, en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.
(4) Een ieder, die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat déze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.
(5) Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een gevangenhouding in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.
Artikel 6
(1) Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wel: is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ont[ 37 ]zegd, gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.
(2) Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.
(3) Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten.
- a) onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
- b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
- c) zich zelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist;
- d) de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
- e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal, welke ter zitting wordt gebezigd, niet verstaat of niet spreekt.
Artikel 7
(1) Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
(2) Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand, die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was.overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend.
Artikel 8
(1) Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
(2) Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het [ 38 ]belang van 'slands veiligheid/de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van dé gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 9
(1) Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
(2) De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 10
(1) Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet, dat Staten radio-omroep-, bioscoop of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
(2) Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Artikel 11
(1) Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
(2) De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de [ 39 ]openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.
Artikel 12
Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten welke de uitoefening van dit recht beheersen.
Artikel 13
Een ieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Artikel 14
Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 15
(1) In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand, welke het bestaan van het volk bedreigt, kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen nemen welke afwijken van zijn verplichtingen, ingevolge dit Verdrag, mits deze maatregelen niet verder gaan dan de toestand vereist en niet in strijd zijn met andere verplichtingen welke voortvloeien uit hée
(2) De voorgaande bepaling wettigt geen enkele afwijking van artikel 2, behalve ingeval van dood als gevolg van geoorloofde oorlogshandelingen, noch van de artikelen 4, eerste lid, en 7.
(3) Elke Hoge Verdragsluitende Partij die gebruik maakt van dit recht van afwijking houdt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa volledig op de hoogte van de genomen maatregelen en van de beweegredenen welke deze hebben ingegeven. Zij moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa eveneens verwittigen van de datum waarop deze maatregelen hebben opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen van het Verdrag opnieuw volledig worden toegepast. [ 40 ]
Artikel 16
Geen der bepalingen van de artikelen 10, 11 en 14 kan beschouwd worden als aan de Hoge Verdragsluitende Partijen te beletten, beperkingen op te leggen aan de politieke activiteit van vreemdelingen.
Artikel 17
Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten welke ten doel heeft de rechten of vrijheden welke in dit Verdrag zijn vermeld, te vernietigen of deze rechten en vrijheden meer te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.
Artikel 18
De beperkingen welke, volgens dit Verdrag, op bovengenoemde rechten en vrijheden zijn toegestaan, mogen slechts worden toegepast met het doel waarvoor daartoe de bevoegdheid is gegeven.
TITEL II
Artikel 19
Ten einde de nakoming van de verplichtingen, welke voor de Hoge Verdragsluitende Partijen uit dit Verdrag voortvloeien, te verzekeren, wordt ingesteld:
- a) een Europese Commissie voor de Rechten van de mens, hierna te noemen „de Commissie".
- b) een Europees Hof voor de Rechten van de mens, hierna te noemen „het Hof".
TITEL III
Artikel 20
De Commissie bestaat uit een aantal leden hetwelk gelijk is aan dat van de Hoge Verdragsluitende Partijen. Er mogen geen twee onderdanen van dezelfde Staat lid zijn.
Artikel 21
(1) De leden van de Commissie worden gekozen door het Comité van Ministers, met absolute meerderheid van stemmen, uit een lijst van namen welke wordt opgemaakt door het Bureau van de Raadgevende Vergadering; elke groep vertegenwoordigers der Hoge Verdragsluitende Partijen bij de Raadgevende Vergadering stelt drie candidaten voor, van wie ten minste twee van haar nationaliteit moeten zijn.
(2) Voorzover zij toegepast kan worden, wordt dezelfde procedure gevolgd om de Commissie aan te vullen in geval andere Staten later Partij bij dit Verdrag zouden worden en ten einde te voorzien in opengevallen zetels. [ 41 ]
Artikel 22
(1) De leden van de Commissie worden gekozen voor een periode van zes jaar. Zij zijn herkiesbaar. Wat evenwel de leden betreft die bij de eerste verkiezing zijn benoemd, zal de ambtstermijn van zeven leden na drie jaar af lopen.
(2) De leden wier ambtstermijn zal aflopen na de beginperiode van drie jaar, worden bij loting aangewezen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, terstond na voltooiing van de eerste verkiezing.
(3) Het lid van de Commissie dat gekozen is ter vervanging van een lid wiens ambtstermijn niet is afgelopen, blijft in functie voor de rest van de ambtstermijn van zijn voorganger.
(4) De leden van de Commissie blijven in functie tot hun vervanging. Ook na hun vervanging zullen zij voortgaan die zaken af te handelen welke zij reeds in behandeling hebben.
Artikel 23
De leden van de Commissie hebben zitting in de Commissie als individueel persoon.
Artikel 24
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan, door tussenkomst van de Secretaris-Generaai van de Raad van Europa, elke vermeende niet-nakoming van de bepalingen van dit Verdrag door een andere Hoge Verdragsluitende Partij bij de Commissie aanhangig maken.
Artikel 25
(1) De Commissie kan verzoekschriften gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad Van Europa ontvangen van ieder natuurlijk persoon, iedere (andere dan een regerings-) organisatie of iedere groep van particulieren, welke beweert het slachtoffer te zijn van schending door een der Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten welke in dit Verdrag zijn vermeld, mits de Hoge Verdragsluitende Partij tegen wie de klacht is ingediend, heeft verklaard, dat zij de bevoegdheden van de Commissie over dergelijke verzoekschriften te ontvangen, erkent. De Hoge Verdragsluitende Partijen die een dergelijke verklaring hebben afgelegd, verbinden zich door geen enkele maatregel de doeltreffende uitoefening van dat rvcht te belemmeren.
(2) Dergelijke verklaringen kunnen worden afgelegd voor een bepaalde termijn.
(3) De Verklaringen worden ovewrhandigd aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die afschriften daarvan doet toekomen aan de Hoge Verdragsluiutende Partijen en zorgt voor de openbaarmaking.
(4) De Commissie zal van de bevoegdheid welke haar bij dit artikel is verleend slechts gebruik maken, wanneer tenminste zes Hoge Verdragsluitende Partijen gebonden zijn door de verklaring, afgelegd in overeenstemming met de voorafgaande leden. [ 42 ]
Artikel 26
De Commissie kan een zaak pas in behandeling nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, overeenkomstig de beginselen van algemeen erkend internationaal recht, en binnen een termijn van zes maanden na de datum van de definitieve nationale beslissing.
Artikel 27
(1) De Commissie behandelt geen enkel verzoekschrift, ingevolge artikel 25 ingediend, dat:
- a) anoniem is;
- b) in wezen gelijk is aan een zaak welke reeds eerder door de Commissie is onderzocht of reeds aan een andere internationale instantie voor onderzoek of regeling is voorgelegd en indien het geen nieuwe feiten bevat.
(2) De Commissie verklaart verzoekschriften, welke krachtens artikel 25 zijn ingediend, niet ontvankelijk, wanneer zij van oordeel is dat deze niet verenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag, kennelijk ongegrond zijn of een misbruik betekenen van het recht van petitie.
(3) De Commissie verwerpt elk aan haar voorgelegd verzoekschrift hetwelk zij als niet-ontvankelijk beschouwt ingevolge artikel 26.
Artikel 28
Ingeval de Commissie een aan haar voorgelegd verzoekschrift in behandeling neemt:
- a) gaat zij, ten einde de feiten vast te stellen, over tot een contradictoir onderzoek van het verzoekschrift met de vertegenwoordigers van partijen en, indien dit nodig is, tot een enquête, voor de goede gang waarvan de betrokken Staten alle nodige faciliteiten verstrekken, na met de Commissie van gedachten te hebben gewisseld;
- b) stelt zij zich ter beschikking van betrokkenen teneinde tot een minnelijke schikking van de zaak te komen op basis van eerbied voor de Rechten van de mens zoals in dit Verdrag omschreven.
Artikel 29
(1) De Commissie vervult de functie omschreven in artikel 28, door middel van een subcommissie welke is samengesteld uit zeven leden van de Commissie.
(2) Iedere betrokken partij kan een lid van zijn keuze aanwijzen om deel uit te maken van de subcommissie.
(3) De overige leden worden bij loting aangewezen, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven in het huishoudelijk reglement van de Commissie.
Artikel 30
Indien de subcommissie erin slaagt een minnelijke schikking tot stand te brengen, overeenkomstig artikel 28, stelt zij een rapport op [ 43 ]hetwelk wordt overhandigd aan de betrokken Staten, aan het Comité van Ministers en aan de Secretaris-Generaal van, de Raad van Europa, ten einde openbaar gemaakt te worden. Dit rapport beperkt zich tot een korte uiteenzetting van de feiten en de bereikte oplossing.
Artikel 31
(1) Indien geen oplossing tot stand is gekomen, stelt de Commissie een rapport op betreffende de feiten en geeft zij haar mening betreffende de vraag of de geconstateerde feiten een schending van de zijde van de betrokken Staat betekenen van de verplichtingen welke krachtens het Verdrag op hem rusten. De meningen van alle leden van de Commissie op dit punt kunnen in het rapport tot uitdrukking worden gebracht.
(2) Het rapport wordt aan het Comité van Ministers overgelegd. Het wordt eveneens overgelegd aan de betrokken Staten, die het niet bekend mogen maken.
(3) Bij het overleggen van het rapport aan het Comité van Ministers kan de Commissie zulke voorstellen doen als zij dienstig acht.
Artikel 32
(1) Indien, binnen drie maanden na de datum van overlegging van het rapport aan het Comité van Ministers, de zaak niet aan het Hof is voorgelegd, overeenkomstig artikel 48 van dit Verdrag, neemt het Comité van Ministers, met een meerderheid van twee derden van de leden die het recht hebben in het Comité zitting te hebben, een beslissing over de vraag of het Verdrag al dan niet geschonden is.
(2) In het bevestigende geval stelt het Comité van Ministers een termijn binnen welke de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij de maatregelen moet nemen welke vereist worden door de beslissing van het Comité van Ministers,
(3) Indien de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij geen bevredigende maatregelen heeft genomen binnen de voorgeschreven termijn, beslist het Comité van Ministers, bij een meerderheid van stemmen als bepaald in het hierboven genoemde lid (1), welk gevolg aan haar oorspronkelijke beslissing zal worden gegeven en maakt het rapport bekend.
(4) De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, elke beslissing welke het Comité van Ministers bij de toepassing van de voorgaande leden moge nemen, als voor haar bindend te beschouwen.
Artikel 33
De Commissie houdt haar zittingen met gesloten deuren.
Artikel 34
De beslissingen van de Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen; de [ 44 ]beslissingen van de subcommissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van de leden.
Artikel 35
De Commissie komt bijeen wanneer de omstandigheden dit vereisen. Zij wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 36
De Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
Artikel 37
Het Secretariaat van de Commissie wordt verzorgd door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
TITEL IV
Artikel 38
Het Europese Hof voor de Rechten van de mens bestaat uit een aantal rechters hetwelk gelijk is aan dat van de Leden van de Raad van Europa. Er mogen geen twee onderdanen van dezelfde Staat rechter zijn.
Artikel 39
(1) De leden van het Hof worden gekozen door de Raadgevende Vergadering bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen uit een lijst van personen welke wordt ingediend door de Leden van de Raad van Europa; ieder Lid moet drie candidaten voorstellen, van wie tenminste twee de nationaliteit van het Lid moeten hebben.
(2) Voorzover zij toegepast kan worden, wordt dezelfde procedure gevolgd om het Hof aan te vullen ingeval van toelating van nieuwe Leden van de Raad van Europa en ten einde te voorzien in opengevallen zetels.
(3) De candidaten moeten het hoogst mogelijk zedelijk aanzien genieten en in zich verenigen de voorwaarden welke vereist worden om de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of wel rechtsgeleerden zijn van erkende bekwaamheid.
Artikel 40
(1) De leden van het Hof worden gekozen voor een periode van negen jaar. Zij zijn herkiesbaar, met dien verstande echter, dat de ambtstermijnen van vier van de leden gekozen bij de eerste verkiezing zullen aflopen na drie jaar en die van vier andere leden na zes jaar.
(2) De leden wier ambtstermijn zal aflopen na de beginperioden van drie en zes jaar, worden bij loting aangewezen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa terstond na voltooiing van de eerste verkiezing. [ 45 ]
(3) Een lid van het Hof, dat gekozen is ter vervanging van een lid wiens ambtstermijn niet afgelopen is, blijft in functie voor de rest van de ambtstermijn van zijn voorganger.
(4) De leden van het Hof blijven in functie tot hun vervanging. Ook na hun vervanging zullen zij voortgaan die zaken af te handelen, die zij reeds in behandeling hebben.
Artikel 41
Het Hof kiest zijn Voorzitter en zijn Vice-Voorzitter voor de tijd van drie jaar. Zij zijn herkiesbaar.
Artikel 42
De leden van het Hof ontvangen een door het Comité van Ministers te bepalen vergoeding voor iedere dag dat zij hun werkzaamheden uitoefenen.
Artikel 43
Voor het onderzoek van elke bij het Hof aanhangig gemaakte zaak zal het Hof bestaan uit een kamer van zeven rechters. Ex officio zal hiervan deel uitmaken een rechter, die onderdaan is van de betrokken Staat of, bij gebreke, iemand van zijn keuze om zitting te hebben als rechter; de namen van de andere rechters worden vóór het begin van het onderzoek in de zaak door de Voorzitter bij loting bepaald.
Artikel 44
Alleen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Commissie hebben het recht zaken aan het Hof voor te leggen.
Artikel 45
De rechtsmacht van het Hof strekt zich uit over alle zaken betrekking hebbend op de uitlegging en de toepassing van dit Verdrag welke de Hoge Verdragsluitende Partijen of de Commissie aan het Hof voorleggen, in overeenstemming met artikel 48.
Artikel 46
(1) Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde verklaren dat zij ipso facto de rechtsmacht van het Hof aanvaardt als van rechtswege bindend zonder nadere overeenkomst in alle zaken betrekking hebbend op de uitlegging en toepassing van dit Verdrag.
(2) De bovenbedoelde verklaringen kunnen worden afgelegd onvoorwaardelijk of op voorwaarde van wederkerigheid van de zijde van enige of bepaalde andere Hoge Verdragsluitende Partijen of voor een bepaalde termijn.
(3) Deze verklaringen moeten worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die afschriften ervan zal doen toekomen aan de Hoge Verdragsluitende Partijen. [ 46 ]
Artikel 47
Het Hof kan slechts een zaak behandelen nadat door de Commissie het mislukken van een minnelijke schikking is vastgesteld en binnen de termijn van drie maanden als bepaald in artikel 32.
Artikel 48
Mits de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij, indien er slechts één is, of de betrokken Hoge Verdragsluitende Partijen, indien er meer dan één zijn, onderworpen zijn aan de bindende rechtsmacht van het Hof of, bij gebreke daarvan, met de instemming van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij, indien er slechts één is, of van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partijen, indien er meer dan één is, kan een zaak bij het Hof worden aanhangig gemaakt:
- a) door de Commissie;
- b) door een Hoge Verdragsluitende Partij, van wie het slachtoffer de onderdaan is;
- c) door een Hoge Verdragsluitende Partij, die de zaak bij de Commissie aanhangig heeft gemaakt;
- d) door een Hoge Verdragsluitende Partij, tegen wie de klacht is ingediend.
Artikel 49
Ingeval van meningsverschil over de vraag of het Hof bevoegd is, beslist het Hof.
Artikel 50
Indien het Hof verklaart, dat een beslissing of een maatregel welke door een rechterlijke instantie of door enige andere instantie van een Hoge Verdragsluitende Partij is genomen, geheel of gedeeltelijk in strijd is met de verplichtingen welke uit dit Verdrag voortvloeien, en indien het nationale recht van deze Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel ten aanzien van de gevolgen van deze beslissing of van deze maatregel toestaat, wordt bij de beslissing van het Hof, zo nodig, aan de getroffen partij een billijke genoegdoening toegekend.
Artikel 51
(1) De uitspraak van het Hof wordt met redenen omkleed.
(2) Indien de uitspraak niet, geheel of gedeeltelijk, de eenstemmige mening van de rechters weergeeft, heeft iedere rechter het recht de uiteenzetting van zijn individuele mening aan de uitspraak toe te voegen.
Artikel 52
De uitspraak van het Hof is beslissend.
Artikel 53
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, zich te houden aan de beslissingen van het Hof in de geschillen waarbij zij partij zijn. [ 47 ]
Artikel 54
De uitspraak van het Hof wordt overgelegd aan het Comité van Ministers hetwelk toeziet op de tenuitvoerlegging.
Artikel 55
Het Hof stelt zijn eigen reglement vast en regelt zijn eigen procedure.
Artikel 56
(1) De eerste verkiezing van de leden van het Hof heeft plaats nadat de verklaringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen, genoemd in artikel 46, het totaal van acht hebben bereikt.
(2) Vóór deze verkiezing kan geen zaak bij het Hof aanhangig worden gemaakt.
TITEL V
Artikel 57
ledere Hoge Verdragsluitende Partij verschaft op verzoek van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een uiteenzetting van de wijze waarop haar nationaal recht de daadwerkelijke uitvoering waarborgt van iedere bepaling van dit Verdrag.
Artikel 58
De kosten van de Commissie en van het Hof worden gedragen door de Raad van Europa.
{[c|Artikel 59}}
De leden van de Commissie en van het Hof genieten gedurende de uitoefening van hun functie de voorrechten en immuniteiten, als bepaald in artikel 40 van het Statuut van de Raad van Europa en in de overeenkomsten welke zijn gesloten krachtens dat artikel.
Artikel 60
Geen bepaling van dit Verdrag zal worden uitgelegd als beperkingen op te leggen of inbreuk te maken op de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, welke verzekerd kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of ingevolge enig ander Verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is.
Artikel 61
Geen bepaling van dit Verdrag maakt inbreuk op de bevoegdheden door het Statuut van de Raad van Europa verleend aan het Comité van Ministers.
Artikel 62
De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat zij, behoudens bijzondere overeenkomsten, zich niet zullen beroepen op tussen haar van kracht zijnde verdragen, overeenkomsten of verklaringen om door middel van een verzoekschrift een geschil, hetwelk [ 48 ]is ontstaan uit de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag te onderwerpen aan een andere wijze van regeling dan die welke bij dit Verdrag zijn voorzien.
Artikel 63
(1) ledere Staat kan, ten tijde van de bekrachtiging of op elk later tijdstip door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verklaren, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of op één of meer van de gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is.
(2) Het Verdrag zal van toepassing zijn op het gebied of op de gebieden welke in de kennisgeving zijn vermeld, vanaf de dertigste dag welke volgt op die waarop de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa deze kennisgeving heeft ontvangen.
(3) In de voornoemde gebieden zullen de bepalingen van dit Verdrag worden toegepast, evenwel met inachtneming van de plaatselijke behoeften.
(4) ledere Staat, die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, kan, op elk later tijdstip, met betrekking tot één of meer van de gebieden welke in de verklaring worden bedoeld, verklaren dat hij de bevoegdheid van de Commissie aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van natuurlijke personen, (andere dan regerings-) organisaties of groepen van particulieren, overeenkomstig artikel 25 van dit Verdrag.
Artikel 64
(1) ledere Staat kan, ten tijde van de ondertekening van dit Verdrag of van de nederlegging van zijn oorkonde van bekrachtiging, een voorbehoud maken met betrekking tot een bepaalde bepaling van dit Verdrag, voorzover een wet welke op dat tijdstip op zijn grondgebied van kracht is, niet in overeenstemming is met deze bepaling. Voorbehouden van algemene aard zijn niet toegestaan krachtens dit artikel.
(2) Elk voorbehoud hetwelk overeenkomstig dit artikel wordt gemaakt, dient een korte uiteenzetting van de betrokken wet te bevatten.
Artikel 65
(1) Een Hoge Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag slechts opzeggen na verloop van een termijn van 5 jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking is getreden en met een opzeggingstermijn van 6 maanden, vervat in een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die de andere Hoge Verdragsluitende Partijen hiervan in kennis stelt.
(2) Deze opzegging kan niet tot gevolg hebben dat zij de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij ontslaat van de verplichtingen, nedergelegd in dit Verdrag, welke betrekking hebben op daden welke een schending van deze verplichtingen zouden kunnen beteke[ 49 ]nen en door haar gepleegd zouden zijn vóór het tijdstip waarop de opzegging van kracht werd.
(3) Onder dezelfde voorwaarden zal iedere Hoge Verdragsluitende Partij, die ophoudt Lid van de Raad van Europa te zijn, ophouden Partij bij dit Verdrag te zijn.
(4) Het Verdrag kan worden opgezegd overeenkomstig de bepalingen van de voorafgaande leden met betrekking tot ieder gebied waarop het overeenkomstig de bepalingen van artikel 63 van toepassing is verklaard.
Artikel 66
(1) Dit Verdrag is voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa opengesteld. Het zal worden bekrachtigd. De oorkonden van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
(2) Dit Verdrag zal in werking treden na de nederlegging van tien oorkonden van bekrachtiging.
(3) Met betrekking tot iedere ondertekenaar, die het daarna bekrachtigt, zal het in werking treden op de dag van de nederlegging der oorkonde van bekrachtiging.
(4) De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft aan alle Leden van de Raad van Europa kennis van de in werking treding van het Verdrag, van de namen der Hoge Verdragsluitende Partijen, die het bekrachtigd hebben, evenals van de nederlegging van iedere oorkonde van bekrachtiging welke later heeft plaats gehad.
Gedaan te Rome, de vierde November 1950, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan alle ondertekenaars.
Voor de ondertekeningen zie blz. 32.
D. GOEDKEURING
Het Verdrag behoeft de goedkeuring van de Staten-Generaal, ingevolge artikel 60, lid 2, van de Grondwet, alvorens te kunnen worden bekrachtigd.
E. BEKRACHTIGING
Bekrachtiging van het Verdrag is voorzien in artikel 66, lid 1.
G. INWERKINGTREDING
Het Verdrag zal, ingevolge artikel 66, leden 2 en 3, in werking treden na te zijn bekrachtigd door tien der ondertekenende Staten, en vervolgens voor iedere bekrachtigende Staat met ingang van de dag [ 50 ]waarop de betreffende akte van bekrachtiging wordt neder gelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
J. GEGEVENS
De Raad van Europa, waarvan de ondertekende Regeringen deel uitmaken, is opgericht bij het Statuut van Londen dd. 5 Mei 1949. Zie Tractatenblad 1951 No. 85.
Voor tekst, vertaling en gegevens van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, op 10 December 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen, naar welke Verklaring in de preambule tot het onderhavige Verdrag wordt verwezen, zie uitgave No. 16 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Juli 1949).
STIKKER.