Economisch programma van Mechelen/Deel 3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

terug naar de eerste pagina


3. HERVERDELEN

Herverdelen met de derde wereld[bewerken]

Resolutie 090 (a)

Een blijvende verder economische groei van de geïndustrialiseerde landen is nagenoeg onmogelijk omwille van ecologische redenen en is ook sociaal gezien niet meer wenselijk. In elk geval kan dit groeimodel niet over de hele wereld verspreid worden. Zo is het niet mogelijk dat overal in de wereld zo massaal energie wordt verbruikt als hier in het Westen. In de plaats daarvan moet ons streefdoel zijn een groei in kwaliteit van het menselijk leven over de ganse wereld. Voor de derde-wereldlanden betekent dit in de eerste plaats dat zij de kans krijgen in de basisbehoeften van hun eigen bevolking te voorzien. De vormgeving van die basisbehoeften moet door de bevolking van de derde-wereldlanden worden bepaald in de lijn van eigen sociale, economische en culturele veranderingen en met het oog op een eigen maatschappijproject. Voor de industrielanden houdt dit vooral het herstel in van de menselijke relaties en van onze verhouding met de natuur. Dit moet gekaderd worden in een meer algemeen streven naar een betere leef-, woon-, en werkomgeving.

Resolutie 091 (a)

Er is een grondige herverdeling van kennis, rijkdom en macht nodig om in de basisbehoeften van alle mensen te voorzien. Dit vergt fundamentele structurele veranderingen en meer in het bijzonder een nieuwe internationale economische orde. Deze kan maar de gewenste resultaten bereiken als ook op de nationale niveaus de welvaart voldoende verdeeld wordt. Van de industrielanden veronderstelt dit de bereidheid om een deel van de greep op de schaarse goederen los te laten (bv. energie, grondstoffen, dierlijke voeding). Deze opstelling is onverenigbaar met een blijvende economische groei bij ons, maar is harmonieus te verbinden met een groei in kwaliteit van het leven, ook hier.

Resolutie 092 (a)

Rechtvaardige en zinvolle handelsrelaties vormen een onderdeel van zo'n nieuwe internationale economische orde. Zo moet de uitvoer van Noord naar Zuid gericht zijn op de basisbehoeftenvoorziening (zinvolle en aangepaste investeringsgoederen) en niet op investeringen waaraan ontwikkelingslanden letterlijk failliet gaan. Het Noorden moet rechtvaardige prijzen betalen voor grondstoffen, landbouwproducten en industriële producten, die de ontwikkelingslanden uitvoeren.

Resolutie 093 (a)

Vooraleer een nieuwe economische orde tot stand kan komen, moet er een oplossing komen voor het probleem van de schuldenlast van de Derde Wereld. Hiervoor moet een aangepaste strategie worden uitgewerkt waarbij er rekening gehouden wordt met de mogelijkheden van elk land. Aan de landen met uiterst beperkte economische mogelijkheden (bv. de M.O.L.) zal de schuldenlast moeten kwijtgescholden worden. Voor de andere landen zal een verregaande herschikking van de terugbetalingstermijnen moeten afgesproken worden. De financiële lasten van deze operatie moeten in de eerste plaats gedragen worden door hen die er het meest voordeel van hebben gehad: de internationale banken en ondernemingen. Tegelijkertijd moet er een heroriëntering komen van het IMF en de Wereldbank, waardoor nieuwe leningen kunnen worden toegekend onder sociaal verantwoorde voorwaarden, die in geen geval een hinderpaal mogen zijn voor de ontwikkelingskansen van deze landen.

Resolutie 094 (a)

De industrie landen moeten bereid zijn hun technologische kennis toegankelijk te maken voor ontwikkelingslanden. Voor de oplossing van bepaalde problemen hebben de ontwikkelingslanden spitstechnologieën nodig die zij zelf moeten kunnen beheersen. Een aangepaste industrialisering zal in vele landen onontbeerlijk zijn om tot een bevredigende en locale oplossing van bepaalde noden te komen. Op dit vlak krijgen de derde wereldlanden geen aangepaste steun.

Resolutie 095 (a)

België moet binnen zijn mogelijkheden ijveren voor het tot stand komen van deze nieuwe economische orde. Het moet hiertoe een zelfstandige politiek voeren op internationale forums en niet langer slaafs in het kielzog blijven van de V.S. of andere grote Westerse mogendheden. België moet deze principes in de praktijk omzetten binnen de eigen handelsrelaties met de derde wereld.

Resolutie 096 (a)

In afwachting van het tot stand komen van een nieuwe internationale economische orde moet België een degelijk ontwikkelingsbeleid voeren. In de eerste plaats moet de aanbeveling van de Verenigde Naties om 0,7 % van het Nationaal Product aan hulp te besteden absoluut gehaald worden. Op middellange termijn moet er gestreefd worden naar 1 %.

Resolutie 097 (a)

Meer ontwikkelingshulp heeft echter geen Zin als deze prioritair gericht blijft op de Belangen van de Belgische bedrijven en van de plaatselijke elites in de ontwikkelingslanden. Ze moet volledig omgebouwd worden en ten goede komen aan de reële noden van de bevolking in de Derde Wereld. Een voorkeur moet gaan naar de armste landen en De zwakke sociale groepen, naar landen die zelf een degelijk ontwikkelingsbeleid voeren en naar landen waarmee België reële banden heeft ontwikkeld.

Resolutie 098 (a)

Het consequent uitvoeren van deze opties zal ongetwijfeld gevolgen hebben op onze levenswijze. De realisatie ervan zal dus maar mogelijk zijn wanneer tegelijkertijd werk wordt gemaakt van een campagne naar de eigen bevolking toe die kan leiden tot een derde-wereldvriendelijke mentaliteit en een groeiende reële solidariteit. In dit proces kunnen NGO- projecten en de animatie die daarrond hier gevoerd wordt belangrijk zijn. Ook het steunen van NGO- projecten op een grotere schaal heeft hierbij een belangrijke demonstratieve functie. Het werk van de NGO’s hier en in de Derde Wereld kan een band scheppen tussen de basis hier en ginder en het gevoel verstreken van solidariteit in dezelfde strijd voor een meer leefbare wereld.


Herverdelen van inkomens in België[bewerken]

ALGEMENE PRINCIPES

Resolutie 099

De huidige inkomensspanning is onaanvaardbaar. Voor Individuele inkomens uit voltijdse arbeid wordt Inkomensspanning van 1 op 3 netto (d.i. 1 op 5 bruto) vooropgesteld. Bij deze inkomensspanning gaan wij uit van een minimum netto maandloon van 25.000 fr., wat het maximum normaal loon op 75.000 fr. brengt.

Resolutie 100

De ongelijke verdeling van het vermogen moet vooral preventief worden aangepakt. Daarnaast moeten vermogens en inkomens uit vermogens ernstig, maar eerlijk belast worden. Het is niet vanzelfsprekend dat het bezit van een vermogen inkomen oplevert. Er zijn ordeningen denkbaar waarbij vermogens normaal per jaar met enkele percenten afnemen, hetgeen dan wel door een positieve aanwending (investering, belegging) terug ongedaan gemaakt kan worden.

Resolutie 101

In de mate dat het eigendomsrecht macht van mensen over andere mensen betekent, moeten nieuwe eigendomsvormen en nieuwe vennootschapsvormen uitgedacht lorden, te samen met nieuwe vormen van beheersrecht, gebruiksrecht en vruchtgebruik.

Resolutie 102

Naast het ingrijpen aan de bron moet de ongelijke verdeling van inkomens en bezit in België worden aangepakt door een hervorming van de sociale zekerheid en van het belastingstelsel. Beide hervormingen moeten hand in hand gaan. Deze hervorming moet ook proberen het overheersend belang van het financiële in alle beslissingen tot mindere proporties terug te brengen. In het ingewikkeld stelsel van loonvorming, sociale uitkeringen, belastingen en tarieven gaat veel menselijke energie verloren. Door dit alles eenvoudiger en doorzichtiger te maken, kan veel tijd vrijkomen voor belangrijker dingen.


HET BASISINKOMEN

Resolutie 103

Onze samenleving is rijk genoeg opdat aan iedereen een onvoorwaardelijk en individueel basisinkomen kan gegarandeerd worden. Met onvoorwaardelijk wordt bedoeld dat het recht op een basisinkomen niet afhangt van de bereidheid om loonarbeid te verrichten noch van enige administratieve controle.

Resolutie 104

Op korte termijn kan het basisinkomen geen alternatief bieden voor de sociale zekerheid omdat het bedrag van het basisinkomen (noodzakelijkerwijze) te laag ligt. Het basisinkomen kan enkel een absoluut bestaansminimum garanderen. Op lange termijn kunnen het basisinkomen en de vervangingsinkomen.s van de sociale zekerheid naar mekaar toegroeien.

Resolutie 105

Het recht op een basisinkomen kan het recht op betaalde arbeid niet vervangen. Dit laatste moet vooral nagestreefd worden via een drastische herverdeling van het beschikbare werk.

Resolutie 106

Het basisinkomen bestaat uit een maandelijkse basisuitkering voor mensen die over geen inkomen beschikken (huismannen en -vrouwen, studenten, gewetensbezwaarden, soldaten...) en uit een basisaftrek op de belasting voor diegenen die wel een inkomen hebben. Voor lage inkomens betekent dat nog maandelijks een gedeeltelijke bijpassing : dit laatste komt neer op een vorm van negatieve inkomstenbelasting. De basisuitkering voor kinderen bedraagt de helft tot twee derden van die van een volwassene, naargelang de leeftijd. Het basisinkomen wordt volledig gefinancierd vanuit nationale belastingsbronnen maar op lokaal vlak uitbetaald.

Resolutie 107

Voor de financiering van het basisinkomen wordt een vierde van het BNP gereserveerd. In 1982 kwam dit neer op 10.000 fr. per maand voor volwassenen. Bovenop dit standaard-basisinkomen zijn toeslagen voorzien voor diverse categorieën met speciale behoeften.

Resolutie 108

De invoering van het basisinkomen wordt gekoppeld aan een volledige herziening van het belastingstelsel.

Resolutie 109

Om te voorkomen dat het basisinkomen de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen zal versterken, wordt het basisinkomen pas ingevoerd na een drastische herverdeling van het betaalde werk.


Herziening van het belastingstelsel[bewerken]

DE INKOMENSBELASTING

Resolutie 110

De progressiviteit van het belastingsstelsel moet op dit moment eerder gezocht worden in een verbreding van de belastingsbasis (d.w.z. minder fiscale fraude, minder belastingvrijstellingen enz.) dan wel in het verder optrekken van de belastingstarieven.

Resolutie 111

Bij een herziening van het belastingsstelsel kunnen volgende elementen in aanmerking komen:

  • een beperking van het aantal belastingvrijstellingen;
  • de vervanging van een aantal belastingvrijstellingen (bv. voor kinderen ten laste, voor de medewerkende echtgenoot) door het basisinkomen;
  • een belastingtarief van 50 % voor beroepsinkomens en vervangingsinkomens, met daarna een verrekening van het basisinkomen;
  • toeslagen op deze 50 % voor de hoge inkomens en inkomens uit vermogens;
  • gekoppeld aan een reële arbeidsduurvermindering worden de laagste belastingsschijven afgeschaft.


SOCIALE ZEKERHEID

Resolutie 112

De sociale zekerheid is een verworvenheid van de welvaartsstaat en moet als dusdanig verdedigd worden. De sociale zekerheid heeft als functie te voorzien in een behoorlijk vervangingsinkomen bij werkloosheid, werkonbekwaamheid (ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte) en pensionering. Deze verschillende stelsels vormen in feite loonverzekeringen die moeten behouden blijven bovenop het basisinkomens. Iedereen die loonarbeid wil verrichten, moet op een gemakkelijke manier in het sociale zekerheidsstelsel kunnen instappen.

Resolutie 113

De andere functies dan het voorzien in een vervangingsinkomen worden uit de sociale zekerheid gehaald. Gezondheidszorg en kinderbijslag worden gefiscaliseerd d.w.z. dat ze gefinancierd worden uit de algemene overheidsmiddelen. Daarbij wordt de kinderbijslag vervangen door het basisinkomen. Het vakantiegeld van de arbeiders wordt rechtstreeks betaald door de werkgevers.

Resolutie 114

Alle stelsels die voorzien in een vervangingsinkomen moeten op termijn samengevoegd worden in een openbaar geheel van loonverzekeringen, waarin de groepsverzekeringen of pensioenfondsen, de wettelijke verzekering voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, en andere vergoedingen die een op elkaar afgestemde plaats krijgen.

Resolutie 115

Het stelsel voor sociale zekerheid moet op termijn gelijkvormig gemaakt worden voor arbeiders, bedienden, ambtenaren en zelfstandigen. In de overgangsfase moeten bestaande rechten van ambtenaren en van deelnemers aan private stelsels evenwel binnen zekere grenzen behouden blijven.

Resolutie 116

Voor beginnende zelfstandigen kan tijdelijk vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen verleend worden.

Resolutie 117

De bijdragen voor de sociale zekerheid worden betaald door werkgevers en werknemers. Zij worden samengebracht in een instelling van openbaar nut die paritair beheerd wordt door werkgevers en werknemers.

Resolutie 118

Op korte termijn wordt uitgekeken naar andere basissen voor de financiering van de sociale zekerheid : de toegevoegde waarde van de onderneming, kapitaal-, energie- en materiaalbelastingen.

Resolutie 119

In de sociale uitkeringen worden drie niveau's onderscheiden:

  • een A-uitkering, d.i. nagenoeg volledige doorbetaling van het loon;
  • een B-uitkering, dit komt overeen met 60 % bruto of 75 % netto, met een maximumgrens van twee keer de minimumuitkering;
  • een C-uitkering, dit is een minimumuitkering van 1,5 keer het standaard-basisinkomen.

Bij arbeidsongevallen en beroepsziekten worden bijkomende vergoedingen uitbetaald, indien dit nodig is om de reële schade volledig te dekken.

Resolutie 120

De A-uitkering is o.m. van toepassing bij beroepsziekten en arbeidsongevallen, en gedurende 1 maand per jaar voor gewone ziekten.

Resolutie 121

De B-uitkering is o.m. van toepassing voor de berekening van het pensioen, bij vrijwillig ontslag, en bevallingsverlof.

Resolutie 122

De C-uitkering geldt o.m. voor jonge afgestudeerden en bij ouderschapsverlof.

Resolutie 123

Het onderscheid dat nu gemaakt wordt tussen gezinshoofden, samenwonenden, alleenstaanden voor de berekening van de sociale uitkeringen valt weg.

Resolutie 124

De pensioenleeftijd moet versoepeld worden zowel naar beneden als naar boven toe. De combinatie deeltijds werk en deeltijds pensioen moet mogelijk worden.


HOGE INKOMENS EN VERMOGEN

Resolutie 125 (a)

Inkomens uit vermogens worden in principe hoger belast dan inkomens uit arbeid. Bij de praktische berekening moet evenwel rekening worden gehouden met een aantal verzachtende factoren. Versoepelingen kunnen toegestaan worden voor kleine vermogens, en voor inkomens uit kapitaal kan binnen bepaalde grenzen in een inflatieaftrek worden voorzien.

Resolutie 126 (a)

De bevrijding van de roerende voorheffing moet ongedaan worden gemaakt.

Resolutie 127 (a)

Op vermogens die een grensbedrag (4 miljoen) overschrijden, wordt een jaarlijkse progressieve belasting geheven van een half tot enkele procenten.

Resolutie 128 (a)

Om de vermogens te kennen moet er op middellange termijn een kadaster van de roerende bezittingen worden opgesteld. Een belangrijk middel daartoe is een wijziging aan het vennootschapsrecht en aan de bankwetgeving om alle waardepapieren "op naam" in plaats van "aan toonder" te maken. Om de vermogens op korte termijn te kennen zal iedereen uitgenodigd worden om jaarlijks zijn bezittingen op te geven, samen met de inkomsten hieruit.

Resolutie 129 (a)

Het bankgeheim op beleggingen en opbrengsten wordt opgeheven. Het bankgeheim op gewone binnenlandse overschrijvingen evenwel niet.

Resolutie 130 (a)

Het opstapelen van hoge vermogens gedurende generaties moet worden tegengegaan door een herziening van de erfenisrechten, waarbij vooral de grootte van de erfenis centraal staat en minder de graad van verwantschap.

Resolutie 131 (a)

De herverdelende werking van de erfenisrechten hoeft niet noodzakelijk langs de staatskas te passeren. De erflater kan ook zelf de erfenis bij testament herverdelen.

Resolutie 132 (a)

De schuldenlast van de overheid die grotendeels toevloeit naar het beleggingskapitaal is niet meer oplosbaar met marktconforme maatregelen. Een monetaire operatie die de schulden en intrestlasten herschikt, vermindert of kwijtscheldt, is onvermijdelijk geworden. Hierbij dient wel het investeringskapitaal gespaard te worden, evenals de reserves van kleine spaarders en middenstanders. Het zijn in de eerste plaats diegenen die het meest van de schuldenlast geprofiteerd hebben, nl. de grote beleggers, die de financiële last van de sanering van de schuld moeten dragen.


ARMOEDE

Resolutie 133 (a)

Verschillende onderdelen uit dit programma hebben als onmiddellijk gevolg dat er ernstig werk wordt gemaakt van de problemen van de vierde wereld in ons land. Het basisinkomen, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid moeten de financiële basis leggen voor het vexwezen1ijken van de elementaire rechten van alle mensen, ook de armsten; recht op gezondheidszorg, gewaarborgd gezinsinkomen, gezinsleven, arbeid, een gezonde leefomgeving, enz. Daarnaast dienen er andere rechten waargemaakt : recht op huisvesting, op volwaardig deelnemen aan het sociaal leven, op kennis enz. De programma's van Agalev die hierrond uitgewerkt worden, zullen prioritair aandacht besteden aan de noden van de vierde wereld hieromtrent. (Toevoeging R. Heylen, formulering werkgroep)

Resolutie 134 (a)

Het bestaansminimum dat nu uitbetaald wordt door het OCMW wordt vervangen door het nationaal gefinancierde basisinkomen en de loonverzekeringen. Niets belet evenwel dat de sociale raad (of het hervormde OCMW) die als opdracht heeft en het best geplaatst is om de concrete noden op te vangen, bijkomende financiële hulp verleent. Het accent van de hervormde OCMW-werking zal wel verschoven worden van de financiële ondersteuning naar de sociale dienstverlening

Resolutie 135 (a)

In afwachting dat het basisinkomen wordt ingevoerd, wordt de financiering van het bestaansminimum overgenomen door de nationale overheid. De toeslagen die bovenop het bestaansminimum worden uitgekeerd en sterk verschillen van gemeente tot gemeente, worden nationaal vastgelegd.

Resolutie 136 (a)

Het KB nr. 244, dat de mogelijkheid uitbreidt om de uitkering van het OCMW terug. te vorderen of te verhalen op de verwanten, moet onmiddellijk ingetrokken worden.


HERORIENTERING VAN HET VERBRUIK

Resolutie 137 (a)

Om het verbruik af te wenden van ecologisch ongewenste goederen en te richten op ecologisch gewenste goederen, zullen fiscale middelen ingezet worden, nl. subsidies en verbruiksbelastingen. De bestaande taksen moeten in die zin omgebouwd worden. Er moet tevens voor gezorgd worden dat de prijsverschuivingen die eruit volgen de welvaart van de lagere inkomensgroepen niet raakt. (Werkgroep: de vroegere resoluties 124 en 125 zijn overgebracht naar het punt "economische politiek", resoluties 080 en 081)


Herverdeling van de arbeid[bewerken]

Resolutie 138

Als men de komende jaren het recht op arbeid aan iedereen wil garanderen, dan is er slechts één uitweg, nl. een grondige herverdeling van het beschikbare werk. Dit betekent evenwel niet dat het werkscheppen het doel is. Er mag geen sprake zijn van het creëren van tewerkstelling, wel van het scheppen, organiseren en verdelen van noodzakelijke of zinvolle arbeid. Een groene herverdeling van de arbeid gaat gepaard met een andere kijk op werk.

Resolutie 139

Het onderscheid tussen betaald en niet-betaald werk is slechts het gevolg van een bepaalde maatschappijordening

het houdt geen oordeel in over de zinvolheid,

de nuttigheid of de belangrijkheid van die arbeid. Beide vormen van werk moeten voor iedereen toegankelijk zijn. Dat betekent naast de herverdeling van het betaalde werk ook een herverdeling van het niet-betaald werk, niet in het minst tussen mannen en vrouwen. Dat betekent ook het doorbreken van de traditionele rolpatronen.

Resolutie 140

In wezen is arbeid niet te beschouwen als een kost voor de hele economie, een kost waarop als vanzelfsprekend bespaard wordt. Het arbeidscontract moet dus evolueren naar een democratische en creatieve deelname aan het bedrijf of de bedrijvigheid, waarbij dan het inkomen gezien wordt als een verdeling van het resultaat. Dit vereist een heroriëntering van looneisen naar eisen van kwaliteit en controle.

Resolutie 141

Middelen voor een herverdeling van de arbeid zijn :

  • een drastische arbeidsduurvermindering;
  • het tegengaan van overuren en cumuls;
  • de uitbreiding van de individuele keuze inzake werk en werktijd;
  • een herverdeling van het betaalde en niet-betaalde werk.

Resolutie 142

De arbeidsduur moet verminderd worden tot 32 uur per week, liefst in verschillende landen van de EG tegelijkertijd. Dit moet gepaard gaan met bijkomende aanwervingen van 10 tot 15 %. Na twee jaar moeten de resultaten geëvalueerd worden.

Resolutie 143

In principe kan deze arbeidsduurvermindering op verschillende manieren doorgevoerd worden: per dag, per week, per maand of per jaar. De organisatie ervan wordt overgelaten aan de onderhandelingen tussen vakbonden en patroons op sectorieel niveau. De vierdagenweek wordt evenwel als streefdoel vooropgesteld.

Resolutie 144

De financiële lasten van de arbeidsduurvermindering worden verdeeld over:

  • de loontrekkenden: via een progressieve looninlevering vanaf 33.000 fr netto;
  • de werkgevers: via een verhoging van de loonkosten;
  • de belastingbetalers: via een selectieve verhoging van de BTW om de sociale bijdragen te verminderen.

Resolutie 145

De vermindering van de werkloosheid via arbeidsduurvermindering mag niet leiden tot inkrimping van de totale loonmassa. Dit betekent dat de bespaarde werkloosheidsuitkeringen worden omgezet in een vermindering van de sociale bijdragen voor de ondernemingen en in bijkomende ambten in de openbare sector.

Resolutie 146

De nieuwe aanwervingen in de openbare sector moeten bij voorkeur gaan naar het opnieuw opvullen van de bestaande kaders die door de wervingsstop onderbezet raakten, en naar de uitbouw van de bestaande halfslachtige betrekkingen zoals BTK, DAC, enzovoort tot volwaardige banen.

Resolutie 147

Overuren en cumuls moeten zoveel mogelijk worden tegengegaan ofwel via reglementering ofwel via progressieve belasting.

Resolutie 148

De individuele keuze inzake werktijd moet worden uitgebreid. Dit kan door de mogelijkheden voor deeltijdse arbeid in zijp diverse vormen (part-time, 1/4 job, 3/4 job) te verruimen, door de keuze te laten tussen deeltijds werk en deeltijds pensioen, en door vormen van loopbaanonderbreking wettelijk en financieel mogelijk te maken.

Resolutie 149 Het aanvaarden van een part-time betrekking mag niet opgedrongen worden. Alle discriminaties in de wetgeving i.v.m. de sociale zekerheid moeten worden weggewerkt.


Herverdeling van kansen tussen mannen en vrouwen[bewerken]

Resolutie 150 (a)

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is één van de meest fundamentele ongelijkheden, niet alleen van onze samenleving, maar van praktisch alle samenlevingen ter wereld, zowel nu als in het verleden. Aan deze ongelijkheid moet gewerkt worden zowel via mentaliteitswijzigingen als via structurele veranderingen.

Resolutie 151 (a)

De traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen moet doorbroken worden. Het betaalde en het niet-betaalde werk moet tussen mannen en vrouwen herverdeeld worden.

Resolutie 152 (a)

Het recht op arbeid, op culturele, en intellectuele verrijking kan alleen gegarandeerd worden indien er goed georganiseerde en goedkope collectieve voorzieningen voorhanden zijn. De overheid heeft de plicht om voor deze voorzieningen in te staan.

Resolutie 153 (a)

Mannen en vrouwen hebben recht op gelijk loon voor gelijk werk.

Resolutie 154 (a)

Gezien de hoge werkloosheid bij vrouwen moet bij het opvullen van bestaande betrekkingen 50 % van de betrekkingen voor vrouwen gereserveerd worden wanneer mannen en vrouwen zich aanbieden met dezelfde de kwalificaties.


terug naar de eerste pagina


ALGEMENE SLOTRESOLUTIE

Resolutie 155 (a)

Wij zijn er ons van bewust dat onze doelstellingen niet geheel met deze maatregelen te verwezenlijken zijn. Zij geven de middelen aan om toestanden niet verder te laten verrotten. Tezelfdertijd geven zij de richting aan waarin moet gezocht worden. Wij beseffen ook dat de veranderingen die wij ons tot doel stellen niet eenvoudig zomaar door een Belgisch of zelfs een Europees Parlement te beslissen zijn. Veeleer moet in alle maatschappelijke geledingen een grondige ommekeer plaatsvinden.