Een Jaar aan Kaap Hoorn

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken

Een Jaar aan Kaap Hoorn

Auteur Doctor Hijades
Genre(s) Reisverslag
Brontaal Nederlands
Datering 1886
Bron Project Gutenberg
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Een Jaar aan Kaap Hoorn op Wikipedia
Door Doctor Hijades uit De Aarde en haar volken, jaargang 1886 (bladzijden 89 tot en met 104)

Op verschillende internationale bijeenkomsten, die het eerst in 1879 te Hamburg, vervolgens te Bern en te Sint-Petersburg werden gehouden, werd een programma besproken en vastgesteld voor eene reeks van waarnemingen en onderzoekingen, die te gelijker tijd, op daartoe aangewezen punten van de poolstreken zouden geschieden, met het doel om gedurende een geheel jaar de magnetische en meteorologische verschijnselen te bestudeeren. Nadat de meeste regeeringen hare goedkeuring aan dat programma hadden gehecht, werden veertien stations aangewezen, waarvan twaalf rondom de Noordpool en de IJszee, en slechts twee zoo dicht mogelijk bij de Zuidpool; en wel een in Nieuw-Zuid-Georgië, dat van wege Duitschland zou worden bezet, en een aan Kaap Hoorn, dat aan Frankrijk werd toegewezen.

De waarnemingen moesten een geheel jaar duren, van 1 September 1882 tot 1 September 1883. Al deze verschillende missiën hebben de haar aangewezen taak volbracht; en hoe treurig ook de afloop mocht zijn van de amerikaansche expeditie onder luitenant Greely, die haar standplaats had op het fort Conger aan de Lady-Franklinbaai, en die van de vijf-en-twintig personen er achttien door den dood verloor,—toch werden alle dokumenten door deze ongelukkigen opgesteld en bijeengebracht, behouden en ter beschikking gesteld van de amerikaansche regeering.

De Oranjebaai

Behalve de speciale studie van de meteorologie en van het aardmagnetisme, was ook aan iedere missie een zeer uitgebreid programma voorgeschreven van sterrekundige waarnemingen en van onderzoekingen op het gebied der natuurlijke historie: zoölogie, botanie, geologie. De vijf leden van de fransche missie wijdden verscheidene maanden aan voorbereidende studiën , om zich geheel op de hoogte te stellen van de taak, die aan ieder meer bijzonder was toevertrouwd. Er moest ook voor woningen worden gezorgd, en men besloot, te Parijs houten hutten of barakken te laten maken, volgens een bepaald plan gebouwd, en die zonder moeite uit elkander genomen en weder opgezet konden worden.

Een rijksvaartuig, de Romanche onder bevel van den kapitein ter zee Martial, die tevens met de opperste leiding der expeditie was belast, moest het personeel en het materieel der missie overbrengen. Gedurende het jaar, dat de missie aan Kaap Hoorn heeft doorgebracht, hebben de officieren van de Romanche, die voor dezen tocht bepaaldelijk waren uitgekozen, zich onledig gehouden met het doen van hydrografische waarnemingen en het in kaart brengen van de eilandengroepen ten zuiden van Vuurland; bovendien heeft de Romanche van alle door haar bezochte streken belangrijke collectiën op het gebied der natuurlijke historie medegebracht, en op haar terugkeer peilingen gedaan.

Het belang der wetenschap stond bij deze geheele expeditie natuurlijk op den voorgrond: de romantische en pittoreske zijde der reis moest noodwendig op den achtergrond treden. Het ligt dan ook niet in mijn plan, de expeditie bij de vervulling harer taak dag voor dag te volgen. Maar afgescheiden van zuiver wetenschappelijke kwesties, waarvan de behandeling niet te dezer plaatse behoort, kwam het mij voor, dat een beknopt verhaal van de lotgevallen der missie, sedert haar vertrek uit Frankrijk tot haar terugkomst, ook voor niet wetenschappelijk gevormde lezers eenig belang kon hebben. Ik zal mij daarbij hoofdzakelijk bepalen tot ons verblijf onder de Vuurlanders.

De Romanche vertrok van Cherbourg den zeventienden Juli 1882; den vijfden September daaraanvolgende, des namiddags ten half vijf, voer zij de straat van Lemaire binnen; in den namiddag van den volgenden dag wierp zij het anker uit in de Oranjebaai, aan de oostkust van het schiereiland Hardy, deel uitmakende van het eiland Hoste, ten zuiden van Vuurland, op 55° 31′ zuiderbreedte en 70° 25′ oosterlengte. I

De Oranjebaai, die in April 1830 door Robert Fitz-Roy, en in Februari 1839 door den Amerikaan Wilkes was bezocht en beschreven, scheen eene geschikte gelegenheid aan te bieden voor de vestiging van onze missie, en was dan ook als zoodanig aangewezen, tenzij onvoorziene omstandigheden onze installatie daar ter plaatse onmogelijk mochten maken: in dat geval moesten wij een geschikter plek opzoeken op het in de nabijheid gelegen eiland Hermitte.

Zoodra de Romanche het anker had uitgeworpen, was dan ook ons eerste werk aan land te gaan, om eene geschikte plaats voor onze nederzetting op te zoeken. Wij behoefden onze eischen niet hoog te stellen: een vlak terrein, waarop wij onze barakken konden opslaan; voorts de nabijheid van eene rivier of althans van drinkbaar water; eindelijk eene geschikte aanlegplaats voor de sloepen die ons materieel aan wal moesten brengen en later, bij den terugkeer van de Romanche, onze gemeenschap met het schip moesten verzekeren. De eerste van deze drie voorwaarden bleek niet voor vervulling vatbaar. Overal waar zich een vlak terrein bevond, was de grond zoo drassig, dat het zeer moeilijk viel daarop te loopen; wij moesten dus een hooger terrein kiezen, waar wij de hutten boven elkander zouden kunnen plaatsen, hetzij op natuurlijke terrassen, hetzij op kunstmatige platformen van boomstammen. Wij aarzelden aanvankelijk in de keus tusschen een landpunt, later Pointe Lephay genoemd, en een kleinen heuvel een weinig ten noorden van die landpunt. Ten slotte kozen wij dit laatste punt, vooral van wege de onmiddellijke nabijheid van eene rivier; en in den vroegen morgen van den achtsten September begonnen de werklieden der missie, bijgestaan door eene talrijke afdeeling matrozen van de Romanche het terrein te ontginnen: welke arbeid de volgende dagen ijverig werd voortgezet.

Den zes-en-twintigsten September 1882 werden de eerste waarnemingen gedaan, die gedurende een geheel jaar onafgebroken moesten worden voortgezet. Eigenlijk hadden zij reeds op den eersten September moeten beginnen; maar wij waren eerst op den zesden aangekomen, en de sedert verloopen twintig dagen waren volstrekt noodig geweest voor onze installatie. Het met dicht kreupelhout en struikgewas begroeide terrein moest worden gezuiverd en geëffend, waarbij op sommige plaatsen de rots moest worden afgehakt. Nadat de barakken waren opgeslagen, moesten de wanden en de zoldering van binnen met een laag vilt, en de vloer met linoleum worden bekleed, om zoo veel mogelijk de koude en de vocht af te weren.

Met de onderzoekingen betreffende de natuurlijke historie was aanstonds een aanvang gemaakt; evenzoo hadden wij al dadelijk kennis kunnen maken met de inboorlingen. Reeds den volgenden dag na onze aankomst in de Oranjebaai waren verschillende prauwen van boomschors naar het schip gekomen; de inboorlingen vroegen om levensmiddelen en voornamelijk scheepsbeschuit, en boden in ruil daarvoor eenige produkten hunner kinderlijke nijverheid aan, zoo als halskettingen van beenderen of schelpen, beenen punten van harpoenen en dergelijken. Deze Vuurlanders schenen in het minst niet ongerust of verbaasd over onze verschijning: veel meer trachtten zij zoo veel beschuit, brood of andere spijzen te krijgen als maar mogelijk was. Zij vroegen noch om brandewijn, noch om tabak, waarmede zij waarschijnlijk geheel onbekend waren; oude kleeren namen zij ook gewillig aan, maar toch was het hun hoofdzakelijk om eetwaren te doen.

Het is niet gemakkelijk, met juistheid den eersten indruk weer te geven, dien de verschijning van deze inboorlingen op ons maakte. Naar het scheen zonder eenig wantrouwen of vrees te koesteren, kwamen zij ons bezoeken of liever om voedsel vragen, in hunne kano's van boomschors, allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, geheel naakt of hoogstens bekleed met een stuk otter- of zeehondenvel, dat over hunne schouders was geworpen. Gedurende onzen overtocht hadden wij alles gelezen wat vroegere zeevaarders, zoo als Weddell, Fitz-Roy, Darwin, Wilkes, over de bewoners van Vuurland geschreven hadden; wij wisten dus dat zij, naar de eenstemmige verklaring van al deze schrijvers, ongeveer op den allerlaagsten trap van menschelijke ontwikkeling staan. Zoodra wij de Vuurlanders zagen, meenden wij hen dan ook te kennen, en zochten wij reeds naar de voornaamste karaktertrekken, door de vroegere onderzoekers aangewezen. Onze verrassing was dus minder groot dan zij anders geweest zou zijn; vooral verwonderde het ons dat wij geen woord van hunne taal verstonden, hoewel wij ijverig de woordenlijst van Fitz-Roy en de taalkundige mededeelingen van andere schrijvers hadden bestudeerd. Het eenige woord dat wij verstonden was het woord beschuit, dat zij biskit of biskir uitspraken en dat als in hun mond bestorven lag. Pogingen om uit te maken met welken stam wij eigenlijk te doen hadden, waren aanvankelijk ten eenemale vruchteloos.

Eerst den volgenden dag, nadat wij de inboorlingen bij herhaling in hunne hutten hadden bezocht en nauwkeurig gelet op een zeker aantal woorden, die zij telkens gebruikten, kwamen wij tot de zekerheid dat de aan de Oranjebaai gevestigde stam dezelfde was, waaraan Fitz-Roy den naam van Tekinika geeft. Onze eerste gesprekken met deze inboorlingen werden grootelijks vergemakkelijkt omdat een hunner eenige woorden engelsch verstond en sprak. Hij zeide Jack te heeten, had eene vrouw en twee kinderen bij zich en had in zooverre iets voor boven zijne stamgenooten, dat hij een mondvol engelsch verstond; voor het overige verkeerde hij in even ellendigen toestand als alle anderen. Hij ontving ons in zijne hut met de grootst mogelijke koelheid; hij antwoordde vrij vlug op de eerste vragen die wij tot hem richtten, maar bleef weldra hardnekkig zwijgen, hetzij uit vermoeidheid, hetzij uit wantrouwen, of om welke reden ook. Over het algemeen was er een merkwaardig verschil tusschen de manier van doen van deze Vuurlanders, als zij in hunne prauwen langs de Romanche dobberden, en als wij hen aan land in hunne hutten bezochten. Op het water schenen zij in hun element; zij waren dan vroolijk en opgewekt, praatziek en familiaar tot lastig wordens toe; aan land daarentegen was hunne houding wel niet vijandig, maar toch teruggetrokken, wantrouwend, gedwongen, als van lieden wien het hindert door vreemden bespied te worden. Verschillende redenen kunnen ter verklaring van deze handelwijze der Vuurlanders worden aangewend. Op zee gevoelen zij zich veiliger; kwam er eene botsing, dan konden zij zich dadelijk met hunne prauwen uit de voeten maken; bovendien was bij hunne bezoeken aan de Romanche hun eigenbelang in het spel en deden zij zich zoo gunstig mogelijk voor, om spijzen te krijgen, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Toen zij zagen dat wij ons aan land kwamen vestigen, zonder dat zij vermoeden konden wat ons doel was, was het vrij natuurlijk dat zij zich over onze verschijning op hun eigen grondgebied ongerust maakten en van onze tegenwoordigheid niets dan overlast vreesden. Dit zijn echter slechts onderstellingen: zij hebben hunne gevoelens nooit uitgesproken, en zij bezitten in hooge mate het vermogen om hunne gewaarwordingen te verbergen en daarvan niets op hun onbewegelijk gelaat te laten blijken.

Op Zondag, 1 October 1882, omstreeks vier uren in den namiddag, liep een amerikaansche schoener de Oranjebaai binnen, en wierp het anker uit tegenover de missie, naast de Romanche. Dit schip, dat jaarlijks deze zeeën bezoekt om robben te vangen, verschijnt dan in den regel in de Oranjebaai, om water in te nemen en zich van brandhout te voorzien. De gezagvoerder had te Punta Arénas, in de straat van Magelhaens, hooren spreken van de voorgenomen vestiging eener fransche missie aan de Oranjebaai, en kwam nu de hulp van onzen geneesheer inroepen voor een zijner matrozen, die ernstig ziek was.

De schoener heette de Thomas Hunt; in vijf dagen had de bemanning, bij de Diego-Ramirez-eilanden en vooral op het eiland Ildefonso, ongeveer driehonderd robben gedood; het hoogste cijfer der op een dag gedoode dieren was ditmaal zeventig geweest. Een paar jaren geleden, had men op een dag vijfhonderd robben gevangen. De robben worden, als zij aan land zijn, omsingeld en dan doodgeschoten, somwijlen ook doodgeslagen; de zeer jonge dieren blijven gespaard, maar alle anderen, mannetjes en wijfjes zonder onderscheid, gedood. De bemanning van de Thomas Hunt bestond uit acht-en-twintig koppen, en er waren zeven geweren aan boord. Men doodt de robben enkel om hun vel; zoodra zij aan boord zijn gebracht, wordt hun het vel afgestroopt, waarna de lichamen in zee worden geworpen. De huid wordt, na ingezouten te zijn, naar Engeland verzonden om daar bewerkt te worden; zij levert eene bekende en zeer gezochte soort van bont op.

De gezagvoerder van de Thomas Hunt was nu reeds gedurende zeven jaren ter robbenvangst gevaren. Hij verklaarde dat die vangst steeds minder voordeelen opleverde en dat het getal dezer robben snel afnam: hetgeen inderdaad niet te verwonderen is bij de ruwe, moorddadige wijze waarop de jagers te werk gaan! Er behoort in waarheid eene groote mate van avontuurlijken zin en liefhebberij voor het vak toe, om het beroep van robbenjager te kiezen, dat tegenwoordig maar eene zeer geringe winst oplevert. Het leven toch dezer robbenvangers is alles behalve gemakkelijk of aangenaam. Hun voedsel bestaat, voor het grootste gedeelte, uit het vleesch der pingouins, die zij dooden of levend vangen; de kapitein van de Thomas Hunt, die zich ook daarmede tevreden moest stellen, verklaarde mij echter dat dit vleesch zeer goed smaakte. De robbenjagers brengen echter niet hun geheelen tijd aan boord door. Op hun schip zijn zij aan tallooze gevaren blootgesteld; maar nog veel erger is hun toestand, wanneer zij, in het belang van de jacht, op een of ander onbewoond eilandje moeten achterblijven en daar gedurende weken of maanden op de terugkomst van hun schip wachten. Blijft dan het schip langer weg dan waarop gerekend was, dan zijn de achtergeblevenen aan de grootste ellende ter prooi. De kapitein van de Thomas Hunt had, voor zijne aankomst in de Oranjebaai, op het eiland Diego-Ramirez acht mannen gevonden, die door eene amerikaansche goëlet daar waren achtergelaten om robben te vangen en van levensmiddelen voor drie maanden voorzien, maar die nu reeds sedert vier maanden op de terugkomst van hun schip wachtten. Hun voorraad was geheel opgeteerd: zij hadden geen ander voedsel dan de vogels, die het hun van tijd tot tijd gelukte te vangen. De Thomas Hunt had deze ongelukkigen opgenomen en hen naar het Beagle-kanaal, naar Ooshooia, gebracht, waar zij aan de verzorging van de protestantsche zendelingen waren overgelaten.

Weldra zouden wij zelven met deze zendelingen in aanraking komen: tot onze groote verwondering zouden wij in dit wilde, onherbergzame land, aan den uitersten uithoek der wereld, beschaafde mannen vinden, sedert lange jaren hier gevestigd. II

In den morgen van den elfden November 1882 wierp eene goëlet, die de engelsche vlag voerde, het anker uit tegenover onze hutten. Onze eerste gedachte was, dat wij ook nu weder te doen hadden met een robbenjager, die hetzij uit nieuwsgierigheid, hetzij om onze hulp in te roepen, ons een bezoek kwam brengen. Deze onderstelling bleek evenwel onjuist: eene van het schip afgezonden sloep naderde snel onze kleine aanlegplaats: zij bevatte twee passagiers, waarvan de een de gezagvoerder van het schip moest zijn, terwijl de ander geheel het voorkomen had van een engelsch geestelijke. Eenige minuten later zetten die heeren voet aan wal, en stelden zich zelven voor: de een was kapitein Willis, gezagvoerder van de goëlet Allan Gardiner, in dienst van den protestantschen zendingspost in Vuurland; de ander was de directeur (superintendent) van dien post, de reverend Thomas Bridges.

Voor ons vertrek uit Frankrijk droegen wij kennis van het bestaan dezer missie: de post is aangewezen op de kaarten van het zuidelijk deel van Vuurland; wij wisten dat wij in geval van nood daar hulp konden gaan vragen, en dat de zetel der missie te Ooshooia of Ouchouaya was, ongeveer honderd kilometers ten noorden van de Oranjebaai. Daartoe bepaalde zich onze kennis van dezen zendingspost.

De heer Bridges deelde ons dadelijk het doel van zijne komst mede. Van den kapitein van de Thomas Hunt vernomen hebbende, dat zich aan de Oranjebaai eene fransche wetenschappelijke missie bevond, waaraan ook een geneesheer verbonden was, kwam hij ons verzoeken, te Ouchouaya een onderzoek in te stellen naar eene hevige epidemische ziekte, die sedert het begin van het jaar onder de protestantsche missie woedde. Een aantal Vuurlanders waren door die moorddadige epidemie aangetast, en al de aangetasten waren na verloop van hoogstens vijf of zes weken bezweken; de inlanders waren als door een panischen schrik bevangen, en het engelsche personeel van de missie begon evenzeer te vreezen voor de besmetting eener ziekte, waartegen geen geneesmiddelen iets hadden gebaat. Men moet evenwel niet vergeten, dat eigenlijke geneeskundige hulp te Ouchouaya niet kon worden verleend, want in de omstreeks vijftien jaren dat de kleine engelsche kolonie daar gevestigd was, had zij nog nooit een dokter gezien.

Het spreekt van zelf dat het verzoek van den heer Bridges onmiddellijk werd ingewilligd; bij gemis van nauwkeurige inlichtingen omtrent den aard en den gang der epidemische ziekte die onder de Vuurlanders in zijne omgeving woedde, was het volstrekt noodig, de patiënten zelven te zien; bovendien waren er onder de gezinnen der zendelingen velen lijdende, die zeer gaarne een geneesheer zouden raadplegen. Dien eigen avond vertrok ik met den heer Bridges aan boord van de Allan Gardiner. Het was een heerlijk schoone avond, toen wij koers zetten naar het noorden; den volgenden dag was het weer niet minder mooi, maar daar de wind in den namiddag geheel ging liggen, moest de goëlet overnachten in een kleinen inham, nabij het Beagle-kanaal, niet ver van den engelschen zendingspost. Den dertienden November verlieten wij des morgens ten negen uren onze ankerplaats, en kwamen twee uren later te Ouchouaya.

Een klein meisje, aangekleed

Op het eerste gezicht maken zij een treurigen, weemoedigen indruk, die weinige engelsche huizen, waarvan al de materialen uit Europa zijn aangevoerd, daar als neergeworpen in die doodsche sombere wildernis, aan dien verloren uithoek der wereld; die eenvoudige huizen, ten verblijve strekkende aan de gezinnen der zendelingen, waarvan velen kleine kinderen hebben, die nooit een ander vaderland hebben gekend. En die indruk wordt er niet beter op als men aan land gaat en de inboorlingen ziet, natuurlijk minder wild dan in de omstreken van Kaap Hoorn, behoorlijk gekleed, eigenaars van betrekkelijk goed ingerichte hutten, somtijds zelfs van netjes onderhouden tuinen; maar desniettemin volstrekt niet gelukkiger dan de naakt loopende Vuurlanders, die in volle vrijheid met hunne prauwen op de zee rondzwerven om hun dagelijksch brood op te sporen. Men zou hier inderdaad belangrijke vergelijkende studiën kunnen maken over de gevolgen van deze proeven van beschaving op volksstammen in volkomen staat van wildheid levende. Is zulk een overgang inderdaad voor hen eene weldaad? De vraag mag worden gedaan, zonder iets af te dingen op den lof en de bewondering, die het streven verdient van de engelsche missie, wier geschiedenis ik hier kortelijk zal mededeelen.

In 1850 besloot Allan Gardiner, kapitein bij de koninklijke engelsche marine, naar Vuurland te gaan om te onderzoeken wat er geworden was van de inlanders, die in 1832 door Fitz-Roy naar Engeland waren overgebracht en twee jaar later weer naar hun vaderland teruggevoerd. Gardiner meende, dat het onvergefelijk zou zijn, zich verder niet met deze wilden te bemoeien, en de kiemen van beschaving en christelijk geloof, door de Vuurlanders van Fitz-Roy onder hunne stamgenoten overgebracht, te laten versterven. In 1850 vertrok hij uit Engeland, met den heer Williams, geneesheer-zendeling, den heer Maidment, architekt, en vier visschers van Cornwallis. In Vuurland aangekomen, verlieten zij hun schip, en gingen over in kano's, waarmede zij naar eene baai op het eiland Navarin wilden varen, waar zij onderstelden dat een der Vuurlanders van Fitz-Roy, die dus engelsch verstond, woonde. Op dien tocht landden zij aan eene vlakte, waar de inlanders hen zoo vijandig ontvingen en eene zoo dreigende houding aannamen, dat zij genoodzaakt waren, zich spoedig weder in te schepen. Een hevige storm veroorzaakte daarop groote schade aan hunne kano's, waarvan een zelfs geheel verloren ging. Van hunne vaartuigen beroofd, namen zij nu de wijk in een verlaten kreek, ten zuiden van Vuurland, waar zij, blootgesteld aan de hevige koude en met een geringen voorraad van mondbehoeften, van week tot week uitzagen of niet een voorbijvarend schip hen redden zou. Naarmate de voorraad slonk, werden zij ziek en stierven allen, een voor een, den verschrikkelijksten hongerdood. Eenigen tijd daarna vond men hun dagboek, waarin men het eenvoudig, hartroerend verhaal van hun lang martelaarschap kon lezen tot op den laatsten levensdag van den laatst overgeblevene, kapitein Gardiner.

In 1854 werd de Allan Gardiner, in Engeland voor rekening van het Genootschap voor de zending in Zuid-Amerika gebouwd, naar Vuurland gezonden. Men koos een van de Falklandseilanden, het eiland Keppel, om daar een post te vestigen, waarheen men de Vuurlanders, die geneigd schenen het Christendom aan te nemen, zou overbrengen om verder hunne opvoeding te voltooien. In 1858 werden, onder leiding van den heer Pakenham Despard, de eerste Vuurlanders naar die missie gebracht: het waren Jemmy Button, een van de Vuurlanders van Fitz-Roy, met zijne familie; voorts drie volwassen paren en twee jonge knapen.

Meenende nu het vertrouwen van de Vuurlanders gewonnen te hebben, achtten de zendelingen in 1859 het oogenblik gekomen om zich in het land zelf dier wilden te gaan vestigen. Onder leiding van den heer Philips en van kapitein Fell van de Allan Gardiner, begaven zij zich dus naar Woollya, op de kust van het eiland Navarin, waar zij aanvankelijk goed werden ontvangen. Maar eenige dagen later, op Zondag, 6 November 1859, terwijl zij godsdienstoefening hielden in eene tot kapel ingerichte hut, werden zij door de inlanders overvallen en allen vermoord. Deze ramp verdoofde evenwel den moed niet van de zendelingen, die op het eiland Keppel waren achtergebleven. Een vaartuig, uitgezonden om te ontdekken wat er van hunne ongelukkige broeders geworden was, keerde terug met den jongen Vuurlander Okokko, die geen deel aan den moord had genomen, maar ook niet bij machte was geweest om dien te verhinderen. Hij was vergezeld van zijne vrouw, en van hem leerden de overgebleven zendelingen de vuurlandsche taal, waarin met name de heer Bridges, de tegenwoordige directeur der missie, die zich in 1802 op het eiland Keppel bevond, snelle vorderingen maakte.

In 1863 keerde de Allan Gardiner, die naar Engeland was geweest om gekalefaterd te worden, naar het eiland Keppel terug met den reverend Stirling; aanstonds werden nu op nieuw betrekkingen aangeknoopt met de bewoners van Vuurland zelf. Deze wilden waren ten hoogste verbaasd toen zij bespeurden dat de blanken er niet aan dachten, wraak te nemen over den voor weinige jaren gepleegden moord aan de zendelingen, wier lijken werden teruggevonden en den 11den Maart 1864, met groote plechtigheid te Woollya begraven. Sedert dien tijd bracht men naar de Falklandseilanden een vijftigtal Vuurlanders, bij groepen van acht of tien te gelijk; zij ontvingen daar eenig onderricht, waarna zij naar hun land terugkeerden en hunne oude zwervende levenswijze hervatten.

In 1865 nam de heer Stirling vier jonge Vuurlanders, van dertien tot achttien jaren, mede naar Europa. Zij bleven zestien maanden in Engeland, waar zij zich onderscheidden door hun goed en ordelijk gedrag, door hunne scherpzinnigheid en vlugheid van begrip. Een van hen stierf op de terugreis, den tweeden April 1867, na eene langdurige ziekte: een ander overleed kort daarna den 24sten Juni; een derde eindelijk bezweek in Maart 1874.

In 1868 werd een klein station gevestigd te Liwaya, op het eiland Navarin, op den zuidelijken oever van het Beagle-kanaal, en in Januari van het volgende jaar vestigde de heer Stirling zich geheel alleen te Ooshooia, op den noordelijken oever van het kanaal, tegenover Liwya. Er was daar eene goede ankerplaats, bosch, water in overvloed, en een grond geschikt voor akkerbouw en veeteelt.—In het begin van 1870 vestigde de reverend Th. Bridges. die een groot deel van zijn leven onder de Vuurlanders op Keppel had doorgebracht en die tot superintendent der missie was benoemd, zich te Ooshooia, met twee bekeerlingen, waarvan de een een bekwaam timmerman en de ander landbouwer was. Hoezeer men met de werkzaamheden zoo veel mogelijk spoed maakte, verliepen er toch twee jaren eer het etablissement te Ooshooia gereed was.

Wie tegenwoordig te Ouchouaya komt, ziet daar een soort van dorp, met een zeker aantal huizen in plaats van hutten, eene kerk, eene school en een weeshuis. De heer Bridges heeft eene vuurlandsche grammaire vervaardigd en een zeer uitgebreide woordenlijst saamgesteld. Hij heeft ook het Evangelie van Lucas in de taal der inlanders overgezet; deze vertaling is, in vijfhonderd exemplaren, te Londen gedrukt. Den 13den Augustus 1881 waren daarvan aan de inboorlingen te Ouchouaya twee-en-twintig exemplaren verkocht, tegen een franc vijf-en-twintig centimes per stuk. Ook ontvangen de kweekelingen der missie zooveel mogelijk onderricht in het engelsch.

De Vuurlanders van Ouchouaya hebben geleerd, hunne akkers en tuinen te omheinen, planken te zagen, hutten te bouwen, wegen aan te leggen. Men heeft runderen en geiten in hun land ingevoerd; zij gaan op europeesche wijze gekleed; in het weeshuis ontvangen vijf-en-twintig ouderlooze kinderen verpleging en onderwijs. De zendelingen, die geene andere macht hebben dan hunne zedelijke meerderheid, zijn de eenige wetgevers, en bijna altijd onderwerpen de inboorlingen zich aan hunne uitspraken. Ouchouaya wordt langzamerhand een middelpunt, van waar de invloed der zendelingen zich naar alle kanten uitbreidt; het is reeds voorgekomen, dat inboorlingen, aan de zendelingen persoonlijk geheel onbekend, hulp en bijstand hebben verleend aan schipbreukelingen, geheel in strijd met de voorvaderlijke overleveringen en gebruiken. In 1882 bedroeg het getal Vuurlanders te Ouchouaya omstreeks honderd-vijftig.

Meermalen is de vraag bij mij opgerezen: welke toekomst is voor deze missie weggelegd? Ondanks de onvermoeide en volhardende pogingen der zendelingen gedurende vijftien jaren, heeft nog maar eene zeer kleine minderheid van de inlanders de oude levenswijze laten varen, de godsdienst en de gebruiken der beschaafden, voor zoover het gaat, aangenomen en zich te Ouchouaya gevestigd. De anderen—dat wil zeggen do overgroote meerderheid—komen wel soms enkele dagen te Ouchouaya doorbrengen, maar zij blijven er niet. Zij geven verreweg de voorkeur aan het vrije, ongebonden, zwervende leven, gaande en trekkende naar het hun lust; ondanks de vele ontberingen en den honger, waaraan zij bloot staan, verkiezen zij deze onafhankelijke levenswijze boven het bestaan van hunne stamgenooten te Ouchouaya, die huizen en akkers en tuinen bezitten, veel minder ontberingen kennen en tamelijk wel tegen honger gewaarborgd zijn, maar die daarentegen ook al de zorgen en beslommeringen ondervinden van het beschaafde leven en bovenal dag aan dag geregeld moeten arbeiden. Dit laatste is voor den wilde—en niet enkel voor den Vuurlander—een schier onoverkomelijk bezwaar. Daar de zorg voor den dag van morgen hem vreemd is, kan hij in den arbeid niets anders zien dan eene doellooze, ondragelijke slavernij, waaraan hij zich tot iederen prijs poogt te onttrekken. Het is volstrekt niets ongewoons, dat een inlander, die een of twee jaren te Ouchouaya heeft doorgebracht en door goed gedrag en ijverigen arbeid reeds een eigen woning en een akker verkregen, op een goeden morgen eensklaps verdwijnt, met achterlating van alles, om tot zijne vroegere levenswijze terug te keeren. Zal het gelukken, die diep ingewortelde neiging te overwinnen en de onrustige nomaden aan vaste woonplaatsen en geregelden arbeid te gewennen? Nog meer: zal ook hier de plotselinge, geheel onvoorbereide overgang van den laagsten trap der barbaarschheid tot de vormen en uiterlijke gewoonten en gebruiken eener hoog ontwikkelde beschaving geen verderfelijken invloed uitoefenen op de inlanders zelven, en zal men hen niet, als zoo vele stammen in Noord-Amerika en op de Zuidzee-eilanden, zien wegkwijnen en uitsterven? Reeds nu is de sterfte te Ouchouaya veel grooter dan elders. III

Met groote spanning werd, ook aan de Oranjebaai, de zesde December tegemoet gezien. Dien dag zou de overgang plaats hebben van de planeet Venus langs de zonneschijf; en om dit verschijnsel goed waar te nemen, waren onder anderen uit Frankrijk, acht speciale missiën naar Amerika vertrokken. Uit een astronomisch oogpunt was de zuidelijke punt van den archipel van Kaap Hoorn zeker de meest geschikte plaats voor waarneming; maar men had dat punt niet durven opnemen onder de aanvankelijk uitgekozen stations, uithoofde van de zeer geringe kans op goed weer in de maand December. Om echter van de gelegenheid, indien zij zich toch mocht aanbieden, gebruik te kunnen maken, was de missie naar Kaap Hoorn voorzien van de noodige instrumenten, voor het gadeslaan van den overgang der planeet.

De zesde December was een regenachtige dag, en reeds des morgens hield men het voor onmogelijk, het verschijnsel van den overgang van Venus waar te nemen. Toch was op het bepaalde uur ieder op zijn post, bereid om de hem aangewezen taak te vervullen; en zie—op het juiste oogenblik helderde de hemel op en vertoonde zich de zon. De operatie gelukte zoo goed mogelijk, en er was dien dag feest in onzen kring.

Wij waren toen in het langst van de dagen, in het midden van den zomer van het zuidelijk halfrond. Maar aan Kaap Hoorn is er eigenlijk geen zomer, of althans geen warm jaargetijde. In December 1882, een der minst koude maanden van het jaar, was de temperatuur gemiddeld +7° 9; in Juni, dat wil zeggen in de koudste maand, daalde de thermometer niet beneden -2° 2. Hieruit blijkt, dat het grootste verschil van temperatuur niet meer dan even vijf graden bedraagt. Voornamelijk hieraan zal wel het mislukken van onze proeven van groenten-kultuur zijn toe te schrijven, waartoe trouwens ook de gesteldheid van den grond niet medewerkte. De bodem bestond toch hoofdzakelijk uit moeras of veen; en waar een dunne laag teelaarde gevonden werd, was de grond zoo doorwoeld met wortels, dat eene ontginning groote bezwaren opleverde: nog daargelaten dat ook deze terreinen zoo vochtig waren, dat wij diepe slooten moesten graven om het water af te voeren. Toch zochten wij in een naburig boschje een terrein van beperkten omvang uit, om daarop eene proef te nemen. Na den grond van wortels te hebben gezuiverd en om het terrein in het vierkant greppels te hebben gegraven, zaaiden wij daarop verschillende groenten: boonen, erwten, kool, salade, radijs, peterselie enz., maar geen van deze groenten bracht het tot rijpheid.

Toch verbouwt de honderd mijlen meer noordelijk gelegen engelsche missie, voor hare eigen behoefte, met vrij goeden uitslag, aardappelen, kool en wortelen, en hebben de inlanders vrij uitgestrekte moestuinen. Maar dit resultaat is niet verkregen dan ten koste van ontzaglijken arbeid voor de ontginning en de drooglegging van het terrein; daarenboven is de grond langs het Beagle-kanaal veel beter voor bebouwing geschikt dan aan de Oranjebaai.

Vuurlanders van de Oranjebaai en van Ouchouaya

Was de zomer niet gunstig voor onze kweekerij en bracht dit jaargetijde al haast evenveel dagen van regen, sneeuw en hagel als de winter, zoo droeg toch de lengte der dagen, de bloeitijd der planten, de betrekkelijke gemakkelijkheid van tochtjes en uitstapjes er toe bij, om ons de zomermaanden te doen waardeeren. In dezen tijd des jaars, gedurende de langste dagen, kwam de zon ten twee uren na middernacht op, en ging eerst ten tien uren 's avonds onder; en de korte tijd tusschen zons onder- en opgang was veeleer eene lange schemering dan een eigenlijke nacht.

Men kan zich moeilijk voorstellen, met hoeveel bezwaren het maken van uitstapjes en zelfs van eenvoudige wandelingen, in den omtrek van de Oranjebaai gepaard gaat. Nergens is een spoor van een weg of zelfs maar van een pad te ontdekken. Langs het strand is het eene opeenstapeling van rotsblokken en groote steenklompen, waartegen men met behulp van handen en voeten moet opklauteren, of waarlangs men zich moet laten afglijden. In het binnenland moet men zich al kruipend een weg banen door oerwouden in miniatuur, waar men elk oogenblik neerploft in uitgeholde, verrotte boomstammen, die met hun bekleedsel van mos en woekerplanten schijnbaar eene vaste oppervlakte vormen, maar bezwijken zoodra men er den voet op zet. Dan weer moet ge door poelen en moerassen waden of over dicht ineengestrengeld doornig kreupelhout loopen dat als een harnas den bodem bedekt. Geen wonder dan ook, dat wij onze meeste tochtjes te water maakten. Moesten wij echter het binnenland bezoeken of een berg beklimmen, dan schoot er niets anders over dan te voet te gaan, vergezeld van eenige matrozen, die de noodige levensmiddelen droegen, want op de Vuurlanders viel niet te rekenen: in den zomer na onze komst, die het meest geschikte seizoen was voor uitstapjes, waren wij nog niet met de inlanders op genoegzaam vertrouwelijken voet.

Een van onze belangrijkste voetreizen was die naar de Bourchierbaai, op de westkust van het schiereiland Hardy, alzoo aan den zoom van den Stillen-oceaan.

Vuurlanders met slinger en harpoen

Den 25sten Januari 1883, des morgens omstreeks vijf uren, vertrokken wij met prachtig weer, van de missie: wij waren met ons vijven, waaronder twee dragers, en richtten ons in rechte lijn naar het westen. Na eene korte halt halfweg, te midden van een bekoorlijk berkenboschje, kwamen wij ten elf uren aan de baai Bourchier. Wij hadden slechts tweehonderd el behoeven te stijgen, en de tocht had zich door geen enkel incident gekenmerkt. Toen wij naar het ruime, fraaie strand afdaalden, vonden wij stukken hout, half in het zand begraven en blijkbaar sedert lang aan weer en wind blootgesteld; bij nader bezien, bleken het overblijfselen van een schip, dat op deze onherbergzame kust was vergaan. En deze ontdekking was niet de eenige van dien aard: dikwijls genoeg vonden wij wrakhout langs het strand, als ten spot van den naam, dien de Oceaan hier draagt.

Deze weemoedige tropeeën der verdelging pasten overigens volkomen bij het woeste en toch grootsche voorkomen van dit onherbergzaam strand. Hier zoekt men te vergeefs naar sporen van menschelijke woningen: niets dan eene grillig gevormde kust, omzoomd door steile heuvelen met berken begroeid, die naarmate zij hooger groeiden, door den fellen wind meer naar het westen waren overgebogen; voorts bochtige, smalle kreeken, ingesloten tusschen hooge, loodrechte rotswanden, langs wier voet de golven klotsten en brandden: in een woord een grootsch, aangrijpend, wild landschap.

Wij besteedden den ganschen dag met het onderzoek van het terrein, van de geologische gesteldheid en formatie der rotsen en der vele kleine inhammen, die als het ware eene voortzetting van de baai en voor vaartuigen ontoegankelijk zijn. In een dezer kreeken vonden wij overblijfselen van een schip dat, voor zoo ver wij konden nagaan, eerst voor korten tijd hier schipbreuk had geleden: eene bijna ongeschonden ton, eene groote hoeveelheid rotting; in eene andere ontdekten wij een groot stuk hout, dat met beeld- en snijwerk was versierd, en blijkbaar tot den spiegel van een of ander schip had behoord.

Het was natuurlijk niet mogelijk, bij dezen en bij dergelijke tochten kampementsartikelen mede te nemen, waaraan wij anders wel behoefte hadden, voornamelijk aan eene tent, waarin wij konden overnachten. Wij trachtten nu in een klein boschje, op een der heuvelen langs de baai, eene hut te bouwen op de manier der inlanders. Men behoeft daartoe slechts eenige boomstammen af te kappen, die met het dikste einde in den grond te steken en met de punten naar elkander te buigen, zoodat aan den top van deze soort van loofhut eene kleine opening gelaten wordt. De inlanders zorgen steeds dat het vuur in hunne hutten brandende wordt gehouden; wij hadden ook gaarne vuur aangemaakt, maar wij zouden door den rook zijn gestikt; wij richtten dus naast onze hut een kleinen brandstapel op, die rook in overvloed gaf, maar geen warmte. Wij ondervonden hier op nieuw, hoe onbeholpen de beschaafde mensch is, als hij over geene andere hulpmiddelen kan beschikken dan die de natuur hem aanbiedt; de wilde weet zich daar vrij wat beter van te bedienen en overwint zonder eenige moeite allerlei bezwaren, waarvoor de wetenschappelijk ontwikkelde, fijn beschaafde blanke radeloos blijft staan.

Onze nacht was verre van aangenaam, maar duurde gelukkig kort: om drie uren was het klaar dag en daalden wij naar het strand af, waar wij verder den morgen doorbrachten. Na in eene kleine vallei tusschen de zandduinen te hebben ontbeten, aanvaardden wij omstreeks één uur de terugreis, nog steeds begunstigd door het heerlijkste weder; de warmte hinderde ons zelfs bij het beklimmen der heuvelen.

Het spreekt van zelf dat ik geen verslag kan geven van al onze tochtjes te land en te water in den omtrek van de Oranjebaai; slechts van een enkel watertochtje zal ik nog even spreken, om een denkbeeld te geven van dergelijke uitstapjes.

In den vroegen morgen van zaterdag, den derden Februari 1883, vertrokken twee leden van de missie, met den praeparator van het Museum, vier matrozen en een Vuurlander, Jonathan genaamd, die een weinig engelsch sprak, in eene sloep van de Oranjebaai. Wij zetten koers naar het noorden: ons doel was, zoo nauwkeurig mogelijk de oevers op te nemen van de Packsaddle-baai, de Tekinika-Sound en de Ponsonby-Sound. Wij hadden voor drie à vier dagen levensmiddelen bij ons; onze Vuurlander moest ons de noodige inlichtingen geven en ons als tolk dienen in het zeer waarschijnlijke geval dat wij inlanders zouden ontmoeten, die wij niet kenden.

Het weer was prachtig: er was geen wolkje aan den hemel te zien, en de zee was zoo glad als een spiegel. Omstreeks elf uur hielden wij stil om ons ontbijt te gebruiken op een klein steenachtig strand, in de Packsaddle-baai, tegenover het eiland van denzelfden naam. Even na den middag gingen wij weer aan boord en voeren langs de Tekinika-Sound, waarna wij herhaaldelijk aan land gingen om de rotsen te onderzoeken en fragmenten van den steen mede te nemen. Tegen den avond bereikten wij den ingang van Ponsonby-Sound, waar wij de sloep op den oever haalden en op het strand overnachtten, aan den voet van boschrijke heuvelen.

Den volgenden morgen ten zes uur werd de sloep weer in zee gelaten en voeren wij verder noordwaarts. Kort daarna, langs een eilandje varende, waar wij tusschen de rotsen verscheidene inlanders meenden te bespeuren, ontmoetten wij eene prauw vol Vuurlanders, die aanstonds onze aandacht trokken. Een hunner, een man van omstreeks veertig jaar, had zijn gezicht geheel zwart gemaakt; de anderen hadden ook zwarte strepen op hun gelaat, en allen hadden boven op het hoofd eene soort van tonsuur, waar het haar zeer kort was afgeknipt. Door tusschenkomst van Jonathan vroegen wij inlichting aan den man met het zwarte gezicht; en deze, Oufhtaradeka genoemd, deelde ons mede, dat allen in den rouw waren over zijne vrouw, die weinige dagen geleden gestorven was. Op mijn verzoek verklaarde de weduwnaar zich aanstonds bereid, mij naar het graf zijner vrouw te geleiden. Hij stapte mitsdien over in onze sloep, en bracht ons naar een klein eilandje in de nabijheid.

Het graf bevond zich nabij eene oude, onbewoonde hut, waarachter men tusschen de struiken het spoor van een pad zag. Op een hoogte van omstreeks zes el zag men een soort van kuil, omstreeks twee el lang en breed en twintig duim diep. De bodem bestond hier uit gruis van schelpen; de randen van den kuil waren geheel begroeid. Oufhtaradeka wees ons de plek waar zijne vrouw begraven lag. De bovenste laag schelpen werd weggeruimd; daaronder vonden wij eenige groene berkentakken, en vervolgens een soort van afdak van boomstronken en schors, waaronder het lijk lag, dat geheel gewikkeld was in oude kleeren, vermoedelijk van matrozen afkomstig, en die met een riem van robbevel om het lichaam waren vastgemaakt. De weduwnaar maakte dien riem los, en wij zagen nu het geheel naakte lijk eener jonge vrouw, die met de voeten naar het noorden lag en geen andere versierselen droeg dan een ring van robbevel om de enkels.

Juist toen ik mij gereed maakte eene fotografie van deze plek te nemen, verschenen drie prauwen met Vuurlanders, waaronder zich een zekere Athlinata bevond, van wien Jonathan bij herhaling gesproken had, als van iemand die een zeer grooten invloed uitoefende en die zijn persoonlijke vijand was. Naar Jonathan verzekerde, was Athlinata—een prachtexemplaar van een wilde, die tegenover ons eene bijna uitdagende houding aannam,—ook jegens de missie aan de Oranjebaai zeer vijandig gezind. Wij oordeelden het voorzichtiger van de voorgenomen fotografie af te zien, en scheepten ons weder in.

Tegenwind verhinderde ons verder noordwaarts te stevenen; ook maakten wij ons ongerust over de verhalen van Jonathan, die beweerde dat Athlinata van onze afwezigheid wilde gebruik maken om de missie aan te vallen. Wij besloten daarom terug te keeren, en brachten den nacht door in een der baaien van Ponsonby-Sound, op een verrukkelijk schoon strand, door bosschen omzoomd en bezet met eenige lichte, van boomtakken opgeslagen hutten. Den volgenden morgen voeren wij naar het eiland Packsaddle, waar wij te vergeefs naar robben uitzagen, die, toch zooals Jonathan verzekerde, hier zeer talrijk waren.

Na aan den ingang van de Tekinika-Sound te hebben overnacht, kwamen wij den volgenden morgen omstreeks acht uur aan de missie terug. De praatjes van Jonathan bleken ongegrond: onze achtergelaten landgenooten waren door niemand aangevallen of verontrust geworden. VI

Ik acht het oogenblik gekomen om mijn lezers meer nauwkeurig bekend te maken met de inlanders, van wie ik tot hiertoe slechts in het voorbijgaan gesproken heb, en omtrent wie wij tot dusver niet dan onvolledige en onnauwkeurige berichten ontvingen. Wij hebben deze menschen zoo nauwkeurig mogelijk en geheel onbevooroordeeld bestudeerd, en ons best gedaan om zoo veel in ons vermogen was, ons te hoeden voor verkeerde oordeelvellingen en vergissingen, waaraan men bij de waarneming der zeden en gewoonten van een geheel wilden volksstam zoo licht blootstaat. Wat wij te zeggen hebben betreft uitsluitend de levenswijze der Vuurlanders: anthropologische en ethnografische kwesties blijven buiten bespreking. Wij zullen ons dus ook niet verdiepen in de vraag, van waar deze eilanders afkomstig zijn, en of zij inderdaad, zoo als men gezegd heeft, zijn te beschouwen als de verbasterde overblijfselen van een amerikaansch volk, dat door overmachtige vijanden verdreven en naar dezen uithoek der wereld terug gedrongen zou zijn.

Onder den naam van Vuurlanders verstaan wij thans alleen de bevolking van den archipel van Kaap Hoorn. Het is duidelijk, dat de twee andere stammen, die de landen in den omtrek van de Straat van Magelhaens bewonen, de Alakalouf op de westkust, en de Ona in het eigenlijke Vuurland, evenzeer aanspraak op den naam van Vuurlanders hebben; maar daar wij met deze stammen niet in aanraking zijn geweest, kunnen wij ook niet van hen spreken.

De Vuurlander van de Oranjebaai en de omstreken van Kaap Hoorn woont van alle ons bekende menschenrassen, het dichtst bij de zuidpool, al is hij daarvan nog door eene wijde zee gescheiden. Hij behoort tot den stam der Tekinika, volgens Fitz-Roy, of der Yaghane, volgens de tegenwoordige engelsche zendelingen. Al wat de eerste reizigers, die hen voor ruim anderhalve eeuw bezochten, van de inlanders verhalen, is nog volkomen waar. Alleen zijn die berichten onvolledig, en verdiepen de schrijvers zich vaak in gissingen, verklaringen en theorieën, waarvan de onhoudbaarheid thans algemeen erkend wordt.

De Vuurlander van Kaap Hoorn heeft niet, als de bewoner der noordelijke streken, weten gebruik te maken van hetgeen zijn land hem kon aanbieden om zijn leven te veraangenamen. Hij heeft noch kleeding, noch huis, noch voorraad. De robbehuid of de mantel van aan elkaar gehechte kleine ottervellen, die hij over de schouders werpt om zich eenigermate tegen de kou te dekken, kan kwalijk den naam van kleedingstuk dragen. De loofhut, die hij binnen een paar uren aan den oever opricht, om daarin naast het vuur neergehurkt, te overnachten, heeft niets gemeens met een huis, hoe eenvoudig ook. Hij leeft weken lang van het vleesch van walvisschen of robben, maar denkt er niet aan om het te bewaren of er een voorraad van te verzamelen. Daar deze levenswijze dubbel vreemd schijnt in een koud land, waar de gemiddelde temperatuur niet hooger is dan 5° (7° 17 in den zomeren 3° 56 in den winter), is eene nadere toelichting niet overbodig.

Kleeding, in den gewonen zin van dat woord, kent, zoo als ik zeide, de Vuurlander niet. De vrouwen alleen dragen iets, dat men een kleedingstuk zou kunnen noemen, namelijk een driekant lapje van ottervel, zoo groot als een hand, dat aan een dunnen riem tusschen de dijen hangt, en dat zij nooit afleggen. Ik moet evenwel hierbij voegen, dat het besef van kuische schaamte hun niet vreemd is, vooral niet aan de vrouwen, zoo als ik meermalen in de gelegenheid was op te merken. De jonge meisjes maken met een soort van wit krijt strepen op haar gelaat: dat is haar eenige koketterie.

De Vuurlanders bewonen nooit dan zeer tijdelijk dezelfde hut: het is dus niet vreemd, dat zij niet veel arbeid besteden aan een verblijf dat zij na weinige dagen, misschien zelfs reeds den volgenden morgen, weer zullen verlaten. Eenige zware takken of boomstammen, zoo in den grond gestoken dat zij elkander van boven raken; enkele handen vol bladeren om de opengebleven gaten zoo goed mogelijk dicht te stoppen: ziedaar de bouwstoffen voor eene vuurlandsche hut. De grond daarbinnen wordt haastig plat getrapt, om daarop het vuur over te brengen en te onderhouden, dat in de prauw brandde: en de woning is gereed. Somwijlen hebben wij grooter en beter tegen den regen gedekte hutten gezien, maar de constructie is altijd dezelfde. Daarentegen zijn er ook familiën, voor wie zelfs zulk eene hut nog te veel is, en die zich eenvoudig aan den voet van eene rots legeren, rondom een vuur, dat de wind en de regen telkens dreigen uit te blusschen. Bedden, in welken vorm ook, zijn ten eenemale onbekend: de Vuurlander slaapt op den blooten grond, hoogstens met wat gras of bladeren bedekt.

Niet minder onbekend is hem de zorg voor de naaste toekomst. Hij leeft letterlijk van den eenen dag op den anderen, van hetgeen de jacht of de vischvangst hem oplevert. Hij heeft ook geene andere bezigheid dan deze: als hij niet jaagt of vischt, zijne prauw timmert of herstelt, of hout hakt voor zijn vuur, dan slaapt hij. Natuurlijk zal men vragen, hoe zij het dan aanleggen, als zij, hetzij van wege het jaargetijde, hetzij door ziekte, niet kunnen jagen of visschen, en ook geen schelpen opzoeken, en zij niet het voorrecht hebben gehad, om langs het strand een dooden rob of een gestranden walvisch te vinden? En het is niet tegen te spreken, dat in den winter, wanneer het soms dagen lang achtereen blijft sneeuwen, zich zulke gevallen kunnen voordoen. De ongelukkige Vuurlanders blijven dan in hunne hutten, die zij niet verlaten dan om in het naaste bosch brandhout te hakken: roerloos hurken zij om het vuur en trachten in den slaap hun honger te vergeten. Nijpt de honger te fel, dan trachten zij dien te stillen door de wortels te eten van de Armeria magellanica, die zij langs het strand opgraven, maar die hoegenaamd geen voedsel bevatten. Echter duren zulke ongelukkige omstandigheden nooit langer dan drie of vier dagen: de inlanders behoeven dus niet te bezwijken, al hebben zij het hard te verantwoorden en al vermageren zij snel, vooral wanneer die vastendagen met korte tusschenpoozen terugkeeren. Maar ten eenemale onwaar is het, wat door oudere en nieuwere schrijvers verhaald wordt, dat de Vuurlanders menscheneters zouden zijn, en dat zij met name hunne oude vrouwen zouden doen stikken, om ze dan in tijd van gebrek te eten. Hoe veel zij ook van den honger mogen te lijden hebben, nooit verslinden zij elkander. Zij zijn zoo weinig kannibalen, dat zij zelfs hun verslagen vijanden niet eten: het gebeurde met de protestantsche zendelingen te Woollya, waarvan wij boven gesproken hebben, is daarvan een bewijs: men vond de lijken van die zendelingen geheel ongeschonden.

Opmerkelijk is de invloed, dien de grijsaards in het gezin uitoefenen en de soort van vereering, die men voor hen koestert. Dit is een eigenaardig verschijnsel, niet gemakkelijk met juiste woorden te omschrijven. Uit de feiten die wij hebben kunnen waarnemen, blijkt de volkomen onafhankelijkheid van de bejaarde hoofden der gezinnen, zoo mannen als vrouwen:—deze laatsten natuurlijk alleen ingeval de man overleden is. Zij doen geheel wat zij goed vinden en niemand maakt daar eenige aanmerking op. Zij hebben altijd eenige kinderen of kleinkinderen bij zich, die hun zeer onderdanig zijn en al hunne bevelen uitvoeren. Toch kan men niet zeggen, dat zij, als bij de patriarchale organisatie der familie, met het oppergezag zijn bekleed. De zoon, die niet met zijn vader overweg kan, scheidt zich af, en trekt met eenige vrienden naar elders, waar hij door de tegenwoordigheid van zijne ouders in zijne bewegingen niet belemmerd wordt. De meest kenmerkende karaktertrek van dit zonderlinge volk is hun hartstochtelijke liefde voor wat zij vrijheid noemen en hun afkeer van elken dwang. Dit dierlijke, echt barbaarsche instinkt wordt alleen beperkt door de banden der familie, die sterk genoeg zijn om alle leden van dezelfde familie, ook al leven zij van elkander verwijderd, elkander te hulp te doen komen, en zelfs bij deze wilden het besef te wekken van solidariteit en een hoogere wet boven de individueele willekeur. Ook hier blijkt op nieuw, dat de familie de bakermat der maatschappij en de grondslag van alle geordende menschelijke samenleving is.

De arbeid is zeer nauwkeurig tusschen de beide geslachten verdeeld. Alle arbeid, die spierkracht en lichamelijke inspanning vordert, komt ten laste van de mannen: zij hakken en vervoeren het brandhout; zij bouwen de hutten en maken de prauwen, waarmede zij ter robbenvangst gaan; zij vervaardigen de harpoenen, waarmede zij de robben dooden, de slingers, die zij ook gebruiken op de otterjacht: bij welke laatste zij ook door hunne honden geholpen worden, die in de holen en gaten doordringen, waarin de otter zich verschuilt.

Hutten der Vuurlanders

De vrouwen verrichten wat wij de huiselijke bezigheden zouden kunnen noemen: bij de eb gaan zij langs het strand mosselen en andere schelpdieren zoeken; zij bereiden en koken de spijzen; zij maken het vuur aan; zij zorgen voor den noodigen voorraad van drinkwater; zij vlechten korven van riet en touwen voor het vastmaken der prauwen; zij vervaardigen de halskettingen van doorboorde schelpen of fragmenten van vogelbeenderen. Ook gaan zij uit visschen in hare prauw, waarbij zij zich bedienen van een hengel, waaraan een mossel of een stuk visch bevestigd is: zoodra de visch die prooi inslikt, halen zij hem ijlings naar boven. Ook visschen zij, met behulp van een soort van lange houten vorken, verschillende schelpen, zelfs op vrij aanmerkelijke diepte. Tot de taak der vrouwen behoort ook het roeien of liever het pagaaien der prauwen: dit is volstrekt geen zwaar werk, want de van boomschors vervaardigde prauwen zijn zeer licht, even als de riemen zelven. Bij al deze verschillende werkzaamheden leggen de vrouwen eene groote mate van bekwaamheid aan den dag.

De prauw, bijna voor den Vuurlander het eenige voorwerp dat hij niet missen kan, is zeer licht en volkomen zeewaardig, maar heeft het groote gebrek dat zij maar zeer kort duurt. Eene goede prauw houdt het gemiddeld niet langer dan zes maanden uit. De mannen vervaardigen de ranke boot, maar de vrouwen zorgen voor het onderhoud, voor het herstellen van gebreken, het dichten van gaten en wat daar verder toe behoort. De zorg voor de prauw rust overigens op alle leden des gezins, op de mannen zoowel als op de vrouwen. Het lot van eene vuurlandsche familie, die op zee haar kano verloren heeft, is al zeer treurig: de ongelukkigen zouden dan vaak op eene of andere kale rots, den hongerdood moeten sterven, wanneer hunne buren of bekenden, ongerust over hunne lange afwezigheid, hen niet gingen opzoeken en redden.

De vrouwen alleen kunnen zwemmen, hetgeen zeker zeer zonderling is voor eene bevolking, die een groot deel van haar leven op zee doorbrengt. Men begrijpt ter nauwernood, hoe de Vuurlanders, zonder te kunnen zwemmen, aan de vele gevaren ontsnappen, waaraan zij telkens zijn blootgesteld, vooral bij tochten die verscheidene dagen duren en waarop zij lichtelijk door storm kunnen worden overvallen of met onstuimige zeeën hebben te kampen. Zij moeten wel een groot vertrouwen stellen in hunne prauwen; bovendien mag men als zeker aannemen, dat velen hunner op zee verongelukken: gedurende ons verblijf hoorde ik althans herhaaldelijk spreken van menschen, die hun dood in de golven hadden gevonden.

Hoewel zij zeer goed kunnen zwemmen, gaan de vrouwen echter zelden voor haar genoegen te water: doorgaans bestaat daartoe eene bepaalde aanleiding, bij voorbeeld, als zij een vogel moeten gaan halen, dien zij van den oever met een steenworp gedood hebben. Meermalen echter, als het weer betrekkelijk zacht was, heb ik de vuurlandsche vrouwen een bad zien nemen en naar hartelust in het water rondspartelen. Het is echter niet waar, wat sommige schrijvers beweren, dat zij veroordeeld zijn om te duiken, ten einde zeeëgels te vangen: daartoe bedienen zij zich van een eenvoudiger middel, en wel van de bovengenoemde houten vorken, aan een langen stok bevestigd.

Ook de kinderen hebben in het gezin de hun aangewezen taak te vervullen. De kleine jongens nemen al spoedig deel aan de werkzaamheden van hun vader, terwijl de meisjes haar moeder behulpzaam zijn. Het heeft zeer mijne aandacht getrokken, dat de kinderen nooit mishandeld worden; veeleer worden zij bedorven door hunne ouders, die zeer veel van hen houden, al is het niet de gewoonte hen te liefkoozen, zoo als men dat vaak in Europa ziet.

Voor zoover ik heb kunnen nagaan, hebben de Vuurlanders geenerlei soort van eeredienst; zelfs is er, naar men zegt, in hunne taal geen woord om daarmede eene godheid, welke ook, aan te duiden. Toch vertoonen zij sporen van eene soort van doodendienst: hoogst ongaarne spreken zij van hun dooden, en die weerzin gaat, althans tegenover vreemden, zoo ver, dat men niet dan met de grootste moeite de namen van hun overleden bloedverwanten, zelfs van hun vader en hunne moeder, vernemen kan. Misschien is het ook daaraan toe te schrijven, dat zij zoo lang wachten, eer zij hun kinderen een naam geven. Zij weten wel dat het kind naar de plaats zijner geboorte genoemd zal worden, maar zij kennen het dien naam eerst toe omstreeks het tweede jaar, als het kind begint te loopen. Komt het nu voor dien tijd te sterven, dan zal het hooren van zijn naam hen niet aan het geleden verlies herinneren. Ook onder elkander spreken zij, naar men zegt, nooit over hunne dooden, hoewel zij tamelijk langen tijd rouw dragen over hunne naaste betrekkingen: ten teeken van rouw maken zij zich het gelaat zwart en scheren zich de kruin van het hoofd kaal. Ook beginnen de vrouwen somwijlen, schijnbaar zonder eenige uitwendige aanleiding, over hare afgestorvenen te weenen en te jammeren. Hangt dit een en ander samen met eene zekere onbestemde, duistere vereering der dooden? Men zou het haast meenen, want de dood op zich zelven boezemt hun geene vrees in. Ik heb zoowel mannen als vrouwen, kinderen zoowel als grijsaards, zonder eenige huivering of aandoening, opgedolven schedels en beenderen van menschen zien behandelen; en ik heb reden om te gelooven—wat de engelsche zendelingen mij trouwens uitdrukkelijk bevestigd hebben—dat zij hun kranken, als het uiterste oogenblik gekomen is, de keel toeknijpen, om aldus spoediger een einde aan hun lijden te maken.

Zij gelooven aan het bestaan van geheimzinnige wezens, die allerlei verschrikkelijke gedaanten kunnen aannemen, en het geluid nabootsen van een zeerob of van eenig ander dier. Wanneer zij 's nachts de stem van zulk een wezen meenen gehoord te hebben, worden zij door doodelijke vrees bevangen; zij verschansen zich op de onmogelijkste manier in hunne hutten, rapen alles bijeen wat zij aan wapenen bezitten, en wachten, bevend en sidderend, tot het gevaar geweken en de dag aangebroken is. Na zulk een nacht te hebben doorgebracht, kan niets hen bewegen, langer op die plek te blijven. Zoo spoedig mogelijk verwijderen zij zich en gaan liefst naar een ander eiland, om aan het geduchte spooksel te ontkomen. Deze geheimzinnige wezens, die hunne slachtoffers vele nachten achtereen vervolgen en plagen, noemen de Vuurlanders oualapatou: zij hebben, veel overeenkomst met de ook bij ons niet onbekende weerwolven. In ieder geval blijkt uit dit bijgeloof, dat ook bij deze wilden het besef van het bovennatuurlijke, hoe ruw en onontwikkeld ook, niet ontbreekt.

Fitz-Roy heeft uitvoerig gesproken van hunne tooverdokters. In werkelijkheid kennen de Vuurlanders zulke personen niet; maar er heerscht bij hen eene gewoonte, waardoor het verhaal van den engelschen reiziger zijne verklaring vindt.

Wanneer een Vuurlander krank is, ondergaat hij geene andere behandeling—uitgenomen de verworging, als het uitgemaakt is dat hij gaat sterven,—dan eene soort van massage, die hetzij op het hoofd, hetzij op de borst, hetzij op eenig ander lichaamsdeel wordt toegepast, waar men onderstelt dat de ziekte schuilt. De personen, die bepaaldelijk met deze behandeling zijn belast, worden yakamouches genoemd, en die titel gaat van vader op zoon over. Als de yakamouche bij een zieke geroepen wordt, hurkt hij bij den patiënt neder, begint een woest, onzamenhangend gezang, met allerlei gelaatsvertrekkingen gepaard, en gaat dan tot de behandeling, uit wrijven en knijpen bestaande, over, steeds schreeuwende en afschuwelijke gezichten trekkende. Van tijd tot tijd houdt de yakamouche even op, om op den patiënt en dan op zijne eigene handen te blazen, die hij vervolgens boven het vuur heen en weer schudt; eindelijk snijdt hij met een schelp of eenig ander scherp werktuig, een haarlok van den patiënt af, en werpt dien in het vuur. Na die operatie is de zieke ongetwijfeld zeer vermoeid, maar toch verklaart hij doorgaans, zich beter te gevoelen.

Ik kan mij zeer goed verklaren dat de reisgenooten van Fitz-Roy, en ook Fitz-Roy zelf, als zij bij toeval getuigen waren van zulk een kuur, daarin eene werkelijke bezwering of betoovering hebben gemeend te zien, door een soort van toovenaar of duivelbanner in praktijk gebracht. Toch kent men aan de yakamouches—waarvan er overigens in genoegzaam elke familie een gevonden wordt,—hoegenaamd geen bovennatuurlijk vermogen toe.

De yakamouches zijn voor het meerendeel bejaard; toch hebben wij er enkelen gezien, die niet ouder konden zijn dan vijf-en-dertig à veertig jaar; voor zoo ver ik heb kunnen nagaan, is er dus geen leeftijd bepaald voor het verkrijgen van deze waardigheid, evenmin als daarvoor eene voorbereiding of inwijding gevorderd wordt. Daar Fitz-Roy hen altijd aan de spits der Vuurlanders vond, wanneer dezen hem een of anderen poets bakten, heeft hij daaruit opgemaakt dat zij zeker gezag over hunne volksgenooten uitoefenden. Maar ik voor mij geloof dat dit niet het geval is, en dat zij geen ander gezag bezitten dan wat hun toekomt als hoofd van een gezin, hetgeen zij altijd zijn, daar de waardigheid of het ambt, zoo als men het noemen wil, eerst na den dood des vaders op den oudsten zoon overgaat. Ook worden zij voor hunne diensten nooit betaald, hetgeen hen zeer stellig van de toovenaars, die wij elders aantreffen, onderscheidt. Evenals alle anderen, leven zij van hetgeen de jacht en de visscherij hun opleveren of van hetgeen zij op andere wijze kunnen machtig worden.

Ziedaar, in een beknopt overzicht, de kenmerkende trekken van de zeden en gewoonten der Vuurlanders, voor zoover zij in wilden staat leven, buiten de engelsche missie aan het Beagle-kanaal.

Ik moot ook met een enkel woord gewagen van hun uiterlijk voorkomen. Zij zijn klein van gestalte: de mannen zijn gemiddeld niet grooter dan één meter acht-en-vijftig, de vrouwen één meter acht-en-veertig. De kleur van hunne huid is licht geel; hunne gelaatstrekken zijn zeer grof en ruw; maar daarentegen hebben zij zeer mooie bruine oogen, vol uitdrukking. Borst en dijen zijn breed; de vrouwen zijn over het algemeen zwaarlijvig. De mannen dragen noch baard, noch knevels; met uitzondering van hun hoofdhair, trekken zij alle hairen uit.

Zoo als ik reeds zeide, namen de inboorlingen in den beginne, tegenover ons, eene zeer groote mate van terughouding in acht. Langzamerhand openbaarde zich meer toenadering en vertrouwen, zonder dat de inlanders daarom eenige verandering brachten in hunne gewone levenswijze. Wel hadden zij de gewoonte aangenomen om, als wij aan tafel zaten, voor onze hutten te komen staan, om de overgeschoten brokken te ontvangen, die zij op staanden voet opaten of anders medenamen in de door ons weggeworpen ledige blikjes, die zij met dat doel hadden opgezameld; maar daarom hadden zij niet afgezien van de vischvangst of van het opzoeken van schelpdieren bij lage zee. Hadden zij op die wijze een paar weken aan de Oranjebaai doorgebracht, dan kwam de oude trek tot zwerven weer boven: zij verdwenen eensklaps, en wij zagen hen in geen maanden terug. Zoo wisselden onze buren telkens af, hetgeen ook al niet bevorderlijk was aan het aanknoopen van nadere betrekkingen.

Eerst vele maanden na onze vestiging, en nadat wij ons een groot aantal woorden van hunne dagelijksche spreektaal hadden eigen gemaakt, veranderde hunne houding tegenover ons en werden zij meer familiaar. Het getal onzer buren bedroeg in den regel dertig of veertig, op een totaal van tusschen de drie- en vierhonderd eilanders, die ons afwisselend kwamen bezoeken. Daaronder waren er nu ten slotte enkelen op wie wij rekenen konden voor het verrichten van een of ander werk: en dan nog moest dat niet te dikwijls voorkomen en vooral niet te lang duren. Nooit maakten zij bedenking tegen het loon, dat bijna altijd uit eenige scheepsbeschuiten of stukken brood bestond. Slechts een of twee hunner hebben wij ettelijke weken achtereen geregeld in onze dienst kunnen houden. Als maatregel van voorzichtigheid, lieten wij nooit een inlander bij ons overnachten; zij moesten altijd des avonds naar hunne hutten terugkeeren, die trouwens op korten afstand van onze barakken waren gelegen.

Het is inderdaad zonderling, dat ook de inlanders die dagelijks met ons verkeerden, er niet in slaagden ook maar een weinig fransch te leeren: dikwijls genoeg was ik er getuige van, hoeveel moeite zij zich gaven om eenige woorden van onze taal te onthouden: zij zeiden de woorden zeer goed na, maar eenige oogenblikken later, waren zij ze weer vergeten. Zij vroegen ons alle dagen om brood, maar gebruikten daarbij altijd het engelsche woord bread. Ik geloof dat zij nooit meer dan twee fransche woorden hebben kunnen onthouden: oui en chemise. Hun voorraad engelsch is ook bijster gering, en bepaalt zich doorgaans tot vijftien of twintig woorden, die zij meer of minder goed uitspreken.

Bij voorkeur richtten onze Vuurlanders hunne schreden naar ons laboratorium van natuurlijke historie; zij wisten dat men daar op hun persoon allerlei waarnemingen deed, waartoe zij zich volgaarne leenden, in het vooruitzicht op eene belooning, wat beschuit of andere spijze. Zij werden gemeten en betast; alle physiologische bijzonderheden in bouw en constructie werden nauwkeurig onderzocht en opgeteekend; van de verschillende doelen van hun lichaam werden afdrukken in gips genomen. Ik heb zelfs een Vuurlander, en wel den geduchten Athlinata, bijkans vier uren achtereen onbewegelijk zien stilstaan om een afdruk te kunnen nemen van zijn geheelen persoon ten voeten uit. Dat de proef mislukte, was niet zijne schuld, maar alleen te wijten aan de slechte kwaliteit der gips, die bedorven was.

Vuurlandsche vrouwen

Eerst den twintigsten December 1882 kon het laboratorium in gebruik worden gesteld. Bij gemis van de noodige materialen had men het grootendeels van planken van pakkisten moeten opslaan. Het stond op eenigen afstand van de andere barakken: daarom konden wij den Vuurlanders, den geheelen dag door, vrijen toegang verleenen, zonder dat de goede orde in de missie daardoor leed. Zij waren daar dus bijna geheel te huis, en kwamen en gingen bijkans naar dat het hun goeddacht. Hoewel zij er nooit alleen werden gelaten, was hun aantal dikwijls zoo groot, dat werkelijk toezicht onmogelijk was: toch hebben zij nimmer iets ontvreemd, ondanks hunne reputatie van dieven, die zij aan vroegere zeevaarders te danken hebben.

In den morgen van den eersten September 1883 werden de magnetische en meteorologische waarnemingen van de missie aan Kaap Hoorn officieel geëindigd verklaard. Sedert de laatste dagen had men zich reeds onledig gehouden met het overbrengen van de kisten en doozen, die onze collectiën bevatten, aan boord van de Romanche. Den derden verlieten wij aan boord van dat schip de Oranjebaai, waar wij een jaar hadden doorgebracht. Vier dagen later kwamen wij te Punta Arénas in de straat van Magelhaens, van waar wij den twaalfden vertrokken, om zonder verder oponthoud onze reis naar Frankrijk voort te zetten. Den elfden November wierp de Romanche het anker uit op de reede van Cherbourg,


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Een Jaar aan Kaap Hoorn) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.