Een klein heldendicht/VII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VI. Een klein heldendicht van Herman Gorter

VII.

VIII.


[ 76 ]
 

 VII.

Ada en Fransje, Clara en Maria
gingen te samen om naar haar te hooren,
die op de weide op den eersten Mei
vertellen zou den strijd der arbeidsters.
Zacht scheen de lucht en de zon wimpelde,
het water stroomde hun buiten de poort
temoet—en iets van de toekomstige dagen
was daar. Hun hart proefde het en hun lip.
Statig wapperde uit de blauwe lucht
boven het weiland, en roode banieren
hingen er zwaar in neder als muziek.
Scharen van vrouwen kwamen, als donkre
kleurwolken door een herfstbosch—jonge meisjes
als zwanen trokken, heldre oogen schoten

[ 77 ]

pijlen omhoog, en stille harten klopten
als kleine werktuigjes. Zacht als een zon
kwam daar de spreekster over het tapijt.

Zij was in 't teeder bruin gekleed en zacht
leek ze—de zon omwikkelde haar gestalt',
maar hare oogen straalden uit dat zachte
envelop heen naar al de gloeiende
wezens die rondom haar diepkleurig gingen,
en zacht kwam ze in haar bruine japon
en met haar hoofd als van een hert.
 Zij boog
zich zacht voorover naar de menschen toe.
De hemel omvatte in wijde stilte
dat stuk der aarde waar ze stonden. Zij
begon met zoete klinkende stem te spreken.
Maria's hart hing, en haar mond was open.
Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom.

„D' achturendag.—Wij vragen hem omdat
de vrouwen niet sterk genoeg zijn, en om-

[ 78 ]

dat de eeuwge krachtsinspanning in fabriek
ons, vrouwen, sloopt. Daar zitten wij 't eentonig
werk doende, onze teedre zenuwen
verstompen door den blik op de machine.
De hersens worden stomp als botte messen—
wij denken niet meer,—onze hand doet maar.
Onze ziel druppelt uit ons lichaam weg.

Wij vragen den achturendag, omdat
wij gezond willen zijn, zooals de boomen,
zooals de dieren, als deez' gouden zon
wier schijn ik hier in mijne vingren heb.
Wij vragen den achturendag, omdat
wij vrouwen bergen willen zijn van ge-
zondheid. Wij vragen hem omdat wij willen
golven zijn van rijp vleesch en helder bloed.
Wij vragen den achturendag, omdat
ons lichaam anders is, dat iedre maand
bloed stort en vrucht draagt. Als wij niet beschermd
worden, dan stort het nieuw geslacht uit ons
zwak en bouwvallig, en groeit niet vast op
tot rijke, rijpe, rijzige gebouwen.

[ 79 ]

Wij vragen den achturendag omdat
wij meisjes, maagden, moeders zijn. Daarom
vragen, ja eischen wij d' achturendag.

Wij vragen den achturendag, omdat
het kind beschermd moet worden, dat in ons
leeft, hier in onzen schoot. Als dit lichaam,
deez' armen, dit bovenlijf, deze beenen,
en dit hoofd niet zacht gaan, en aan het kind
denken—dan wordt de stoot, hier gestooten,
voortgeplant op het kind. En als mijn hoofd
niet denkt voortdurend aan mijn kleine kind,
en als mijn hoofd niet rijp verstandig denkt
in mijne zwangerschap, dan wordt mijn kind
dom of dof of arrem, zooals zoovelen.

Wij vragen den achturendag, omdat
het zacht gebabbel van het kleine kind
door ons gehoord moet worden. Wij willen niet
heengaan van de aarde zonder dat gehoord
te hebben, dat zachte beekvalletje

[ 80 ]

door ons huis heen. Als wij in de andre kamer
zijn, dan spreekt het daar verre stil, zijn ziel
beweegt, gaat open, en klankt open als
een bloem. Zouden wij geen tijd hebben om
dat te hooren? O geeft ons dan den dag
van acht uur, dat er een stuk voor
ons over is om naar ons kind te luistren.

Wij willen onzen jongen tot een man
zien worden—de eerste manlijke gedachten
zien over zijn gelaat, de eerste taal
van mannelijke daad hooren, zijn bleeke
wangen onder zijn donkerbruine haren
bespieden, en weten wanneer de liefde
de eerste klop doet in zijn slaap, daar hoog
aan zijn gezicht, laag in zijn hart. Wij willen
aan ons meisje vertellen, wat de liefde
is, wat de man. Wij willen bij haar zijn
totdat zij vrouw is, als haar eigen zuster.

Wij willen bij onzen man zijn opdat

[ 81 ]

wij onze liefde voor hem, o, doorproeven.
Tot aan zijn dood of onzen dood. En om-
dat onze kinderen moeten zien wat of
een huwlijk is. Daarom d' achturendag,
want zonder dien bestaat daarvoor geen tijd.

Wij eischen den achturendag omdat
ons hart brandt. Wij zijn niet de doode menschen
der bourgeoisie, wij zijn de proletaren,
de bloemen der menschheid. In onze harten
brandt een fakkel, wij willen naar hooger
als vlammen. De natuur roept ons.

Ziet ge die blauwe wolken? Daarheen willen
wij, hier onze kleine gestaltetjes.

Wij willen de natuur in, willen schoonheid
zoeken en vinden in het schuim der zee,
wij willen de muziek aanhooren
die opstijgt van het zeevlak, wij willen

[ 82 ]

liggen aan 't strand en de geheimen van
de schelpen en het zand voor ons uitkijken,
wij willen de vogels zien gaan in 't bosch,
wij willen de bloemen daar uit zien groeien,
wij willen de zon als een broeder voelen,
even vrij als hij zijne stralen zendt
willen wij dat de menschheid ons uitzendt.

Wij willen 's avonds in ons kamertje
gedichten lezen, bliksem door de hersens
voelen van gedachten, en gloed in wel
van ons hart, als de hartstocht in leugen
en schoonheid der fantasie waarheid wordt.

Wij willen in de museums stil gaan
langs de marmeren lijven, en in ons
schoonheid voelen aan de antieken verwant.
Wij willen bij de muziek luisteren
die als een stroom over ons henen komt,
en ons reinigt als een stroom door ons hart.
Wij willen reine wetenschap kennen

[ 83 ]

want zonder die worden wij nimmer sterk.

Wij eischen den achturendag omdat
hij vastheid geeft.

Wij eischen den achturendag omdat
gij en ik moeten maken lichamen
van menschen, die de bezitters bestrijden.
Gij en ik moeten van onz' lijven stalen
geraamten maken, waar de harde vuist
van den patroon op stuk slaat, als hij ons
aantast.
Gij weefsters en gij naaisters en gij die
spint—ziet gij niet hoe uw heeren maken
verbonden tegen u—gij, maakt ze ook
en strijdt met hen.

Tijd is noodig, een stukje van den tijd.
Wij moeten 's avonds in dat stukje tijds,
geroofd van 't kapitaal, in ons hoekje

[ 84 ]

gaan zitten en studeeren wat toch is
de maatschappij en haar groote lichaam.
Wij moeten met gedachten in de hoeken,
waar gewerkt wordt, dringen, en evenals
met 't lijf des daags het kapitaal, zoo 's avonds
met onz' gedachten nog eens 't kapitaal
maken, met ons begrip. Gij moet d' oorzaken
der proletariërsellende door-
vroên—de voorwaarden van bevrijding
naspeuren, en als vrouwen doorzoeken
hoe gij dubbel slaaf zijt, arbeidster-vrouw!
Daarom de achturendag!

Gij moet den politieken strijd doorgronden tot
zijn bodem, onder zijn diepsten bodem.
Gij moet inzien hoe gij met u allen,
hoe wij met ons allen tot ééne macht
moeten worden, zooals de lucht daarginds
één is. Wij moeten inzien hoe de strijd
niet in het vak slechts, maar tegen den Staat
gevoerd moet worden, dat wij als een storm
kunnen worden, als wij in diepe lucht,

[ 85 ]

organisatie, alle vrouw saambrengen.
 Daarom acht uur.
 
O komt vogels, komt breede schare van
zwaluwen, heft u op en komt met ons
te zamen de deinzende diepte in
der toekomst. Komt vrouwen, komt zusters,
verheft u uit deez' tijd naar de toekomst.
Uw blanke en bruine kleuren, uw cirkels
en massa's, die daar staat, o komt, o komt!
Wie is de toekomst zoozeer als gij, vrouwen?

Te zamen met den man willen wij vrouwen
ten strijde trekken tegen 't kapitaal.
Te zamen met den man willen we onze scharen
helkleurig opschiên doen naar d' hooge burcht.
Ziet gij niet hoe daarginds hoog in het zonlicht
het denkbeeld van het socialisme staat?
Welnu —
Wij eischen den achturendag omdat
alleen een geestelijk en zedelijk,

[ 86 ]

lichamelijk en zielssterk proletaarjaat
het socialisme timmren kan met daden."

Maria dacht aan haar man—en zij ging
langzaam en zwaar naar huis om hem te zoeken.
Haar lichaam was zwaar en haar borsten zwaar.
Zij zag haar kameraden langs zich gaan,
zij voelde hoe zij geheel was met hen,
maar hoe zij aan hem diepst van al verknocht.