Eenheid/Nummer 243/Mijne liefde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Mijne liefde . . .
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 30 januari 1915
Titel Mijne liefde . . .
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [5], 243, ?
Eenheid no 243 article 01 column 01.jpg Eenheid no 243 article 01 column 02.jpg
Genre(s) Poëzie
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

MIJNE LIEFDE . . .

Aan Haar.      

      Dit zijn mijne woorden. Dit is mijne zoete taal.
      Mijn hart spreekt:
      Mijne liefde is dan eindelijk taal geworden, mijn liefde is taal. De kracht van mijne nieren, mijner spieren, mijner harde beenderen en mijner teêre gedachten, deze kracht is taal geworden.
      De liefde heeft in mij geleefd en ik leefde door haar, maar zij kwam en zij ging en zij stond en wàs nimmer, maar nu is zij eindelijk geboren en zij is taal geworden en leeft door taal tusschen U en mij.


      Als ik zie eenen daverenden trein, die langs mij dondert, dan denk ik: Zóó is zij, mijne liefde;
      als ik zie den hemel als ’n groote blauwe bloeme, ik zeg: zoo is zij, mijne liefde;
      als ik zie de zee, die wel wijd is, ik zeg: zóó wijd is zij.


      Hoor ik den vogel, die ten hemel stijgend zingt met zilveren stem, ik zeg: zóó zingt zij, mijne liefde;
      als ik hoor den wind, wanneer hij tot een orkaan gegroeid is in den nacht; – hij giert en brult en rukt aan de huizen en aan de vensters der huizen – ik zeg: precies zóó is zij, mijne liefde;
      als ik hoor den zang van den engel die in de stilte leeft en ik zeg U, dat ik hem hoor – ik lach en ik denk: ja, dàt is zij, mijne liefde.


      Als ik ruik de roos, vóór zij nog geplukt, voor zij nog gezien is, ik denk: ja, ja zóó geurt zij, mijne liefde;
      als ik opsnuif de jonge en geurige lentelucht, neen, zeg ik dan, Haar geur is reiner.
      De hyacinthen kunnen bedwelmend ruiken: mijne liefde is bedwelmender.


      En toch: ik heb Haar willen dooden, precies gelijk de wereld haar nu tracht te dooden.
      Maar, ach, haar doodende bekwam zij opnieuw leven. En in welke mate!
      Ach, zij groeit.
      Steeds grooter wordt hare gestalte, zij groeit immer voort en ik heb tot mij zelve gezegd: dàt is zij nu; zij is onsterfelijk.


      En daar danst zij nu en daar gaat zij nu en daar komt zij nu op u aan.


      Er mogen oorlogen zijn en gruwelen van vernietiging bedreven worden – dáár naast leeft zij. De geheele wereld mag haar adem inhouden. Háár warme adem strijkt liefelijk als zomerwind langs uw gezicht.
      Er mogen overspanningen zijn; vernietiging en geweld mogen brullend juichen om de overwinning; de haat mag lachen;
      zij komt en brengt overwinning door haar ademtocht. Die brengt de rust der eenmaking op het oogenblik, dat hij vaart tusschen u en mij.
      Haar adem is zacht en met die levenslucht opent zij uwe ziel; die zijn mag als 'n marmeren kelder, waaruit de koelte der eenzaamheid opstijgt.
      Maar zij komt en haalt de schatten, welke gij zelve niet wist te bezitten, naar boven, naar het licht en toont u wat in het stille huis van uweziel dood neêrlag, voor uwe verwonderde oogen.
      Zal zij dan van water niet wijn maken?
      Zal zij dan van eenige brooden niet maken manden vol.
      Zal zij Lazarus niet uit zijn graf halen? Kom . . .


      Ach, dat wij haar toch begrepen en wij haar zagen in al hare vormen.


      Maar ik ken haar: ik zing van haar en indien gij mij ziet, ik hoop dat gij ziet, dat zij bij mij is.
      En indien gij mij hoort, ik hoop dat gij hoort, dat zij in mij is.


THEO VAN DOESBURG.


      Alphen (N.-B.), 1915 2–4 Januari.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, ISBN 90-6868-255-5, p. 635.