Eenheid/Nummer 288/Oproep

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oproep
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 11 december 1915
Titel Oproep
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [6], 288, [4]
Eenheid no 288 article 01 column 01.jpg Eenheid no 288 article 01 column 02.jpg
Opmerkingen Wassily Kandinsky vermeld als Kandinsky, Gesinus ten Doesschate als G. ten Doesschate
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

OPROEP.

      „Sein offenes Auge soll auf sein inneres Leben gerichtet werden und sein Ohr soll dem Munde der inneren notwendigkeit stets zugewendet sein.

      Der Künstler ist kein Sonntagskind des Lebens: Er hat kein Recht, pflichtlos zu leben, er hat eine Schwere Arbeit zu verrichten, die oft zu seinem Kreuz wird.

Kandinsky.      


      Geachte lezers en lezeressen!
      Het is voor een kunstenaar, dat ik Uw aandacht vraag. Een kunstenaar, waarop het boven dezen oproep geplaatste motto geheel van toepassing is. Een belangrijke persoonlijkheid, die gegroeid uit het socialisme is gaan bloeien in de Theosofie en nu met eene ongekende vruchtbaarheid zijne innerlijke waarnemingen in kleuren en vormen te pronken zet. Wellicht een der eerste zuivere theosofische kunstenaars, die de Kunst opvat als priesterschap en die, geheel de oorspronkelijke wijze vanuit vaste geestelijke en technische grondslagen werken schept, welke oogenblikkelijk voor absolute kunst in aanmerking komen.
      Een Kunstenaar.
      Een eenzame.
      Een mensch, die in ruil voor zijn groot talent alle lasten van den enkeling moet dragen, en die zijn zwaar, vooral in dezen tijd nu het artistiek verkeer met het buitenland zoo goed als afgesneden is en hierdoor van zelf de verkoop van kunstwerken geschaad wordt.
      Het is niet voor de zorg van zijn vrouw en kinderen, niet voor zijn gezin, dat ik mij tot de kunstlievende lezers en lezeressen wend, doch het is voor de zorg voor zijn geestelijk gezin, voor zijn geestesvoortbrengselen, dat ik dezen oproep doe.
      Want die lijden gebrek. Die verlangen naar goede materie, om eens voor allen te getuigen welk een diepe kunstbron de Theosofische leer voor hun maker geopend heeft.
      Begrijpt ge wat het zeggen wil om werkelijk waargenomen vormen van de Gedachte en het Gevoel, om werkelijke Kunst met ’n smerige hars- of temperaverf op gegomd papier of slecht linnen te moeten overdragen? Begrijpt ge wat het zeggen wil? Het wil zeggen: de dood van het materieele en daarmee tegelijkertijd de vernietiging van het geestelijk kunstwerk.
      Om dezen kunstenaar nu in staat te stellen zich nobele materialen aan te schaffen zijn wij, – want ik spreek ook namens eenige collega’s, – besloten een expositie van zijne beste werken te organiseeren en vragen daarvoor de medewerking van geestverwanten en kunstminnaars, ten einde een zeker bedrag, benoodigd voor lijsten, materiaal, expeditie, enz. bijeen te krijgen. Door deze expositie in verschillende plaatsen van ons land te houden, zijn wij in de gelegenheid te manifesteeren met eene kunstuiting, die hare onmiddelijken oorsprong heeft in ’t wezen der Theosofie en hopen hierdoor den hoogbegaafden kunstenaar-denker in staat te stellen zich edele materialen aan te schaffen, passend bij den adel van zijn arbeid, die zijn ziel is.
      Dr. G. Ten Doesschate, oogarts, te Utrecht, Westerstraat 15, van wien gezegd kan worden, dat hij dezen kunstenaar het eerst „ontdekte”, waardeerde en aanmoedigde, was zoo vriendelijk de ontvangst en verantwoording van eventueele gelden, op zich te nemen.
      Elk bedrag voor dit schoone doel zal welkom zijn!

THEO VAN DOESBURG.