Flora (Witte 1868)/42

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
41 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

42. Lunaria biennis

43


[ Pl 42 ]
 

Pl. 42: LUNARIA BIENNIS Moench.

 
[ 165 ]
 

LUNARIA BIENNIS Moench.

Nat. familie:

CRUCIFERÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

TETRADYNAMIA SILICULOSA (Viermagtige-haauwtjesdragende)[1].

 

 

De familie der Kruisbloemige gewassen of Cruciféren behoort tot de uitgebreidste uit het plantenrijk, terwijl de meeste daarvan in het gematigd en Noordelijk gedeelte van Europa inheemsch zijn.

Over het algemeen kenmerken de leden dezer groep zich niet door prachtige bloemen, maar onderscheidene ervan staan daarom in niet minder naauwe betrekking tot ons, en spelen onder onze keukengewassen eene zeer voorname rol.

Alle koolsoorten, alle rapen, radijs, sterkers, waterkers behooren tot de Cruciféren, en het overgroot aantal hybriden, inzonderheid der beide eerstgenoemde, bewijst reeds genoegzaam dat ze in dit opzigt nog al van eenige beteekenis zijn.

Dat er echter ook bij zijn die door haar fraaijen bloei, sommige door haar liefelijken geur, zich zeer gunstig onderscheiden, bewijzen o.a. de mede hiertoe behoorende Zomer- en Winterviolieren (Matthiola annua), waarvan de zaden, in den Erfurtschen handel van bloemzaden, zulk een voorname bron van inkomsten zijn, de Muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), die vermoedelijk alleen omdat ze bijna voor niets te krijgen zijn en er dus vooral op na gehouden worden door hen die niets voor bloemen over kunnen hebben, door hen die er veel [ 166 ] voor over kunnen hebben veronachtzaamd worden, en nog meer andere, waarvan de beide soorten, waaruit het geslacht Lunaria bestaat, gewis niet in de laatste plaats in aanmerking komen.

Niet alleen echter eene uitgebreide, ook eene zeer karakteristieke plantengroep is die der Kruisbloemige, zoo zelfs dat de meeste dezer planten, tijdens den bloei althans, ook door weinig geoefenden als daartoe behoorende herkenbaar zijn, inzonderheid aan de uit vier kruiswijs tegenover elkander staande blaadjes, die de bloemkroon vormen.

Er zijn echter nog een paar karakters voor iedereen waarneembaar, waardoor zich de bloemen van álle Cruciféren onderscheiden en wel in de kelk en de meeldraden.

Ook de kelk bestaat uit vier blaadjes, die nu eens gekleurd, dan groen, maar niet alle vier van gelijken vorm zijn. 't Schijnt namelijk, wanneer men eene groote bloem van eene tot deze familie behoorende plant ziet, als waren ze om het andere op ongelijke hoogten ingeplant. Dit is echter niet het geval, maar alleen het gevolg hunner ongelijkvormigheid. Twee ervan namelijk, die tegenover elkander zitten, kenmerken zich door eene zakvormige verlenging aan de basis, zoodat het onderste gedeelte daarvan lager geplaatst is dan dat van de beide andere, mede tegenover elkander geplaatste, die deze verlenging missen. Ze zijn echter op gelijke hoogte en wel op den bodem der bloem bevestigd.

In die zakvormige verlenging van twee der kelkblaadjes bevindt zich weder dezelfde afscheiding van eene klevige, zoete vloeistof, zoodat ze voegelijk onder de honigbakjes of nectarieën, als hoedanig men, zooals ik reeds vroeger deed opmerken, verschillende, vaak vervormde, bloemdeelen, waarin eene soortgelijke honigafscheiding plaats heeft, onderscheidt.

Een ander vast karakter vindt men in de meeldraden. Deze zijn steeds ten getale van zes in de bloemen der Cruciféren aanwezig, waarvan er echter twee veel korter zijn dan de vier overige, die van gelijke lengte zijn.

Daar dit karakter zeer standvastig is, moest het Linnæus wel aanleiding geven om alle Cruciféren ook tot dezelfde klasse van zijn stelsel te plaatsen, gelijk dan ook deze (de 15e) op dit verschil in lengte der meeldraden gebaseerd is, evenals dit het geval is met de voorgaande (de 14e), waar van de vier aanwezige meeldraden twee langer en twee korter zijn. Deze noemde hij daarom Tweemagtige, de Cruciféren Viermagtige planten. Hier, zooals in meer andere gevallen, stemmen beide stelsels overeen en is er alleen verschil van benaming.

Het geslacht Lunaria, door Linnæus alzoo genoemd, omdat het ronde middenschot der rijpe vrucht als zilver glanst, bestaat, gelijk ik reeds straks opmerkte, slechts uit een tweetal soorten, beide in bergstreken van Midden-Europa tehuis behoorende, beide reeds van oudsher om de fraaije bloemen in de tuinen opgenomen.

Wanneer de plant, waarmede we ons thans speciaal bezighouden, in Mei in vollen bloei staat, mag ze teregt prachtig genoemd worden. Na in de lente van het vorige jaar gezaaid te zijn, maakte haar groei in den daarop volgenden zomer geen groote vorderingen. De plant kwam op en er ontwikkelden zich eenige wortelbladeren, maar daar bleef het bij; geen zweem van een opgaanden stengel werd er zigtbaar. De wortel is dan echter beter ontwikkeld; vrij lang [ 167 ] en dik zijnde heeft die penwortel wel iets van eene lange radijs, met dit onderscheid evenwel dat hij meer neiging toont om zich in zijwortels te vertakken. Ook de smaak houdt ongeveer het midden tusschen radijs en rammenas.—Zoo bleef de plant den winter door leven; de onderste, eerst ontwikkelde bladeren rott'en weg, en de overige bleven groen. Naauwelijks kondigden echter een paar warme dagen in Maart de naderende lente aan, of er kwam nieuw leven in die plant, en dat openbaarde zich niet langzaam, maar snel, zeer snel, als poogde zij hare schade van den vorigen zomer in te halen. Wilde ze toen maar niet opschieten, thans zag men de middelste dier wortelbladeren oprijzen, zich boven de andere verheffen, en weldra werd er duidelijk een stengel zigtbaar, waar al de later zich ontwikkelende bladeren omheen geplaatst zijn.

In weinige weken heeft die stengel ten naasten bij een meter hoogte bereikt en de helder paarse bloemen komen er in grooten getale aan te voorschijn.

Onze plaat stelt het topgedeelte van zulk eene bloeijende plant voor; men wete echter dat ze van onder tot boven rijk met bloemen beladen is, die niet digt opeengepakt zitten; het geheel vormt eene luchtige piramide, waaraan de fraai gevormde en frisch groene bladeren op hoogst bevallige wijze met de talrijke bloemen afwisselen.

Dit is het gevolg van de rangschikking der bladeren en de daarvan geheel en al afhankelijke verdeeling der takken. De bladeren zijn namelijk in spiraalvormige rigting om den stengel geplaatst, en uit ieder bladoksel komt eene vertakking te voorschijn.

Wanneer men—gelijk ik op dit oogenblik—zulk eene plant vóór zich heeft, en men let op die verdeeling, dan wekt het verwondering hoe doelmatig alles hier ingerigt is, opdat het geheel een bevallig voorkomen zou verkrijgen.

De onderste bladeren zijn vrij groot en van tamelijk lange stelen voorzien. Uit de oksels daarvan hebben zich takken ontwikkeld, mede van bladeren, maar die veel kleiner en genoegzaam ongesteeld zijn, voorzien, uit welker oksels eveneens dunnere takjes ontspruiten, elk een vijf of zestal bloemen dragende, terwijl aan den top van den zijtak het dubbeltal zich ontwikkelde.

Naar boven toe nemen de bladeren echter zeer regelmatig in omvang af, terwijl ook de bladstelen trapsgewijs korter worden; de uit de oksels daarvan zich ontwikkelende vertakkingen zijn nu niet meer van onderen af in dunnere steeltjes verdeeld, maar aanvankelijk nog slechts van een drie of viertal ongesteelde blaadjes voorzien en splitsen zich slechts aan den top in eenige bloemtuilen. Hoe digter bij den top, hoe kleiner de bladeren worden, die nu, in plaats van gelijk de onderste, door lange stelen gedragen te worden, daarvan geheel en al verstoken zijn, terwijl eindelijk de top zich als eene digte bloempluim voordoet, samengesteld uit een aantal bloemtuilen, elk door een ongesteeld blad gesteund.

Deze sierlijke verdeeling heeft ten gevolge, dat het geheel een zuiver piramidalen vorm verkrijgt en alle bloemen vrij staan, terwijl de digt om den stengel gegroepeerde bladeren in geen enkel opzigt de bloemen en omgekeerd deze de bladeren niet bedekken.

Wat de afzonderlijke bloemen betreft, deze vertegenwoordigen zeer zuiver de type der Cruciféren, zoodat eene beschrijving daarvan na het boven medegedeelde overbodig te achten is. De bloembladeren, die, even als die der Anjelierachtige gewassen (Caryophyllaceën), van vrij [ 168 ] lange nagels of steeltjes voorzien zijn, zijn helder paars, nu eens wat donkerder dan wat lichter, welke nuancen men bij de planten uit één zaaisel aantreft, doch die te weinig verschil opleveren om er langer bij stil te staan.

Zijn de planten uitgebloeid, dan worden de bloemen opgevolgd door platte vruchten, die aanvankelijk langwerpig zijn, maar weldra genoegzaam zuiver rond worden en dan ongeveer de grootte van een gulden hebben. Die vruchtvorm heeft aanleiding gegeven tot de Hollandsche benaming Judas-penning, onder welke de plant bij ons vrij algemeen bekend is; elke vrucht bevat slechts weinige, vrij groote en platte zaden, die aan het zeer dunne en vliezige tusschenschot bevestigd zijn.

De kultuur van deze plant is uiterst eenvoudig. Men zaait haar in April, bij voorkeur op eene rij, langs een heestervak, waar de planten om zoo te zeggen geen plaats innemen, die voor andere gewassen zou kunnen dienen. Best is het, de korrels twee aan twee, op ½ voet afstands van elkander, een paar duim diep te leggen, en dan later de zwakste van de twee planten bij den grond af te snijden.

Aldus geplaatst leveren ze in Mei van 't volgende jaar een verrassend gezigt op, en zal men alle reden hebben er over tevreden te zijn.

De tweede soort van Lunaria is eene overblijvende plant en heet daarom ook L. rediviva. Ze bloeit genoegzaam gelijktijdig, of iets later. De bloemen zijn zeer licht lilakleurig, bij wit af, en hebben een zachten, aangenamen reuk; ook deze soort, die ik kort geleden in de Sächsische Schweiz aan den voet van "de Brand" in 't wild aantrof, is voor de tuinen zeer aanbevelenswaardig.

 

 
  1. De klasse der Viermagtige, de 15e van het Linnæaansche stelsel, bevat alle planten in welker bloemen zes meeldraden van tweeërlei lengte aanwezig zijn, en wel vier lange en twee kortere. Deze Klasse is in twee Orden verdeeld, berustende op den vorm der vrucht. Is die ongeveer even lang als breed, dan noemt men die vrucht met het verkleinwoord een haauwtje; overtreft de lengte de breedte echter aanzienlijk, dan wordt ze een haauw genoemd. De planten, die zich door de eerste kenmerken, behooren tot de Orde der haauwtjesdragende (Siliculosa), de andere tot die der haauwdragende (Siliquo).