Geschiedenis van den godsdienst in de oudheid/Eerste deel/Inleiding

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Geschiedenis van den godsdienst in de oudheid tot op Alexander den Groote
Eerste deel (1893)
Voorrede - Inleiding - Eerste boek: De godsdienst in Egypte - Tweede boek: De godsdienst in Babylonië en Assyrië - Derde boek: De godsdienst in Voor-Azië - Bibliografische aanteekeningen
Tweede deel (1902)
Voorrede - Transscriptie - Vierde boek: De godsdienst onder de Iranische volken - Bibliografische aanteekeningen - Nalezing
Inleiding

1. Begrip van de geschiedenis van den godsdienst

Godsdienst noemt men in algemeenen zin de betrekking tusschen den mensch en de bovenmenschelijke machten, waarin hij gelooft en waarvan hij zich afhankelijk gevoelt. Deze bepaling omschrijft alleen het voorwerp van ons historisch onderzoek en is geen wijsgeerige ; wat het wezen van den godsdienst is, moet, als resultaat van dat historisch en van psychologisch onderzoek, door de wijsbegeerte worden uitgemaakt. Het woord godsdienst, dat in onze taal oorspronkelijk niet anders beduidde, dan 'tgeen wij nu eerdienst noemen, is langzamerhand in gebruik gekomen voor de religie in haar geheel, ofschoon het in letterlijken zin slechts eene openbaring daarvan uitdrukt. Thans omvat het zoowel de godvruchtige gezindheid des gemoeds als de leer, waarin deze zich uitspreekt en de godsdienstige handelingen, waarin zij zich uit. Indien wij van bovenmenschelijke en niet van bovenzinnelijke machten spreken, dan geschiedt dit met opzet. Ook zinnelijk waarneembare machten, zichtbare goden worden in vele godsdiensten aangebeden, maar bovenmenschelijk zijn zij altijd, zoo niet steeds in werkelijkheid, althans in de schatting hunner vereerders.

Met godsdiensten bedoelt men de wijzen van godsvereering eigen aan verschillende stammen, natiën of vereenigingen, die gegrond zijn op een bij haar leden gemeenschappelijk geloof. Het is een misverstand, wanneer men aan sommige volksgodsdiensten de eenheid ontzegt en beweert, dat men bij voorbeeld niet van den griekschen, den romeinschen, den egyptischen godsdienst, maar alleen van grieksche, romeinsche en egyptische godsdiensten zou mogen spreken. Wij spreken daarvan met hetzelfde recht als van de grieksche taal, al weten wij dat haar dialekten zeer verschilden, gelijk ook haar vormen in de opeenvolgende tijdperken harer ontwikkeling niet dezelfde zijn. Zoo mag men ook om de verscheidenheid der plaatselijke en gewestelijke godsvereeringen en om de veranderingen, die zij in den loop der tijden ondergingen, de werkelijke eenheid der genoemde en andere godsdiensten niet miskennen.

Ook het woord Geschiedenis heeft tweeërlei beteekenis. Evenals het grieksche Historia, waarvan het de vertaling is, wordt het gebezigd zoowel voor de beschrijving van een onderzoek als voor een aaneengeschakeld verhaal, 'tzij van gebeurtenissen, 'tzij van een ontwikkelingsgang. Zoo spreekt men wel van eene algemeene geschiedenis der godsdiensten, in denzelfden zin, waarin men van Natuurlijke Historie spreekt en bedoelt dan eene, naar zekere orde gerangschikte, beschrijving en karakteristiek van alle bekende godsdiensten, ook van die, wier eigenlijke geschiedenis in het duister ligt. Dit is de hierografie in engeren zin, de beschrijvende en vergelijkende, die echter niet het onderwerp van dit geschrift is.[1]

Maar de hierografie omvat ook de eigenlijke geschiedenis van den godsdienst, en daarmede gaan wij ons thans bezighouden, althans voor zooveel de oudheid betreft. Zij is nog iets anders dan een verzameling van geschiedenissen der godsdiensten, die op de ontwikkeling der religie invloed hebben uitgeoefend, zelfs al ware die zuiver chronologisch en niet ethnologisch of morfologisch gerangschikt. Om volkomen aan haar naam te beantwoorden, moest zij niet naar de volken, maar naar de groote tijdperken ingedeeld zijn. In het eerste tijdperk zou dan de geschiedenis van den godsdienst in Egypte tijdens het Oude en Middel-Rijk en in Babylonië voor de stichting van het Assyrische Rijk verhaald moeten worden. De geschiedenis van den godsdienst in het tweede tijdperk zou zich met dien van Egypte tijdens het Nieuwe Rijk tot den val der Ramessiden, van Babel en Assur tot den aanvang der regeering van Tiglatpilesar III., van Israël tot de ballingsphap, van de Hellenen in de pelasgische, acheesche en homerische perioden, den vedischen, den oud-zarathustrischen en eenige gelijktijdige in West- en Klein-Azië moeten bezighouden, en zoo verder. Doch daartoe zouden onze bronnen rijker moeten vloeien en zou de chronologie meer moeten vaststaan. Ook zou men, door telkens den draad van ontwikkeling van elken bijzonderen godsdienst af te breken, het overzicht bemoeilijken en aanleiding geven tot verwarring. Ook hier doet men dus best de geschiedenis van elken godsdienst afzonderlijk en achtereenvolgens te behandelen en die godsdiensten dan te rangschikken naar den tijd, dat zij in de geschiedenis optreden. Alleen zorge men gedurig te wijzen op hun samenhang en verwantschap, op hun historische betrekkingen, op den invloed, dien zij op elkander uitoefenen en hetgeen zij van elkander overnemen, op hun vermenging en hun strijd en vooral ook op het verleden, waarin zij wortelen. Op die wijze geeft zelfs zulk een geschiedenis der godsdiensten een voorstelling van de ontwikkeling der godsdienstige gedachte en gezindheid in de wereldgeschiedenis en wordt zij metterdaad eene geschiedenis van den godsdienst.[2]

2. Methode der geschiedenis van den godsdienst

Het spreekt vanzelf, dat voor dit historisch onderzoek geen andere methode mag gelden, dan voor elk ander. Het moet uitgaan van nauwkeurige en oordeelkundige bronnenstudie en niets mag voor zeker worden aangenomen, wat door die bronnen niet wordt gestaafd. Natuurlijk kan men niet van iederen beoefenaar der hierografie eischen, dat hij voor elken godsdienst, dien hij wil leeren kennen, dit grootendeels filologisch onderzoek zelf instelle. Zelfs de begaafdste geest zou niet in staat, en het langste menschenleven niet toereikend zijn, om zich ook maar de daartoe noodige taalkennis te verwerven. Op een gebied, zoo uitgebreid als dit, is verdeeling van den arbeid dringend noodig. Een grooter of kleiner gedeelte van dat gebied moet ieder hierograaf geheel beheerschen ; voor het overige make hij een oordeelkundig gebruik van anderen wetenschappelijken arbeid. Waar echter die arbeid nog niet of niet naar strenge methode volbracht is, of waar de gegevens ontbreken, onthoude hij zich van gevolgtrekkingen, die door niets worden gerechtvaardigd en van beschouwingen, die op geen degelijken grondslag steunen.

Hypothezen, mits wetenschappelijk gegrond, mogen dienen tot aanvulling van leemten en tot verklaring van verschijnselen, maar er mag nimmer op worden voortgebouwd alsof 't bewezen feiten waren, en zij mogen ook niet met de feiten in strijd zijn. Daar echter geschiedenis iets meer moet zijn, dan een dorre kroniek, en het ook hier, gelijk in alle andere historie, vooral te doen is om het verleden te doen herleven en zooveel mogelijk te begrijpen, kunnen zulke hypothezen hier, evenmin als in elke andere wetenschap gemist worden.[3]

3. De ontwikkelingshypotheze

Daar de eenig wetenschappelijke historische methode de genetische is, die de pragmatische heeft vervangen, moet ook de godsdienstgeschiedenis, zal zij haar wetenschappelijk karakter niet verliezen, van de ontwikkelingshypotheze uitgaan. Deze hypotheze bedoelt, dat alle veranderingen en hervormingen in de godsdiensten, zij mogen naar subjectieve opvatting verbastering of vooruitgang wezen^ het gevolg zijn van natuurlijken wasdom en daardoor het best worden verklaard. De godsdienst-geschiedenis stelt in het licht, hoe die ontwikkeling door het karakter der volken en volkenfamiliën, zoowel als door den invloed van de omstandigheden, waarin zij verkeeren, en van bijzondere personen bepaald wordt en aan welke voorwaarden zij gebonden is.

De ontwikkelingshypotheze laat in het midden, of alle godsdiensten de spruiten zijn van éen enkelen vóor-historischen godsdienst, dan of de verschillende familiën van godsdiensten, zooals de semietische, de ario-europeesche en andere, uit even zoovele, slechts ideëel verwante, maar zelfstandig ontstane godsdiensten zijn voortgesproten ; een vraag, die, op grond van vergelijkend onderzoek, door de wijsbegeerte moet worden uitgemaakt. Zij is allerminst een wijsgeerig postulaat, waarnaar de feiten zich moeten schikken, maar juist een vrucht van het historisch onderzoek zelf, want haar eenige grond is de waarneming van verschijnselen, die zij alleen in staat is voldoende te verklaren. Zonder haar kan de wetenschap geen stap vooruit doen.

Om misverstand te voorkomen dient hierbij gevoegd te worden, dat het aannemen van ontwikkeling ook op dit gebied noch het geloof in de goddelijke werkzaamheid, noch de erkenning van de macht der persoonlijkheid, dat beteekent hier den invloed van godsdienststichters, hervormers, profeten en dergelijken, uitsluit. Want voor den godsdienstigen mensch heeft ook alle ontwikkeling haar diepsten grond in God, en de invloed van vrome en begaafde karakters is het krachtigst middel om haar te bevorderen.[4]

4. Animistische overblijfselen in de historische godsdiensten

5. Grenzen en plan dezer geschiedenis


  1. Zoo ik tijd en gelegenheid mag vinden, hoop ik later een overzicht van, of inleiding tot deze beschrijvende en vergelijkende hierografie te kunnen geven. Meer dan eens behandelde ik haar voor mijne hoorders, aan bouwstoffen ontbreekt het mij dus niet.
  2. Men zie wat ik daarover schreef in de Encyclopaedia Britannica, Vol. XX, p. 370 f. art. Religions.
  3. Men zie wat hierover geschreven is door Maurice Vernes, L' Histoire des religions, sa methode et ses divisions etc. Paris, Leroux, 1887, en door mij daartegen in „Tweeërlei godsdienstgeschiedenis“, Theol. Tijds. XXI, 1887, blz. 258 vgg. Vgl. ook Goblet d'Alviella, Introduction a l'histoire des religions, Brux. et Par. 1887, vooral Leçon d' ouverture, ald. p. 1 vgg. en de Réponse à quelques objections, ald. p. 135. Voor de methode der geschiedenis in 't algemeen raadplege men het degelijke werk van Ernst Bernheim, Lehrbuch der historischen Methode, Leipz. 1889.
  4. In 1874 heb ik over deze vragen een pennestrijd gevoerd met Prof. Doedes en in 1875 met Prof. Pfleiderer. Zie: J. I. Doedes, De toepassing van de ontwikkelingstheorie niet aan te bevelen voor de Geschiedenis der Godsdiensten. Utr. 1874. Daartegen C. P. Tiele, ,De Ontwik- kelingsgeschiedenis van den godsdienst en de hypotheze waarvan zij uitgaat´, in De Gids, 1874, n°. 6, waarop Doedes antwoordde in zijn ,Over de ontwikkeltngshypotheze in verband met de Geschiedenis der godsdiensten´ in Stemmen voor waarheid en vrede, 1874.
    Zie voorts O. Pfleiderer, ,Zur Frage nach Anfang und Entwickling der Religion´ in Jahrbb. f. protest. Theologie, 1875 Heft 1. Daartegen C. P. Tiele, ,Over den aanvang en de ontwikkeling van den godsdienst. Een verweerschrift´, in Theol. Tijdschr. 1875, p. 170 vgg.
    Over de wetten, die de godsdienstige ontwikkeling beheerschen, of, gelijk ik thans liever zeggen zou, over de voorwaarden, waaraan zij gebonden is, schreef ik Theol. Tijdschr. 1874, p. 225 vgg. Verkorte fransche vertaling door M. Vernes in de Revue politique et littéraire, 12 août 1876.