Gezelle/Den ouden brevier

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sobrii estote * 43 Den ouden brevier van Guido Gezelle Goevrijdag * 45
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Als zorgen mijn herte verslinden,
     als moeheid van ’s werelds getier;
dan zoeke ik weêrom den beminden,
     dan grijpe ik den ouden brevier.

o Schat ongevalschter gebeden,
     brevier, daar, in ’t korte geboekt,
Gods woord, en Gods wonderlijkheden,
     nooit een ongevonden en zoekt!

o ’t Werk van gezetelde Pausen,
     wat zegge ik, Gods eigen beworp;
o sterkte, en, als ’t lijden doet flauw zijn,
      onsterflijk lavend geslorp!

o Weldaad wellustiger koelheid,
     o schaduwomschietende troost,
als ’t vier, en de onmachtige zwoelheid,
      gestookt door den vijand, mij roost...

Dan zuchte... dan zitte ik alleene;
     dan biede ik den booze: "Van hier!"
dan buige en dan bidde ik, en weene...
     dan grijpe ik den ouden brevier!

23/10/1894