Gezelle/Tenden

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ware beke * 26 Tenden van Guido Gezelle Polygonum aviculare L. * 28
Uit Rijmsnoer om en om het jaar


Nog een tijdtje, en tenden is
     ‘t onbermhertig jagen,
dóór des werelds wildernis,
     van de ongiere vlagen!

‘t IJs en houdt zoo ‘n gram gerucht
     meer, als onlangsleden,
noch de gladde bane en ducht
     meer mijn angstig treden.

Moegeraasd en uitgereld
     zijn de rauwe smeten
‘s hagels, en zijn scherp geweld
     heeft de rijm vergeten.

‘t Sneeuwen op en over al,
     ‘t vriezen bin' en buiten,
leden is ‘t, en liefgetal
     stralen weêr de ruiten.

‘k Zie den dag, die nooit en loech,
     wederom nu striemen,
‘s morgens, en zijn pijlen, vroeg,
     deur de wolken priemen.

Nog een tijdtje, en tenden uit
     zomer wordt het; hei daar,
vedelt, vogels, overluid;
     morgen is de Mei daar!

Toe! en in dit graf en laat
     langer ons verblijven;
op nu, jongens, gauwe, en gaat
     vroolijkheid bedrijven!

Vuile wolle is laken, eer ‘t
     laken wordt geweven;
wijd is weg, die nooit en keert:
     hopen langt het leven.

Ja, en ‘t is een groot geheem,
     hun, die lijden moeten,
dat al ‘t zure een zierken zeem
     schielijk kan verzoeten.

25/9/1896