Gorter/Mei/Boek II

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Gorter/Mei/Boek I Gorter/Mei/Boek II Gorter/Mei/Boek III >


Mei

Boek II <poem> Nu staat er midden in het land een dom Van zuilen die ìk stapeld' en rondom Buigen zich popels en de treurcypres. Het groeit vol leliën, er hangt een tres Van rozen af aan elke schacht, een rij Van kinderen zit en zingt zij aan zij, Roodwangig op de treê met open kelen; Een orgel hing ik aan den wand te spelen En binnen zette ik een meisjesbeeld. Ik was de een'ge priester, al die weeld' Had ik, ìik woonde er, met mij niemand. Heel eenzaam was om 't heiligdom het land. 's Nachts waakte ik in de blauwe tempelschauw Heel vaak, de tempel waadde in zee van dauw, De maan bevloog den blauwen hemelbrauw, Dan gudste er tusschen kolommen dauw Muziek, zijn 't vogels, zijn het vlinderen, Klapwiekend muzikale vleugelen? Of zijn 't fluweele voetjes van mijn Mei, Die om den tempel treedt dat daar de rij Doodengezichtjes, bloemige viool Droomerig knikt en heel de bloemenschool? Of was 't misschien de lucht die klanken gaf Door wind en bloemgeschommel en den draf Van Mei die om den tempel liep te spelen. Maakt niet de lucht ook zoo uit vogelkelen Geluid, en drijft uit takken van den boom De wind niet lichte tonen en de zoom Van 't kleed, ruischt ze niet 's morgens over 't veld -- Muziek komt uit luchtwemeling geweld.

Hoe kon ik ooit verlaten waar mijn ziel Duizeld', het licht ver van mijn oogen viel, Mijn oog en oor werd als de groote hemel Boven de zee met al haar waterwemel Van prisma's kleur en van muziekballons Opstijgend van de baren, en van dons Geplukt uit golvevleugels? Waar de nacht De aarde sloot, den hemel openlacht' Uit sterren wit spruitend met klaar gekijk, Maar zwijgend, naar het zwarte rijke rijk Der aarde, waar de bloemen met een zucht Geboren werden in de donk're lucht, Het nachtegaalgeklaag luid uitjuikte Boven de bloem, die pas zich uitluikte? Ik wist niet dat dit alles was zoo mooi. Zoo staat ook wel een meisje vol in bloei, De bruigom loopt om haar en streelt het haar, Zijn spitse ving'ren door haar gouden haar: En loopt onwetend heen en zoekt in spel Matheid en slaap. Dan treedt op zijn drempel Een bloot beeld: onder 't witte bedgordijn Glijden er blikken en een woordetrein Dat's om te weenen, want de mijmering Over een ding, is teerder dan het ding.

Zoo hoor ik ook terwijl ik speel, heel ver Van over de velden komen als schemer Van woorden, als ik slaap droomen rondom: Daarom, mijn jonge zoete zuster, kom.

Kom nu mijn jonge zoete zuster, kom, Te lang suisde de zeis al rond ons om, Kom blonde zuster uit ons zonnig koren. Want hoor, o hoor, daar ver weg is gebore Zonoogig kroost, het reit al en draagt om Muziek en wierook, zoete zuster kom. Zie ik wil nu zoetklinkende schalmei Hernemen, geef uw hand en sta me bij, Leer dansen met mij heen uw roode voeten. Daar staat de tempel. Rijzen en begroeten Ons als die kind'ren al? Ze lijken bloemen Zooals ze wieg'lend geuren, hoor, ze noemen Mijn naam en d'uwe, blijf nu bij ze staan, Gij zelf een bloem, en laat mij binnen gaan.

Hoe stil is 't hier. Een blauwe schemer stijgt Uit 't zuilwoud, zonlicht glijdt, het boomloof nijgt. Maar nu zal 't orgel spelen en er zal Eerst muziek drijven, dan een waterval Daveren doe: zoo staat over de bergen Amerikaansch bosch, de boomstammen tergen Elkaar om 't hoogst, de blauwe lucht beoogt Verbaasd de golven loof om 't jaar verhoogd, Daar drijft in effen vlak en bed rivier, En spiegelt rots en boomen, het boschdier Drinkt van het drijvend nat als die stroomstraat Begint te glimmen van den dageraad. Ruischende gaat de stroom door 't riet dat fluit; Dan breekt en knakt hij om en dondert uit Boven afgronden, en hij duiklaart om En staat als tamboers roerende de trom. Zoo zal dit lied liggen, dwars door het land, Een dorstig volk zal drinken aan zijn kant. Mijn ziel vliegt uit en waadt in eenzaamheid Door een blauw wolkenmeer van vroolijkheid, En slurpt de blauwe lucht als zoeten wijn, Aetherm gemengd met eeuw'gen zonneschijn. Mijn lijf dwaalt zielziek om en roept zijn bruid Die fladdert eenzaam boven wolken uit, Dan zingt het dronken dwalend dit hooglied, Gij allen hoort het -- maar zìja weet het niet.

Schaduw slaapt langs de bergen, het bazalt IS droevig, en de bleeke bergbeek schalt; Nachtwolken varen van den hemel heen, Daar is het stil, op aarde weent alleen Die ééne berg, de lucht is zwaar en moe. Rondom staan andre bergen en zien toe. Mei zit daar, juist ontwaakt, een paarse vlak Van wijn op 't slappe kleed, een wingerdtak Naast haar, de lichte blauwe oogen lachen Als half in slaap. Maar daar spant aan zijn wagen De zon, als bladerige klimop rijst Rooskleur.de heemlen langs, starren, verijsd In 't blauw, versmelten. In haar hart komt in Der menschen mooiste slaaf, herinnering. Hoe vaak ze nu al luistrend heeft gestaan Naar 't eerste vogellied, wanneer de blaan Schrikachtig opfladdren voor morgenwind, Zwaluwgevlieg en 't bijgegons begint. Hoe dan de lucht zoo drok werd, dat zij nauw Meer ééeen geluid hoorde. Zie nu hoe gauw Die eerste vogel vliegt, het water druipt In kleuren van de rots, de druppel sluipt Langs een gebloemd kruid, met zijn zilverstaart Slaat een forel de beek die met een vaart Vervalt, o die is altijd slapeloos. Hoe trilt haar hand nu en begiet een blos Haar bleeke wang, de helling van haar borst Zwelt en spant uit de wa met wijn bemorst? 't Was gistren in de avond, toen de sterren Als lichtkronen omhoog hingen, en verre De laagste stonden, gearmde kandelaars. Toen zat ze hier ook en hoe donker paars Was 't woud, hoe stom-stil -- toen begon op eens Een stem te stijgen als fontein die ééns In 't jaar maar springt en dan zijn wachtend water Lichtvroolijk maakt en 't eigen uitgeschater Geniet; zoo was die stem en zij werd bang En droef te moe, want het leek toch dat lang Die stem iets miste -- toch was ze als een schat Van edelsteenen aan den dag, als wat Arm man alleen bezit en het bewaart En 'snachts er heengaat en het graaft uit d'aard' En weent er op en kust het en begeert Het fijn te gruizen in zijn vuist; verteert Van liefdewellust het. Nu was 't als klonk Er ramm'lend geld, mar dan weer of een schonk Flonkende wijn uit gouden kan, des nachts, In een groot bronzen koelvat. Onverwachts Was 't uit geweest en had alleen de maan Geschenen. Maar nog lang had ze gestaan Met drinkende ooren en de beenen stil/ Tot ze de stilte merkte en een gil Gaf en heel bang werd. Maar toch was allengs Vreugde gekeerd, geroepen door den wensch Het weêr te hooren, -- troost de mijmering Over een ding niet zóó wel als het ding? Ze had een vaart genomen en was af- Gesprongen van de rotsen en een staf Van wingerd had ze zich gebroken; toen, Van d'avonduren tot den stillen noen Der nacht, had 't hout gekraakt, de beek geplast Van hare voeten, en het leek als was 't Bacchantische Maenade op de paâeen Van het zwartdorre rotsgebergt'. De maan Had haar uit schaduw zien opdagen, dan Was ze gaan zitten in het licht en van Afmatting hijgend had ze nagedaan Die stem, maar weenend had ze in doô blaâeen Het hoofd gebogen, want ze kon 't zoo niet.

Dit denkt ze en terwijl ze denkt, begiet De zon de aard, der aarde hovenier. En roode bloempjes met licht kleurvertier Weerschemerden de stralen, 't held're gras Golfde als vrouwehaar, het hooge bosch Begon den wind te wiegen als een wicht Dat klagend gegaan slapen, d'oogen dicht Nog, wakker wordt en voortklagt, ritseling Maakte het weldra blij en bladwuiving. En roode wolken dreven als zeewier Heene en weer, bewegelijke schier- Eilanden van den zon'gen horizon. De aarde lag te dampen: een gloedbron Wier ope lippen wellust uitwazen, Geelige hette. Maar de stroomvazen Vergoten rijkelijk, Donau en Rijn Vergieten zoo water en koelen wijn. En wind blies aan der aarde aangezicht, De wouden op de bergen opgericht Trilden, moe stof van porfier en graniet Vervloog, het gouden schuim van de bergvliet Vloog mee, maar binnen elk groene dal Voelden hem noch de bloem noch de beekval.

Zoo werd de hemel vol van windlawaai, En vogelkelen vol van stemgeaai Schalden als beken mee, als beesten sprongen Rivieren uit hun holen en hun longen En monden gromden. Maar de zonneschijn Vulde haar oogen, die maakt ooren klein. Haar oogen werden grooter, en een gloed Vlamde haar hals en wang, het roode bloed Ruischte, ze hoorde het ter nauwernoo. De wind kwam op haar als een liefdeboo Met zalven en reukwatergeuren, zij Rook welk den wierook, liet hem toch voorbij. En om haar hoofd vingen gedachten aan Te zwermen als een bijzwerm, maar verstaan Kon ze de een niet door den ander; zóó Gonsden haar ooren dat het was of flauw Veel lippen voor haar oor stonden en of Elk woord haar blozen hoogde zoet en dof. En 't was alsof die zoete woorden in Haar voeren en in rij maar zonder zin Rondgingen zooals scheepjes, op haar bloed, Haar heele lichaam rond, in overvloed Van hartewarmte. En ze voelde niet Of ze van buiten kwamen als een vliet Die uitstroomt in een meer, of of een bron Ze uit haar zelve opspoot in de zon. Maar voor haar oogen lichtte alles fel En tintelde springend zooals een schel Van zilver die geluid wordt, en het zwol Met trane' en nevel hare oogen vol. En ze viel achterover, van den steen Vielen de wade en haar haren heen Lust en verlangen en bevrediging Speelden en streden in haar onderling. Zoo lag ze midden op de wereld, 't was Toch of ze in zichzelf een wereld was.

Zoo lag ze lang, en in haar keerde weer Kalmte, zooals de zomer na onweer; Een vrouwehart is als een zomerweide Waar koeien grazend droomend, tusschenbeide Grazen ze niet en staan met stillen kop. Zoo waren haar gedachten, ze zag op Naar 't blauwe hemelwaas, haar heele hoofd Droomerig warm en rood als zomerooft. Alles was rondom stil, de middagzon Flonkerde, stilte gonsde, een bij spon Zijn dunne vleugels, en het wit zonlicht Droogde zijn stralen op het rotsgezicht.

Zooals de wolken na een winterdag Treurende gaan, hoewel geen luchtgeklag Gehoord wordt waar het ov'ral stil is -- dan, Terwijl er sneeuw valt hier en ginder, kan Ik soms een enk'le wolk blosrood zien worden. Lachende reist die in tusschen de horden Huilende wolken -- zoo waren de riffen Van zonverlichte bergen die in effen Glooiingen hoog liepen, blauwend en grijs. Daarop verscheen midden in het sneeuwijs Van blakend stof en rots, blank-rood lichaam Van een jong God, zijn voeten liepen saâm Vooruit om beurten, om zijn hoog hoofd woei Het bossig haar met zonvonkengesproei. Er lag om nek en hals een keten waard Van goud, zijn neus blies adem als een paard. Hij leek een zon maar rood en lief'lijker Dan de zon zeld, met rood licht als de ster Van Mars in den midwinternacht, toch gaf Hij door zijn eigen licht geen schaduw af. Hij liep neurieënde, de lucht werd gek Wanneer hij ademde en met een trek Zijn longen vulde dat zijn borst opzwol. Dan blies hij uit en maakte zelfs stof dol Van tinteling, de heele hemel hing Te wachten -- tot hij gaande aan te zingen ving:

Waar de wind is en eeuwig geruisch Van het water om Wodans huis, En de duisternis Verglinstert het sterrengruis. Waar laat in den nachtorkaan, Wasblank in de wassende maan, De godessenschaar Om het brandaltaar Reidanst bij den Oceaan.

Waar onweerende wind zoo waait Dat het boombosch valt gemaaid, Waar de donderkoe loeit, Maar omhoog weer groeit Het pijnwoud door Wodan gezaaid.

Waar Aurora haar kindeke windt Straalkrans die den nacht verblindt, En met tinkeling En met rinkeling Het lichtend te loopen begint.

Daar woond' ik eens, wee mij, o mij, Toen droomde de jonge Idoena bij mij Met de voetjes bloot In het rozerood Van de dunne donzige wolkensprei.

Wie bracht aan Wodan en Freya de schaal, In goud toon roo wijn, aan het godenmaal Naar de Wodansrots, Waar in koningstrots Zij voorzaten in de zaal?

Wie haalde de manemerrie van stal, En stapte met haar door de hemelhal, Dat dat zwanepaaar In die vogelschaar Klapwiekend meevlogen overal?

Wie joeg de sombere ruiters voort, Gedromde wolken, op zonnemoord, Met hun hagelslag Als met sabelslag, Gereden uit het Noord?

Wie bouwd' in d'avond het Westersch paleis Van kolenvuur glorend door wolkenijs, Van wat wolkenpuim En wat parels schuim, Waar de goden in vlogen na dagereis?

Wie maalde de zon dat het gouden geluk, Het zonnemeel viel, wie gaf den ruk Aan het zonnerad Dat de zee opspatt', En maalde de morgengolven stuk?

Dat deed Balder, ik, En geen oogenblik Zat ik met kommer In wee en lommer, Of weende ik.

Terwijl hij ging en zong, zat Mei zeer stil. Toen bleef hij staan naar haar gekeerd, geril Liep over hare armen en ze greep Den gronde weerzijds; haar kleed hing in een sleep Te trillen op haar voeten en het haar Hing om haar voorhoofd waar de blauwe aar Golfde; de oogen vulden haar gezicht Dat bleek werd, mar licht was van zonnelicht. En ze werd blind met open oogen, toen Hij daar zoo roerloos stond en weer begon; Zijn stem spon als een zilvren web der spin: Zij zag het tintlen, hij versmolt er in:

Ontwaakt zoo als ik eens ontwaakte, Zoo ben ik nu, het was aan 't strand Der wijdvergulde zee waar 's avonds blaakte De hooge zonnetoorts van 't godenland. Had ik niet zien zwieren, Als loof van populieren, Godinnehaar en hande' aan de overkant? En glommen niet de sterren, O 't kwam wel ver, zoo verre, Idoena droeg ze als een hareband?

Zoo was ik ingeslapen, Rondom weidden mijn schapen, Ik hoorde hun tanden rukken aan het riet, Dat groeit in vochte wolken Op stroom van hemelkolken, de windbruid zong daarin haar slapelied.

O wee toen ik ontwaakte, Terwijl Aurora slaakte De wiegewindsels van het zonnekind, Toen waren dicht omwonden Mijn oogen en opbronde Er uit die blinde wellen schaarsch lichttint.

Toen ben ik uitgevaren Op ritselende baren, Van wat ik wist dat was hemellichtzee, Daar heb ik drijven luistren Naar 't scheemrig zeeëfluistren, Mijn tranen stroomden met de silte mee.

En heb ik rondgezworven, Waar eenzaam ligt bestorven In 't helle maanlicht grauwe zandwoestijn, En vingen mijne wangen, Hoe groot was mijn verlangen, Het eerste roode van den maneschijn --

En ben ik opgestegen Naar bronnen van den regen, De wolkendauw druopte op mijn oogen af, En zoog ik wolkenhoning In Iris' roode woning, Niets vond ik dat mijn blindheid drinken gaf.

Schemering, Mijmering, Wie noemt den naam van wat mij ving? Tinteling, Rinkeling, Hoorde ik toen de poort openging.

Engelewacht Vroegen mij zacht Naar mijn naam dien ik òverdacht. Schemering, Rinkeling, Deden verdampen herinnering.

Henen is heugenis Van lust en droefheid die ik immer droeg Over is Lafenis, Drank van muziek altijd en nooit genoeg.

Het is zacht aanwuiven Van blauwgeveerde duiven, Langs zonnestralen komend uit de lucht -- Het is het dicht toedeinen Van blauwe baldakijnen, Gezwollen van een vuurge' zuiderzucht.

Het is teer opgroeien, Het is het nacht'lijk bloeien Van een aanminnige maar geheime bloem -- Het is het aad'mend vullen Van geuren die verhullen Een groote wereld met een wonderdroom.

Het is het hoog ophemelen Van nevels waarin wemelen Mannen en vrouwe' in het zonlicht transparant -- Het is het klaar uitkijken Naar vormen die niet wijken, Als bergen hard graniet en diamant.

Het zijn de helle nachten Met maan en ster als wachten, Een holle lucht gevuld met maneglans -- Als blazende victorie, Zoo staat de zon in glorie Daar bij elk dageraden op den trans.

Het is het wiegelen van korenaren, Het is het klanken van gitaresnaren, Het is weefsel en spinsel van muziek -- Het is het trillen van muziekgordijnen, Het is het aanrollen van tonentreinen, Het zijn muziekwolken voor windewiek.

Er schuift een achtergrond vol wonderen, Het is barsten en luid uitdonderen, Breken en knallen van de zwarte zomernachten, Het is een avondzee vol golveklokken ONder de wolken luidende, getrokken Door de zwemmende donkere zeeëmachten.

O 't zijn de karavanen Muziek, oaselanen Opspelend uitkomend in zandwoestijn, Het is het heneglijen an mijn muziekgaleien Op zee met gouden koper in den zonneschijn.

Kom dan, wie ook Bloemen en wierook Brengt aan mijne, bleeke, stille, eenzaamheid -- Nu wilk ik sling'ren Zilveren ringen Van liedekijnen uit mijn eenzaamheid.

Er is niet één, Neen neen, niet één Die zooals ik haar woestenijen kent -- Zij is mijn kluis, Mijn vaderhuis, Mijn stad, mijn hemeltent.

Haar knieëeen had ze hoog getrokken, daar Steunden haar armen op, het blonde haar Omhulde ze, haar handen dekten toe Haar wange' en oogen die ook zelf dicht toe Gesloten waren; 't leek ze was alleen Heel hoog op in den hemel en diep heen Was heel de wereld weggezonken en Al de herinn'ring van een Meileven. Hoe dicht was alles en hoe tintelde Het licht; was 't stil, was 't niet? ze wist het niet, Haar hart en polsen sloegen nog het lied En alle luchtvonken zongen 't rondom. Toen zag ze in haar hande' een beeldedrom Heenflikkeren, alsof in slaapgewaden Witte gedaanten door lichtvloeden waadden. Sommige droegen instrumenten, snareeen Fonkelden tusschen rozevingers, bare Bazuinen wijdgemond in mannenmond. Dat was haar vroolijkheid en ze verslond Haar tranen al, toen haastig voor den winfd Van haar gedachten, in zijn rozetint De zanger zelf verscheen en in zijn licht Allen vervloden van haar aangezicht. Eerst zong hij en zijn mond leek wel het hol VAn den winternachthemel, als die vol Van kostbre starren staat, zijn zangen waren Als losgelaten starreregen, scharen Van blanke klanken sprankelde hij uit. Maar 't werd stiller en 't geluid Hield op. Toen stond hij rechtop stil voor haar, Den mond en d'oogen dicht, zonder gebaar. En haar gedachten bleven eerst als schuwe Vogelen om hem heen, die in de luwe Verlichting van zijn lijf niet durfden vliegen. Maar dapperder begonnen ze te wiegen Al nader, en haar oogen gingen aan En af over zijn borst die in een baan Afliep. Als een kerkbeeld van goud, zoo puur Vlamde hij in het duister, dat een muur geleek van zwart gesteente. Zij vergat Of het wel duister was, zoo bloeide dat Standbeeld van vlammen, en toch leek het wel Meer bloeme- dan wreed vuur, alsof zijn vel Als dichtgeschulpte rozebladen dekte Een roode vonk, waarvan het schijnsel lekte De binnenkant der blaren. En ze strekte De handepalmen voor zich uit, als meeren Blonken haar oogen en een zacht begeeren Vulde haar lippen en met teer gestreel Scheen ze hem aan te raken. -- Het gespeel Had uit: hij was er niet. Hoog in het geel Brandde de zon, ze deed de oogen dicht En vuld' haar handen met haar zacht gezicht.

De zon zonk en de dalen werden donker, De groote avond waarde om, geflonker Begon in hemelsteden en de kruinen Der laat verlichte bergen namen schuine Zonstralen aan. Zoo zijn 's avonds de straten Der steden halfdonker in onze straten Van Holland, maar aan d'Oosterkant Roomgeel en muurrood en de rame' in brand.

't Werd nacht. Terwijl de zware aarde zweeg Mijm'rend, het kind gebogen hoog zat, steeg Een mollige donzige nevel dommelend Bleek op als anemonen, schommelend Staan die ook in diep zeewater. En zij Werd nat en dampg koud toen die kleedij Haar overhuifde, en een vochte kap Van vlokken nevvel 't hoofd verdronk, de lap Van haar geweven kleed hing langs den steen. De neveldruppen lagen daar, geween Der lucht, blankzwart als Kaapsche diamant. Zij beefd' en weende niet, maar zat aan 't strand Van eigen leed en zag de golven klimmen. haar moeder wist het en zat op de kimmen, Wachtende bij haar wachtvuur, pas ontwaakt, Voor haar donkerblauw bed en moedernaakt. Zij stond en zag haar kind, en uit haar oogen Gingen smeltende stralen en bewogen Dampen, ze schudd' het blonde geele haar. De lucht werd nevelig: een witte baar Van licht verdronk de sterren en uit groen Van dampen blonk het maankindeke toen. Zij plaatste hare voeten weinig maal Zonder geplas diep in den dap. Een schaal Van zilver schepte ze vol vuur, dat scheen Haar in 't gelaat, het lichaam was beneêeen Donker. Zoo kwam ze naar haar kind, heel hoog Gloeide haar helle aanschijn voor den boog Des breeden hemels. Als een tijgerin, Zoo kwam ze daar, die naar een welp zoekt in Een klippige woestijn. En toen ze vond Haar zitten, knie en arm gevouwen, stond Ze naast haar, kolossaal. Maar geen van twee Zeide nog iets, noch boven noch benee. Ze dachten aan hetzelfde, als een moeder Die 't kinderleven leeft en die te goeder Ure een hulp haar kind'ren is. Zij beide Dachten dat vreugd nu op was en dat lijden Nu klaar gemaakt werd. Maar het jonge kind Genoot toch hiervan ook, jeugd overwint Legers van pijn en neemt de sterke stad Der toekomst hopend in. Verwonderd mat Ze nog de diepte van haar eenzaamheid, Vond in verwond'ring troost, hoe eind'loos breidd' Eenzaamheid zich, nu hij niet meer den dag Vulde..., waar zou hij zijn?...en weder zag Z'hem voor zich rijzen als van goud zoo zuiver.

Anders haar moeder. Want een zacht gehuiver Woei over hare leden. Als een plas Die in de donkre venen rimpelt, was Haar huid somber en trilde en haar hoofd Schokte haar lokkenvracht. Leeuwin beroofd Van haar liefste jong, maakt wanhoop eerst roerloos, Dan brulde ze 't uit. Zoo stond ze ook een poss Voor zich te zien, toen kreunde z'. Een onweêr Dat ver gehoord werd. Als een zwaneveer Voor een windstoot, zoo stoof Mei op en voor Zich zag ze donk're voeten, den romp door De lucht heendonkeren en hemelhoog 't Felle gezicht, dat nu voorover boog. Het kwam omlaag en in de schittering Der moeder blonk het kind. Het licht beving Haar borst en armen die ze open had. En moeder zette bukkend het vuurbad Op een berghelling en het rozeblad, Haar kind, nam ze toen tot zich, ééeen arm om Haar ronde knieëeen, ééeen om de kolom, Den fijnen halszuil, en ze zette zich. Vurig lichtte de luchter, weelderig Drukte het kind de lippen in haar borst. Het leek een zuigeling die niets dan dorst Heeft en met dichte ooge' uit moeder drinkt. Zij deed ze ope' em vroeg: Moeder, wat blinkt Daar zoo en doet den nevelschemer zijn Als rook van brand? O blusch nu al dien schijn Van licht en laat me u in 't duister kussen. Haar moeder blies het vuur uit en van tusschen De bergen golfde weêr de nevel aan. Het lekenruiters die op 't slagveld staan Te wachten op 't commando. Als het komt Rijden ze voort, hoefslaande, rug gekromd.

En toen ze lang gezwegen hadden in Geheime kamer van de neveling -- De maan waakte daarin, een regentes Van Scandinavisch rijk gelijk, prinses Mei deed haar oogen slapen vol en rijk Aan zinnebeelden maar te glans en prijk Stonden de moederoogen -- toen ving aan De Maan zooals een maanstroom door woudlaan: Kindje, wat denkt ge, wat brandt in uw oogen? Zij wenteld' in haar armen en dronk togen Oogenlicht in en school nog dichter aan, En sprak: Ik zie uw hoofd voor starren staan Moeder en in uw hoofd twee oogen, maar Sluierende nevel zweeft om, 'k weet niet waar Ze eigenlijk staan, o het is als een kolk Vol lauw badwater, zoo als melk die 'k molk Op vroege morgens, smaakt het in mijn mond. Toch dost mij, moeder, en de morgenstond, Geloof ik, is nog ver, van klare stilte, Baar licht en zuivre zon als zeezilte. Moeder, doe mind' ik zoo, zou nu voor goed Mijn hoofd zoo warm en dof zijn en mijn bloed Zoo dronken omgonzen. O ik ben vol Van bloed donker als wijnmoer, waar verschool Zich toch mijn oude zelf, de blanke Mei? Ik ruik zoo zware geuren en voorbij Mijn oogen valt een zwaar zwartrood gordijn. O moeder help mij toch, wat kan dit zijn? Zij antwoordd' en het was zooals de wind, Die 't waaien aanvangt na zonmiddag: vind Ik u zoo weer, mijn blonde dochter, hoe Gulden en blond waart ge, nu zijt ge moe En al te warm en rood. Maar wacht, ik zal U weer versneeuwen en uw lijf een hal Maken van jeugd en kracht en kalme koelte. En bukkend gaf zij haar de borst. 't Gestoelte Der rots droeg stom dat zware godenpaar, De Maan en Mei wier overvloedig haar De moederbuik bewolkte. In den nevel Zoog zij haast sluimerend; als door een hevel Uit een vat in een ander, stroomde melk Uit moeders tepel in de mondekelk. Zoo vond ze kalmte in verzadiging. Lang bleef ze liggen wijl de nevel hing Over den afgrond, en slechts nu en dan De moeder een zucht uitblies, als een man Met peinzen bezig. Eindlijk sprak ze zoo: Moeder, ik heb u lief, ik wilde o Zoo gaarne u nu volgen en altijd Bij u zijn. -- Maar er is nu iets dat scheidt Ons, u en mij. Ik zou niet altijd naar uw Roep willen luistren en wanneer de schaduw Uw rijk belommerde, zou ik daar niet Meer blijven kunnen. Waar het ver verschiet Des hemels rood zag, zou ik de eenzaamheid En licht gaan zoeken. Moeder, hoe verblijd Maakt het me dat ik weet wat zijn genot Is, zal ik hem nu daar niet zoeken tot Ik voor zijn huis sta? op den drempel zal Ik zijn voetafdruk kussen en den schal Van zijn stem zal ik ook misschien wel hooren. Moeder, zijn liedren zijn als zuilen, schoren Ze niet marmerpaleizen, blindend wit? Daarin zijn rood verlichte kamers, zit Hij daar niet aan het eind' en wacht en wacht? Zie, ik sta op den drempel, zie, hij lacht En wenkt me, ja wel wordt hij nu mijn koning. Hier ben ik, hier ben ik, zal dit mijn woning Nu voor goed zijn? o, 'k zal haar maken mooi. Zij is al mooi, zie ze hangt vol van tooi, Zomers gebloemte hangt, winters kristal, Met ijs behangen en met rood koraal De wanden, o ik zelf begraaf me in rozen. Zij hield verschrikt in en bij tusschenpoozen Lachte ze nog wat na, haar moeder niet. Die sprak en 't was als wind door rusch en riet: De watervallen en de zilvren stroomen Verlaten ook de bergen, en de boomen Verliezen ieder jaar hun lieve loof. Mijn kindren waren eens me als een schoof Van aren, nu zijn er al zooveel heen. Waar zijn ze? ik weet het niet, hun gladde le&ecir;een Dansen al lang niet meer op mijne aarde. Die heeft u ook zoo gaarne en bewaarde U schatten, veelkleurig, duizenderlei. Gij wilt ze niet? nu, ga dan ver van mij.

Zoo als een schip in zee, zoo stak ze af, En als een luchtbal daalde ze, ze gaf Geen schijnsel meer, liep over d'aard in schauw. Tot dat ze bij een meer kwam dat heel flauw Lag op te golven in de duisternis. Daar stond ze en weende uitkijkend, een nis Zoo leek dezwarte lucht boven het water. Een populier stond naast haar, klein, een hater Van stilte, die nu ook zacht ratelde. Haar tranen ruischten, blade zwatelden.

En ze leek dood. Toen trad Mei zachtkens na Op meisjesvoeten, 't was als zoete vla Zoo vleiend wat ze zei: O wees niet boos Moeder, ik bid u, want al wat ik koos Uit wat gij geven wilt, het zou mij zoo, Zoo ongelukkig maken sinds een boo Van zoo veel pracht en teêrheid tot mij sprak. Gij weet en hoorde 't niet, ik zou als slak Op ééeen boom kruipen, nu 'k op vleugelen Een wereld daags kan zien en in en ren Den top bereik der gouden pyramide, Der groote wereld, waar de dampen zieden Van 't heetste kokende geluk, waar ik Hem weerzien zal, al was 't een oogenblik. Ook gij zocht blauwe grotten met uw licht, Bracht één er heen en hield uw straal gericht Zóó dat hij sluimren kon, door 't bladerscherm Zaagt gij toch schemeren zijn hals en arm. Moeder, denk aan uw jeugd, toen voor de zon Ge u zelve schuil hield en Endymion. Zij bukte en hief haar kind langzaam omhoog En zag haar aan, haar kussend, en bewoog Langen tijd niets, toen zette ze haar neer, En Mei liep heen, een kind, dicht aan het meer Stond nog de Moeder en bleef staan, een boom. Nevel en wind vloot om haar en de zoom Van 't donker land ontving soms overstroom Van troebel water, als een man een droom.

Niemand zag mollige Mei nu meer dien nacht, Luimige sater niet noch het geslacht Der Faunen die op de heuv'len spelen gaan. Ook niet de elven die in hun lange gewaan Achter elkander als een karavaan Wandelen door de msit om te beraan In groote vergadering, wat er is te doen Den volgenden morgen tot den heeten noen, Als elvekindren alle te slapen gaan In de lelieëbladen op de waterbaan. De blinkende sterren keken wel nieuwsgierig, En heuchelijk door 't bosch, maar dat was al. Niemand wist waar ze was, geen berg, geen dal.

Maar toen de zon ontbloeide, d'uchtendwinden De bladerwouden zaligden -- een hinde Gelijkend draafde ze uit een koel woud. naakt, met schuimdroppen van een val; badkoud Daverde achter haar een cataract. Daar hield ze stand, waar 't boombosch in de vlakt' Als stadsmuur opstaat rond de rotsen om. Daar stond ze en ze stond er als een bloem, Als bloemegeuren waren hare woorden: Vader, uw rijzenis vervult de boorden Des hemels met uw licht, gij laat wel schijnen De donkere nachtwolken als rijke mijnen, Gouden en zilveren, o vader, reine Welwellust, bronwel, uit wien de fonteinen Van alle licht vervlieten, geef ook mij. Ik berg het in mijn oog, dat fonkelt blij Om uw verborgen licht, mijn blonde haar Groeit er van op zooals het koren waar Het gouden zaad viel en de zomerregen. Geef, geef het mij, nu ik de nieuwe wegen Berreizen ga -- ook Moeder gaf mij melk. Hij hoorde het, licht stroomde, en door elk' Opening drong het in haar blanke lijf. Het licht was zuiver goud, maar als een zeef Haar blanke huid, het was nog zuiverder In haar, het sloeg naar buite' als lichtschitter: Een rozeknop zamelt zóó licht, de roos Brandt er tot aan haar dood van -- toen een poos Het licht gebrand had en geheel verteerd Wat zwaar was in haar, voelde ze als geveert, Gepluim van vogels om zich, en aan een kind Van morgenkoelte en van nachtewind, Dat op een hoogen boomtak boven sliep, Vroeg ze zoet klagend, 't was als vroeg gepiep Van vogeltje ntwaakt, nog niet bij stem: Roep nu uw vader, wilt ge, weet ge hem? Die richtt' het hoofdje hooger op en floot, Een fijn geluid, en uit het rood, Het Oost, kwam Morgenwind op grooten vleugel, Een windpaard draafde naast hem aan een teugel. Ze zei: ik wilde waar de wolken zeilen Willoos voor wilde wind, daar wilde ik wijlen. Ze zei dit lachende, -- hij zag haar aan Hijgende met z'n paard terwijl de blaan Schitterden en de paardemanen rilden. Hij zei: Ik was waar bloemevaten spilden Hun geur, de zon zijn licht, o gij zijt meer Dan bloeme' en zon, 'k verlaat u nimmer meer. Mag ik u wiegelen en suizelen Rondom uw oor waar wolken duizelen? Ik voer u voort, vrees niet, ik doe geen kwaad. Hij lacht', hun oogen glommen, als geblaat Van een jong schaapje zei ze haren dank: Ik dank u wel, maar laat mij mijnen gang Alleen gaan, blijft gij hier, laat uw adem Mij streelen, dat moogt ge. Zij stild' haar stem. Hij knikte wat droevig. Maar toen hij zag Haar lachen, spiegelde hij weer haar lach. Toen ging hij heen en uit een open plats, Een plein in 't woud, woei uit zijn vol geblaas; De teere lucht woei vloeiend met een vaart Omhoog, hinnekend draafde de windhengst rond op aard.

Als op een sofa, maar die was er niet, Zoo dreef ze eerst voor door het laag gebied Der vlinderren -- er zat nog een kapel Hoog in een boom bij bloemwoning, vaarwel', Vaarwel lispelden Meilippen heel zacht. Toen trad naar binnen hare oogenwacht, Blanke soldaatjes die diep in haar hoofd Hun wachthuis hadden, en ze keek verdoofd. Een oogenblik. Toen werde het koeler en Ze zag de wolken bij zich: ik herken, Zoo sprak ze teeder, mooie paarden u. Het was een heele kudde, maar niet schuw Steigerden ze of schudden hunne koppen. Langzaam dreven ze voort, zij met hen, open Hemelen door, gelijkend op de rook Die niet de schouw ingaat, maar waar ontlook De houtvlam, daar ook wijlt en hangen blijft, Minnend de menschekamer. O verdrijft Mij ook nog niet, murmelde Mei nauw hoorbaar. De wind hoordde het en de luchtverstoorder Staakte zijn adem, alles stond. Toen scheen De zon met heeter stralen en trok heen De wolken al hooger en hooger, zoo Trekken visschers het net en visschezoo Naar boven, langzaam gaat het door veel visch. Sommige wolken zag ze als een vlies Van zeepsopbellen, daar dreven doorheen Strepen en cirkels kleur, dieper beneen Zag ze soms zware zwarte als een golf Voor storm, heel hoog en ver weg hing een kolf Vol witte stoom, die draaide om zich om. De zon scheen vuriger; als uit een kom Die zomers in de hei staat na plasregen -- Somber schouwen de heuvelen, de wegen Loopend er in staan onder -- daar slaat iot De lucht het licht en maakt de plas zijn buit, Rimpelend wit, en drinkt het water op -- Zoo vrat de zon de heele wolkentroep; Alleen wat ruige damp bleef over, die Dwarrelde ver weg in 't verschie.

En hooger dreef ze als de roode vogel, De Nijlflamingo dien de gouden kogel, De zon, ook aantrekt, zijn gekromde nek, Ligt in karmijnen vleugels en gelek Van goud glijdt langs zijn blank' en roode veeren. Zoo was haar drijven en haat zachte scheren Langs strandeloos liquide oppervlak. En altijd stijgende. Het blauwe dak Leek zwellende omhoog te gaan, de aard Lag heel laag omlaag en leek een heete haard Vol bonte vlammen groen en nevelwit. Hoe blauw was 't om haar, boven haar, haar rit Zoo zonder schommelen en eindeloos. Zij waaierde haar vingers soms, de roos Bibbert zoo soms haar blaan in stillen tuin. De dag was nachtstil en de zonnekruin maakte zijn haren als een gouden tent. Soms rees ze op en stond dan overend Lachend tegen de stilte als een klok. Dan lag ze zich weer neer en droomrig trok Ze hare knieën als een kind op, sliep Dan in tot dat een droom haar wakker riep. Ten laatste lag ze ruggelings, niet meer Bewoog ze, dacht toen in die atmosfeer, Dacht verluid: Nu wild' ik dat hij kwam Daar boven en mij heel ver met zich nam. Zoo heb ik ook wel eens een enkel lam Zien achterblijven van het schapenheer Des avonds in het duin, dan keer op keer Terwijl het graasde, keek het blatend op, Heimweeënd, mar dan boog het weer den kop. Zoo wil ik ook tevreden wachten, nader Kom ik hem toch. Ik dank u. En haar vader Knikte ze toe zoo als een avondbloem Die 't windeke goênacht knikt. En de roem Des hemels, 't zonlicht, schudde vroolijk 't haar. Ze lag denkend en sprekend op de baar Der lucht nog lang: een vrouw denkt vaak haar wensch En spreekt hem uit, heenlevend langs de grens Van werkelijkheid en 't scheemerig gebied Waar Hoop zingt nachts en daags haar tooverlied. Slapende droomende dreef ze weer: een boot Eenzaam in zee, die uit den gladden schoot Van één golf overklint in anderen -- Vroolijk dansen die naast elkanderen. Zoo lek de lucht ook in haar zaligheid Van gladde stilte, waar d'oneindigheid Des ethers nog wel niet begon, maar in Uiterste fijnheid aandreef wolkekring. Die zag ze 's avonds. alles lag diep blauw. De zon was onder, 't leek een stedebouw Van vroolijke Mooren in een Spaansche streek. Koepels zwollen omhoog met lichte streek Als van penseelen en een minaret Stond asls een slank meisje. In stille pret Bogen zich de arcaden voort en voort, In eindelooze gangen: ongestoord Hing daar een schemer in verzadiging Van licht en luchtige bevrediging. Daar dreef ze heen en door de witte gangen Dobberde ze, zacht ademend verlangen Ging van haar uit en vulde het poreus Wolkmarmer met warmte, wijl zonder keus Ze voortzeilde. Nu steeg ze langs zaalmuren Naar 't bevende doorzichtige dak, dan turen Bleef ze naar buiten voor openstaand raam. Blank was de wereld waar allen te saam De scharen vaarden van de hemelingen, De starrenrij, zoo als ze eens ontvingen Hun plaats en orde van een grooten God. Dan daalde ze weer en schommelde tot haar voeten raakten wonderlijkst mozaiek, daar vleide ze haar rode lijf: muziek Leek ze te hooren en die blies haar voort En weer terug en op -- in zomeroord Speelt zoo de wind met roosblad afgewaaid. Toen lokte haar een open zaal, daar laaid' Langs gladde wand een klaar hemelsblauw vuur, De vloer weerkaatst' 't, als in morgenuur Het meervlak den ontwaakten ochtendhemel. Daarbij zat luchtig op een broozen schemel -- Alles leek damp en schemer -- lichte maagd, Gemaakt van blozen en lachen, als het daagt Waar zoo wel eens een wolk voorbij de zon. Vóór haar een spinnewiel, waarvan ze spon Honderde draden die als stralen waren Van water, zooals wat in zilveraren Springt van de zwarte rots in waterval. Dat sroomde heen en spartelde uit de hal De gangen in als honderdmond'ge beek. En Mei trad in, bleef in de deur, toen keek De spinster vragend lachend op, haar aan: Mei vroeg: wat spintge en wat zijn die draan? Murmelend gaf het meisje haar de woorden: Ik ben de wolkespinster uit het Noorden, Ik spin de fijnste wolken die het hoogst Drijven en draven, bloesems uit den oogst Die 't zonlicht over dag maait van de zee. Het fijnste komt 't hoogste, dat verzamel Ik in een kluwen, zie hoe den belhamel Een kudde al gevolgd is uit mijn zaal. Gij ziet ze ov'ral weiden zonder tal. En mèhet woie zich een nevelvenster open En beiden keken en ze zagen loopen En klimmen schapewolkjes, wit gevacht, Zooals in zee de golven schuimgevacht. sommigen doolden af, leken alleen Te loopen droomen, kijkend voor zich heen. De meesten gingen samen in ééeen pAs, Alsof 't een leger van soldaten was. En zij sprak van het brandend blauwe vuur: Wilt ge hier wachten tot het morgenuur? Kom dan, en zit hier bij mij en vertel Op uwe beurt, ik spin, maar hoor toch wel. En Mei kwam nader, legde zich languit Bij 't voetje van de spinster en 't geluid Begon toen heen te stroomen met 't geruisch Der neveldraden door die deuresluis: Ik heb een zoeten naam, mijn naam is Mei, Ge kent me wel, denk ik, want niemand bij Alle de elven en de veldegoden En waternimfen en de witt' en roode Winden en al de luchtverhevelingen Was er of kende Mei wel, alle dingen Boden ze mij wel aan voor éénen kus. Maar 't kussen gaf mij hartepijn en dus Vluchtte ik vaak, maar niemand was dan boos. Ik dee en elk dee wat ik verkoos. Nu heb ik maar één een wensch en die zal ook Wel weldra, denk ik, vrucht dragen, ontlook Maar ooit wenschbloesem in mij, dadelijk Hing ook de rijpe vrucht daar rijkelijk.

Toen zweeg ze een pooze stil, begon toen weer: Er is iemand, ik weet niet waar, 'k begeer Heftig te weten waar hij is, gij weet Het wellicht wel. De ander zei: hoe heet Hij, is het iemand van de lage aarde? daar kom ik nooit. Maar is het dat hij waarde Hier rond, vroeger of later zag ik hem. Mei sprak: Den morgen en de vogelstem Ge kent die niet, boven de blanke weide? 's Avonds in 't eenzaam boschje langs de heide Den nachtegaal en dan den ganschen dag Het ratelen der bladen en den lach Van alle glanzende aardsche wateren? Ge kent die niet, hoor dan zijn naam en ken Lente en lachen, mij en mijn Mei-jeugd. Balder, zoo heet hij, Balder. En van vreugd Schreide ze uit, terwijl zijn naamgeschal Klaarde den nevel van de hemelhal.

Toen d'andre dit gehoord had, schreide ze. En toen ze uitgeschreid had, antwoordde Zij zoo, terwijl hun beider oogen glommen Van tranen, om hen blauwe vlammen klommen: Balder, zijn naam is balsem en als dauw. De open ooren van een jonge vrouw Drinken hem in en vullen 't diep lichaam Met weeld' en 't klanken van zijn rijken naam. OMdat ze dan het hoofd boordevol heeft Van dat geluid en in haar oogen beeft, Achter haar oogen, zijn wild flikk'rend beeld, Zoekt ze hem ook, ik weet het en verbeeldt Zich 't vinden al vooruit, o 'k weet het wel. En toen schreide ze weer, zooals een wel Die overloopt en den grond drassig maakt. 't Getouw stond stil en 't laatste weefsel raakt' Al uit de deur. Zoo zaten ze heel lang, Beide droomend, zoo als één gezang Aan de eene hoop, herinnering aan de aêr Geeft bij het hooren, wonder-wonderbaar.

Nevel werd rozerood, het blauw verbleekte, De zon verscheen en gouden stralen weekten De witte dampen: beide stonden op. Twee lammeren gelijkend, op een heuveltop Opstaande na den slaap en traag ontwaken. Mei aan de hand der ander, door het blaken Van 't rijke licht langs een smal wandelpad, Een wolkenzoom, een kustestrand als wat Langs Holland en de zee ligt, zandig wit. Totdat ze samen stilstonden en met De oogen beide naar één zij gekeerd, De eene sprak ziet ge waar het geveert Van deze wolk in eindelooze zee Uitsteekt als havenhoofd? Dat is de ree Van waar ge gaan moet. 'k Laat u nu alleen. Toen keerden ze zich tot elkander heen En kuste de een de ander op den mond. Toen wendden ze zich van elkander rond, Wandelden uit elkaar, de eene kon Haar voeten haast niet houden, d'ander spon.

Daar lag de luchtzee stil te wemelen, Een zee van atmosfeer, de hemelen Van ether bleek daarboven, daar stond zij, Flikkerend ruischte een zeemelodij. En zittend bleef ze daar een heelen dag En nacht, terwijl dat ééne beeld gezag Voerde in haar met vochte' en warmen adem. Ze was zoo vol van hem zoo als met wadem Van nevel is een bosch op herrefstdag. Anders beweegt er niet in en de dag Kent niet dan mistbeweging, mistgeluid. Soms weende ze eens even en vlood uit Haar mond een murmeling, men kan een hoen Zoo in de struikenschaduw hooren doen. Ze had niet één gedachte en geen woord Kan daarom zeggen wat ze dacht, gehoord Kan niet het teerste worden van een ziel. Zooals de aarde als er regen viel, Zomerregen, druppelend met geruisch, Uren aan uren dat een warm gebruisch Het heele woud vult onder hooge kroonen Van zwaar gestamde boomen en de schoone Bloemen in 't gras vol worden van dien dauw -- Zoo was het innigste dier jonge vrouw Eindeloos groot en boordevol gevuld Met schemering van hoop, dat ongeduld Geen plaats vond waar er volop was bereid Van weelde ieen die tegenwoordigheid.

Ze wist niet dat ze ergens was, wel waren Haar oogen open en bewogen baren Van lichte nevel voor haar, maar ze zag Ze niet, noch hoe de luistre nacht den dag Verving, de dag den flikkerenden nacht. Zij was geheel alleen en hield de wacht Alleen bij eigen ziel, wat of er ging Binnen en om en uit dien tooverkring. Wijl ze zoo mijm'rend bij zichzelve waakte, Twee jonge goden over zee genaakten Wedijverend, met flikkerende voeten. Mei kon ze hooren lachen, 't was als toeten En stooten op jachthorens teon ze voor Haar langs gingen omzwierend en een spoor Van trilling maakten in de zonnestralen. Zooals twee wielrijders: die doen hun stalen Raderen wieleren dt licht rondspat, De cirkels draaien en het witte pad Glijdt weg: ze loeren op elkanders wielen En trappen vastberaden, in hun zielen In nijd en haat, voor 't doel de ééne wint, Maar de ander haalt weer in en rijdt verblind Van wanhoop hem voorbij. De laatste trap Slaakt los menschengeluich en handgeklap -- Zoo snelden ze verder en het zonnelicht Bedaarde weder. Mei stond opgericht En keek nieuwsgierig, ademend diep in Als een ontwaakte en een nieuwen zin Voelde ze in zich als een zeebries waaien. Toen vloeg ze op van af de wolkenkade De ruimte in dwars door het zonnelicht, Want anders was daar niet, ze hield gericht Gerep der voeten naar den loop der goden. Wel gingen die veel sneller, 't waren boden En loopers in het godenland, maar toch Zag zij ze lang, verdwenen rook ze nog Olieëngeur die van hun schouders leekte En in de zon versmolt in damp en weekte Zich wijder uit, dat was een geur'ge gang. En Mei geleek nu eens de waterslang Die door de sloot zwemt, 't lijf gelijk een staart Al slingerend, dan nmakreel, met vaart Doorschiet die 't water in blauw schubbejak. Dan weer een ekster onder 't balderdak Van helder woud, zijn vlucht daalt en verrijst, Hij vliegt in 't blauw en wit en vliegend krijscht.

Totdat ze kwam waar slagorden van vlammen Branden als in bataille, oranje dammen Van vuur, als eeuwenoude wouden hoog. Daar knetterde niets, maar stillekens ontvloog Telkens een nieuwe vlamvlaag uit de oude: Vlammen als palmebladen en als gouden Waaieren in een balzaal langs den wand. Rijen van vlammen als wanneer in 't land Een leger vijanden valt en in den nacht De stille zwarte bergen onverwacht Bersten van vuren van het groot bivouac. Zij vloog in 't vuur, dat wijdde als een wak Zich uit in 't ijs, waar Oostewind op blaast. Een poos ging ze door vuurprieel, verbaasd Hoorde ze tongen lispelen en ruischen Van woorden als van bladen, maar de sluizen Der vlammen lieten haar toen uit, toen juist Ze blijvend hooren wou wat of er ruischt.

En verder zwom ze als een groote visch Die ook stil in de diepe wat'ren is. Haar oog was diep en koud, verwondering Waakte beneden in haar, zonderling.

Toen kwam ze bij hemelsche voorhangen Van zij en zon, zooals de doorgangen Van zalen der Chineezen zijn: figuren Er in gesponnen waren vreemde dieren, Griffioenen, vampyrs, en bloedroode draken Met kronkeltongen in getande kaken. Ze zag de pooten bij het openwaaien Zich traag bewegen, en de zijden baaien Der sleepgordijnen haar langzame staatsie Uitzetten en opgolven, en de natie Der beesten woei mee op, heel eindeloos: Beweging heel ver weg, geluideloos. In kleur groen, violet en rozerood Afwiss'lend zwol het zeil, het leek een vloot Van stevenende schepen onder zeil.

Die snelde ze voorbij, en tone, terwijl Ze niets zeer duidelijk zag, want inspanning Maakte haar oogen blind, het hoofd vol, ving Rondom haar een muziek aan, minnelijk. Ze wendd' het hoofd dan hier, dan daar, van schrik Verblijd, maar zag niet veel, een enk'le bloem, Een eg'lantier, en soms het opgedoem Van donk're rozen uit een rozebosch. 't Werd bloemvoller om haar, maar alles los, Het week al uit en niets was zeer nabij; Boven en om haar hing in geur een rij Lichtende mzuikale bloemen, schal Van zware wat'ren ver af, overal Een enkel vogeltje, zingend' heel schel. Ze streefde moei'lijk voort en voelde knel En dwang om armen, eensklaps vogelvrij, Voor haar een beekdooraderde bloemewei. Een bron stond als een koelvat op te schuimen, Een beek sprong uit dat bed en door de ruime Weide dwalende weidde hij zijn golfjes. Muziek makend zaten er engelenelfjes, De beenen in het water, aan den oever -- Triangels klankten, snaren gonsden doffer.

Voorbij, voorbij, de wei werd als een hei, Donkerder grond, en zonlicht's melodij Onhoorbaarder aldoor, een groote avond Dommelend opdoemend, met duister lavend Oogen van Mei die nu een vleermuis leek, Rondzwermend nachtziek in een schaduwstreek. Heel langzaam roeide zij nu naar het duister Dat voor haar lag, het lokte met gefluister En nam haar in zijn vouwe' en plooien op. Nieuwe wond'ren, want een geestentroep Schoof daarin voort, reusachtig, en een kudde Mammouthen drijvend, dat het duister schudde Zooals de bergen, als de aarde schokt. Ze waren zwaar gearmd en zwaar gelokt, Ademden nevels, zelve nevelig. Ze trokken rond, niet haastig, drongen zich Zelve en anderen voort met zwaar gesteun En soms een roep, terwijl een bosch gedreun Geleek te geven van vallende eikenboomen. Een leege, stilte. Toen zag zij aandoomen Woester wolkende damp, te voorschijn reden Ruiterscharen vechtende, met de kleeden Zwaar hangend om de zwarte paardenruggen. Knodsen vielen, menschen vielen -- en stugge Krete, en wraakgerochel klom. -- Walkuren Dreven vechtenden voort en breede gieren Wolkten nog na. -- Toen werd weêr alles stil En groeid' een woud op met dof bladgeril.

En door die godendroomen, droomeheg, Terwijl het lichter werd, zocht ze haar weg; Ze zag nog in de verte wezens nad'ren Tusschen de boomen: groote grijze vad'ren En blonde vrouwen door den witten damp. Die vluchtte ze en zocht het open kamp, Dat zag ze door lichtgroene bladeren. En 't bosch verdween zoo als op raderen Een trein van wagens op een lange brug; Daar leek wel alles teokomst en terug Zag niemand ooit: een nieuwe heerlijkheid Opende de poorten: had ze haar verbeid?

Een blanke straat daar voor haar, watervlak Tusschen twee vastelanden, daaruit stak Aan d'overkant omhoog sneeuwwitte toren, Gebouwd uit blokken ijs, van uit de voren Der blokken lekte het ijswater geel. In elk blok scheen de zon, en van geheel Den toren daald' en stroomde watergoud; De toren was hemelhoog opgebouwd Tot diep in 't blauw, maar lager op kanteelen Zaten er groote duiven zich te streelen Met gladde bekken in het glad geveert. En naakte mannen zaten ongedeerd Door duizeling, op de klaroen te blazen. Zoo stond een toren daar water te wazen En blanke manne- en duivekleur, terwijl Mei zacht aanvloog, zoo als een sloep met zeil. Voor die sublime poort van ijzig marmer Woelwater brak op marmertrappen, warmer Leek dat te worden van gebruis en licht, En beider schuim doorzichtig als gedicht Uit licht en water, tot een fraai geheel Van lichtgeflikker en watergespeel.

En door dien toren liep een doorgang door, Daar liep ze door, terwijl hoog van een koor Bij de gewelven jonge stemmen zongen, Blanke en roode gezichten zich verdrongen En overkeken naar den gang van Mei. Zij lachte wel omhoog maar trad voorbij, Ze hoorde ze nog fluistren en verhalen; En toen door lange gang, een gang van zalen, Vol zalig licht; heel eindeloos omhoog Gingen de vlakke wanden: regenboog Van kleuren zeefde het doorzichtig dak. De vloer lag vol van kleurenlicht, dat brak Door glaze' en ijzen koepels, eindloos hoog. En door de muren zag ze, en haar oog Toog telkens nieuwe zalen in, ze stond Soms even stil, hoorde zij niet den mond Van Balder zingen in een verre hal: Was 't schateren van den lichtwaterval? Waren de wanden water, licht of ijs? Hadden de kleuren daar eigen paleis Gebouwd alleen, of waren het de zangen Muziek van Balder die in rij en rangen Hun hallen daar hadden, waar binnen zij Aten en dronken eigen melodij? Soms zag ze heel ver in een corridor, Een wit gewaad verdwijnen, en te loor Ging dan haar vragend roepen van zijn naam. Balder, Balder, ruischte langs wand en raam, En trillend gonsden golven licht het voort. Eens was een zaal verlicht, zooals het Noord Is 's winters van het blauwe Noorderlicht; Daar stond een enkel manbeeld opgericht, De oogen open, vinger op den mond. Daar was het heel stil, alleen een vlaag woei rond Van kouden wind, met pijnboomengejammer. Aan de overzij zag ze een lichte kamer, Daar stond een jonger vrouwbeeld opgericht, Daar was het licht van zuiderzon, 't gezicht Bloeide van bloed, de voeten stonde' in bloemen. Een vinger op den mond en winde' als droomen Vloeiende om haar, zacht vloog 't blonde haar Omhoog, viel over de ooge' als froomeschaar. Verder, verder, het voetgetree liep heen Over de kleuren, 't waren ijs of steen, Het leken jaspis, parelmoer, saffier, Moorsch rood graniet, en spiegelend porfier; Alles was spiegelend, het leek alsof Daarin gedaanten schemerden, als loof Van boomen in rivier die langzaam trekt -- Want elk beeld bleef daar leven, eens gewekt. Het was daar stil, maar door de stilte drong, Begon te gonzen een geluid, een gong Wordt zoo gehoord in zwart Indischen nacht. 't Was zwaar en bang alsof een heel volk lacht. Het licht verschrikt' er van, verdonkrend even, Maar lichtte toen weer, en het kleurenzweven Ging ongestoord van boven naar benee Weer door en weer naar boven, en ze glee Ook door die kleuren naar dat gonzen heen. 't Werd zwaarder, maar er flikkerde doorheen Als stralen bliksem soms een schaterlachen, Als geele bliksems wen den donderwagen Thor trekt met onweersvrachten; maar allengs Hoorde ze helle klanken of een mensch Spreekt tot een volk, of boven het gelui Van 't heele carillon, de zware bui Van klepelslagen: damiaatjes hoog. En eindlijk ziet ze waar in koepelboog Een span van poorten staat met goud getuigd, Die ziet ze niet maar loop snel aan en buigt Het hoofd eerst even, hoort en wil heenloopen, Maar blijft en bevend doet de deuren open.

Stilte. Ook Mei stond stil. Dat was een hal Schel schaduwloos licht, 't kwam van overal. Een rij van mannen en een schittering Van glas en zilver, in een breeden ring Om lang gestrekte tafel. Dak of wanden Waren niet zichtbar, bloemen in guirlanden Omhoog, terzijde, en gesponnen loover Boven, terzij, met boomenlichtgetoover.

Diep heel ver achter in zat op een rots, Klein leek die in de verte als een schots Van ijs in zee, een oud gebaarde man, die Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie Ziende naar Mei galmde hij deze woorden -- Allen verrezen, stonden langs de boorden Van het banket, zooals de rijen riet Golvend en buigend waar de stroom vervliet. Hij sprak: Ik zie een duifje in dit nest Van doffers, wenscht gij iets, dan waar het best Gij zocht den oudsten, zwaksten, wijsten, mij. Wie zijt ge? En nadat de mannenrij Schatering en bokaalklank stil had, zei En zong ze dit led uit -- het was zooals Een vrouw zingt in een zaal, uit haren hals Springen de klanken in de stille lucht, Benee drinken de hoorders het, geducht Schallen de wanden. -- Zoo schalde haar sporaan: Luistert, luistert mannen, ziet mij aan, Luister o koning van het eind der zaal. Klaar is de maan, klaar is de manestraal, Klaar is het starrehaar, klar is de nacht, Koud is het manevuur, koude is de winternacht, Klaar is het manekind, koud als de nacht? Sommigen rilden, één zett' aan den mond Den warmen wijn, mar stilte was in 't rond" Luistert, luistert mannen van dit huis, Luister, o koning, naar dit woordgebruisch. Goud is de zon, goud is de zonnepijl, Goud is het zonschip, goud is het zonnezeil, Gulden de avond, dulden de havondmond Waaruit de zon zeilt, vroeg in den morgenstond; Hel is het zonlicht, helend het zonneheil, Goud is het zonnekind, hel die de zonne zond. Ziet ge het zonnekind, gij die hier woont?

Koel is de maan, heet is de zonnestraal, Samen wonen ze binnen één hemelzaal. Ik ben het manekind, zooals de mane koud, Ik ben het zonnekind, heet als het zonnegoud.

Toen sloegen sommigen hun bokaal tot gruis, Allen schreeuwden en het heele huis Wankelde daverend, -- terwijl Mei ging Dalend en rijzend buiten om den kring. En allen keken waar ze lang kwam om, Sprekende als ze aankwam, vóór haar stom; Was ze voorbij, dan spraken wel de oude Goden bewonderend, maar wie de gouden Haren nog hadden, keken haar na, dan Keerden ze zwijgend weer tot spijs en kna. Ze zagen haar de steenen van de rots Beklimmen waar, hoog in zijn koningstrots Wodan ter neer zat en zijn baard neerhing. Hij had alleen een tafel en de ring Der goden brachten hem om beurt de spijzen. Men zag Mei nadren, en Wodan oprijzen, Toen zaten ze te samen: als een duif Zit bij een paardekop in paarderuif.

En aan het maal zaten de goden aan, Jonge en oude goden. Mei zag z'aan, En zocht naar Balder, maar hij was er niet. De tafel leek de hemel als men ziet Den melkweg; als dat schittren was het bonzen Van een nieuw wijnvat in de zaal gerold. Hier brak er een gelach los en dat hold' Uitgelaten de tafel rond, dan schudden De hoofde, dan weer stiller -- als een kudde Van schapen graast, wordt dat geluid gehoord. De schittering van 't gebekerte omboord Met wijn, de bekers in de blanke handen, Als fijngestreelde bloemen, rijen tanden Tusschen volle lachende lippen, met Haar, wange' en oogen met een glans gebet. Het maal ging voort, de herten en wijnvaten Werden geopend, wijn en bloed gelaten In glas en schotels, tafels stroomde' er van. Wijn gorgeld' in de roe,mers en één kan Brak en de wijn brak ut als uit een bom. Allen schreeuwden stampend er rondom. En langzaam aan begon 't gezwaai van rompen En 't wankelen der hoofden, schepen dompen Zoo in de golven als de storm begint, En morrend brommen als wanneer de wind Door 't leege touwwerk raast der visschersvloot, Die op de ankers rijdt in watersnood. En zoo terwijl rondom een fel licht scheen, Glorie van licht, waarin het maal beneen Een zee geleek in 't woelen, waar de zon Op brandt en flikkert, water gromt, begon Mei en ze boog zich tot den ouden man, Die luisterde, stil voor zich zined: Wodan, Waar is de schoonste god, o waar is Balder?

Zoo valt een boom om, zoo als van zijn schouder Zijn hoofd voorover viel, zijn oog werd dof Terwijl dat viel, zijn handen met een plof Vervielen van de tafel op zijn knieëeen. Hij werd veel ouder en zij zag bezijen Zijn hoofdd vergrijzen en zijn huid werd geel. Ademloos en grootoogig zag ze, heel Zijn oude lijf rillen en beven, wolken Over hem gaan; gekreun zoals het bulken, Runderebulken, hoorde ze in hem. Boven en rondom ving orkanestem Het klagen aan, de lucht werd zwart, en hagel Begon op tafel kletering, gewaggel Greep tonnen en okshoofden aan, de zaal Werd lag door dampen en door wolkgedaal. Stommer werden de goden, een voor een, En stijf van schrik, ze bleven nog bijeen Zitten zooals ze waren, wijl rondom Als wolvehuilen windeloeien klom. En midden in dat stommelen rees toen Wodan, Een oud man met een grijs gebeente: goden, Zoo sprak hij, heden is al vreugd vervloekt, Het is mijn zoon, 't is Balder, dien zij zoekt. En alle goden bogen zich ter neer, Steunden de hooden op de armen, meer Hoorde niemand dan doffer rouwgeklaag. En als een herder stond Wodan, en laag Was ook zijn hoofd gebogen, 't was als zong Hij vóór: een treurlied -- 't gonsde op zijn tong En de godessen hoorden in 't verblijf, Spelend en spinnend, en ze zaten stijf Luistrend als zomerbloemengroepen eerst: Hieven zich langzaam op en vingen teerst Gefluister aan, staande dicht bij elkander, En namen haar gewaden en toen zonder Geraas of lachen, in een blanke rij Als reizende zwanen gingen ze voorbij Haar hooge deuren en door de portalen. Ruischende als de sneeuw kwamen ze dalen De drempels af, de hooge ramen in En hoorden Balders naam, en leed en min Deden ze weenen waar haar groepen stonden Onder donkeren boomen, waar ze vonden Opene vloerren, knielden ze wel neer. En 't vrouwejamm'ren ruischte er zacht en teer In 't mannemomplen, zoo als waterwel Ruischt in de herfstbosschen, droevig en schel.

Een was er droef en stil en dat was Mei, Zij kon niet weenen, in zich voelde zij Leegte en eenzaamheid -- wnt heen was hoop Die daar had zitten spelen -- en 't was verloop Van koud bloed maakte nu haar lichaam kil. En zij zat stil en voelde alleen geril Over haar rug, toen de Asinnevlucht Vloog in de zaal met duivekengerucht. Herinn'ring kwam haar aan Idoena's naam En zoekend keek ze rond waar ze te saam Hurkten als duiven op den duiveslag. Er zou wel iets van zijnen zonnedag Glanzen nog in heur haar en van zijn kussen haar bloed nog blaken. Maar ze was niet tusschen De anderen, omdat ze bleef te bed Waar jonge Balder vroeger kwam en met Haar sliep, en droome' als opgebloei van rozen Sproten en stilden haar liefs minnekozen. En roen terwijl rondom de bodem dreunde En buiten onweer, en de goden kreunden En mompelden, ontbloeide dit gesprek: Mei's woorden wat den lentevogelbek Ontwelt; maar Wodan's, wie terwijl de boomen En blaan doen sidderen, de windestroomen. En telkens bij zijn naam dan werd geslagen De lucht van schrik en konden zich niet schragen Noch zuil, noch god, noch rots, noch boomehagen. Balder, Balder, waar is hij, wie bergt hem? Van hier verdwenen, gromde Alvader's stem. Weet niemand waar hij is, komt hij niet weer? Niemand weet dat, hij komt hier nimmermeer. Was hij hier jong en blijde en danste en zong? Zijn stem klinkt, schaduw danst nog waar hij sprong. Was 't heele huis niet licht als Balder kwam? Wee mij, wee mij, wien hij het licht meenam. Lachten de goden dan, bloosden godinnen? Met hem trad zaligheid de zalen binnen. Was hij de blankste en de blinkendste? Zijn oog het lichtst, zijn stem het klinkendste. Balder, een hemelster, een dagebloem. Balder, een woudvogel, Walhalla's roem. Balder, van springfontein, een waterval. Balder, een zonneberg, een bloemedal. Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem? Noemand meer weer hem, gromde Alvaders stem. Idoena, minde zij dan Balder niet? En nog, terwijl zij ook dit wee geniet. Hoe wachtte zij hem, wer de avond geel? Op rozebed, onder vioolprieel. Hoe kwam hij dan in haren arm, vermoeid? Zóó niet, maar straalgekroond en lichtgeschoeid. Hij had om zich glorie en geuredamp. Elk zijner handen was een lichte lamp. Balder, zijn leliehuid had oliegeur. Balder, zijn prachtig bloed had purperkleur. Balder, zijn lijf zoo als een koningstroon. Balder, een koningskind, een Wodanszoon. Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem? Wij weten niet, gromde der goden stem.

En aldoor was de zaal vol gewoest gewuif Van windbewogen nevels en gestuif Van bladeren. Het water buiten botste Tegen de fondamenten, en er klotsten Brokken van golven voor de ramen op. Zoo loeit de stoomketel na nieuwen schop Van steenkool en zijn vlam en water razen, Zooals de wond daar rondging en de wazen Van dampen voortdreef, nieuwe achter hem. En Wodan stond daarin en hield zijn stem Van nu af stil, en ook de goden zwegen Als mannen om hun koning neergenegen.

En toen zei zij: nu mannen luistert nu, Ik zelve zag hem: breng een tijding u. Die zon kwam schijnen in den droeven tuin: In stilte klom de nevel in de kruin Der boomen, onder werd het klaar en klaarder. 's Avonds na stortregens wordt zoo de gaard' er Lichter en lichtst van en vol diamanten Van zonschijn en van regendroppels, kanten Van spinneweb, bedruppeld en bekleurd Weven de stuiken, elke bloesem geurt. En nogmaals zei ze: mannen, luistert nu, Ik zelve zag hem, breng een tijding u. En weder klonk dat helder uit en stilde Als milde olie golvemomp'len, rilde Nog voort en uit en om en vloog toen ook Idoena's kamer in, en toen zij rook En proefde stille effenende troost, Verrees z' en dronk hem in en even poosd' In voorgevoelen, wat dat voelen meen' -- En murmelde en liep zoo murm'lend heen. En binnen kwam ze en ze zag ze staan, De goden en godinnen, wijl Wodan Alleen stond ernstig -- door elkander stonden Ze daar en blonken en hun open monden Spraken, dat zag ze en blozende hoofden Geleken bloemen en oogen beloofden Vreugde door schittering, en groote handen Gingen de lucht door, vroolijk, en de randen Satijn en zij streelden de vloer in slepen. Zij zagen haar en gingen als de schepen Ter zij, bij vlootrevue, maar één bleef staan Heel diep en aan het eind der lichte laan. En zij, Idoena, wankelde door het midden Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden Legde ze zacht een arm en vleide het hoofd Aan schouder en langs boezem: vol geschoofd Staan zoo twee bundels aren op den akker. En uit haar oogen waakte een geflakker Van blikken en haar hand begon te streelen De haren achter Mei en zacht te kweelen Leken ze iets, verstaan kon niemand dat. En de andre hand had als een grooten schat De hand van Mei in zich en greep en knelde En kuste ze optillend en ze telde De vingers een voor een met haren mond. Balder, Balder, ruischte het en ze wond De armen om haar, of ze Balder was. En zoo beweegt in wind het lange gras, Zoo als wind de takken aangrijpt, schald' er Hooger en hooger rondom uit den drom, Balder, Balder, en armen sloegen om. Hij leeft, zei ze, hij leeft, want ik zag hem. Hij leeft en zingt, ik hoorde zijne stem. O goden, hij zong mij een droomelied, Een godendroomenlied, ik voelde niet Mij zelve meer, hem, hem, een tweede hem. Ik snelde mee en week mee met zijn stem In blinkende oneindigheid, als in Koelende meeren, ik was zonder zin, Muziek alleen, niets van mijn dierbaar zijn Voelde ik meer, verloren, maar gekwijn, Gesmelt in tonen, 'k zelf een lang accoord. Ik hoor hem zoo altijd en heb behoord Hem na dien tijd en nu altijd, voor goed. Hij zweeg en is verwenen en mijn bloed Stroomt ook weer langzamer, maar diep daarin Vaart altijd nog het schip herinnering. Hij zong van u Idoena, 'k heb gezocht Uw huis, of hij daarin verwijlen mocht.

En rondom hingen blijde aangezichten Als appels en de godenoogen lichtten En glansden, zijl ze allen naar Mei zagen. Idoena lachte en lachend liet zich dragen Door even groote Mei die haar omving. Ze kuste haar en nogmaals en ze hing Om haar zooals de blauwe bloemerank, Clematisbloem haar kelk hangt aan de slanke Aanzwelling van een vas. Daar was heel lang Alles heel stil terwijl een ieder drang Van vreugde in zich voelde en begeerde Luide klanken en lied'ren: onbeheerde Zuchten soms vloden uit benauwde keel. Eindelijk hoorden zij een zacht gestreel Van vingers langs harpsnaren, want één god Was stillekens heengegaan en had het slot Van Balders zale opgebroken en Zijn cither zich gehaald: te murmelen Begon dat achter de vergadering -- En allen schemerden van glimlaching. Hij speelde een lied uit: niemand zag om, Maar allen voor zich neer, en hielden krom Het hoofd gebogen, tinteling van klank Sprenkelde op hen neer, als drupjes drank. Maar Wodan stond recht op, bewoog het haar Heene en weer boven de godenschaar. Toen dat lied uit was spraken allen samen Zich naar elkander buigend, zoo beramen De vogels in den herfst hun langen tocht. En allen lachten en Idoena zocht Met stil verlangen al de hooge deur, Of ze noet open ging en haren heer Doorliet, zoo blank weerkeerrend van de reis. Nu leefde hij, kwam weer, zoo zong een wijs Haar minziek zingend hart, en zij zag rood Boven haar hals en kwijnend droomend bood Ze hare lippen al in leege lucht. En om haar fladderde de witte vlucht Asinnen al met Mei en vroeg haar hoe Het lied van Balder was, maar zij hield toe Haar mond en sprak niet veel, maar keek zltijd Idoena aan met liefde en met nijd.

Een dans. De heele meigt' danste voort Van 't eind der zaal. Rondom werden verstoord Van uit verblijven blond gelokte vrouwen. Lachende kwamen ze, wèl opgevouwen In haar gewaden, zoo zijn edelsteenen Flikkerend in satijn, zooals zij schenen Met voet en beozem uit heur waden uit. Vooraan den stoet Idoena, Balder's bruid, Zij tripte het marmer met haar warme voeten. Dan dansten allen: en de heele stoeten Kwamen vooruit, gehande armen dreven Naar voren en de golven lokken bleven Meegaan van achter op de lucht. Een enk'le Wendde het hoofd en lachtem en het tink'len Klonk als een Roomsche altaarschel. Daarna Kwamen de rijen goden, een hoera Weerklonk dreunend: dat schreeuwde groote Thor; Daarachter and're goden grijs en schor.

Wodan bleef eenzaam, droef en hopeloos. Toen hij alleen was, stond hij nog een poos En zette zich toen neer, zeer zwaar en droef. En stilte en peinzen maakten toen een groef Rondom hem donker, waarin hij neerzat. De zaal werd donker en de gansche schat Van 't maal werd donker, donker werd het brein Van Wodan, daar blonk nog zijn oogenschijn. Hij zonk in peinzen en twee zwarte raven, Als doodgravers die 't koude lijk begraven, Vlogen zacht aan en zetten zich voor hem -- Lang nog luisterde hij naar raad en stem.

Mei was daar nog en zat een einde ver In 't duister en ze blonk er als een ster, Aandachtig kijkend naar den ouden god. Buiten danste de menigte en tot Haar kwam gelach en voetgeschuif en drok Gepraat flauw hoorbaar, en hoog in den nok Der zaal hing nevel, gonsde nog wat wind. En bang en banger werd ze als een kind Dat voor een oud man wordt, met haar alleen. En uit haar angst stond ze toen op en heen Vluchtte ze zonder omzien en ging ver, Dwalend door 't donker als een lichte ster.

En ze werd eenzaam en ze vluchtte verder, Een schaap gelijkend dat den boozen herder Ontkomt en nu alleen graast en weer kan Een kant opgaan naar eigen wil. Moe vna Anderer blijdschap was ze en eigen leed. En langzaam liep ze, zag niet, en ze beet De tanden op elkaar, want er is nijd In ieders droevig hart bij vroolijkheid. Ook stond ze nog eens stil, daar achter was Het blank paleis, het glinsterde van glas In koepels en in torens, daar was nu Weer binnen 't licht van vreugde aan, schaduw Alleen had zij: O Balder, ìk min meest Uw jonge rijke jeugd, dat was haar geest Een troost, en plots'ling sloeg hoog op in haar Een golf van trots, ze schudd' het volle haar, Zooals een vroolijk paard de staart, en liep Sneller en sneller als een paard. -- Daar diep En breed en hoog was weer de blauwe rijkheid Van zon- en etherbrand, die zijn gelijkheid Niet heeft, maar zelf zich brandt en nooit verslindt. Het vuur vecht daar met vuur, géén overwint.

En toen ze ver was in die vlakte, stond ze Een lange wijl weer en nadenkend vond ze Een groote blijdschap in zich, want ze dacht Nu zekerder dat hare lange wacht Niet lang meer duren kon -- zij zou nu komen Dicht bij zijn woning, zouden dan haar loome Lippen om liefde vragen, o één kus. Ze drong dicht bij hem, voelde droomgesus Als wiegde hij haar heene en weer weder. Ze liep ook heen en weer zooals een veder Verloren op een vijver door een zwaan, En bijna kwijnde ze en bleef weer staan. En hij werd in haar tegenwoordigheid Zoo duidelijk dat haar neusgaten wijd Zich openden, alsof z'hem voor zich rook. Toen dacht ze aan de aarde en er dook Voor hare ooge' een bloemschepping op, Van violette' en primula's, gedrop Viel neer van geurdoortrokken avonddauw -- Zoo rook ze hem en kwijde en viel daar flauw.

En langzaam werd ze toen henengetrokken, Te droomen liggend, zoo als met al vlokken Sneeuwbui de lucht doortrekt. En om haar henen Vloten de murmelwinden, en de beenen En armen waren diep in geur verhulde. En heure haren over haar, ze vulden De blanke vlakte van haar borst, bewogen Even op wind omwarend in dien hooge. Toen was ze werk'lijk schoon want hare ziel Was ganschlijk in haar, geen begeerte viel Nu meer naar buiten, o een echte bloem. Waar drijft gij nù heen, gij Mei, die ik noem Mijn eigendom, gij die mijn duiventil Al lang zijt, in wie alle duiven stil Neerzitten, mijn gedachten, of ook vliegen Naar binne' en buiten en zich mogen wiegen Over u en om u, Mei, mijn lieveling. Zij zullen u wel volgen, hun gezwing Wordt nog niet moe, maar gaat gij niette ver? Ik zie u haast niet meer, gij zijt een ster Zoo hoog, het is alleen mijn zwakke oog Dat u nog volgt, mijn lippen worden droog. Waar drijft gij nu toch heen, mijn lieveling?

Toen ze zoo lang gedreven had, toen ging Ze overeind weer, zóó, zooals een duiker Te water, in haar handen vond ze een ruiker Van violette' en primula's en lachte, Nu wist ze zeker dat ze Balder wachtte. Ze fladderde ook voort maar droomend traag, En dacht aan hem en aan de eerste vraag Die ze hem doen zou, o maar éénen kus. Toen voelde ze zijn lippen en 't geblusch Zacht sissen op haar mond, en in haar vingers Zijn vingertrillingen, in blonde slingers Der lokken zijnen aêm, en o zijn wang Nu tegen haren en ze ging haar gang Weer zls zoo even omgevallen verder. Zij was zich geen gevoel bewust, toch werd er Aldoor in haar gespeeld door veel gedachten, Als muzikanten die hun hoorders wachten En vast probeeren snaren van viool. Zoo klonk het in haar, die niet hoorde -- school Haar zelf dan weg en wilde niet genieten EN hooren en de toonen zacht zien schieten Dooreen als strengels struik met bloem begroeid? MAar toch, terwijl gevoel met geuren stoeit In haar, vingers van Balder, Balders geur, Vaart ze vooruit, de voeten voor, en kleur Waait over haar en maakt haar telkens rooder En witter van de voeten tot haar schouder. Zie, nu ontwaakt ze weer en gaat ze loopen Sneller en sneller, laat de voeten doopen In schemervuur en rook, zoo is dat blauw. Ze is nu vroolijk, zie hoe luw en lauw Ze uit haar oogen lacht, ze ziet hen beide, Zich zelv' en hem, o nu niet meer te scheiden, Ze heeft haar beide armen om hem heen. Een gouden woning ziet ze en zijn schreen Komen den drempel over, en zij ligt Over een leger heen en voelt het licht Alsof de roode zon komt in de kamer. Zie nu hoe rood haar wangen, hoe de schaam er Binnen zijn vuur stookt. Zij verdraagt het niet En droomt weer in. -- En daar begint een lied Weer in haar, dat ze toch niet hoort, hoewel Ze zelf het zingt -- zoo als uit diepen del, Door loover, oever en door zon bekoord, Een bronwel springt maar 't springen zelf niet hoort.

Zoo bleef ze varen vele aardsche dagen, En zij noch ik weet, hoe noch waar, of vlagen Van eigen willen haar voortdreven, dan 't Begeerrend trekken van een godd'lijk man. Ik weet het niet, want al dien tijd was ik Diep in u, Mei, u zelf, geen oogenblik Keken wij rond, maar voelden diep in ons Een warmte en zachtheid als vogeldons.

En toen zij ontwaakte -- is 't niet, Mei? -- Toen was het door een koelte: mijmerij Van nevelen was daar en het was donker Van donzig vochte nevel, en het wonk er Als met heel groote oogen. En 't was warm Als was een vuur niet ver, er hing geen scherm Boven haar oogen die de starren zagen -- Maar rondom waren wolken zooals hagen Van zachte coniferen en beneden Als kussens mos waarop de voeten treden In 't bosch als 't lente is, dan zijn ze zachtst. Nog niet? was hij er nog niet? Zoet gelachs Kwam flauw op haren wang, het was onnoodig Om nu nog bang te zijn, want werd niet roodig De scheem'ring daar? O dat zou hij wel zijn. Zij zweefde er henen, maar die roode schijn Zweefde ook voort. Ook dat was groote vrede Voor haar: zij gingen samen. En beneden Veerden de nevelkussens, en van boven Werd het ook lichter, 't werd een donk're oven Die langzaam aangloeit. Toen de waarden gedaanten Van hooge taille en licht wit getinte Heel, heel veel hooger, en die strooiden bladen, Rozen ontbalderend, het waren zaden Van licht, want waar ze daalden schoot een oogst Van koren licht den nevel door, op 't hoogst Rondom Mei's schouderen; zij was heel blij Dat zoo ontvangen werden zij en hij.

En langzaam weken alle nevelingen Van nevellommer, schaduwnevelingen. Die sloegen alle op de vlucht, rondom Zag ze vervlieten lichte neveldrom.

En langzaam op begon muziek te tink'len Bloempjes muziek, klokjes muziek, te kling'len Klepeltje in klokmantel's glazig huis. En elke klank splinterde dan tot gruis En klok en klepeltje, want voor één klank Waren ze maar geboren, dood tot dank.

Toen gingen henen muziekwolken drijven, Ze zag ze niet, maar zag ze wèl, beschrijven Strepen en kringen en zich kalm verheffen In lichte verte, en ze kon beseffen Hun klankenrijkdom in hun volle kleur. Teer rose waren ze en zonder scheur Noch berst, maar hoog daar barstten ze in regen, Wolkbreuk van klank, zoo klankloos opgestegen. En regenden dan neder in gordijnen, Loodrechte stralen, druppels die doorschijnen, Als kralen aangerege' aan Indisch riet -- VOor 't oor voorbij, voor oogen ver verschiet. Henen vloden zware en lichte klanken. Ze voelde in zich heen en weder wanken, Als heel jong kind dat nog niet loopen kan, Haar lang verlangen, en als krachtig man Verdreef dat and're zielsverbeeldingen. Was hij er nog niet, dacht ze, Balder, en Toen kon ze rondzien zonder meer te hooren. Het leek de aarde, want er stonden koren Van boomen rondom: lichte populieren Zonlicht niet weigerend, maar met hun slieren Het schuddende en trillend. En er gingen Lichte heuvelen hoog en daarvan hingen Bloemen in menigt' af. En verder hooge Wanden van hoogvlakten en daarvan bogen Zich watervallen tot een duizelsprong. En haar verlangen werd zóó groot, ze kon Al deze aardsche dingen niet meer aanzien Van tranen en van liefde, en in waanzin Voelde ze hem in ieder ding: ze snelde Op een boom aan, hem denkend, en ze stelde Zich voor dien, armen open, en ze viel Tegen dien aan en kuste en een ziel Voelde ze in hem; in een sloot die open Langs boomen lag, stortte ze zich, het loopen Verrukte haar, diep in zijn worst'lend nat. Toen werd ze op de lucht verliefd en mat Dien met heel groote stappen en ze dronk Hem in en at en streelde hem, gelonk Gaf ze'm met hare oogen en ze liep Heel hard door hem, dan volde ze hem diep. Ze liep door weiden en op heuvelen, Ze liep op bergen en door wateren, Ze liep een wereld af door Balders rijk, Overal was ze en zag zijn gelijk In alles, maar hem niet -- tot dat ze kwam In één vallei en daar hem zelf innam.

Ze nam en zwolg hem in, ìn hare oogen, En sprong vooruit en greep hem en gedoogen wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem De lippen met de hare toe, hun stem Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij Tegen hem aan en boog zich, en voorbij Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zoo haar dorst, soms snikkend en ter nauwernoo Ademend. Eind'lijk viel haar hoofd terzij, En op zijn schouder brak ze in geschrei.

Hij was een man aan wonderen gewoon, Wonderen van gevoel, en daarom kon Hij zoo gerust blijven zooals hij zat, Terwijl zij uitschreide. En in zich had Hij weldra ook haar beeld, zooals ze schreide, En werd zelf warmer en de handen beide Sloeg hij tone om haar en hield zoo haar vast, Dicht bij zich, weenen weinig zelf, als was 't Zijn zusterke, wier weedom bij hem weende. Toen voelde zij zijn natte tranen, leende Het hoofd nog meer ter zij en zag weer licht Door hare trane' en droogde haar gezicht.

Toen zag zij zijne lippen weer, te kussen Boog zij zich over en hij voelde tusschen De zijne haren liefelijken adem, Een lenteadem, en toen kwamen naar hem Herinneringe' en lichte lentebeelden: Hij zelf werd als een lente en er kweelden Vogeltjes in hem als in jongen boom. Toen week ze weer van hem en zat in schroom Naast hem, bedremmeld, met geloken oogen, En toen haar handen hem verlieten, togen Bij hem weer ìn gedachten, zooals kind'ren In eenen boomgaard komen, ze vermind'ren De hangend' appels, maar er vallen veel Meerd're beneê, het gras ziet rood en geel.

En toen ze daar in stilte eind'lijk goot KLeurige woorden, zelf zag ze schaamrood, Toen was het hem alsof de zon op ééns Na 't zwijgen van den nacht en het geveins Der bleeke schmeing, uit wolkmoeras Zich oplaat, blazend, en met zijn geblaas Kleuren heenspreidt over de lucht, de velden, 't Water, ja, alle dingen ongetelde.

Ik ben maar Mei, ik woon maar op de aarde Het waren Zon en Maan, die mij klein baarden, Nu ben ik groot want nu zit ik naast u. O maak mij grooter, nòg ben 'k klein en schuw. O laat mij hooren hier naar uwe woorden, Alles vergeten wat mij vroeger hoorde Van jeugd en schoon, maar alles zien wat u Behoort, o u een boom, in uw schaduw. O sta nu boven mij zooals een boom En laat mij liggen onder u, een droom Verritselen zal ik uw bladen hooren. O laat mij niets zijn dan ééne bekooring, Een droom van u, o maak mij altijd vol Van u, een vrucht die 't zonlicht levend zwol. Zie, 'k wil u geven alles wat ik heb, Ik deed het altijd, 'k doe het nog, ik schep Honderde dingen uit mij, àl voor u, Ik ben zooalas een mijn, uit mijn schaduw Werp ik te voorschijn groote edelsteenen En maak er bergen van, de zon kan weenen Als hij ze ziet, zoo glinstert dat, zoo breek Ik mij al heel lang, Balder, voor u open. Balder, Balder, hebt gij mij zien loopen Over de aarde nooit, hebt gij gezien Hoe alle aardsche goden kwamen biên Aan mij al wat ze hadden, en mijn vreugd Om 't al te nemen, mij er mee verheugd En lachend, te weerspiegelen in een plas, Wanneer de maan scheen en het in het gras Rondom mij neer te leggen in een keten Van schittering en straalgebreek -- o weten Wil ik dat nu niet meer, ik heb u. MAg ik nu ook uw kussen drinken, nu Gij hier zoo naast mij zit, een groote bron Van kussen en van spel voor mij, ik kon Zoo erg verlangen naar u in een nacht Op aard en in den hemel -- en zeer zacht Als wilde ze in iedre kus fijn proeven Al haar verbeeldingen, zoo lang begroeven Zich hare lippen in de zijne, en Ze weende weer en kon niet ophouden. En in haar stem liet hij zich henewiegen, Zooals een vogel in de zon, niet vliegen Doet die ook meer, maar drijft zoo doelloos rond En voelt de zonneschijn -- en zijne mond Kuste gemakkelijk omdat haar roode Zangerige lippen het aldus geboden.

En toen ze daar zoo zaten als een bloem EN nog een andre, die saam aan den zoom van 't bosch gegroeid zijn, zóódat ze soms raken Elkaar wanneer de wind waait, en het blaken Van d'een de ander voelt, de stengels streelen En wrijven langs elkander en de geele Bloemhoningharten zien elkaar in de oogen -- Zoo zaten ze en toen terwijl bewogen Voor hen veel wondere verschijningen Op maat en melodie en deiningen. Zoo was dat land waar al dat Balder dacht, Hij landsheer en landsgod, zich zelve bracht Te voorschijn en ter wereld en bleef leven Tot nieuwe onderdanen het verdreven. Want al die dingen die Mei voor zich zag Waren zìjn onderdanen, zìjn gezag, 't Waren de beelden zijns lieds geruisch op zijn rhythmiek, Maar buiten hem de levendlichte schemer, Schimmenafbeeldsels in een spingewemel.

Zoo zaten ze, hij stil muziek te maken, Zij, zonder hooren, zag ze wel genaken.

Een schaar van kindren springende en blond, Met teere witterozeschijn en rond Van arm en beenen, oogen als op kronen 's Avonds kaarsvlammen zijn en op de konen Roode vlammetjes als op vruchtevellen. Ze breiden zich in rijen en ze stellen Zich naast elkaar: 't zijn jongetjes en meisjes. En elk zoekt toen de zijne, met zijn beidjes Dansen ze toen: zoo zijn de duizendschoonen Binnen het woud, waar zon schijnt, anemonen Groeien zoo twee aan twee op zeeëgrond. Een fee verschijnt, ze springen om haar rond Opkijkend en ze leunen aan haar beenen, Grijpen haar handen hoog, gaan met haar henen.

Toen wordt het schemering en avondgroen, Doorzichtig watergroen beneê, er doen ZIch dons en dunne dauw op. Donkerder Wordt alles en er is geen grond meer, ver En hooger wordt de nachtehemel zichtber. De maan komt op, de nevel wemelt, licht er Phosphorisch mos en paddestoel, weerlicht Het heen en weer van zomerbliksems, vliegt Het van dwallichtjes in de lucht, de zicht Der maan slaat ze verblinen af het graan, Het starkgekroonde graan, van hare baan? De lucht is vol van leuge' en twijfeling, Maar langzaam donkert het, zijn halven ring Verbergt de maan en haar twee scherpe dolken, Donder gaat om, aandobberen de wolken. Stil is het en de lucht is vol van zwart, Het is vol zwoelte, leeg van licht, het hart Van de nacht zelve klopt niet meer, is dood, Het nacht-lijk is nog warm, het zwart is rood. Violen bloeien uit dat zwarte op, Twee blauwe bloemviolen, licht valt op Hen niet, vanwaar? maar zelve hebben ze Blauw licht in zich, en daarvan lichten ze. Ze spinnen en vlechten zoo een groot prieel, Een wieg van blauw gebloemte, evenveel Aan wederzijde -- en toen was het klaar EN wachtten ze en keken naar elkaar. Twee bleke wezens traden toen te voor, Dicht aan elkaar gedrongen, onderdoor De armen hadden ze elkanders armen. De hoofden naar elkander, zoo verwarmen Z'elkander met hun oogen, om hen heen Is niets -- zij tweeën zijn geheel alleen. En d'eene spreekt en dit zijn hare woorden: Gij zijt geheel in mij en ik behoorde U al zoo lang, ik weet niet meer wat is Uw of mijn leven, uw gelijkenis Ben ik, gij mijn -- wordt nu een kind geboren Uit u en mij, dat zal ons toebehooren Gelijkelijk, omdat wij beide zijn Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn. Zoo zeggende verdwenen ze meteen, En 't donker ging en de violen heen.

En donker bleef het ook om Balder heen En Mei, in hem een zwaar gegons, er scheen Voor haar een flikkering van d'achtergrond Van zijn gedachten en zij waarden rond Zelve er voor, gewikkeld in het duister. En zich opheffend hulde z'in gefluister Koel, maar haar lippen brandden, ook die woorden: Gij zijt geheel in mij en ik behoorde Uw of mijn leven, uw gelijkenis Ben ik, gij mijn -- wordt nu een kind geboren Uit u en mij, dat zal ons toebehooren Gelijkelijk, omdat wij beide zijn Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.

Donder knalde en rommelde, groote spoken Vlogen een oogenblik rond en neergedoken Zaten ze saam, toen schrikten ze weer heen En vloden hande' omhoog, huilend uiteen. Balder stond hoog, hij leek een rots, diep blauw Was heel zijn lijf, zijn haren zwart, en grauw Handen en voeten. En hij zeide hard Als steenen, woroden: Nooit, nooit, nooit en zwart Trilde hij zoo als een verbrande boom. Hij zei het nog eens: nooit, en als een doem Viel dat van boven op de kleine Mei Die hande' en voeten uitgestoken, bij Zijn voeten zat. En hij ging een eind weegs Van haar en stond. En om zich kouds en leegs Voelde ze, en was blind en wist niets meer, Zooals één, doodgevroren in een sneeuwmeer.

Hij stond en voelde eerst een diepe kou Of hij bevroor en ijs werd, en blauwgrauw Waren zijn voete', en handen, en een hol Van ijs in hem, zooals een berg, een schol Van ijs die uit de poolzee losgeraakt Is en 's nachts ronddrijft, en de zee bewaakt In stilte van de blauwe manestralen. Hij rilde van zijn grootheid en deed dalen Zijn trillingen als van een hooge trap, Zijn lijf, zijn tanden beefden met geklap Tegen elkaar, hij lachte als het water Dat 's winters nog op bergen valt, het baadt er Door ijsbrokken en korsten grimmig. Hij lachte met klatering, maar was niet blij.

Maar stiller werd hij, want hij hoorde koren, Koren van zegelied'ren en verloren Klanken van solo's, helle heldenzangen, Hel en veruukkelijk, en op zijn wangen Omhoog verscheen een helder rooder gloeien. Beweegloos luistrend stond hij naar 't omroeien, Vleugel en riemeslagen van muziek, Breede slagen, zooals van den wiek Van adelaren of als ademtochten Van mannen breedgeschouderd, en er zochten Ook uit zijn borst de ruimte koele zuchten: Als loeien van een stier, groote geduchte Geluiden en uitblazingen en woorden. Om Mei dacht hij niet meer, maar stapte door de Hemelen, schrijdend heen en weer, gekleed In een sleepmantel van geluid, die breed Achter zijn voeten aangolfde: een koning Omschrijdend door de hallen van zijn woning.

En ook die tred werd langzamer, hij kwam Weer waar Mei zat, en die gedachte nam Hem 't kleed geluid af, dat geruischloos viel Om zijne voeten. Over zijne ziel Spreidden zich toen zeer zachte vleugelen. En een gedachte kwam daar als een hen Over een kuiken, op zijn hart en veilig Voelde zich dat in rust, zooals in 't heilig Der heiligen een ark staat zwaar en stil. Daar traden binnen, dat de vloer geril Van voetjes kreeg, blootvoet'ge priesteressen Met lange fluiten, op een rij en tressen Doorbloemde blonde welriekende lokken. Dat was het medelij met Mei, ze trokken Gordijnen weg en toen zag hij haar beeld Zittende. Waar hij haar wist zitten knield' Hij neer en werd weer als de jonge man Als zij hem kende. Uit albasten kan, Zijn mond, goot hij als balsem deze woorden: Nooit kan dit zijn, Mei, dat 'k een ander hoore, Ik Balder, aan een ander, zie, 'k ben blind, 'k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind. Dit zei hij en hij legde ook zijn handen Op hare schouders; zooals in warande Een bloem al vroeg in 't jaar de zon ontdooit, Ontbloeide zij, de koude smart ontdooid' Ook in de tranen die haar ooge' onvloeiden; En zij sprak zijna woorden na, die boeiden Met nieuwen pijnen haar: zie ik ben blind, 'k Zie nooit iets dan mij zelf, niet u, mijn kind. En toen sprak Balder deze woorden of In leegen dom een orgel speelt en dof Mompelt langs wanden en door de gewelven -- Maar 't spreken klimt tot klaatren, klanken delven De stilte open en geheimenissen Uit alle hoeken en de heil'gennissen. Zoo sprak hij: 'k ben als gij geweest, ik ben Nu zoo niet meer, als niemand meer, ik ken Nog wel mijn oude zelf, die gaat nu dood. Te zien, te zien, dat was mijn vroeger brood En drinken, en te hooren en te voelen Wat rondom is, de hitte en de koele Kleuren en ademhaling, die er gaat Door heel de wereld en elk wezen laat Baden door zich en van zijn binnenst maakt En brandt een oven waar het helvuur blaakt. Die verlangt naar voedsel, dat is 't wreed begeeren, De opgesperde kaak, de hand die meer en Meer grijpt en vingers haakt en grijpend kromt. Die 't al verandert en verderft wat komt In zijn bereik, die altijd anders wil Wat is, die alles hat wat blank en stil Eeuwiglijk is, die schapt en baart omdat Hij ook zichzelven haat, niet duldend dat Hij zelf blijft leven, maar den dood begeerend. Zoo zijn èn God èn menschen, die verweerend In 't leven staan, en gruizend, en tot stof Vallen de een na d'ander, een kerkhof Van dood verlangen en verdord gebeente. Zij maken nieuw geslacht, verlangend heen te ZIjn zelf, hatende zich, hatend wat is, Willend wat wordt, in woede en droefenis.

Zoo zijn ze ook niet blij met hun gevoelen Alleen te hebben ìn zich, maar ze koelen Hun willenswoede en zichzelve af Door scheppingen en bouwen zoo een graf Voor 't kostbaarste wat ze een oogwenk zijn, En uiten zich. Zoo gaf eens Wodan schijn Aan wat hij wist en voelde, hij de weter En voeler, d'allergrootste, en nu heet er Een wereld naar hem, hìj is arm, en dood Zal hij eens moeten met hen zijn wereld, nood Voelt hij al voor hen beiden, kan niet vinden Geluk, een doodswolf zal hen beî verslinden.

Soms komen bleeke oude herinneringen Nog in mij op en zie ik van de tinnen Van mijn paleis de oude godenwereld Zoo als ze was weleer, de vlakte dwarrelt Van godendans, ik zie hun groote beelden Op maat van muziek, en in verhulde Figuren ken ik nog godengedaanten. Soms bloeien struiken om mij en ik waan te Slapen op aarde en ik zie de vlakte Der zee, de wolken en het licht dat brak te Gruizen eens aan den hemel, waar nu starren Gesponnen zijn, blinkend in 't blauwe garen.

Soms denk ik aan een vrouw als toen gij kwaamt Zoo even en mij in uw armen naamt, Kussend en willend en de smart niet dragend Van eigen voelen, uwe liefde, vragend Verandering en blusschen van die vlam Die gij genoten hadt en die toch nam De allerschoonste kleuren in uw oog. Soms voel ik nog als gij en ik bedroog U zóó zooeven, nu ben ik weer stil En waar in mij, en voel wat 'k altijd wil.

Hoor mij nu, Mei: er dwaalt in ieder leven, In ieder lijf, een vlam, elk voelt haar beven Wel eens of tweemaal, maar niet vele malen. De menschen noemen ziel haar, ze verhalen Er lange wondere verhalen van, Weten niet veel, voeden haar niet en dan Sterft ze vergeten en alleen gelaten. Kinderen voelen haar wanneer ze na te Slapen gegaan te zijn, nog lang òpwaken Gedacht'loos srarend voor zich, want genaken Voelen ze niets, geen beeld, en ook in hen Schijnt niets te leven of te mijmeren. Dan voelen ze oprijzen en neerdalen Hun leven, ademen gaan door de zalen Huns harts en onder een hoog oppervlak Leeft een nieuw wezen nu het oude brak.

Zoo zijn de jonkvrouwen, wanneer haar jaren Vollere zijn en zij de lange scharen Mannengedaanten 's avonds buitensluit. Dan zit ze op een stoel, aan hare ruit, Maar ziet niet uit, haar oogen zijn gesloten. Zij denkt niet, levensboom is dood, maar loten Schiet daar het dieper leven en ze voelt Dat wuiven op windadem en windkoelt, En huivert, draagt het niet, breekt in geschrei Haar oogen open, dan is 't weer voorbij.

Mannen zijn zoo die men de dichters heet, Een jong man zoo, die 't slaafsch leven vergeet Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort En naar zich luistert, wat geboren wordt Aan leven in zich en de wondre daden Die 't dieper zelf bedrijft, en naar beladen Winden met klanke' en woorden ongehoord. Zoo zit hij wel een uur, daardoor bekoord.

Dat leven heeft een beeld, hoor mijn geluk, ZIe toe hoe ik den slagboom openruk, En hoe er doordringt nu een bonte trein, Paarden met belle' en ruiters: schoone schijn.

Dat beeld dat is muziek, want wie kan hooren DIen wond'ren schijn weerklinken of te voren Breekt uìt die diepste ziel, en slaat te stuk Een vroeger leven en zet met een ruk Een nieuw tooneel op van het nieuwe leven: O zonder beelden, onbegrepen, neven Zich zonder schauw of schijn, alléén gewelde Bobbels van lucht, zeepbellen onverzelde.

Dat is muziek, die heeft met alle dingen Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur Afwezigheid voor 't oog en schijnarmoede. Zij is de liefste, allerliefste, moeden Die zich moe leefden aan het zien en smaken Der volle wereld, drinken haar en raken Haar soms met lippen, willen haar altijd -- Zij geeft van alles hun vergetelheid.

Zielsleven is muziek; dat zijn de volle Aanzwellingen gevoel, de eeuwig gulle Uitstroomingen van klank, de volle baden Kokend in wentelende damp, goudzaden Van klank, volmaakt, gerond, ronde gewelven, Bommen van klank, en ook de zoete schelven Waaiig van licht geluid als stapels hooi. Sneeuwballen van muziek en uitgedooi Van klompen ijs smeltend in eigen water, Vogeltjes van muziek en uitgeschater Van lachende mannen: elk een heel geheel -- Een volk van klanken waar elk heeft gekweel Eigen aan zich, een scheepsvloot vn muziek, elk schip heenvarend op zìjn zeilewiek, Regen van klank verlatende de lucht, Een zinged' aarde met één groot gerucht.

Is zij muziek, is wel mijn eigen ziel Iets wat ooit buiten mij, mijzelven, viel?

Dat alles is het niet, 't zijn woorden niet, 't Zijn dingen niet, 't zijn klanken niet, geen lied Verbeeldt de zielsbewegingen genoeg. Alles is beeld, is beeld van haar, en vroeg Of laat valt het ineen in stof, zìj blijft, Wat er ook om haar valt en hene drijft. Wie dùs mijn ziel is, is zichzelf een God. Ik ben mijn ziel, ik ben de een'ge God. Er is nu niets meer dat mijn blindheid heelt, Mijn God, mijn ziel, naast haar bestaat geen beeld. 'k Word stil en niets bestaat meer dan mijn ziel, Geen ding, geen woord, en niets dat mij ontviel. Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand Dan zij, mag met mij wonen in dit land. Ik wil geen toekomst, geen geheugen hebben, Zij is altijd gelijk, zìj kent geen ebben En vloed, zij is eeuwig, alleen, zij is, Zij leeft door eigene ontvangenis.

Toen stond hij op en Mei zag een blauw waas Boven zijn hoofd, zijn anschijn blnk, als dwaas Stond hij, de armen uit, en scheen te drinken.

Zij wist dat hij voor haar niet was en zinken Begon ze lnagzaam, sneller, en zijn stem Bleef in haar ooren, dat was al van hem.