Gorter/Mei/Boek III

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Gorter/Mei/Boek II Gorter/Mei/Boek III [[]] >


Mei

Boek III

Het was de nacht

<poem> Toen alle wolken te begraven gingen. Ik zat waar een rivier ging en er hingen Treurwilgen over mij, waardoor de wind Zoet en zoel weende tranen als een kind. Het was zóó een rivier tusschen twee dijken Als uit de bergen springt en door de rijken Van Duitschland en van Holland naar zee gaat. Het water gonsde, als een overlaat 's Winters des nachts van water, en een tjalk Kwam soms den stroom af als een donk're valk Op 't tweetal vlerken, met karmijnrood licht Voor op den boeg; die leek een zwart gezicht. Menschestemmen hoorde ik uit het luik, Terwijl het schip voortdreef, schuim om den buik. Ik voelde mij zeer droevig, want ik wist het droevig lot van Mei en in een mist Zag ik nog de vergeefsche lange tocht. En in de lucht klaagde het om me, ik zocht Naar hare stem maar hoorde die nog niet. Wel 't vochtig blazen door het jonge riet En kleine wilge' en berken van den wind, En 't zoele en zoete weenen, of een kind Door 't duister liep en zonder klagen schreide. De takken plaste' in 't water, tusschenbeide Slokte het water gorgelend, een visch Gelijkend, zwemmend in de duisternis. En toen ik toen de oogen opwaarts sloeg, Denkend, waar zou ze zijn? en ondervroeg Elk van de wolken voor de hemelen, --Ze leken op de groote kemelen Zooals ze door Sahara dravend gaan -- Toen zag ik haar opeens tusschen hen gaan. Eerst als een starre met een schemerschijn Mind'rend rondom en toen een uit het klein Fladdergewiekte volk der vlinderen En toen als eene uit de kinderen Die vogels nadoen, hoenders en kalkoenen, Met de armen vliegende vergeefs, en toen 'n Lelieëbleeke, weenend, mijne Mei.

Haar bleek voeten trillende tot mij Kwam ze en zat met mij te zamen aan Den stroom, terwijl de boomen loofbelaan Ruischten en rilden als onz' eigen harten. Het mijne kookte bloed, maar hare smarten Bevroren haar van binne, en ze zei Geheel en al niets en zat stil naast mij. In vochte regen aan dien breeden stroom En midden in dier droeve boomen droom.

En bij het komen van den rooden morgen, Toen van het water, uit het loof, de zorgen Heenvloden en het zonnelicht kwam huizen Met vogels in de takken en het bruischen Van golven vroolijk werd, toen zei ze mij Wat ik al wist, en zei ook rij aan rij De Balderswoorden, godd'lijk, wonderbaar. Ik werd een tijd zeer stil en dacht veel, maar Begreep het niet, want mijne ziel kon niet Denken wat ze zou zijn, wanneer ze niet Behoefte had aan oore' en ooge' en wensch naar anders en naar meer: dat kan geen mensch.

En warmer werd het en de schaduw kwam Onder de boomen waar wij waren, 'k nam Haar hand. -- Wij gingen langs de dikke dijken Waar 't gras langs wuift en soms bleven we kijken Wanneer een stoomboot ver den stroom opkwam, Met een sleep schepen, zooals men een ram Vooraan ziet gaan voor al de tamme schapen. Ook werd in haar weer wakker wat te slapen Gegaan was en ze sprong wel naar beneê En plukte een bloem en stond er droef tevree Boven te zien en hield ze aan haar borst. En alle bloemen wilden haren dorst Toen stillen, en ze trippelden, en kleurig Vonkte het daar en in de luchten geurig Ademden ze, wij gingen aldoor voort. En ook ter zijde af en van den boord Die weerzijds sluit het breed rivierig water, En groote velden in en wei, daar staat er Een hooge boom, een zilverpopulier. Wij zaten er en hoorden het plezier Der bladeren -- terwijl de zon hoog klom En boven onze hoofde' het loover glom.

En koeien loeiden en de boeren kwamen Te melken en te maaien en de ramen En deuren kenrsten van een boerderij En wolken komend vulden met geglij Van schaduw al de velden en van licht -- De schaduw kwam wanneer het leven zwichtt'.

Arbeiders kwamen ook in de bouwlanden, En naast elkander zamelden ze de manden Vol van de donkre aardvrucht en de rij Gekromde mannen kropen zij aan zij. Dat alles zagen wij heel ver gebeuren Terwijl de zon klom en de natte kleuren Des ochtends drooger werden en opgloorden Eindlijk van goud en ook de klare woorden Der bladen boven wij niet meer verstonden.

De stille morgen: òpblaften wachthonden Toen boeren uit het veld kwamen te schaften. Ze sprongen aan hun kettingen en blaften. En maaiers legden zich diep in het gras, Witte en blauwe hemden in het gras. De wolken zwierven henen van den hemel, Boven de aarde was er heet gewemel. De zon stond roerloos boven uit te schijnen, De aarde was een warme zee aan 't deinen. Ik stond toen op en liep in 't weiland rond Nu voor, dan achter haar, zooals een hond Nu eens ter zijde en dan voor de kudde. En telkens keek ik -- en de bladen schudden Het zonlicht boven haar, zij klein en rood Zat stil en zag mij niet, haar oogen bloot Flikkerden door haar tranen kleine stralen. Ik liep dan voort en waar het eiland dalen Ging naar een sloot, sleepte ik mijne voeten. Er stonden bloemen die door het ontmoeten Met mijne voeten schommelden, ik ging Boven ze langzaam en mijn zwaar hoofd hing. Er stond een vrouw tusschen de voorste struiken Van een licht kreupelboschje, en de sluike Willegetakken stonden om haar toe. Ik kende haar wel, en zij mij, en toe Lachten we flauw elkaâr, het was die vrouw Die vroeger Mei ontmoet had en geen rouw Had willen brengen om haar blijde oogen. Zij hief den arm op en hield zoo lang haar hooge Houding, ze wees naar Mei en zeide toen: Weent zìj nu ook, in deze zonnenoen? En dichter kwam ik bij haar, en zei haar Het lot van Mei, zij hield haar arm op waar Ze haar gewezen had -- zoo'n pijn had ze. Hoorde en ademde en mompelde Zelf zìjnen naam toen ik gesproken had. En zwijgend stonden we bijeen, ze had Aldoor haar arm nog uit -- hoog boven mij. Wij beiden zagen haar, ver, van ter zij, Onder den boom en eindlijk zeide zij: Balder en Mei, dat was een schoone droom. Als dat geworden was, dan konden loom Wij allen nederzitten en wel sterven Alle demonen; en wie dan beërven De aarde zou...maar dit is niet geweest. Zij zit daar weer alleen -- even verweesd Als alle vrouwen zaten op de aarde, Die hem eens hoorden en in 't oor bewaarden Zijn stem -- ik hoorde hem, ook ik ben bleek, Als water is, beneê den mist, der beek. Ik rilde van een kouden lentewind, We stonden nog en keken naar het kind. Zij ging toen heen, de wilgetakken bogen Zich om haar, 't hoofd ging boven het bewogen. Haàr oogen gloeiden toen ik tot haar keerde Mijn oogen en ik zag dat zij begeerde Kussen en teere vingeren, zij brandde Den hemel met haar oogen en de landen. Gloeiende tranen vulden toen haar oogen En zij bewoog zich niet ze af te drogen.

Later werd het en ook koeler toen, De wei met schaduwen en zich opdoen Van lichte nevel. En wij gingen heen, Al stil rondom wijl de zon lager scheen. Wij zagen toen den stroom ook weer terug, Waar 't water schitterde, waarover vlug De vogels trokken twee aan twee naar huis, Zij liep met mij, niet ver was meer de stad, Langzaam donkerder werd het om ons pad. Der boomen stammen eerst en toen het loover, Langer gekleurd en rood, maar ook daarover Sloegen de golven duister en de lucht Alleen bleef ademen een purpren zucht, En geele glorie wellen in een glans Den halven hemel groot, een schellepkrans, Daartegenover dansten als fantomen Roode verschijningen op hemelzoomen.

Toen zagen wij voor ons de poort der stad En toren en daklijnen voor de mat- Goude verlichting van de breede zee Des hemels. Muren waren aan de twee Zijden der poort, waarbinnen wij nu gingen. En echo's vingen daar wel aan te zingen Van mijner voeten klank, van hare niet. De avond was daarbinnen, in 't verschiet Van straat en gracht hing om het blauwe duister De schemering en in de huizen huist er De nacht al of de lampen nog niet brandden. De straten waren stil, maar aan haar wanden Waar glazen waren, zat een enkle vrouw, Een oude hier, een jonge daar, in schauw Der kamer naar de lichtre straat te zien. Eens hoorden ik en zij het melodieën Achter uit huis van snaren van een veel, Eens uit een tuin het heldere gekweel Van lijstervink, die zat gekooid gevangen. En zwarte menschen liepen met verlangen Naar huis als moede beesten en de linden Stonden aan grachten droomerig, gezwinde Rillingen voeren soms door boomkruinen, Wanneer een lichte wind kwam tuimelen.

Mijn huis was op den stadsmuur opgebouwd, Ik deed het open en wat binnen rouwde, De duisternis, werd licht toen zij intrad. Het was zooals juweel uit een kroonschat Die uitbeleend wordt in een donkre wijk En in het huis ligt van een Jood en rijk Dat duister maakt met gloed en flikkering. Zoo was zij daar, de kamerzoldering Schemerde en de donkre hoeken grijnsden. Hoog was die kamer in het huis, er deinsden Boomen beneden aan de lage straat. Het raam was open en zij had 't gelaat Naar buiten waar de zwarte daken waren Als doodskisten gezet op hooge baren Voor de begrafenis in zwarten grond. Een enkel lichtje brandde in het rond En schimmen sprongen langs verlichte ramen. Een toren stond niet ver af met de namen Der twalef uren op de wijzerplaat Flauw zichtbaar, en beneden in de straat Hoorde ze mannen spreken met elkander. Een flauwe reukbeladen wind, als brandd' er Heel ver af wierook ergens in een schaal, Gestold uit bloemenat en dauw, woei vaal Voorbij en bij ons in, en de rivier Gonsde en ronkte niet ver als een dier. Ik hoord' en zag het ook wel, duizelde Mijn hart niet zoo in mij en suizelden Mijn ooren niet en sloten mijne oogen Niet bijna toe. Ik dacht niet, er bewogen Nieuwe zinnen in mij, terwijl ik zat Ver in het duister en mijn handen nat Waren van angst om haar gestalte, daar Ze stond zooals ik voor het eerst zag waar De wilgen blauw waren voorbij den stroom. -- Toen zagen wij te zamen uit, een droom Leek 't zwarte stadje daar voor ons te droomen Met al zijn lichten uit, een man wien loome leden geleiden naar zijn leger, dan Droomen bezoeken, een dof droomend man. En ook ik legde mij toen neer te slapen Maar sliep niet, en zag haar, en dikke schapen Van wolken langs den hemel door het raam, --En haar zag ik -- en zij liepen te zaam Omhoog, ik zag ze een voor een verdwijnen. De maan scheen, maar ik zag haar niet, wel 't schijnen Der sterren en toen ook hun tragen gang Over het huis heen, moeielijk -- en bang Bleef ik van hart, zij doodstil aan het venster. Alles was donker en de stilte wenscht' er Klanken en woordgeraas, en aamde zwaar Van haar naar mij, van mij tot haar, een schaar Van lange zuchte' in hangende gewaden. terwijl de stilte peinsde om te raden Geluid dat komen zou, terwijl ze ried En peinsde nog en luisterde, een lied Speelde daar al en floot een nachtegaal. Het werd geboren uit de stilte, taal Van stilte zelf, alsof het zwijgen sprak, Onmerkbaar overgaand in spraak die brak.

Haar bracht te zwijgen ander klokkespel, gezongen van den toren, door één schel En toen nog vele andre van metaal. Een boom van klokken en een kort verhaal Van de oude toren, met zijn jonge stem. En Mei keek naar hem op en hoorde hem. Toen kwam ze binnen en sloot toe het raam En lichtte door de kamer, handen saam Hield ze, en liep een tijd lang heen en weder. En stond toen stil en zat en legde neder Zichzelve naast me, naar me toe gewend. En haar nabijzijn maakte als een tent Over mij heen van veiligheid en schemer. Voor mij zag ik twee vlammen en gewemer Voelde ik om mij van dier vlammen licht. haar oogen blonken, van haar aangezicht Woeien naar mij, op mij, haar ademen Met breede armen en omvademen Kwamen zij mij mijn wangen en mijn hoofd. En voller kwamen ze en loeide' en loofde' Hun koelte en laafden mij, en een diep water Maakten ze dompelend, als stroomen water, Gesmolten en gezwollen door een lent', Die hare winden naar de bergen zendt. Daarin verzonk ik en mijn lijf verdronk In ademen van slaap en ooggelonk. En zij lag heel stil, als soldaat op wacht, De voorste voorpost, luis'rend in den nacht Of hij den vijand hoort, hij denkt aan huis, Aan veel wat ver is, hoort toch elk gedruisch Met erg en argwaan breken door den nacht. Eerst vlogen wel langs 't raam op veereschacht, Eén veer droeg hen gemakkelijk, lichtelven, En stonden toen er voor en in zich zelve Peinsden ze lang en praatten niets, één zei Toen eind'lijk iets, ze lachten toen voorbij.

Wel kwam een jonkvrouw aan: dat was haar zuster, En keek op haar, bij 't raam staand' en ze kust'er aar vingers voor, hoewel ze d'oogen wischte -- Juni, een lichter licht rondom haar mistte. --

Maar onderwijl sloeg binnen haar een trom Een doodsroffel -- zoo gaan soldaten om Voor 't laatst met dooden makker eer hij ligt Onder de aard', verborgen voor het licht. Ze voelde het begin van kouden dood In zich en 't was of stierven in haar schoot De kinderen van wenschen en verlangen. Ze lag naar boven en ze liet de lange Lokken ter neer vallen ter legersteê. Haar boezem ging met adem, adem, mee, Haar bloote, bleeke voeten blonken in De schaduw heel ver weg en om haar kin Lichtte een blauwe ademing van vlam, Haar handen lagen naast elkander, klam En fijn gevingerd op 't geweven kleed. En aldoor was 't of binnen haar omschreed, Zooals een wind die omgaat 's avonds laat, Zooals een kind dat 't oude huis rondgaat Voor hij 't verlaat en nog wat speelgoed ziet, En er mee staan blijft: 't is zoo groot verdriet.

En 't werd in haar zooals een woud in winter In vreeselijken winter, als de wind er Vergeefs blaast en de stijve stamme' en takken Zich harden ruw en op de open vakken Bevroren gras, als steen staan en de maan Zijn straal als ijs stort in de boomenpaan.

Zij huiverde en deed mij zoo ontwaken: Zij leek een bloem, die onder het sneeuwlaken Kou lijdt, niet slapen kan van kou en sneeuw. Of als een vogel, sneeuwwitte zeemeeuw Met roode pooten -- 'k leunde op mijn arm En ademde op haar en weder warm Werd ze als immer, zij een bloedebloem -- En toen maakte ik mijn adem tot den roem Van adem, golfjes klank, veeren van klank, En zong een liedj' en zweeg, ze zei haar dank Nog niet, want òp zat ze en zag mij aan En zei als wou ze in haar stem vergaan: Gij zijt als hij, als hij, in uwe stem. En toen kuste ze mij, maar kuste hem Op mìjnen mond, en toen op mijne oogen, Maar hare oogen waarden in den hooge.

Toen werd het weder morgen en het pruilen Der schemering begoon en toen het huieln Van grijze tranen licht, en ongedegen Zilveren druppe', een parelmoeren regen. En eindelijk daar waren àl de stralen Der zon, die 's morgens wonderen verhalen, Splinternieuwe en van fijn goud zijn. En wij herlefden in der kleuren schijn En stonden en wij zagen weer elkaar, Zij mij, ik haar in 't goud van 't hangend haar.

Toen zei ze vele zoete woordekens, Een vogel 's morgens, 'k had maar &eaute;énen wensch, Dat zij daar blijven kon met haren mond Waarom zich 't ranken van bloemwoorden wond. En onderwijl stonden wij uit te zien Naar 't gouden blauw en naar het vlugge vliên Der stralen op en over blauwe daken. De lucht werd door het licht verguld, te blaken Stond op den kerktoren de gulde haan, En hier en daar fladderde een windvaan Nog wispelturig op onstagen wind. Heel ver weg vloog en blonk het stroomelint Wimpelend door de weiden, waar de ossen Rustig in stonden en de wilgen losse Takken bewogen en de blaân als vlaggen. Klare meerplassen lagen er te lachen En schaterden van zon, de overstrooming Had ze daar nagelaten en de koning Der zomerzon ze nog niet opgedroogd. Het stadje lag met wallen opgehoogd, Daar vlogen onze blikken in als duiven Na het omvliegen in hun til, en wuiven, Wuivelen zagen wij de buitenblaân Der boomen, binnen groen licht, onderaan Een enk'le stam de grijz' en geele steenen, En in de gracht een trekschuit schuivend henen, Toen vroeg ze mij te zien der menschen stad, Wat die voor werke' en wezens in zich had.

Daar was een klein plein aan de watergracht En boombeplant, vol schaduw en aandacht Van dunne gouden zonnestralen, die Door olmebladen kwamen met gespie Nieuwsgierig, waar de hoenderen in blonken Goudbruin op zwarte aard, de haan te pronken Zijn dos opschudde en zijn rooden kam. Een geele wipbrug lag daar en er kwam Een trekschuit doorglijden vuurrood van kiel. Het water rimpelde, de vuurkleur viel Bibb'rend tot aan den oever in 't gekabbel: Tegen de schoeiing klonk het nat gebabbel. Nog was het stil, wij zaten toe te zien Bij een straathoek: er kwamen meerdre liên, Een vrouw naar buiten, strooiende geel graan, De hoenders kakelden en vlogen aan En aten gulzig -- en toen ging er open Een deur en kwam een jongen uitgeloopen. Stil werd het toen een poos, het zonlicht klom, Over de gevels schijnend hel en stom.

Een werkplaats lag er aan dat kleine plein, De dag was aangegroeid in zonneschijn -- Die was vol koelte en van donker hout Bevloerd en ook gezolderd en zeer oud Leken de ramen, waar looflicht door scheen Door de olmen buiten, en daar kwamen heen Oude en grijze mannen om te werken. Er lagen houtstapels: de eikesterken En 't spleet'ge vurenhout van uit het noorden. De werklui namen het en zonder woorden Schaafden en klopten ze met timmering, Bedrijving in de groene schemering.

En nog een andre was er aan dien kant, Ook donker: en er voor lag het vol want En touwwerk en scheepstuig, de houten blokken En ankerkettingen en rondgetrokken GEstapeld henneptouw, er binnen zaten De oude zeilmakers, hun gelaten Dicht op de naald, in 't wit, voor hen het zeil. Wij stonden er en keken toe een wijl.

Wij gingen verder terwijl heel de stad Onder de zon kwam en er als een bad Zonlicht in omviel, dat de trappengevels Van rooded steenen droogden en de nevels Van glans die 's morgens vroeg overal is Dampten: het overschot nachtdroefenis.

En door de straten zagen wij naar buiten En door de poorten, die zooals de ruiten Zijn in het huis: daar vloog de buitenwind, Laaide het vlammend licht en staarden blind De plassen zich, de sloten, de rivier. Daar kwam een groote wagen: het trekdier Stapte en trok, verstoppende de poort. Hier een troep schapen, en ze liepen voort Dat vachten wolzij schommelden, een ruiter, Een boer te paard kwam aandraven, het tuitt' er Van flikkering en jongens schreeuwden dol En vochten op hun klompe', een kroeg liep vol.

De buurten in die aan den stadswal zijn, De daken waren laag, de deuren klein, Gras in de straten, mannen niet tehuis. Alleen de vrouwen, luist'rend naar 't geruisch In 't huis van vliegevleugels, naar 't gestap Van voeten op de straat, en naar 't geklap Der buredeuren. 't Sling'ren van een pomp Hoorden wij wel en zagen soms den romp Van een oud vrouwtje, die het natte linnen Te droogen legde op de heg, en binnen In huis schreide soms een zuigeling. -- Lang zaten wij daar op den breeden ring, Den stadsmuur, waar de kamperfoelie klom Omhoog met wingerden, klawieren krom Kropen de muur over, de gracht benee Was als een schor nat, van de Zeeuwsche zee.

En daar ook deed ze mij verscheide vragen, Vragen hoog klimmende in fijne wagen Van hare stem als tegen heuvels op: We spraken lang, terwijl we van den top Der kerketoren telkens de uren hoorden. Nooit waren tonen zoet als die ik hoorde Suizelen van haar mond, de lucht inklimmen: Voor mìj omneveling van alle kimmen Met tranendampen, en een wereldgroot Gevoel in mij. Ze sprak me van haar dood.

Wij keerden ook weer in de stad terug -- De zon week uit de straten al terug En was veel lager aan de Westerkant. De straten waren stil en aan den band Der effen grachten lagen stil de schuiten. De steenen werden paarser om de ruiten Die zelf ook blauw besloegen, het gordijn Ging hooger in de ramen van 't kozijn. Toen werd het zonlicht west'lijk weggedragen Zooals een Oostersch heer, die op zijn wagen Lang omgereden heeft door zijne stad, En nu 't paleis genaakt. 't Gelaat is mat En lichtgeel en lichtgoud onder den waaier. Zoo ging de groote zon heen met gelaaier Van licht rondom zich, in een palankijn Van gloed karmijn, fluweel zoo rood als wijn.

En groepen vrouwen kwamen op de straat Bijeen, die troosten 't leven met gepraat, Haar moeilijk leve', en grijsaards die het laat Leven het meest genoten zaten stil Dicht onder huis op stoep, door hunnen bril Rustig de mensche' en dingen aan te zien. Een steiger stond nog voor een huis, van dien Kwamen de mets'laars klimmen in een rij. Een jong man met blond haar was ook daarbij, Die bleef nog staan heel boven op den steiger, Zooals men ziet in 't woud den blauwen reiger In 't topje van den boom staan -- hij keek rond Naar den roodgeeln en zwarten dagavond En lachte in den avond, en een lied Neuriënd dalend, wist hij 't zelve niet.

De nacht kwam weer, schoon lampen nog niet brandden. De straten werden stil, maar aan de wanden Waar glazen waren, bleef een enkle vrouw -- Een oude hier, een jonge daar, in schauw Der donkre kamer naar de straat te zien. Eens hoorden ik en zij het melodieën Achter het huis van snaren van een veel, Eens uit een gang het heldere gekweel Van lijstervink, die zat gekooid gevangen. En zwarte mannen kwamen met verlangen Naar huis als moede beesten en de linden Stonden aan grachten zwaar van slaap, gezwinde Rillingen voeren over het grachtwater, Wanneer de wind zich neerlag op het water.

Toen dan de nacht er was, de zwartgehande, De zwartgeborene die tot een schande Der aarde is, beklommen wij het huis. En in dien nacht zaten wij samen thuis En sliepen niet en droomden niet, de zangen Van slaap en dood die zongen we, die wangen Verbleeken en benauwen in de keel. hartstochtelijke stem. Voor mij, bleekgeel Zat Mei weer en haar mond stond altijd open En liet de klanken door, die als bij hoopen Mannen en vrouwen bij begrafenis Uitliepen, op een dag van droefenis. Zoo zong ze soms alleen en soms wij samen Als sombere bedroefde koren, namen Van vele dingen die ze had aanschouwd. beefden nu weer van hare tong, berouwd Door klaaglijk lied, eentonig lang getreur, Heel soms een blijde noot, wanneer ze heur Oogen deed lichten, en haar hoofd een baken Gelijk werd, en haar armen vooruit staken. Maar dan zonk ze terug in droefenis, Met hare armen en de duisternis Die trilt voor de oogen en als blindheid is. Wij hoorden buiten niets, zooals een graf Was mijne kamer, dat ligt heel ver af Van aller menschen schreden in den schoot Der warme woestenij, en 's avonds rood En 's morgens rood schouwen er over heen -- Zoo schouwden ook de oogen van ons tweeën. En zoo kwam eindelijk de laatste dag, Brandstapel van een dag, het fel gelach Der vlammen om het arme brandend hout. Toen het nog schemerde en 't om ons koud Van morgenlicht werd, kwam ze dichter bij me, En knielde aan mijn knieën en ze lei me Het hoofd zoo zwaar van haar daar neer en toen, Terwijl mijn hand op hare lokken was, een zoen Kuste ik op het blonde haar, bleef zij Zwijgen aldoor en eerst zonder geschrei, Zooals een kind, maar 'k voelde adem schokken En branden uit haar mond. En toen als vlokken Van sneeuw zoo langzaam, dreven groote tranen Haar wangen af, -- En zooals 's avonds 't tanen Van 't zonlicht is, zoo zag ik nu uit haar Veel licht verscheiden -- zij, als een altaar Waar 't vuur maar flauw brandt in den donkren nacht, Bleef over, maar waar één vonk gloeit en wacht.

En toen zij opstond, stond ik ook naast haar -- Nog fonkelde zij voor mij van heur haar En van haar oogen -- lei ze nog haar hoofd Dicht aan het mijne en ik zag gedoofd Worden haar oogen weder door haar tranen, En de armen om mij, zooals van de mane De armen zijn, zoo fijn en ook zoo licht. Zoo bracht ze ook haar droeve aangezicht Dicht aan het mijne en bleef heel lang staan, D'oogen in mijne, mijn hart ging vergaan. Toen ging ze heen, terwijl haar mond niet sprak, Achterwaarts heen, ik zag haar in het vak Der deur staan, met de ooge' aldoor op mij. Toen ging ze heen en was ik zonder Mei.

En toen ze kwam in 't licht en dronken buiten, Bedronken door den nacht, en dat te muiten Des morgens slaat uit duister en zich kiest Een opperhoofd: de zon, en zich verliest Voor hem en voor zijn glans, waarin het valt En sterft en opgaat na den doodstweespalt Met duisternis, die òòk sneeft: Daar bleef hij Met al zijn schijn alleen en trotsch en blij.

En droevig eenzaam kwam zij in dien dag. De boomen maakten in hun loof gewag Van morgenwinden en de jonge vogels Zaten er op de wallen of als kogels Vlogen ze van een tak boven den muur. De klokken sloegen een vroeg morgenuur, En droomerig en droevig gleed ze voort, De poorte uit, een dijk langs en het boord Des grooten strooms die met zijn water vocht. Ze dacht aan mij en hoe ik wezen mocht Nu zonder haar en of ik eene lief Spoedig zou vinden, die ik even lief Zou hebben als ik haar wel had gehad. Toen dacht ze aan den dood en keek naar wat Dood in het gras kon zijn, maar dat was niet De dood noch droefheid. Want het leven schiet In lente ied're bloem en ieder kruid Vol krach en glans, en recht de aarde uit. -- En zoo werd droevig hare laatste dag.

Maar zon, haar vader, ving toen met een lach Een nieuwer glanzen aan en toen terstond Wikkelde hij het louterst licht daar rond, Dat zamelend wat anders van zijn kussen Het beste van de aarde ten deel valt, tusschen De bergen reinen meren, berg van sneeuw Ons onbereikbaar, en in ééne eeuw Misschien het aanzicht van een enkel mensch. Dat zag ze, en ze voelde in zich wensch En toen ook werk'lijkheid van zoo te zijn, Zoo koel als 't goud, zoo koel als 't kind dat klein Nog is en tusschen vreugd en droefheid leeft. Zoo werd ze en de rijke zon omweefd' Eén sluier na de andre om haar oogen. Eén horizon verdween na de ander, hooge Blauwende hemel en van zeer nabij Had boom en loover een verguld kleedij. Alles was ééne kleur, alles gelijk, Zij zelve voelde in zich even rijk Als wie voor goed alleen is en niets kan Nu meer verliezen of verkwisten dan Alleen zìjn leven en zijn eigen zelf. En in dat godsgeschenk, dat goudgewelf Liep ze al voort en voort, het schoof met haar, Zij zelf het goudst daarin, het gouden haar Een korenschoof rondom haar waar de aren Uit neerhangen en zich de schoof omscharen. Toen kwam ze -- o ik weet wel waar het was, Het was in 't jongste ongereptste gras Tusschen vier eiken die hun roode blaan, Nog rood hadden van 't lentebloed, te schaân Door niets, maar wel door 't morgenlicht te kussen, En dan aan 't trillen en elkaar te sussen. En vol van haren gloed werd die kapel, De onderzij der bladen glommen schel, Blauw was de hemel tusschen 't groene loof, Het roerloos loof, de wind was stil en doof.

Dat was der aarde heiligst heiligdom, Zij stond er: alles recht en niets meer krom, haar hals niet en haar knie niet, zonder zorgen. Zoo stond zij op dien laatsten dag, dien morgen Het schoonst, het guldenst wat op aarde is. Zij dacht no veel, maar tot bekentenis Kwam niets meer in haar kalmte: één gevoel Hield 't roode bloed en 't blanke lichaam koel.

Zóó als op zomermorgen binnenzeilen De groote zee een schip komt, zwaar met zeilen, Maar licht zich heffend op der golven vloed, Het hoofd in 't reine, in het schuim de voet, Zooals de bark die zomermorgens komt, Zichtbaar uit duisternis, van nacht ontmomd, Zichzelve sieren met de gouden wimpels, De zonnestralen aan den mast en rimpels Ook wimpelend van goud voor om den boeg --

Zóó als een bloem van zomerrood, papaver, Rustig vol staat, midden in gedaver Van zonnevuur dat valt den grond in stuk En smoort en schroeit het gras: maar zijn geluk Blijft even groot: hij laat zijn roode vaan Wapp'ren op wind of in de zon stilstaan -- Zóó stond ze in het grootst en stilst genot, Het onbegrepen', in den gloed van God Den Vader, en hield recht het hoofd omhoog, Haar armen stil, terwijl niets òverwoog. En teer begon het hoofd over te neigen Toen 't volste uur gevuld was, en te zijgen De wimpers droom'rig neer, heel langzaam aan. En teeder bleeker werd ze, af en aan Voer bleek en rood op hare moede handen. Nevel van goud week uit, uitzettend wanden En walleschansen licht en medenemend Al wat niet gansch'lijk rein was en heenzwemend Met levend' elven dat het heiligdom Alleen voor haar zou blijven, als een kom, Een klare vijver waar heel niets in drijve Dan ééne zwaan en die nog roerloos blijve.

En rondom werd het schaduwlooze gras Besprenkt met vonken als een waterplas, Zooals de groote meeren van de zee Wanneer de zon staat in de middagstee.

Zóó als een zonverlichte groote toren Dien blok op blokken metselsteenen schoren, Omhoog is 't fijn graniet en schijnt de zon, De avond komt en van den horizon Komen de stralen, hij wordt donker ouder En van zijn voeten tot den hoogen schouder Is hij vol schaduwen en ouderdom --

Zóó als een eik die op de bergen krom Boog van de vlammen waar hij zich verbrandt, Bliksemgetroffen, 't kleinste takje brandt: Een huis van vuur geleek hij op de hoogte. Een donkre regen viel en doofde, boog te Vallen den zwartenden verkoolden stam, Op enk'le rakken danst nog weinig vlam --

Zóó als die bloem van zomerrood, papaver, Rimpelt zijn rood, verwelkend, en zijn staaf er Zijn teeren stengel langzaam buigt omlaag -- Zoo boog ook Mei langzaam haar hoofd omlaag En bleek en bleeker werden hare wangen, En flauw en flauwere werd ook het verlangen Dat in de oogen brandt der sterveling. Al verder en al verder week de kring, De wollige band van vuur, zooals de ruiters Die uitrijden uiteen en op de muiters Een aanval doen: ze maken 't heel ver stil. En in zich voelde zij het laatste: wil Den allerlaatsten wil der stervenden, Den wil tot doodzijn die het zwervende Menschengeslacht doet stilstaan en hen drijft Van zelve naar den grond waar 't lichaam blijft. Ze duizelde en in die duizeling Werd ze zoo licht, een veer die uit den zwing Der duive valt: ze daalde en viel niet: Zoo valt een riethalm over in den vliet.

Zóó als een kind dat in het leven was, Zóó a;s een bloem van zomerrood in 't gras, Roode papaver die nu neder ligt, Zoo lag ze en der zonne laatste licht Scheen op haar, maakte haar een weinig rood En goud voor 't laatst -- en ging toen met haar dood.

De maan kwam toen ze daar gestorven was En kwam over de aarde, uit het gras Nam ze en beurde het doodkoel lichaam. Wat was er over van haar warmen naam? En zoo met blauw licht om zich, en gelaat Van dreofheid grauw en met een grauw gewaad Van rouw en droefheid achter zich, ging zij Hoog over de velden en kwam zoo tot mij. Ik zag haar toen ze stond buiten de stad, Het kind in hare armen, en ik zat Niet meer, maar ging tot haar, en ging mee, neven Haar, zóó hoog dat ik 't kind zag, opgeheven. En toen wij kwamen bij den grooten stroom Daalde ik weer, zij legde aan den zoom Het bleeke kind en wijl ik weende, weende Mijn oogen en mijn hoofd stuk, ging ze en scheen de Wereld vol van licht van uit den hemel neer. Ik wist wat ik zou doen en haar begeer, En in een boot ging ik den stroom toen af, In gonzend water door laag land -- daar gaf Hij 't water in de zee, daar steeg ik uit. En langs het strand ging ik met haar, geluid Maakten wij niet, maar werden toch gehoord. Want uit het land kwamen de elven voort En uit de lucht de hemelnevelingen, En uit de zee tritonen en te zingen Begonnen zij dicht achter mij gezang. En toen de twalef uren die al lang Wachtten op haar en op hun droeven plicht: Ze hadden eene baar en het gezicht Omhoog, droegen ze haar al ver en verder. En ik vooraan, ik, die haar goede herder Geweest was en er achter altijd meer: Ze kwamen uit de duinen keer op keer Glijden en dalen en uit alle golven Staken er Tritons en het lijf bedolven Zongen en zongen ze het lijkmisbaar. Totdat we kwamen aan de zeezoom, waar Zij 't eerst geland was, daar hielden wij stil. De duinen werden vol en het geril Van 't eeuwig brandend water stond vol ook, Lichte gestalten, als verlichte rook Zweefden er boven ons ook vele om. Toen speelden eerst de gnomen op hun trom En toen de elven op hunne cymbalen, Toen Tritons, toen wij alle saam, verhalen, Lange verhalen zang en droefenis. Toen werden de uren van hun taak gewis En zetten haar daar neer en lieten mij Met haar alleen en gingen in een rij, En zagen met de andren samen toe. Ik groef een graf waar golven komen toe- Dekken het zand en legde haar daar neer, Daarover zand: de golven komen weer En dalen weer met lachen of geschrei -- Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

1886-1889