Haagsche Courant/Nummer 12248/Da-da te Amsterdam

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Da-da te Amsterdam
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 20 januari 1923
Titel Da-da te Amsterdam
Krant Haagsche Courant
Jg, nr ?, 12248
Editie, pg [Dag], vierde blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Da-da te Amsterdam.

      Zelden was de groote zaal in „Bellevue” te Amsterdam zoo druk bezocht als gisteravond toen daar de door de „Onafhankelijken” georganiseerde „Da-da-avond” werd gehouden. Terwijl buiten honderden menschen teruggestuurd werden, die geen toegangskaart meer konden bemachtigen, verdrongen binnen voor het tourniquet zich de bezoekers, die zoo gelukkig zouden zijn, kennis te maken met de leer der Dadaisten. De zaal was dan ook geheel gevuld; er waren zelfs zitplaatsen te weinig.
      Al dadelijk heerschte er een rumoerige stemming. Men trachtte het programma waarvan men tevergeefs het begin of einde zocht, te ontcijferen en wachtte in spanning op de dingen, die komen zouden.
      De voorzitter der „Onafhankelijken”, de heer Maurits de Groot, hield een korte inleiding, waarna de heer Theo van Doesburg een uiteenzetting gaf van wat nu eigenlijk wel het Dadaisme is. Deze redevoering noopte nu en dan het publiek tot het maken van verschillende opmerkingen en heele deelen der redevoering werden onverstaanbaar door gelach, gefluit en gegil van het publiek. Nu en dan was er een oorverdoovend lawaai in de zaal en toen de spreker dan ook aan het eind zijner rede vroeg „weet u nu wat da-da is”, antwoordde het publiek als één man „neen”.
      Mevr. van Doesburg speelde op een vleugel dadaistische muziek.
      Medegedeeld werd, dat deze compositie „De begrafenismarsch van een krokodil” heette. Nu en dan meende men werkelijk te hooren voorbijtrekken een geheelen stoet van krokodillen, maar dan over de toeteen van den vleugel. De dame werd met bloemen beloond.
      Daarna werd het donker in de zaal en trad de Duitsche Dadaist Kurt Schwitters op. Een storm van gejuich begroette ieder woord, dat hij sprak. Zijn rede werd beloond met een zangnummer van het publiek, dat „houdt er den moed maar in” aanhief.
      Vervolgens verscheen op een doek de schim van een pop, een soort gestyleerd manspersoon, die plotseling de vreemdsoortigste bewegingen met armen en beenen begon te maken. Het publiek juichte en gilde: het was een leven als een oordeel. „Hup Ajax, hup de Natris” schreeuwde men uit de zaal.
      Toen het licht weer op was, voerde de dame nog een muziekstuk uit: „De marsch van de mier” of zooals enkelen meenden verstaan te hebben: „De marsch van de nier”.
      Hierna droeg de heer Kurt Schwitters een dadaistisch gedicht voor. Hij zeide allerlei vreemde zinnen op en het publiek schaterde en schreeuwde. Nu en dan moest de heer Schwitters zijn voordracht onderbreken door het rumoer in de zaal. Er dreigde nog een vechtpartij te ontstaan tusschen aanhangers van het dadaisme en hen, die met deze leer den spot dreven, terwijl de heer Schwitters onverstoorbaar als een machine doorratelde. Toen de voordracht geëindigd was, werd hij met een uitbundig applaus bedankt.
      Nog een derde vreemdsoortige marsch op den vleugel besloot den avond.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (25 januari 1923) ‘Dada in Amsterdam’, Nieuwe Tilburgsche Courant, Tweede Blad, [p. 2].