Het Centrum/Jaargang 37/Nummer 11146/Begrafenis van Dr. P. J. H. Cuypers

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Begrafenis van Dr. P. J. H. Cuypers
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 7 maart 1921
Titel Begrafenis van Dr. P. J. H. Cuypers
Krant Het Centrum
Jg, nr 37, 11146
Editie, pg [Dag], [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


BINNENLAND.

Begrafenis van Dr. P. J. H Cuypers.

      De oude veste van Roermond rouwde Zaterdag over het heengaan van zijn grooten zoon. Een Novembersche regendag versomberde de straten en de kathedraal was van regensluiers omhangen.
      Uit geheel het land waren de belangstellenden opgekomen en vereenigden zich rond tien uur in het sterfhuis. Daar waren o.a.: H.H. Excellenties jhr mr. Ch. Ruys de Beerenbrouck, tijdelijk voorzitter van den Ministerraad, en A. König, Minister van Waterstaat, alsmede de Hoogeerw. pater B. v. Breda, provinciaal der EE. PP. Dominicanen.
      Verder de gemeenteraad van Roermond en corps, de heeren mr. M. J. Duparc, administrateur der afdeeling Kunsten en Wetenschappen van het kabinet in Den Haag, prof. ir. H. Everts, hoogleeraar-architect te Delft, ir. M. Bongaerts, lid van de Tweede Kamer, dr. Jan Kalff, directeur van het Rijksbureau voor Monumentenzorg te Den Haag; jhr. Van Riemsdijk, hoofddirecteur van het Rijks museum te Amsterdam; prof. dr. W. Vogelsang, hoogleeraar in de kunstgeschiedenis te Utrecht; de heer C. W. Baard, conservator van het Stedelijk Museum te Amsterdam; de architecten dr. Berlage uit Den Haag, Jan Stuyt uit Den Haag en Te Riele uit Utrecht, alsmede de heeren Ed. Brom uit Amsterdam, Karel Alberdingk Thijm en J. W. L. Alberdingk Thijm.
      Vele honderden sloten zich hierbij nog aan en zoo trok een lange stoet op de maat der treurmuziek naar de kathedraal. De brandende straatlantaarns waren met crêpe omfloerst en op de kruispunten der wegen werd telkens even stilgehouden om een kort gebed te verrichten. Onderwijl galmden de zware klokken, tot men tegen half elf de kathedraal bereikte.
      Het priesterkoor was geheel in rouw getooid, en honderden waskaarsen brandden hun zacht-peinzend licht.
      De familie nam plaats vooraan in het middenschip, de ministers, regeeringsvertegenwaardigers en verdere hooge autoriteiten in de kanunnikenbanken ter weerszijden van het stoffelijk overschot. In het koor hadden ook plaats genomen Z. D. H. Mgr. L. Schrijnen, bisschop van Roermond en de HoogEerw. Vicaris-Generaal Mgr. dr. P. Mannens
      De plechtige Requiem-mis werd opgedragen door den HoogEerw. heer Mgr. L. N. le Bron de Vexela met assistentie der WelEerw heeren kapelaans M. H. E. J. Keuller, J. H. A. L. Leesens en A. E. H. Tersappen.
      Tijdens het trekken van den stoet door de straten was het klokgelui plotseling verstomd en ook het orgel in de kerk kon niet worden bespeeld door een storing in de electrische geleiding. Het zangkoor zong op voortreffelijke wijze ds Gregoriaansche Requiemmis en alvorens men het kerkgebouw verliet schaarde zich het Roermondsch Mannenkoor rond de baar en deed de menigte vol ontzag luisteren naar de sublieme vertolking van het „Ecce quomodo moritur justus” van Händel.
      Toen werd de lijkstoet opgesteld.
      Met omfloerste banier schreden de jongens van het weeshuis voorop. Dan volgden de leerlingen van het Bisschoppelijke college met de professoren. Daar achter sloten zich aan het bestuur der ambachts- en teekenschool wederom met de leerlingen Ook de overige scholen waren vertegenwoordigd, zoo dat het aantal dezer eerste groepen gerust op vijfhonderd kan worden geschat.
      Het Roermondsch Mannenkoor en de Roermondsche Koninklijke Harmonie, beide met omfloerst vaandel, gingen den lijkwagen onmiddellijk vooraf.
      Naast den lijkwagen liep het personeel der kunstateliers van Cuypers en werden ’’n twee tal baren gedragen, volgestapeld met kransen en bloemstukken.
      Achter den lijkwagen schreden de familieleden aan, terwijl de autoriteiten in een tiental volgkoetsen hadden plaats genomen.
      Aan den ingang der Kapellerlaan stelden de deputaties zich op langs den weg, lieten den lijkwagen met de volgkoetsen passeeren en trokken terug naar de stad.
      Onder den stroomendenden regen verrichtte de ZeerEerw. heer W. Rhoen, rector der Munsterkerk, de inzegening van het graf en bad daarna drie Onze Vaders en Weesgegroeten voor de zielerust van den overledene Toen trad minister Ruys de Beerenbrouck naar voren en sprak ongeveer als volgt:
      Aan het graf van een groot Nederlander, den trouwhartigen Limburger, den roem van zijn geboortestad, moet ik namens ds Regeering en vooral namens mijn ambtgenoot den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een woord van diepen rouw spreken.
      Kunstenaar bij de genade Gods heeft hij gedurende weinig minder dan een eeuw zijne medemenschen gesticht.
      Op ieders lippen komt zijn naam bij het aanschouwen der groote werken, welke hij tot stand bracht. In de geschiedenis der Nederlandsche bouwkunst door alle tijden heen zal luide spreken, de glorievolle bladzijde, door zijn werk er aan toegevoegd.
      Op een tijdgenoot als Dr. Cuypers mag ons geslacht zich verhoovaardigen, als onze voorvaderen eens op een Jacob van Campen.
      Hij is daarbij een man geweest van groot geloof. Zijn beeld zal bij ons blijven voortleven als van een godvruchtig kunstenaar, die zoowel in voor- als tegenspoed een trouw zoon was zijner kerk. Hij rust nu van zijn aibeid en zijn werken blijven ons.
      Met deze eenvoudige woorden nemen wij afscheid van het stoffelijk omhulsel van een man, wiens eenvoud ook ons moge strekken tot een lichtend voorbeeld.
      Toen volgde burgemeester Sanders van Roermond, die wees op de liefde van den overledene voor zijn stad en zijn rotsvast Godsvertrouwen.
      Ds directeur der ambachtsschool te Roermond, waarvan Dr. Cuypers de stichter is, schetste in enkele woorden de groote verdiensten van den overledene voor het ambachts-onderwijs.
      Namens de commissie, belast met de zorg voor de Rijksmonumenten, voerde Mr. S. Gratama het woord. Spr. herinnerde aan het driemanschap Thijm, Victor de Stuers en Cuypers, dat met zulk een kracht strijd heeft gevoerd tegen de onwetendheid, een beteren tijd heeft voorbereid en aan velen de overtuiging heeft bijgebracht, dat een volk niet zonder groot geevaar voor zijn cultuur de banden met het verleden verbreekt.
      Daarna wijdde de procuratiehouder der kunstateliers van den heer Cuypers, een woord van weemoedige hulde aan den wijzen meester, den rechtvaardigen patroon en den liefdevollen vader.
      Als vertegenwoordiger van den Nederlandschen Oudheidkundigen bond sprak de heer Hüffe een woord van groote dankbaarheid en voegde er den wensch aan toe, dat de overledene zou mogen rusten in vrede tot den


[2]


eeuwigen dag, waarop men hem hoopte weer te zien in al zijn glorie.
      Professor Vogelsang huldigde, in opdracht van de Utrechtsche universiteit, den man, die het eerst het eere-doctoraat dier instelling mocht verwerven, en die een der grootste en gewichtigste factoren is geweest voor de geschiedenis der negentiende-eeuwsche bouwkunst.
      Ook prof. Evers wilde een woord van afscheid spreken en huldigde den overledene als een groot beeldend kunstenaar, bouwmeester, acheoloog en teekenaar.
      Namens de Mij. van Bouwkunde en den Bond van Ned. Architecten sprak de heer Jan Stuyt, namens Architectura et Amicitiae de heer J. Meyer, terwijl de heer Ed. Brom vertegenwoordiger van den Kunstkring „De Violier” de rij der sprekers sloot.
      Met een enkel woord dankte de zoon van den overledene, Ir. J. Cuypers, voor de waardeerende woorden, die men aan de nagedachtenis van zijn vader had gewijd.
      Toen verlieten allen, diep onder den indruk, den doodenakker, waar Dr. Cuypers nu rust in den donkeren schoot der aarde.
      Maar zijn geest blijft lichtend over ons land gaan. En hij, die op aards zoo vele woningen bouwde voor den God-met-ons, zal wel spoedig een plaats verwerven in de eeuwig-schoone woning des hemels.