Het Vaderland/21 januari 1940/Avondblad/De geschiedenis van den Haagschen Kunstkring

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De geschiedenis van den Haagschen Kunstkring
Auteur(s) Anoniem
Datum Zondag 21 januari 1940
Titel De geschiedenis van den Haagschen Kunstkring. Wat de Kring verder deed en beleefde.
Krant Het Vaderland
Jg 71
Editie, pg Avondblad C, 1
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

DE GESCHIEDENIS VAN DEN HAAGSCHEN KUNSTKRING


Wat de Kring verder deed en beleefde


      De vorige week hebben wij uit brieven van Johan Thorn Prikker eenige aanhalingen gedaan over het bezoek van Paul Verlaine en Sar Péladan en daardoor ons geschiedverhaal over den Haagschen Kunstkring een week moeten onderbreken.


      Wij herhalen met grooten nadruk, alvorens ons verhaal voort te zetten, dat de leden van deze vereeniging ook een verlotingsfond hebben, waarvoor loten verkrijgbaar zijn à f 3.– aan ons bureau, Parkstraat 25, bij den Haagschen Kunstkring in de Lange Houtstraat of per giro no. 202839, waarvoor men de premieplaat van A. M. Luyt ontvangt met nog kans op een schilderij of graphisch werk. Deze loterij bevelen wij bij allen, die iets voor kunst en de kunstenaars voelen, warm aan. Ze is goedgekeurd door den minister van Justitie d.d. 13 Nov. 1939.


      De Haagsche Kunstkring, hoewel door schilders opgericht, heeft vier afdeelingen n.l. voor schilder-, beeldhouwkunst en graphische kunsten; voor bouwkunst en decoratieve kunst; voor letterkunde, tooneelspeelkunst, woordkunst, lichaamsplastiek en cinematographische kunst en voor toonkunst. De vereeniging streefde er toen en nu naar om de jonge kunst tot het publiek te brengen. Heeft niet de schilder S. Moulijn er in dit blad aan herinnerd, dat het de Haagsche Kunstkring was, die het gezelschap van L’Oeuvre uit Parijs liet komen om op 28 December 1893 in het Gebouw voor K. en W. een opvoering te geven van Pelléas en Melisande van Maurice Maeterlinck? Het programma met een teekening van Marius Bauer werd toen in ons blad gereproduceerd.
      Vooral op schilderkundig gebied kwam dit tot uiting. Hoe levendig herinneren wij ons nog de tentoonstelling in het Gebouw van den Haagschen Kunstkring op de Heerengracht, waar nu de Odeon-bioscoop gevestigd is, van de nagelaten werken van Karel de Neree tot Babberich (18 Maart 1880–19 October 1909). Karel de Neree was een bekende figuur in mondaine Haagsche kringen. Men kon hem geregeld zien dansen op het Kurhaus en wist, dat hij voor consul studeerde. Er werd veel over hem gepraat en hij ging meer voor een schrijver door dan voor een teekenaar.
      En daar opeens, in December 1910, werd een tentoonstelling gehouden van zijn nagelaten werk: niet minder dan 116 teekeningen, welke gemaakt zijn tusschen de jaren 1898 en 1905. Het leven van deze merkwaardige figuur werd in den catalogus op Hollandsch papier gedrukt en met zijn portret versierd, aldus beschreven:


      „Geboren op den Huize Babberich; op 15-jarigen leeftijd naar de Handelsschool te Antwerpen, van 1895 tot 1897; in 1898 geslaagd voor het Consulair examen; van 1899 tot 1901 werkzaam aan het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; van Maart tot Juli 1901 op het Consulaat te Madrid; en vanaf Juli 1901 afwisselend, ter herstel van gezondheid, te Arosa, te Rome, te Montreux en te Todtmoos (in Baden), alwaar hij overleed.
      „Heeft geen les gehad in teekenen of schilderen, doch gestudeerd naar werken van anderen (waarmede in 1898 begonnen is, na het afgelegde Consulaire examen), en later naar de natuur, gelijk uit zijn werk kenbaar is.
      „Worden de sporadische werkuren der laatste jaren niet medegerekend, dan mag zijn kunstenaarsloopbaan gezegd worden te loopen van 1898 tot 1905”.
      Herinneren wij voorts aan de exposities van de Belgische schilders W. de Gouve de Nuncques en F. Knopff en aan het feit, dat ook buiten de stad steeds tentoonstellingen gehouden zijn en een portefeuille rondging door het geheele land met etsen, litho’s, houtsneden, enz. Op de tentoonstellingen van dat seizoen (1910–1911) werd voor ruim 9000 guldens verkocht.
      Zooals wij in deze moeilijke tijden aandacht en steun vragen voor de schilders, zoo gaven de schilders hun krachten toen voor anderen, want ten bate van het Oranje-Nassauoord werd een serie schimmenspelen, muzikale en letterkundige voordrachten gegeven. De Koningin gaf blijk dit streven te waardeeren en bezocht de schimmenspelen.
      In het seizoen 1911–1912 werd een expositie gehouden van oude en nieuwe kinderprentenboeken. Deze tentoonstelling werd bezocht door 4000 betalende bezoekers. Onder den boekenschat was een compleet verguld Bijbeltje aanwezig van 7 bij 3 cm, dat voor 10.000 gld verzekerd was.
      In Juli 1913 werd het gebouw van den Haagschen Kunstkring overgedragen aan de N.V. het Gebouw voor K. en W., daar de Kring aan de eischen van de brandweer niet kon voldoen. Hij werd nu huurder tot een nieuw gebouw zou zijn gevonden. Dat is ten slotte gelukt door aankoop van het pand Koninginnegracht 12A, hetwelk op 1 Mei 1914 werd betrokken. Een buitengewoon moeilijk jaar had de Kring doorgemaakt, maar ook hier was het de voorzitter, mr dr Snijder van Wissenkerke, die den Kring redde, overtuigd als hij was van het goed recht van het voortbestaan der vereeniging, welke hem zoozeer ter harte ging. Van de Koninginnegracht verhuisde de Kring op 1 Juli 1917 naar de Lange [H]o[u]tstraat 7, omdat gebleken was, dat zonder zeer groote kosten geen expositiezaal was te bouwen, en toen dit gebouw in 1921–1922 werd verkocht, volgde een nieuwe gedwongen verhuizing. De Regeering werd bereid gevonden de lokaliteiten onder de Ridderzaal beschikbaar te stellen. Daar deze lokalen pas 4 Maart konden betrokken worden, richtte de Kring tijdelijk een societeitslokaal en secretariaat in in het café De Mercuur op het Anna Paulownaplein. Van de Grafelijke zalen ging de Kring weer naar de Lange Houtstraat 7 terug en thans zijn er weer nieuwe plannen, waarvoor een bouwfonds wordt gevormd.
      We hebben even dezen zwerftocht gevolgd om nu weer eenige belangrijke feiten uit het leven van den Haagschen Kunstkring te releveeren. In 1912 nam hij deel aan de voorbereiding van een openbare vergadering ter behandeling van de schouwburgplannen, voorts aan het congres Artistique International, gehouden te Gent, en aan hetzelfde congres, gehouden te Scheveningen, en sloot zich aan bij het Verbond Heemschut en het Verbond van Ned. Kunstenaarsvereenigingen.
      Het volgend jaar werd een tentoonstelling gehouden van Chineesche kunst, georganiseerd door Henri Borel; Willem van Konijnenburg hield een lezing over het futurisme en in een afzonderlijke groep nam de vereeniging deel aan den historischen optocht.
      Uit het seizoen 1914–1915 vermelden wij twee concerten door het Hollandsch Quartet onder medewerking van C. Oberstadt, Henry Hack, Vink, Jac. v. d. Burg en Ch. van Isterdael, allen leden der vereeniging. De concerten werden bezocht door de Koningin, de Kon.-Moeder en Prins Hendrik.
      De samenwerking tusschen Pulchri Studio en den Haagschen Kunstkring, waarnaar de laatste steeds had gestreefd, kwam in 1916 tot stand en op 4 Maart van dat jaar had een feestelijke bijeenkomst plaats. Er was tevoren samenwerking geweest ten bate van de slachtoffers van de overstroomingen. De weldadigheidsuitvoering werd 24 Februari gegeven en door de vorstelijke personen bezocht.
      Op een steuntentoonstelling van September 1915 tot Juli 1916 werd voor niet minder dan 10284.50 gld. verkocht. In December hebben de werkende leden, om het publiek in de donkere dagen wat vroolijkheid te bezorgen, een expositie van caricaturen gehouden. Behalve de figuur van mr dr Snijder van Wissenkerke, die in 1918 benoemd werd tot eerelid, mag een andere verdienstelijke persoonlijkheid niet vergeten worden: de heer Lankhout, die steeds de vereeniging gesteund en de grafische prenten voor de verloting gedrukt heeft. Ook de fraaie plaat van Luyt, welke wij eenige weken geleden reproduceerden, is bij die firma gedrukt.
      In het jaar 1919-1920 trachtte de H. K. K. in samenwerking met Pulchri Studio tot oprichting van een Kunstenaarsraad te komen voor de Gemeente ’s-Gravenhage. Helaas is geen positief resultaat bereikt, hoewel allerwege de behoefte aan meer medezeggenschap van de kunstenaars in stads- en landsaangelegenheden gevoeld wordt. Het wordt tijd even aandacht te schenken aan de letterkundige afdeeling. Daar sprak o.a. Henri Borel over Hindoesche beeldende kunst; August Heyting over de opkomst en ontwikkeling der moderne Nederlandsche poëzie; Louis Landry over Multatuli; Albert Vogel over rhythmisch beginsel in de woordkunst, dr K. H. E. de Jong over Vondel als denker en ten slotte de Fransche dichter Paul Fort uit Parijs over eigen werken.
      Er heerschte een opgewekt leven in de letterkundige afdeeling, wat reeds uit de opsomming is gebleken. Door bemiddeling van de muzikale afdeeling werden de zalen van den Kring beschikbaar gesteld voor buitenlandsche artisten.
      In het jaar 1920-1921 werd een tentoonstelling gehouden van wandschilderingen. Voor deze tentoonstelling was veel geld noodig. Het scheen onmogelijk daaraan te komen, doch de voorzitter, mr dr Snijder van Wissenkerke, redde den Kring uit de moeilijkheden. Door zijn toedoen steunde het Rijk deze expositie met een subsidie van f 2000, evenals de Gemeente Den Haag. Medewerkers waren: dr H. P. Berlage, prof A. J. der Kinderen, W. A. van Konijnenburg, dr J. Mendes da Costa en J. Toorop.
      Op 4 November 1921, bij gelegenheid van het 30-jarig bestaan, werd een gedenkpaal geplaatst in Zorgvliet, een cadeau van mevrouw Snijder van Wissenkerke en vervaardigd door den beeldhouwer Joop van Lunteren.
      De inmiddels in Maart 1921 betrokken grafelijke zalen werden ingewijd met een tentoonstelling van het werk van Willem van Konijnenburg.
      In deze zalen werd eerst een proef genomen met uitsluitend keuzetentoonstellingen; hoewel hiermee ernstig gestreefd werd om de tentoonstelling belangrijker te maken, wekte deze maatregel toch veel ontevredenheid bij sommige leden, die meenden, dat de gelegenheid tot exposeeren hun wel bizonder werd bemoeilijkt, waarom later weer tot de oude methode werd teruggekeerd.
      In Juni werd een tentoonstelling gehouden van werken door Johan Thorn Prikker.
      De afdeeling architectuur besprak de gemeentelijke plannen voor den Hofvijver, Gevangenpoort en Stadsuitbreiding; zij organiseerden een tentoonstelling van het werk der Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam met een prachtige collectie teekeningen en maquetten.
      In het bizonder moet hier worden gewezen op de samenwerking van de afdeeling architectuur met den Dienst van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. De dienst van S. en V. heeft in overleg met het bestuur der afdeeling een studieprijsvraag uitgeschreven voor een gedeeltelijke uitbreiding van Den Haag.
      Uit de afdeelingsverslagen blijkt, dat er een opgewekt leven heerschte. Het hoogtepunt was wel de eerste Nederlandsche tooneelmaand. In Mei werd een tentoonstelling gehouden van werken ter nagedachtenis van den schilder Henricus. Er begonnen in dien tijd stemmen op te gaan tegen de Ridderzaal. De schilders vonden het kunstlicht in den kelder in het algemeen ongeschikt en het gevolg weet men reeds. Maurits Wagenvoort behandelde het brandende punt van den tooneelschrijver en zijn publiek en Theo van Doesburg vergastte den Kring op verrassende Dadaïstische avonden. Tot in de verste uithoeken van ons land en in Duitschland werden de Dadaïstische pamfletten besproken.
      Wellicht is er later nog gelegenheid om de geschiedenis te voltooien.