Het Vaderland/Jaargang 57/4 augustus 1925/Avondblad/De expositie te Parijs

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De expositie te Parijs
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 4 augustus 1925
Titel De expositie te Parijs. Pro en Contra het Hollandsche Paviljoen. Een Enquête
Krant Het Vaderland
Jg, nr 57, ?
Editie, pg Avondblad B, 2
Opmerkingen Willem Treub vermeld als Treub, Theo van Doesburg als Theo v. Doesburg, Johannes Vermeer als Vermeer, Hendrik Petrus Berlage als Berlage, Jacobus Johannes Pieter Oud als Oud, Jan Frederik Staal als Staal, Hendrik Wijdeveld als Wijdeveld, Sybold van Ravesteyn als Ravesteyn, Piet Kramer als Kramer, Joseph Hiriart als Hiriart
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

DE EXPOSITIE TE PARIJS.

Pro en Contra het Hollandsche Paviljoen.

Een Enquête.

(Van onzen correspondent).

Parijs, Juli 1925.

      Waar de meeningen over ons paviljoen zoo sterk verdeeld zijn en de bewondering van sommigen afwisselt met den hevigen afkeer van anderen – van oud-minister Treub tot Theo v. Doesburg – leek het mij interessant het oordeel van vooraanstaande buitenlandsche architecten en kunstcritici te vragen. Ik begin met hen, die het meest voorbehoud maken.
      V. V. Stech, secretaris-generaal der Tsjechische aldeeling, oud-staatssecretaris van Schoone Kunsten, professor te Praag, schrijver eener epoche-makende „Theorie der Kubistische Bouwkunst”, die artistiek Europa tot in alle hoeken heeft doorvorscht. Ik ontmoet hem op den dom-versierden Pont-Alexandre:
      „Gelukkig, dat jullie architectuur niet zoo theatraal onwaar is als die der Franschen. Toch is het paviljoen niet zoo goed als ik verwacht had. Ik zie er ’n oppervlakkige romantiek, ’n schilderachtigheid, ’n mysticisme in, die me niet bevallen. De achtergevel is vlotweg slecht. Zie je, wij Pragers mogen barok zijn, maar jullie zijn ’n eerlijk nuchter rationalistisch volk. Van de binnenhuizen van Vermeer (Rembrandt is geen Hollander!) tot Berlage en Oud toe loopt één ongebroken lijn. Ik zie de Amsterdamsche school als ’n onderbreking, ’n uitwas. De liefde voor de arabesk, het „art pour art” speelt ook architect Staal parten. „Ça sent trop le papier”. Toch is jullie inzending (Wijdeveld is een „as”!) een van de beste dingen op deze erbarmelijke expositie, waar bijna niets goeds is behalve Corbusier’s woonmachine. Dat is pas een moreele daad! Klaar en edel als de architectuur van een Giotto......
      Auguste Perret, president der architectuur-jury, is misschien de eerste Fransche bouwmeester. Vurig beleider van het gewapend beton, hoopt hij het rationalisme tot een nieuwe klassiek te verheffen.
      Het paviljoen?
      „Tres bien. Hoewel de opzet er van niet heel nieuw is, bewonder ik jullie buitensporige vaardigheid in het hanteeren van den baksteen. Alleen die, als door een granaat weggeschoten hoeken, waar de baksteen in de lucht blijft hangen, vind ik onaannemelijk......”
      – „Maar is het steeds noodig de constructie te vertoonen?”
      – „Neen, natuurlijk hoeft men zijn darmen niet uit te stallen, maar hier, raakt men volledig de kluts kwijt: de betonplaat, waar de baksteen opgeplakt is, had eerlijk vertoond moeten worden.
      Le Corbusier gaat als rationalist nog verder dan zijn leermeester. Voor dezen „purist” is alle „art décoratif” uit den booze. De versiering is een misdaad. Ik ontmoet hem in zijn gansch-wit-gepleisterde bureau, kil als ’n kazerne.
      – „Het is mij heel moeilijk een rechtvaardig oordeel te vellen. Jullie huis is „très bien fait”. Maar ik ga van een tegenovergesteld beginsel uit. Ik begin bij doel, gebruikseischen, techniek en kies mijn vormen uit het ABC der meetkunde, terwijl M. Staal bij het eind aanvangt en een traditioneelen(?) en decoratieven vorm tot uitgangspunt neemt. En waarom die dwaze herinnering aan een zeilschip? Dat berinnert mij mijn eerste leermeester, die mij omstreeks 1900 opdroeg een huis in den vorm van een spar te ontwerpen. Dit is net tegendeel van alle architectuur!
      Piet Mondriaan, vader van de „Stijl”, apostel van den rechten hoek, een der eerlijkste onkreukbaarste, kunstenaarsfiguren, die men ooit zag, ’n anachronisme in deze arrivistische eeuw. Ik ontmoet hem voor het Café du Dôme, stafkwartier der moderne beweging. Hij heeft het beruchte Stijl-manifest niet onderteekend en is bang de Holl. inzending te lichtvaardig te beoordeelen. Na lang beraad krabbelt hij:
      „Afgescheiden van mijn zienswijze over hedendaagsche kunst, apprecieer ik ten zeerste het Hollandsche paviljoen. Het is mij nog te uiterlijk rijk en nog te veel gegrond op het oude bouwprincipe”.
      Daar het moeilijk was de andere deskundigen persoonlijk te treffen, ontleenen wij iets aan hun schriftelijk oordeel.
      Frantz Jourdain, de grijze pionier van den ijzer- en glasbouw, president van den Salon d’Automne en van de Moderne Architectengroep:
      „... ik geloof, dat de paviljoens van Holland en Tsjecho-Slowakije de kroon spannen. Ik meen echter, dat geen enkel expositie bouwsel de Galerie des Machines en den Eifeltoren heeft doen vergeten.
      Robert Rey, schrijver van uitnemende boeken over moderne kunst, verwijst ons naar zijn recent artikel in de Monde Nouveau:
      „Het paviljoen, een der oorspronkelijkste der expositie, bevat ongetwijfeld elementen van hooge schoonheid”. Hij roemt den baksteen, elders zoo eentonig, die hier vol schakeering is toegepast. De achtergevel, bolwangig als een zeil, lijkt hem een der schoonste vondsten der expositie. „Een enorme tiara, bekroond door het diadeem der wapens”. „Een meesterwerk van logica, edele fantasie en knappe verwerkelijking”. Het innerlijk, dat hij vergelijkt met een kostbare schrijn, vindt hij even wel te weinig verlicht. „Men voelt zich eenigszins in een kelder, spaarzaam verlicht door een luik”. „De afwezigheid van ramen, die het publiek alle uitzicht beneemt, veroorzaakt weldra een zekere benauwdheid”. De kleeden, het fraai-geteekende parket en de schoonbekleede betonbank bekoren hem, doch het bouwbeeldbouwwerk acht hij disparaat. „Soms ondergaat men den invloed der negers, die heel normaal zou kunnen zijn bij een echt-koloniale natie, dan weer ontmoet men bij de geschilderde en vergulde figuren middeleeuwsche herinneringen”. Schrijver besluit, dat meer eenheid op dat punt gewenscht ware.
      Henri Clouzot, directeur van het kunstnijverheidsmuseum Galliera, een der gezaghebbendste kunstcritici schrijft van het paviljoen:
„Met de knappe baksteenindeeling en de harmonische pracht van een gekromd dak, heeft de architect den geest van land en tijdperk weten uit te drukken”. „En het is wel de geest van het land: warme baksteentinten, kalmte van het sluimerende water, lachende gratie der bloemen”. Schrijver roemt onze zeldzame discipline, onze ondergeschiktheiid aan den architect. Ook waardeert hij onze meubelen. „De inrichting, toevertrouwd aan architect Wijdeveld is zeldzaam expressief en het meubilair van een vaak scherpuitgesproken modernisme zooals de zwart en witte slaapkamer van Dr. Galigari door Ravesteyn. De dubbele vitrine van Wijdeveld, de meubelgeheelen van Wouda, van Jansen (dit is de fabrikant, corr.), behooren tot de beste inzendingen der buitenlandsche secties. Er zijn ook de reclameteekenaars – Toorop voorop – doch het is beter hierover niet te spreken. Dat zou te pijnlijk zijn voor de auteurs der hopelooze plakaten van de Expositie.”
      Francis de Miomandre, de dichterlijke romancier, geestige fantast, arbiter van den goeden smaak, is verrukt: „Het Hollandsche paviljoen is zonder twijfel een der oorspronkelijkste, zoo niet schoonste der expositie. Ik weet wel, dat men deze schoonheid, die niets bevalligs of beminnelijks heeft, kan discuteeren, maar het is, onmogelijk niet getroffen te worden, door wat het aan robuste, intense en nieuwe eigenschappen bevat. Het is de verste uitlooper van een kunstpoging, die een dertig jaar geleden begint en die, onder impuls van Beriage, de heele moderne architectuur heeft willen vernieuwen. Men moet nl. niet vergeten, dat alles uit Holland gekomen is door een serie infiltraties, waarvan het passioneerend voor den geschiedschrijver zou zijn de sporen en den weg na te gaan en dit maakt, dat sommige onzer stoutmoedigheden ons ineens weinig zaaks lijken, op hun plaats teruggezet door een verpletterende vergelijking”.
      In paviljoen en zalen bewondert Miomandre de bereikte eenheid. Als een noviteit begroet hij de aaneensluitende, in den wand ingelaten meubilairs. „Ik ken niets logischer en gelukkiger, niets wat een volmaakter indruk van comfort geeft”. Het interieur van Kramer ontlokt hem: „Ik heb nooits iets schooners gezien in de moderne kunst”. Ook de overige voortbrengselen bewondert hij: „Alles heeft deel aan dien wil tot vereenvoudiging, aan dien zekeren inkeer der materie. Nooit onnutte fantasie, geen toegeven aan de anecdote”.
      Hoogst oorspronkelijk ziet Miomandre den invloed der koloniën op het moederland. „Zij dienen tot uitweg van zijn fantasie, zijn droomen en in ruil geven zij het ik weet niet wat van dieps en vreemds, een zeldzame noot van exotisme. Wat de meubelen betreft, ontleent het er niet alleen kostbare houtsoorten aan, maar ook zekere motieven van inspiratie: een aanblik van Maleische afgodsbeelden in die beelden, zetels, tafels, een vreemd soortige wijding. Dat voelt men beter dan men het kan uitleggen. Toch is het niet te weerspreken. Het mysterie van Java omringt de gedachte en kunst van het moederland als een atmosfeer”.
      André Ventre, architect van de „Tranchée des Bajonettes”, dat monument van Egyptische verhevenheid op de kaalgebrande hoogtes om Verdun:
      „Er zijn, zie je, eenige meesterwerken op de expositie: dat zijn het Hollandsche en het Russische paviljoen.”
      Hiriart een der jongere architecten, die het meest op den voorgrond treden, schrijft:
      „Holland toont ons een architectuur van oorspronkelijke conceptie. Wat een bewonderenswaardig baksteenwerk! De groote topgevel is een scheepsboeg met ontplooide zeilen op de zee om ons te herinneren aan dit zeevarend volk met z’n zeldzame avonturen. Maar het land is vlak, de hemel grijs en laag; daarom zijn volumes en kleuren sterk-sprekend. De grond is vaak moerassig: ziehier de opgehoogde tuinen, die het huis met een violette zee omringen. De winter is ruw, de wind waait over de vlakte: een enkele lage deur, maar een binnenhuis, waar het licht stroomt van de machtig gekleurde glasramen.’-
      „Het heele huis is een zwaar gesloten blok, dat op glazen kisten lijkt te rusten. Men moet deze artisten bewonderen, die met brio een kunst scneppen, die uitstekend aangepast is aan hun land. Maar waarom hen te plagieeren?”
      Schrijver eindigt, dat in Frankrijk de atmosfeer ganseh anders is en hij waarschuwt voor het snobisme, dat noordelijke vormen wil importeeren.

      Een slotsom na deze tegenstrijdige enquête? Moeten we zeggen, dat de ouderen het meer eens zijn dan de rationalistische of stijl-achtige jongeren? Of dat schilders en scbrijvers er méér mee dwepen dan de bouwmeesters zelf? Zeer zeker, Staal’s schepping is niet vrij van schilderachtigheid en symboliek, maar laten we de solide architectonische eigenschappen, het plechtig contrapunt van volumes, niet over het hoofd zien. Het Holl. paviljoen, hoewel niet uitgesproken modern, is één van de weinige dingen, die we op de expositie steeds met genoegen terugzien!