I.K. Bonset/Nocturne

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nocturne
Auteur(s) I.K. Bonset
Titel Nocturne
Editie {{{editie}}}
Nieuwe Woordbeeldingen 11.jpg
Datering 1916
Genre(s) Poëzie
Brontaal Nederlands
Bron I.K. Bonset (1975) Nieuwe Woordbeeldingen. De gedichten van Theo van Doesburg, Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij, ISBN 9021413167, pp. 65-69.
Auteursrecht Publiek domein

[65]


1916


            Nocturne


Ik stortte mij in den nacht
                  Gebroken grijs.
                  Gebroken zwart.


Tusschen zwarte vlekken
Op ’n grijze smalle baan
ben ik gegaan
gegaan.
gegaan.


                  De nacht
                  de zwarte
                  zwarte nacht
                  stond tegen mijn gezicht.
                  ’K was bijna blind
                  van ’t zwarte floers,
                  dat voor mijn oogen hing.


Boven mij:
’n donker-graauw ding
dat in en uit elkander ging,
’n lage
’n drijvende
zoldering
Een zoo dichtbij
alsof ik haar kon grijpen.


[66]


Ik dacht:


            nù valt ze naar omlaag
            nù valt ze naar omlaag
            nù valt ze naar omlaag


Tusschen zwarte vormen
Op ’n graauwen grond
heb ik mij bewogen.
De zwarte klompen
drukten mij in d’oogen.
Soms was ’t ’n zwarte bouquet,
die uit elkander viel
in ’t grijs.
Of ’n ballon
heel rond,
die stil stond
op zeer dunnen steel.
De grijze baan waarop ik mij bewoog
was plots’ling overdekt
door ’n zwarte
zware brug.
Aan beide zijden
waren zwarte zuilen
Kort.
Lang.
Dik.
Dun.


[67]


Ik dacht:


            nu stort de brug omlaag
            nu stort de brug omlaag
            nu stort de brug omlaag


Vóór mij
      aan ’t einde van de grijze baan
wat het met allen vorm gedaan.
Daar was geen hemel
en geen aarde
’t was al zwart
waarin ik staarde.
Opeens:


            Koude speldenprikken
            duizend
            op mijn warm
            gelaat en handen.


Ik ging vooruit.
Reed.
Gleed.
Onhoorbaar.
Onzichtbaar
Voor niemand
en mijzelf.


                  Waar?


Er was slechts één geluid:
het schrille rillen trillen


[68]


van een metalen draad.


Ik was alleen
gedachte
in een zwarten
nacht.
Ik was de nacht
die dacht.
Ik was ’n bol
gevuld met het
Al.
Ergens waar
nooit ’n sterfeling
komen zal.


                  Ergens.
                  Nergens.
                  Ergens.
                  Nergens.
                  Ergens.
                  Nergens.
                  Wereld.
                  Stip.
                  Wereld.
                  Stip.
                  Niets.
                  Iets.


[69]


                  Niets.
                  Iets.


                  Ik leefde
                  den nacht.
                  Ik leefde.
                  Ik dacht.
                  Zweefde
                  in het kleurloos
                  Zijn
                  en alles
                  rondom
                  werd
                  om ontzettend
                  Klein.