Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken

Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning

Type Multilateraal
Ondertekening 20 december 2006 in New York
Inwerkingtreding 23 december 2010
Brontaal Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans
Vertaling Nederlandse
Leden 51
Bron Wetten.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning op Wikipedia

Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning[bewerken]

Preambule[bewerken]

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegend de plicht van Staten uit hoofde van het Handvest van de Verenigde Naties het universele respect voor, en de eerbiediging van, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen,

Gelet op de Universele verklaring van de rechten van de mens,

In herinnering roepend het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de overige relevante internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten, humanitair recht en het internationaal strafrecht,

Voorts in herinnering roepend de Verklaring inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, op 18 december 1992 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij resolutie 47/133,

Doordrongen van het buitengewoon ernstige karakter van gedwongen verdwijning, wat een misdrijf vormt en, onder bepaalde omstandigheden omschreven in het internationale recht,een misdrijf tegen de menselijkheid vormt,

Vastbesloten gedwongen verdwijningen te voorkomen en straffeloosheid in het geval van gedwongen verdwijningen te bestrijden,

Overwegend het recht van alle personen niet te worden blootgesteld aan gedwongen verdwijningn en het recht van slachtoffers op gerechtigheid en schadeloosstelling,

Het recht van elk slachtoffer bevestigend op het kennen van de waarheid omtrent de omstandigheden van een gedwongen verdwijning en het lot van de verdwenen persoon en het recht op de vrijheid hiertoe inlichtingen in te winnen, te ontvangen en te verstrekken,

Zijn de volgende artikelen overeengekomen:

DEEL I[bewerken]

Artikel 1

1. Niemand wordt blootgesteld aan gedwongen verdwijning.
2. Geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, hetzij oorlog of de dreiging van oorlog, binnenlandse politieke instabiliteit of elke andere algemene noodtoestand mag worden gebruikt ter rechtvaardiging van gedwongen verdwijningen.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt als „gedwongen verdwijning” aangemerkt de arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de Staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de Staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt.

Artikel 3

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen om de in artikel 2 omschreven handelingen van personen of groepen personen die optreden zonder de machtiging of steun van of bewilliging door de Staat te onderzoeken en de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen.

Artikel 4

Elke Staat die Partij is neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat gedwongen verdwijning een strafbaar feit vormt krachtens zijn strafrecht.

Artikel 5

De wijdverbreide of systematische praktijk van gedwongen verdwijning vormt een misdrijf tegen de menselijkheid zoals omschreven in het toepasselijke internationale recht en dienen bestraft te worden zoals voorzien in het toepasselijke internationale recht.

Artikel 6

1. Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om ten minste strafrechtelijk aansprakelijk te stellen:
a. Iedere persoon die een gedwongen verdwijning pleegt,daartoe opdracht geeft of deze uitlokt, poogt deze te plegen, eraan medeplichtig is of er op andere wijze bij betrokken is;
b. Een hogergeplaatste die:
i. Ervan op de hoogte was of bewust aanwijzingen negeerde die er duidelijk op wezen dat ondergeschikten onder zijn of haar feitelijke bevoegdheid en toezicht het misdrijf van gedwongen verdwijning pleegden of voornemens waren te plegen;
ii. Feitelijk de verantwoordelijkheid droeg voor en het toezicht uitoefende op handelingen die verband hielden met het misdrijf van gedwongen verdwijning; en
iii. Naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen binnen zijn of haar bevoegdheid te nemen om het plegen van een gedwongen verdwijning te voorkomen of te beletten of de zaak voor onderzoek en vervolging aan te geven bij de bevoegde autoriteiten;
c. Onderdeel b van dit lid laat onverlet strengere normen die gelden uit hoofde van het toepasselijke internationale recht ten aanzien van de verantwoordelijkheid van militaire gezaghebbers of personen die feitelijk als zodanig optreden.
2. Geen enkel bevel of geen enkele instructie van het openbaar gezag, hetzij burgerlijk, hetzij militair of anderszins, mag worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het misdrijf van gedwongen verdwijning.

Artikel 7

1. Elke Staat die Partij is stelt passende straffen op voor het misdrijf van gedwongen verdwijning die rekening houden met de buitengewone ernst van dit misdrijf.
2. Elke Staat die Partij is:
a. Kan verzachtende omstandigheden vaststellen, in het bijzonder voor personen die betrokken waren bij het plegen van een gedwongen verdwijning, wanneer zij daadwerkelijk helpen een verdwenen persoon levend terug te vinden of het mogelijk maken gevallen van gedwongen verdwijning op te helderen of de daders van een gedwongen verdwijning te identificeren;
b. Kan onverminderd andere strafrechtelijke procedures verzwarende omstandigheden vaststellen, waaronder in het bijzonder het overlijden van de verdwenen persoon of de gedwongen verdwijning van zwangere vrouwen, minderjarigen, personen met een handicap of andere bijzonder kwetsbare personen.

Artikel 8

Onverminderd artikel 5

1. Neemt een Staat die Partij is die ter zake van gedwongen verdwijningen verjaringstermijnen toepast de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de verjaringstermijnen bij strafrechtelijke procedures:
a. Van lange duur zijn en in verhouding staan tot de buitengewone ernst van dit misdrijf;
b. Ingaan op het tijdstip waarop het misdrijf van gedwongen verdwijning beëindigd wordt, waarbij rekening wordt gehouden met het ononderbroken karakter ervan.
2. Waarborgt elke Staat die Partij is het recht van slachtoffers van gedwongen verdwijning op een doeltreffend rechtsmiddel gedurende de verjaringstermijn.

Artikel 9

1. Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van rechtsmacht te vestigen inzake het misdrijf van gedwongen verdwijning:
a. Indien het misdrijf is gepleegd op een grondgebied onder zijn rechtsmacht of aan boord van een in die Staat geregistreerd schip of luchtvaartuig;
b. Indien de vermoedelijke pleger één van zijn onderdanen is;
c. Indien de verdwenen persoon één van zijn onderdanen is en de Staat die Partij is het vestigen van zijn rechtsmacht opportuun acht.
2. Elke Staat die Partij is neemt tevens de noodzakelijke maatregelen om zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van rechtsmacht te vestigen inzake het misdrijf van gedwongen verdwijning indien de vermoedelijke pleger zich op een grondgebied onder zijn rechtsmacht bevindt, tenzij de Staat hem of haar in overeenstemming met zijn internationale verplichtingen uitlevert of overlevert aan een andere staat of overlevert aan een internationaal straftribunaal waarvan hij de rechtsmacht heeft erkend.
3. Dit Verdrag sluit geen aanvullende rechtsmacht in strafzaken uit die wordt uitgeoefend in overeenstemming met het nationale recht.

Artikel 10

1. Na zich er door bestudering van de hem ter beschikking staande inlichtingen van te hebben vergewist dat de omstandigheden zulks vereisen, neemt de Staat die Partij is op wiens grondgebied een persoon aanwezig is die wordt verdacht van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning, hem of haar in hechtenis of treft hij de overige wettelijke maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn of haar aanwezigheid te waarborgen. De hechtenis en andere wettelijke maatregelen geschieden zoals voorzien in de wetgeving van die Staat die Partij is, maar mogen niet langer voortduren dan noodzakelijk om de aanwezigheid van de persoon bij de strafrechtelijke, overleverings- of uitleveringsprocedures te waarborgen.
2. Een Staat die Partij is die de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen heeft genomen, stelt onverwijld een gerechtelijk vooronderzoek of opsporingsonderzoek in voor het vaststellen van de feiten. Hij stelt de in artikel 9, eerste lid, bedoelde Staten die Partij zijn in kennis van de maatregelen die hij uit hoofde van het eerste lid van dit artikel heeft genomen, waaronder de hechtenis en de omstandigheden die deze rechtvaardigen en van de bevindingen uit het gerechtelijk vooronderzoek of het opsporingsonderzoek, en vermeldt daarbij of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.
3. Een persoon die uit hoofde van het eerste lid van dit artikel in hechtenis is genomen mag onverwijld contact opnemen met de dichtstbijzijnde bevoegde vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij of zij onderdaan is, of, indien hij of zij staatloos is, met de vertegenwoordiger van de Staat waar hij of zij gewoonlijk verblijft.

Artikel 11

1. De Staat die Partij is op het grondgebied waarvan een persoon die wordt verdacht van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning wordt aangetroffen, levert deze persoon over aan zijn bevoegde autoriteiten voor strafrechtelijke vervolging, indien hij deze persoon niet uitlevert of overlevert aan een andere Staat in overeenstemming met zijn internationale verplichtingen of hem of haar niet overlevert aan een internationaal straftribunaal waarvan hij de rechtsmacht heeft erkend.
2. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval van elk misdrijf met een ernstig karakter krachtens de wetgeving van die Staat die Partij is. In de gevallen bedoeld in artikel 9, tweede lid, mogen de normen voor het voor vervolging en veroordeling vereiste bewijs in geen geval minder stringent zijn dan die welke van toepassing zijn in de gevallen bedoeld in artikel 9, eerste lid.
3. Eenieder tegen wie strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld in verband met het misdrijf van gedwongen verdwijning wordt het recht op een eerlijke behandeling in alle fasen van de procedure verzekerd. Eenieder die terechtstaat wegens het misdrijf van gedwongen verdwijning krijgt een eerlijk proces voor een bevoegd, onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Artikel 12

1. Elke Staat die Partij is waarborgt dat eenieder die meent dat een persoon het slachtoffer is geworden van gedwongen verdwijning, het recht heeft de feiten te melden aan de bevoegde autoriteiten, die de melding onverwijld en onpartijdig bestuderen en waar nodig, onverwijld een grondig en onpartijdig onderzoek instellen. Waar nodig worden passende maatregelen genomen om te waarborgen dat degene die aangifte heeft gedaan, getuigen, familieleden van de verdwenen persoon en hun raadsman, alsmede personen die betrokken zijn bij het onderzoek beschermd worden tegen slechte behandeling of intimidatie naar aanleiding van de aangifte of het verschaffen van bewijs.
2. Indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een persoon het slachtoffer is geworden van gedwongen verdwijning, stellen de in het eerste lid van dit artikel bedoelde autoriteiten een onderzoek in, ook wanneer er geen formele aangifte is gedaan.
3. Elke Staat die Partij is waarborgt dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde autoriteiten:
a. Beschikken over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen, waaronder toegang tot documentatie en andere inlichtingen die van belang zijn voor hun onderzoek, om het onderzoek daadwerkelijk uit te voeren;
b. Zo nodig met voorafgaande toestemming van een gerechtelijke autoriteit die daarover onverwijld beslist, toegang krijgen tot elke plaats van detentie of een andere plaats indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verdwenen persoon zich daar bevindt.
4. Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om handelingen die de uitvoering van een onderzoek belemmeren te voorkomen en te bestraffen. De Staat die Partij is waarborgt in het bijzonder dat personen die verdacht worden van het plegen van het misdrijf van gedwongen verdwijning niet de gelegenheid krijgen de voortgang van een onderzoek te beïnvloeden door bedreiging of intimidatie van of represailles tegen degene die aangifte heeft gedaan, getuigen, familieleden van de verdwenen persoon of hun raadsman of tegen personen die betrokken zijn bij het onderzoek.

Artikel 13

1. Ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn wordt het misdrijf van gedwongen verdwijning niet aangemerkt als een politiek delict of als een met een politiek delict samenhangend strafbaar feit of als een strafbaar feit ingegeven door politieke motieven.

Bijgevolg mag een verzoek om uitlevering wegens een dergelijk strafbaar feit niet uitsluitend op deze gronden worden afgewezen.

2. Voordat dit Verdrag in werking treedt, wordt het misdrijf van gedwongen verdwijning in alle tussen de Staten die Partij zijn bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn opgenomen als een uitleveringsdelict.
3. De Staten die Partij zijn verplichten zich ertoe het misdrijf van gedwongen verdwijning op te nemen als een uitleveringsdelict in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen zal worden gesloten.
4. Indien een Staat die Partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft, kan hij dit Verdrag beschouwen als de vereiste rechtsgrondslag voor uitlevering wegens het misdrijf van gedwongen verdwijning.
5. Staten die Partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag erkennen onderling het misdrijf van gedwongen verdwijning als een uitleveringsdelict.
6. Uitlevering is in alle gevallen onderworpen aan de voorwaarden voorzien in de wetgeving van de aangezochte Staat die Partij is of in toepasselijke uitleveringsverdragen, met inbegrip van, met name, voorwaarden met betrekking tot de straf die minimaal vereist is voor uitlevering en de gronden waarop de aangezochte Staat die Partij is uitlevering kan weigeren of er bepaalde voorwaarden aan kan verbinden.
7. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering zou inhouden indien de aangezochte Staat die Partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of vanwege het feit dat hij behoort tot een bepaalde sociale groep of dat inwilliging van het verzoek die persoon om een van deze redenen zou kunnen benadelen.

Artikel 14

1. De Staten die Partij zijn verlenen elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp in verband met strafrechtelijke procedures die zijn ingesteld ter zake van het misdrijf van gedwongen verdwijning, met inbegrip van het verschaffen van alle bewijsmateriaal waarover zij beschikken en dat noodzakelijk is voor de procedures.
2. Op deze wederzijdse rechtshulp zijn de voorwaarden van toepassing voorzien in de nationale wetgeving van de aangezochte Staat die Partij is of in de van toepassing zijnde verdragen inzake wederzijdse rechtshulp, met inbegrip van, in het bijzonder, de voorwaarden met betrekking tot de gronden waarop de aangezochte Staat die Partij is kan weigeren wederzijdse rechtshulp te verlenen of er voorwaarden aan kan verbinden.

Artikel 15

De Staten die Partij zijn werken met elkaar samen en verlenen elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse bijstand ten behoeve van de ondersteuning van slachtoffers van gedwongen verdwijning en bij het opsporen, lokaliseren en in vrijheid stellen van verdwenen personen en, indien zij overleden zijn, bij het opgraven, identificeren en terugbrengen van hun stoffelijk overschot.

Artikel 16

1. De Staten die Partij zullen geen personen uitzetten of terugzenden („refouler”) naar of overleveren of uitleveren aan een andere Staat, indien er wezenlijke gronden zijn om aan te nemen dat zij het gevaar zouden lopen het slachtoffer te worden van gedwongen verdwijning.
2. Teneinde vast te stellen of er dergelijke gronden zijn, nemen de bevoegde autoriteiten alle relevante overwegingen in aanmerking, met inbegrip, indien van toepassing, van de vraag of er in de betrokken Staat sprake is van een duidelijk patroon van grove, flagrante of massale schendingen van de mensenrechten of van ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht.

Artikel 17

1. Niemand mag in geheime detentie worden gehouden.
2. Onverminderd overige internationale verplichtingen van de Staat die Partij is ter zake van vrijheidsstraffen, zal deze in zijn wetgeving:
a. Voorwaarden vaststellen waaronder bevelen tot vrijheidsontneming mogen worden gegeven;
b. Vermelden welke autoriteiten bevoegd zijn bevelen tot vrijheidsontneming te geven;
c. Waarborgen dat eenieder wiens vrijheid is ontnomen uitsluitend op daartoe officieel erkende en gecontroleerde plaatsen mag worden gedetineerd;
d. Waarborgen dat eenieder wiens vrijheid is ontnomen het recht heeft te communiceren met en te worden bezocht door zijn of haar familie, raadsman of een andere persoon van zijn of haar keuze en dat daaraan uitsluitend de wettelijk vastgestelde voorwaarden verbonden zijn, of, indien hij of zij een vreemdeling is, te communiceren met zijn of haar consulaire autoriteiten in overeenstemming met het toepasselijke internationale recht;
e. De toegang waarborgen voor bevoegde en wettelijk gemachtigde autoriteiten en instanties tot de plaatsen waar personen verblijven wier vrijheid is ontnomen, indien noodzakelijk met een voorafgaande machtiging van een gerechtelijke autoriteit;
f. Waarborgen dat een persoon wiens vrijheid is ontnomen gerechtigd is, of bij verdenking van een gedwongen verdwijning, indien de persoon wiens vrijheid is ontnomen dit recht niet kan uitoefenen, dat personen met een rechtmatig belang, zoals familieleden van de persoon wiens vrijheid is ontnomen, hun vertegenwoordiger of raadsman onder alle omstandigheden gerechtigd zijn, een gerechtelijke procedure in te stellen, opdat de rechter onverwijld kan beslissen over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming en de invrijheidstelling kan gelasten indien de vrijheidsontneming wederrechtelijk is.
3. Elke Staat die Partij is waarborgt het opzetten en bijhouden van één of meer actuele officiële registers en/of dossiers van personen wier vrijheid is ontnomen, die op verzoek onverwijld ter beschikking worden gesteld van gerechtelijke of andere autoriteiten of instellingen waaraan bevoegdheid is toegekend door de wetgeving van de betrokken Staat die Partij is of door een ander relevant internationaal juridisch instrument waarbij de betrokken Staat partij is. De daarin vervatte informatie omvat ten minste:
a. De identiteit van de persoon wiens vrijheid is ontnomen;
b. De datum, het tijdstip en de plaats waarop respectievelijk waar de persoon zijn vrijheid is ontnomen en de identiteit van de autoriteit die de persoon zijn vrijheid heeft ontnomen;
c. De autoriteit die de vrijheidsontneming heeft gelast en de gronden daarvoor;
d. De autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de vrijheidsontneming;
e. De plaats van de vrijheidsontneming, de datum en het tijdstip van toelating tot de plaats van de vrijheidsontneming en de autoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van de vrijheidsontneming;
f. Gegevens met betrekking tot de gezondheidstoestand van de persoon wiens vrijheid is ontnomen;
g. Bij overlijden tijdens de vrijheidsontneming, de omstandigheden en oorzaak van het overlijden en de bestemming van het stoffelijk overschot;
h. De datum en het tijdstip van de invrijheidstelling of overbrenging naar een andere detentieininrichting, de bestemming en de voor de overbrenging verantwoordelijke autoriteit.

Artikel 18

1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 garandeert elke Staat die Partij is elke persoon die een rechtmatig belang heeft bij deze informatie, zoals familieleden van de persoon wiens vrijheid is ontnomen, hun vertegenwoordiger of raadsman, toegang tot ten minste de volgende inlichtingen:
a. De autoriteit die de vrijheidsontneming heeft gelast;
b. De datum, het tijdstip en de plaats waarop respectievelijk waar de persoon zijn vrijheid is ontnomen en op de plaats van vrijheidsontneming is aangekomen;
c. De autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de vrijheidsontneming;
d. De verblijfplaats van de persoon wiens vrijheid is ontnomen, met inbegrip van in het geval van overbrenging naar een andere plaats van vrijheidsontneming, de bestemming en de voor de overbrenging verantwoordelijke autoriteit;
e. De datum, het tijdstip en de plaats van invrijheidstelling;
f. Gegevens met betrekking tot de gezondheidstoestand van de persoon wiens vrijheid is ontnomen;
g. Bij overlijden tijdens de vrijheidsontneming, de omstandigheden en oorzaak van het overlijden en de bestemming van het stoffelijk overschot.
2. Waar nodig worden passende maatregelen genomen om de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen, alsmede personen die deelnemen aan het onderzoek te beschermen tegen slechte behandeling, intimidatie of sancties vanwege het zoeken naar inlichtingen over een persoon wiens vrijheid is ontnomen.

Artikel 19

1. Persoonsgegevens, met inbegrip van medische en genetische informatie, die worden verzameld en/of doorgegeven in het kader van het zoeken naar een verdwenen persoon mogen niet worden gebruikt of beschikbaar worden gesteld voor andere doeleinden dan het zoeken naar de verdwenen persoon. Dit laat onverlet het gebruik van dergelijke gegevens in strafrechtprocedures die verband houden met het misdrijf van gedwongen verdwijning of het uitoefenen van het recht schadeloosstelling te vorderen.
2. Het verzamelen, verwerken, gebruiken en opslaan van persoonsgegevens, met inbegrip van medische en genetische informatie, mag geen schending vormen van de mensenrechten, fundamentele vrijheden of de menselijke waardigheid van een persoon noch daartoe leiden.

Artikel 20

1. Uitsluitend wanneer een persoon beschermd wordt door de wet en er gerechtelijk toezicht is op de vrijheidsontneming, mag het recht op inlichtingen bedoeld in artikel 18 bij uitzondering worden beperkt, wanneer dat strikt noodzakelijk is en voorzien is in de wet, en indien de overdracht van de inlichtingen de privésfeer of veiligheid van de persoon nadelig zou beïnvloeden, een strafrechtelijk onderzoek zou belemmeren, of op vergelijkbare gronden in overeenstemming met het recht, met het toepasselijke internationale recht en met de doelstellingen van dit Verdrag. In geen geval mogen er ten aanzien van het recht op inlichtingen bedoeld in artikel 18 beperkingen gelden die gedragingen vormen zoals omschreven in artikel 2 of in strijd zijn met artikel 17, eerste lid.
2. Onverminderd de toetsing van de rechtmatigheid van de ontneming van de vrijheid van een persoon, garanderen de Staten die Partij zijn de personen bedoeld in artikel 18, eerste lid, het recht op onverwijlde en daadwerkelijke rechtsmiddelen ten behoeve van het verkrijgen van de inlichtingen bedoeld in artikel 18, eerste lid. Het recht op een rechtsmiddel mag onder geen enkele voorwaarde worden ingetrokken of beperkt.

Artikel 21

Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat personen wier vrijheid is ontnomen worden vrijgelaten op een wijze die het mogelijk maakt op betrouwbare wijze te verifiëren of zij daadwerkelijk zijn vrijgelaten. Elke Staat die Partij is neemt tevens de noodzakelijke maatregelen om de fysieke integriteit van deze personen te waarborgen alsmede hun vermogen hun rechten ten volle uit te oefenen op het tijdstip van hun invrijheidstelling, onverminderd de eventuele verplichtingen die op deze personen rusten uit hoofde van het nationale recht.

Artikel 22

Onverminderd artikel 6 neemt elke Staat die Partij is de noodzakelijke maatregelen teneinde de volgende gedragingen te voorkomen en er sancties voor op te leggen:

a. Het vertragen of belemmeren van de rechtsmiddelen bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel f, en in artikel 20, tweede lid;
b. Het nietnakomen van de verplichting om de ontneming van de vrijheid van een persoon te registreren of het registreren van inlichtingen waarvan de voor het officiële register verantwoordelijke functionaris wist of behoorde te weten dat deze onjuist was;
c. Het weigeren om inlichtingen te verschaffen inzake de ontneming van de vrijheid van een persoon of het verschaffen van onjuiste inlichtingen, zelfs indien voldaan is aan de wettelijke vereisten voor het verschaffen van deze inlichtingen.

Artikel 23

1. Elke Staat die Partij is waarborgt dat de opleiding van met rechtshandhaving belast personeel, burgerlijk of militair, van medisch personeel, overheidsfunctionarissen en andere personen die betrokken kunnen zijn bij de detentie of behandeling van een persoon wiens vrijheid is ontnomen, voorziet in de noodzakelijke voorlichting en informatie over de relevante bepalingen van dit Verdrag teneinde:
a. Te voorkomen dat dergelijke functionarissen betrokken raken bij gedwongen verdwijningen;
b. Het belang van preventie en onderzoek met betrekking tot gedwongen verdwijningen te benadrukken;
c. Te waarborgen dat de noodzaak onderkend wordt om gedwongen verdwijningen met spoed op te lossen.
2. Elke Staat die Partij is waarborgt dat bevelen of instructies die strekken of machtigen tot gedwongen verdwijning of die gedwongen verdwijning aanmoedigen, verboden zijn. Elke Staat die Partij is waarborgt dat personen die een dergelijk bevel weigeren op te volgen, niet bestraft worden.
3. Elke Staat die Partij is neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen die reden hebben om aan te nemen dat een gedwongen verdwijning heeft plaatsgevonden of beoogd wordt, de aangelegenheid voorleggen aan hun superieuren en waar nodig aan de desbetreffende autoriteiten of instanties die bevoegd zijn tot onderzoek naar of ongedaanmaking van de verdwijning.

Artikel 24

1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „slachtoffer” verstaan de verdwenen persoon en eenieder die rechtstreeks ten gevolge van een gedwongen verdwijning nadeel ondervonden heeft.
2. Elk slachtoffer heeft het recht de waarheid omtrent de omstandigheden van de gedwongen verdwijning te kennen, alsmede de voortgang en resultaten van het onderzoek en het lot van de verdwenen persoon. Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen in dit verband.
3. Elke Staat die Partij is neemt alle passende maatregelen om verdwenen personen op te sporen, te lokaliseren en in vrijheid te stellen, of, indien zij overleden zijn, hun stoffelijk overschot op te sporen, respectvol te behandelen en terug te brengen.
4. Elke Staat die Partij is waarborgt in zijn rechtsstelsel dat de slachtoffers van gedwongen verdwijning het recht hebben schadeloosstelling te vorderen en recht hebben op onmiddellijke, billijke en adequate schadevergoeding.
5. Het recht de in het vierde lid van dit artikel bedoelde schadeloosstelling te vorderen betreft zowel materiële als immateriële schade en waar nodig andere vormen van schadeloosstelling zoals:
a. Restitutie
b. Rehabilitatie
c. Genoegdoening, met inbegrip van eerherstel en herstel van reputatie;
d. Waarborgen dat gedwongen verdwijning niet opnieuw zal voorkomen.
6. Onverminderd de verplichting het onderzoek voort te zetten totdat het lot van de verdwenen persoon opgehelderd is, neemt elke Staat die Partij is de passende maatregelen ten behoeve van de rechtspositie van verdwenen personen wier lot niet is opgehelderd alsmede die van hun gezinsleden op het gebied van onder meer sociale zorg, financiële aangelegenheden, familierecht en eigendomsrechten.
7. Elke Staat die Partij is waarborgt het recht tot het opzetten van en vrijelijk deelnemen aan organisaties en verenigingen die tot doel hebben om te trachten de omstandigheden van gedwongen verdwijningen en het lot van verdwenen personen vast te stellen en om de slachtoffers van gedwongen verdwijning bij te staan.

Artikel 25

1. Elke Staat die Partij is neemt de nodige maatregelen om de volgende gedragingen te voorkomen en strafbaar te stellen:
a. Het wederrechtelijk weghalen van kinderen die het slachtoffer zijn van gedwongen verdwijning, van kinderen wier vader, moeder of voogd het slachtoffer is van gedwongen verdwijning of kinderen die in gevangenschap worden geboren gedurende de gedwongen verdwijning van hun moeder;
b. Het vervalsen, verbergen of vernietigen van documenten waaruit de werkelijke identiteit van de in onderdeel a van dit lid bedoelde kinderen blijkt.
2. Elke Staat die Partij is neemt de noodzakelijke maatregelen voor het zoeken naar en identificeren van de kinderen bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel en om hen terug te brengen naar hun oorspronkelijke familie, in overeenstemming met de wettelijke procedures en van toepassing zijnde internationale verdragen.
3. De Staten die Partij zijn verlenen elkaar bijstand bij het zoeken naar, identificeren en opsporen van de kinderen bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.
4. Gelet op de noodzaak de belangen van de kinderen bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel te beschermen en op hun recht op behoud of hernieuwde vaststelling van hun identiteit, met inbegrip van hun nationaliteit, naam en familiebanden zoals bij wet erkend, dienen de Staten die Partij zijn die een systeem van adoptie of een andere vorm van plaatsing van kinderen erkennen, wettelijke procedures te hebben vastgesteld om adoptie- of plaatsingsprocedures te toetsen en om, waar dat van toepassing is, de adoptie of plaatsing van een kind die voortvloeit uit een gedwongen verdwijning, ongedaan te maken.
5. In alle gevallen, en in het bijzonder bij alle aangelegenheden die verband houden met dit artikel, dienen de belangen van het kind voorop te staan en een kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen dient het recht te hebben deze vrijelijk te uiten, waarmee in overeenstemming met de leeftijd en ontwikkeling van het kind naar behoren rekening dient te worden gehouden.

DEEL II[bewerken]

Artikel 26

1. Er wordt een Comité voor gedwongen verdwijningen in gesteld (hierna te noemen het „Comité”) teneinde de uit hoofde van dit Verdrag voorziene taken uit te voeren. Het Comité bestaat uit tien deskundigen van onbesproken gedrag, bekend om hun bekwaamheid op het gebied van de mensenrechten, die op persoonlijke titel zitting nemen en onafhankelijk en onpartijdig zijn. De leden van het Comité worden door de Staten die Partij zijn gekozen volgens een billijke geografische spreiding. Het nut van deelname aan de werkzaamheden van het Comité door personen met relevante juridische ervaring alsmede een evenwichtige vertegenwoordiging van de seksen dienen naar behoren in aanmerking te worden genomen.
2. De leden van het Comité worden gekozen door middel van geheime stemming uit een lijst van personen die door de Staten die Partij zijn zijn voorgedragen uit hun onderdanen, tijdens tweejaarlijkse vergaderingen van de Staten die Partij zijn die daartoe bijeen worden geroepen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Tijdens deze vergaderingen, waarvoor twee derde van de Staten die Partij zijn het quorum vormen, zijn degenen die in het Comité zijn gekozen die personen die het grootste aantal stemmen hebben behaald, alsmede een absolute meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.
3. De eerste verkiezing wordt niet later gehouden dan zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Vier maanden voor de datum van elke verkiezing zendt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een brief aan de Staten die Partij zijn teneinde hen uit te nodigen hun voordrachten binnen drie maanden in te dienen. De Secretaris-Generaal stelt een alfabetische lijst op van alle personen die aldus zijn voorgedragen, waarbij aangegeven wordt door welke Staat die Partij is elke kandidaat is voorgedragen, en legt deze lijst voor aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.
4. De leden van het Comité worden gekozen voor een termijn van vier jaar. Zij zijn eenmaal herkiesbaar. De termijn van vijf bij de eerste verkiezing benoemde leden loopt echter na twee jaar af; terstond na de eerste verkiezing worden de namen van die vijf leden bij loting aangewezen door de voorzitter van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vergadering.
5. Indien een lid van het Comité overlijdt, terugtreedt of om een andere reden niet langer zijn of haar taken voor het Comité kan vervullen, benoemt de Staat die Partij is die hem of haar had voorgedragen, in overeenstemming met de criteria vervat in het eerste lid van dit artikel, een andere kandidaat uit zijn onderdanen voor het resterende deel van zijn of haar termijn op voorwaarde van goedkeuring door de meerderheid van de Staten die Partij zijn. Deze goedkeuring wordt geacht te zijn verkregen, tenzij de helft of meer van de Staten die Partij zijn, binnen zes weken nadat zij door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de voorgestelde benoeming in kennis zijn gesteld, afwijzend reageren.
6. Het Comité stelt zijn eigen reglement van orde vast.
7. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorziet het Comité van de nodige middelen, personeel en voorzieningen ten behoeve van de doeltreffende uitvoering van zijn taken. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties roept de eerste vergadering van het Comité bijeen.
8. De leden van het Comité hebben recht op de faciliteiten, voorrechten en immuniteiten van deskundigen die een missie uitvoeren voor de Verenigde Naties, zoals vastgelegd in de desbetreffende artikelen van het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.
9. Elke Staat die Partij is werkt samen met het Comité en verleent zijn leden bijstand bij de uitvoering van hun mandaat, voor zover de Staat die Partij is de taken van het Comité heeft aanvaard.

Artikel 27

Niet eerder dan vier jaar en uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag vindt een conferentie van de Staten die Partij zijn plaats teneinde het functioneren van het Comité te evalueren en, in overeenstemming met de procedure omschreven in artikel 44, tweede lid, te beslissen of het opportuun is de monitoring van dit Verdrag, in overeenstemming met de taken omschreven in de artikelen 28 tot en met 36, over te dragen aan een ander orgaan – zonder mogelijkheden uit te sluiten.

Artikel 28

1. In het kader van de bij dit Verdrag verleende bevoegdheden werkt het Comité samen met alle relevante organen, kantoren en gespecialiseerde organisaties en fondsen van de Verenigde Naties, met de verdragsorganen in het leven geroepen bij internationale instrumenten, met de bijzondere procedures van de Verenigde Naties en met de relevante regionale intergouvernementele organisaties of organen, alsmede met alle relevante instellingen, instanties of kantoren van Staten die zich inzetten voor de bescherming van eenieder tegen gedwongen verdwijning.
2. Bij de uitvoering van zijn mandaat overlegt het Comité met andere verdragsorganen die zijn ingesteld bij betreffende internationale mensenrechteninstrumenten, in het bijzonder het Comité voor de rechten van de mens dat is ingesteld bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het oog op het waarborgen van de consistentie van hun observaties en aanbevelingen ter zake.

Artikel 29

1. Elke Staat die Partij is dient binnen twee jaar nadat dit Verdrag voor de desbetreffende Staat die Partij is in werking is getreden, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, een rapport in bij het Comité over de maatregelen die zijn genomen om zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt dit rapport ter beschikking aan alle Staten die Partij zijn.
3. Het Comité bestudeert elk rapport en geeft het commentaar, de opmerkingen of aanbevelingen die het passend acht. De betreffende Staat die Partij is wordt in kennis gesteld van het commentaar, de opmerkingen of aanbevelingen, en kan er eigener beweging of op verzoek van het Comité op reageren.
4. Het Comité kan de Staten die Partij zijn tevens verzoeken aanvullende inlichtingen over de uitvoering van dit Verdrag te verschaffen.

Artikel 30

1. Familieleden van een verdwenen persoon, hun wettelijk vertegenwoordiger, hun raadsman of een door hen aangewezen persoon alsmede elke andere persoon met een rechtmatig belang kunnen bij het Comité, met spoed, een verzoek indienen om opsporing van de verdwenen persoon.
2. Indien het Comité meent dat een verzoek om spoedaktie ingediend uit hoofde van het eerste lid van dit artikel:
a. Niet kennelijk ongegrond is;
b. Geen misbruik vormt van het recht op indiening van dergelijke verzoeken;
c. Reeds naar behoren is voorgelegd aan de bevoegde organen van de betrokken Staat die Partij is, zoals aan de organen die bevoegd zijn tot onderzoek, wanneer die mogelijkheid bestaat;
d. Niet onverenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag; en
e. Dezelfde aangelegenheid niet reeds onderzocht wordt op grond van een andere procedure voor internationaal onderzoek of een andere regeling van vergelijkbare aard;

verzoekt het de betrokken Staat die Partij is binnen een door het Comité vastgestelde termijn inlichtingen te verschaffen met betrekking tot de situatie van de gezochte personen.

3. Gelet op de inlichtingen verschaft door de betrokken Staat die Partij is in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel, kan het Comité aanbevelingen doen aan de Staat die Partij is, waaronder een verzoek alle nodige maatregelen te nemen, waaronder voorlopige maatregelen, om de desbetreffende persoon te lokaliseren en beschermen in overeenstemming met dit Verdrag en het Comité, binnen een omschreven termijn, op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen, daarbij de urgentie van de situatie in aanmerking nemend. Het Comité stelt de persoon die het verzoek om spoedactie heeft ingediend op de hoogte van zijn aanbevelingen en, zodra deze beschikbaar zijn, van de inlichtingen die het ontvangt van de Staat.
4. Het Comité zet zijn pogingen samen te werken met de betrokken Staat die Partij is voort zolang het lot van de gezochte persoon niet opgehelderd is. De persoon die het verzoek heeft ingediend wordt op de hoogte gehouden.

Artikel 31

1. Een Staat die Partij is kan op het tijdstip van de bekrachtiging van dit Verdrag of te allen tijde daarna verklaren dat hij de bevoegdheid van het Comité erkent om mededelingen in ontvangst te nemen en te bestuderen van of namens natuurlijke personen die onder zijn rechtsmacht vallen en stellen het slachtoffer te zijn van een schending van de bepalingen van dit Verdrag door deze Staat die Partij is. Het Comité aanvaardt geen mededelingen ten aanzien van een Staat die Partij is die een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd.
2. Het Comité verklaart een mededeling niet-ontvankelijk, indien:
a. De mededeling anoniem is;
b. De mededeling misbruik vormt van het recht tot indiening van dergelijke mededelingen of onverenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag;
c. Dezelfde aangelegenheid reeds onderzocht wordt op grond van een andere procedure voor internationaal onderzoek of een andere regeling van vergelijkbare aard; of indien
d. Nog niet alle relevante beschikbare nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Deze regel is niet van toepassing indien de toepassing van de rechtsmiddelen onredelijk wordt verlengd.
3. Indien het Comité meent dat de mededeling voldoet aan de vereisten vervat in het tweede lid van dit artikel, brengt het de mededeling over aan de betrokken Staat die Partij is en verzoekt hem binnen een door het Comité vastgestelde termijn opmerkingen en commentaar te leveren.
4. Na ontvangst van een mededeling en voordat een beoordeling op de merites heeft plaatsgevonden, kan het Comité de betrokken Staat die Partij is te allen tijde een verzoek ter spoedige overweging doen toekomen om voorlopige maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn teneinde mogelijke onherstelbare schade voor de slachtoffers van de beweerde schending te voorkomen. Indien het Comité gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid houdt dit geen beoordeling inzake de ontvankelijkheid of de merites van de mededeling in.
5. Het Comité vergadert achter gesloten deuren wanneer het mededelingen uit hoofde van dit artikel onderzoekt. Het stelt de opsteller van een mededeling in kennis van de door de betrokken Staat die Partij is verschafte antwoorden. Indien het Comité besluit de procedure af te ronden, doet het zijn opvattingen toekomen aan de Staat die Partij is en aan de opsteller van de mededeling.

Artikel 32

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag kan te allen tijde verklaren dat hij de bevoegdheid van het Comité erkent om mededelingen in ontvangst te nemen en te bestuderen waarin een Staat die Partij is stelt dat een andere Staat die Partij is niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Het Comité neemt geen mededelingen in ontvangst betreffende een Staat die Partij is die een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd, noch neemt het mededelingen in ontvangst van een Staat die Partij is die een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd.

Artikel 33

1. Indien het Comité betrouwbare inlichtingen ontvangt die erop wijzen dat een Staat die Partij is de bepalingen van dit Verdrag ernstig schendt, kan het, na overleg met de betrokken Staat die Partij is, één of meer van zijn leden verzoeken een bezoek te brengen en onverwijld verslag uit te brengen aan het Comité.
2. Het Comité stelt de betrokken Staat die Partij is schriftelijk in kennis van zijn voornemen een bezoek te organiseren en vermeldt daarbij de samenstelling van de delegatie en het doel van het bezoek. De Staat die Partij is doet het Comité binnen een redelijke termijn zijn antwoord toekomen.
3. Naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de Staat die Partij is kan het Comité besluiten zijn bezoek uit te stellen of af te gelasten.
4. Indien de Staat die Partij is instemt met het bezoek, stellen het Comité en de betrokken Staat die Partij is tezamen de modaliteiten van het bezoek vast en de Staat die Partij is voorziet het Comité van alle faciliteiten die nodig zijn voor een succesvolle afronding van het bezoek.
5. Na zijn bezoek doet het Comité de betrokken Staat die Partij is zijn opmerkingen en aanbevelingen toekomen.

Artikel 34

Indien het Comité inlichtingen ontvangt die zijns inziens gefundeerde aanwijzingen bevatten dat gedwongen verdwijningen wijdverbreid en op systematische wijze plaatsvinden op het grondgebied onder de rechtsmacht van een Staat die Partij is, kan het, na de betrokken Staat die Partij is te hebben verzocht om alle relevante informatie over de situatie, de aangelegenheid, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, met spoed onder de aandacht van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties brengen.

Artikel 35

1. Het Comité is uitsluitend bevoegd ter zake van gedwongen verdwijningen die zijn aangevangen na de inwerkingtreding van dit Verdrag.
2. Indien een Staat Partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding ervan, hebben de verplichtingen van die Staat jegens het Comité uitsluitend betrekking op gedwongen verdwijningen die zijn aangevangen na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken Staat.

Artikel 36

1. Het Comité dient bij de Staten die Partij zijn en bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een jaarverslag in inzake zijn activiteiten uit hoofde van dit Verdrag.
2. Voordat een opmerking over een Staat die Partij is in het jaarverslag wordt gepubliceerd, wordt de betrokken Staat die Partij is in kennis gesteld en krijgt deze een redelijke termijn om te reageren. Een dergelijke Staat die Partij is kan verzoeken om publicatie van zijn commentaar of opmerkingen in het verslag.

DEEL III[bewerken]

Artikel 37

Dit Verdrag laat onverlet bepalingen die meer bijdragen aan de bescherming van eenieder tegen gedwongen verdwijning en die vervat kunnen zijn in:

a. De wetgeving van een Staat die Partij is;
b. Het in die Staat geldende internationale recht.

Artikel 38

1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door alle Lidstaten van de Verenigde Naties.
2. Dit Verdrag staat open voor bekrachtiging door alle Lidstaten van de Verenigde Naties. Akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
3. Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Lidstaten van de Verenigde Naties. Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 39

1. Dit Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum van nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
2. Ten aanzien van iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt dit Verdrag in werking dertig dagen na de datum van nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 40

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die lid zijn van de Verenigde Naties en alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van het volgende:

a. Ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen uit hoofde van artikel 38;
b. De datum van inwerkingtreding van dit Verdrag uit hoofde van artikel 39.

Artikel 41

De bepalingen van dit Verdrag zijn zonder beperking of uitzondering van toepassing op alle delen van federale Staten.

Artikel 42

1. Elk geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandelingen of door de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene procedures kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen er binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de organisatie van deze arbitrage, kan ieder van deze partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.
2. Elke Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging van of toetreding tot dit Verdrag, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het eerste lid van dit artikel. De andere Staten die Partij zijn zijn niet gebonden door het eerste lid van dit artikel ten aanzien van een Staat die Partij is die een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt.
3. Een Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, kan deze verklaring te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 43

Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van het internationaal humanitair recht, met inbegrip van de verplichtingen van de Hoge Verdragsluitende Partijen bij de vier verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en de aanvullende protocollen daarbij van 8 juni 1977, evenals de mogelijkheid waarover elke Staat die Partij is beschikt om het Internationale Rode Kruis te machtigen penitentiaire inrichtingen te bezoeken in situaties waarop het internationale humanitaire recht niet van toepassing is.

Artikel 44

1. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal deelt de voorgestelde wijziging vervolgens mede aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag met het verzoek aan te geven of zij een conferentie van de Staten die Partij zijn verlangen teneinde het voorstel te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde van de Staten die Partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal de vergadering onder auspiciën van de Verenigde Naties bijeen.
2. Wijzigingen die worden aangenomen door een meerderheid van twee derde van de tijdens de conferentie aanwezige Staten die Partij zijn en daar hun stem uitbrengen worden ter aanvaarding voorgelegd aan alle Staten die Partij zijn.
3. Wijzigingen aanvaard in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel treden in werking zodra twee derden van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag deze hebben aanvaard in overeenstemming met hun onderscheiden constitutionele procedures.
4. Wanneer wijzigingen van kracht worden, zijn ze bindend voor die Staten die Partij zijn die de wijzigingen hebben aanvaard; andere Staten die Partij zijn blijven gebonden door de bepalingen van dit Verdrag en eventuele eerdere wijzigingen die zij hebben aanvaard.

Artikel 45

1. Dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet voor eensluidende gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen aan alle Staten bedoeld in artikel 38 van het Verdrag.