Keulemans Onze vogels 1 (1869)/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
10 Onze vogels in huis en tuin, deel 1 van John Gerrard Keulemans

11. De Graauwe Vliegenvanger

12


[ Pl11 ]

Keulemans Onze vogels 1 11.jpg

[ - ] [ - ] [ 38 ]
 

DE GRAAUWE VLIEGENVANGER.

MUSCICAPA GRISOLA.


Onder den naam Vliegenvangers duidt men verschillende geslachten van vogels aan, welker voornaamste bedrijf in het vangen van vliegende insecten bestaat en wier vormen met die der Zangers, Klaauwieren of Drongo's overeenkomen. De Europesche Vliegenvangers staan, wat levenswijze en vorm betreft, tusschen de Zwaluwen en Zangers in. De Amerikaansche grootere soorten hebben veel overeenkomst met de Europesche, maar sommige soorten hellen meer tot de Klaauwieren over. De Drongo's der oude wereld hebben zoowel iets van Vliegenvangers als van Klaauwieren. Het getal der vogelgeslachten, die tot de familie der Vliegenvangers kunnen gebragt worden, is zoo groot, dat het de grenzen van dit werk overschrijden zou, ze allen op te sommen, waarom we ons alleen tot de Europesche zullen bepalen.

Deze vogels hebben lange, spitse vleugels, een lang, smal ligchaam en korte pooten, terwijl hun snavel aan den mondhoek breed en wijd is. Zij kiezen zich steeds eene standplaats, van waar zij eene groote ruimte kunnen overzien, vangen en verzwelgen dan hunne prooi in de vlugt, of keeren er mede naar hunne vorige zitplaats terug. De weinige soorten, welke ons werelddeel bewonen, hebben allen nagenoeg dezelfde levenswijze en verschillen weinig in grootte. De meest algemeene hier te lande is de Graauwe of Gewone soort. De Zwartkop-Vliegenvanger (M. luctuosa of atricapilla) is hier te lande zeldzamer, daarentegen in Duitschland en in 't Zuid-Oosten van Europa weder menigvuldiger. De Gekraagde Vliegenvanger (M. albicollis of collaris) komt in Nederland weinig, maar in de dennenbosschen van Midden- en Oost-Europa vrij talrijk voor. De Roodborst-Vliegenvanger (M. parva) is hier te lande nog niet waargenomen, maar in Griekenland, Turkije, Egypte en Arabië algemeen en nagenoeg een standvogel.

De Gewone Vliegenvanger, van welken wij hier eene afbeelding geven, komt [ 39 ] in Nederland als trekvogel voor, en overwintert in Noord- tot Midden-Afrika, soms echter ook in Zuid-Europa; althans ik vond ze nog in December nabij Lissabon. Deze vogeltjes verschijnen in Nederland eerst in de laatste helft van April, om in het begin van Augustus weder te vertrekken. Als eene uitzondering op den regel, kan ik hier nog bijvoegen, dat ik in het begin van September 1868 in de omstreken van Leiden een broeijend wijfje met een viertal jongen aantrof; deze jongen waren slechts eenige (drie à zes) dagen oud; eenige dagen na deze ontdekking vond ik de jongen allen dood, en een oud voorwerp op eenige schreden van het nest. Ten einde mij te overtuigen, of mijne waarneming juist was, schoot ik het vogeltje, en bevond dat het werkelijk een wijfje van den Gewonen Vliegenvanger (Muscicapa grisola) was.

Kort na hunne aankomst paren deze vogels; zij broeijen slechts eenmaal: tegen 't einde van Mei, of in Junij. De jongen trekken te gelijk met de ouden weg en hun verdwijnen onderscheidt zich door dit zonderlinge, dat er, daags nadat men ze overal nog aantrof, nergens meer een enkele Vliegenvanger te vinden is, zonder dat men te voren eenige voorbereiding tot hun vertrek had kunnen waarnemen.

Bij deze soort is geen verschil tusschen de seksen op te merken; zeer oude voorwerpen zijn meer eentoonig graauw van kleur; alleen de jongen hebben meer en duidelijke strepen.

Het nest wordt uit dunne worteltjes, pluis, koe- of paardenhaar en veêren zaamgesteld en zóó geplaatst, dat het broeijende wijfje moeijelijk ontdekt kan worden, zonder dat echter het nest geheel verborgen ligt. Boven in een boom nabij den stam, op maar nooit tusschen de takken; boven op knotwilgen; tusschen niet te digt groeijend klimop, of in vensters van torens der buitenhuizen zal men spoedig het nest kunnen ontdekken, zoo men slechts de ouden gadeslaat. Dezen blijven namelijk in de nabijheid van hun kroost, of liever, bouwen een nest in den omtrek van hun lievelingsoord; want Vliegenvangers vertoeven steeds op die plaatsen, waar zij eenmaal ondervonden hebben dat genoegzaam insecten te vangen zijn. Aangezien zij nu hun voedsel in de vlugt bemagtigen en met ieder gevangen insect naar hunne vorige zitplaats of naar het nest terugkeeren, ziet men weldra waar zij met het voedsel heênvliegen, en dus ook waar het nest ligt. Wanneer echter het wijfje op eijeren zit, moet men goed uit de oogen zien; want zij vliegt, bij naderend gevaar, niet altijd weg, en de kleuren harer veêren komen [ 40 ] meestal dermate overeen met de plaats, waar het nest ligt, dat zij gemakkelijk aan het oog ontsnapt.

De eijeren, waarvan er vier à zes in een broeisel gevonden worden, zijn grijsachtig of vuil wit, soms naar het rosé trekkende, met kleine, graauwe en donkerbruine streepjes, die aan het stompe einde grooter zijn en meer tot vlekken overgaan; zij hebben veel overeenkomst met die der Grasmusch, doch zijn niet zoo groenachtig van grondkleur.

Zoo als we hierboven hebben aangestipt, worden de jongen met insecten gevoerd. Het spreekt nu van zelf, dat beide ouden druk in de weer moeten zijn, om hunne jongen te bevredigen; want zij worden slechts één vliegend insectje te gelijk magtig, en de jongen hebben veel van zulke kleine diertjes (muggen, vliegjes, vlindertjes, enz.) noodig, vóórdat zij oud genoeg zijn, om zelve in hun onderhoud te voorzien. Nog eenigen tijd nadat zij voor 't eerst het nest verlaten hebben, ziet men ze digt bij elkaêr op een takje zitten, en al kunnen zij dan reeds vlug genoeg vliegen, om een dreigend gevaar te ontsnappen, insecten-vangen kunnen zij dan nog niet: daartoe is meer ontwikkeling noodig. Ook hierin gelijken deze vogels de Zwaluwen. Eerst eenigen tijd nadat zij gevlogen hebben, oefenen zij zich in de jagt. In de eerste dagen ontsnapt hun nog menig insect, en al wordt er een gebrekkig vliegend vlindertje door het geheele broeisel vervolgd, toch moeten nog meestal de ouden er bij te pas komen, om den buit magtig te worden.

De Graauwe Vliegenvanger heeft een zeer eigenaardig geluid, dat hij op zijn rusttakje zittende herhaaldelijk laat hooren; het klinkt nagenoeg als de syllaben „tuk-chèch". Hij zingt weinig of niet; alleen laat het mannetje in den paartijd soms eenig gekweel hooren.

Deze vogeltjes zijn niet schuw en kunnen dan ook gemakkelijk gevangen worden. Het oude wijfje vangt men door middel van een paardenharen lusje, dat men naast het nest vasthecht en waarvan de lus over de geheele wijdte gelegd wordt. Ook door middel van lijmtakjes kan men ze spoedig meester worden: men legt of bevestigt slechts een of twee takjes naast of boven het nestje, en weldra heeft men daarmee het wijfje en dikwijls te gelijker tijd het mannetje gevangen. Even gemakkelijk vangt men ze met den Steenuil en de lijmstokken.

In kooijen kunnen zij niet zoo spoedig aarden en sterven dan ook meestal binnen weinige dagen; laat men ze echter in de kamer rondvliegen, dan houden zij 't dikwijls lang uit, mits zij 's winters niet van de koude te lijden hebben.

[ 41 ] Als men de Vliegenvangers in de kamer houdt, zullen de muggen en vliegen er veel spoediger uit verdwenen zijn, dan door het zoogenaamde vliegenpapier. Voor hun dagelijksch onderhoud hebben deze vogeltjes toch wel een honderdtal van zulke insecten noodig. Die lastige zomergasten, waarvan wij vooral in onze tuinkamers te lijden hebben, worden dus spoedig genoeg door deze vogeltjes verslonden, zoodal men hen waarlijk als zeer nuttig kan beschouwen. Weinigen in ons land zullen dit middel tegen vliegen hebben aangewend, hoewel het in Duitschland op vele buitenplaatsen algemeen in zwang is. Maar behalve dit nuttige, is het ook zeer aardig, deze vogeltjes bezig te zien. Gewoonlijk kiezen zij voor rust- of liever loerplaats een lat, lijst of eenig ander voorwerp boven in het vertrek. Van daar schieten zij ieder oogenblik op eene voorbijsnorrende vlieg neder en pakken die in den breeden bek, om er naar dezelfde of eene andere zitplaats mee terug te keeren, waar zij dan, alvorens haar te verslinden, haar eenige malen door den bek draaijen en kantelen, totdat er de vleugels en pooten afvallen.

's Winters kan men ze met meelwormen, gehakt ei en brood- of beschuitkruimels, door elkaêr gemengd, in 't leven houden. Zij drinken weinig, doch baden zich gaarne. Laat men ze vrij in de kamer vliegen, dan slapen zij meestal tusschen bloempotten, op bloemhangers of eenig ornamentwerk, altijd zóó, dat men ze 's avonds moeijelijk vinden kan.