Keulemans Onze vogels 1 (1869)/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
52 Onze vogels in huis en tuin, deel 1 van John Gerrard Keulemans

53. De Patrijs

54


[ Pl53 ]

Keulemans Onze vogels 1 53.jpg

[ - ] [ - ] [ 178 ]
 

DE PATRIJS.

PERDIX CINEREA.


Onder den naam „Patrijs" wordt steeds de gewone soort begrepen, omdat de overige Europesche soorten, die andere kleuren hebben, niet in ons land voorkomen, dan alleen in gevangen staat.

De Patrijzen zijn hoenderachtige vogels. Onder denzelfden naam zijn nog verschillende verwante geslachten begrepen, zoo als: de zoogenaamde Californië-Patrijs met nog eenige Amerikaansche soorten (Ortyx). In Midden-Azië leven grootere patrijsachtige vogels, die tot het geslacht Tetraogallus behooren. Op Ceylon worden er gevonden, die het geslacht Ithagenes vormen; dezen hebben twee of drie sporen aan iederen poot. De Kwartels (Coturnix) behooren mede tot de Patrijzenfamilie; onder dezen komen weder afwijkende vormen voor, waaronder een vogel uit Australië, die in vorm eenige overeenkomst met de Trap (Otis), maar nagenoeg de grootte van den Gewonen Kwartel heeft; dit vogeltje is bij de ornithologen onder den naam Pedionomus torquatus bekend. Eenige kleine soorten van Zuid-Europa, Azië en Afrika vormen het geslacht Hemipodius. Deze vogels komen de Kwartels het meest nabij, alleen met deze uitzondering, dat zij geen achterteen bezitten, waarom zij Snipkwartels genoemd worden.

De eigenlijke Patrijzen bewonen Europa, Azië en Afrika. De soorten van ons werelddeel zijn, behalve de Gewone of Grijze: de Roode Patrijs (P. rubra), die in 't Zuiden van Europa, vooral in Frankrijk en Spanje, wordt aangetroffen; de Steen-Patrijs (P. saxatilis), welke de rotsachtige streken en de vlakten van Italië bewoont, en de Rots-Patrijs (P. petrosa), die zich in Algerië, in Spanje en andere Zuid-Europesche landen, alsmede in Noord-Afrika ophoudt. De gewone soort bewoont bijna geheel Europa, gaat noordelijk tot Siberië en zuidelijk tot Griekenland; men treft ook talrijke troepen in Klein-Azië tot in Perzië aan.

[ 179 ] Onze Patrijs leeft gepaard en vliegt vóór en na den broeitijd in troepen. Hij wordt hier te lande ook broeijende, maar nog meer op den najaarstrek aangetroffen. De Haan onderscheidt zich van zijn wijfje (de Hen), door eene donkerbruine vlek op de borst; voor 't overige hebben beiden steeds dezelfde kleuren, doch zijn, vooral de Hanen, des zomers iets fraaijer of helderder gekleurd.

De jongen krijgen hunne kleuren reeds binnen het jaar, en de donkere vlek is bij de jonge mannetjes reeds in hetzelfde najaar op te merken; de jongen zijn, wanneer zij in den herfst reeds hunne kleuren hebben, nogtans kleiner dan de ouden.

De paartijd der Patrijzen duurt in ons land van Maart tot April. Er hebben dikwijls hevige gevechten onder de Hanen plaats, te meer daar hun aantal steeds dat der Hennen overtreft. Om dezelfde reden worden ook na den paartijd nog veelal Hanen, die reeds broeijende Hennen hebben, door hunne ongepaard gebleven geslachtsgenooten aangevallen; ook worden dikwijls gepaarde en broeijende Hennen overmeesterd, wanneer haar echtgenoot afwezig is. Vandaar waarschijnlijk de meening, dat de Patrijzen in polygamie leven. Men heeft echter waargenomen, dat gepaarde Patrijzen dikwijls zoo lang bij elkander blijven, tot een van beiden sterft.

De eigenlijke broeiplaatsen dezer vogels zijn zanderige heidevlakten en heuvelachtige weiden in 't Zuiden van Frankrijk. Bij ons broeit zij alleen in de droogere streken. In Schotland vindt men vele broeijende Patrijzen op de bergen en in de roggevelden. In die landen, waar zij menigvuldig voorttelen, zijn het ook meestal standvogels, terwijl de onzen in het najaar ronddolen en zuidelijk tot Frankrijk trekken.

De broeitijd duurt van Mei tot Junij; het wijfje legt ongeveer twaalf grijsachtige eijeren in een kunsteloos nest, dat in eene of andere holte in den grond wordt aangebragt en uit grashalmen bestaat. In twintig à twee en twintig dagen broeit de Hen de eijeren uit.

De jongen zijn in hun donskleed fraai geelbruin met donkere streepjes over den rug; zij loopen reeds denzelfden dag, waarop zij uit het ei te voorschijn zijn gekomen, en verschuilen zich bij naderend gevaar onder de vleugelen der moeder. Even als de meeste jonge vogels, die spoedig in hun eigen onderhoud voorzien, loopen de jonge Patrijsjes steeds in de nabijheid der ouden, door wie hun het voedsel, wanneer zij het voorbijloopen, wordt aangewezen. Het is een zeer aardig gezigt, zulk [ 180 ] een aantal kuikens te zien loopen; zij pikken uit eigen beweging kleine insecten en zaden van den grond, ontnemen elkander eene voor hen te groote rups, waarmede zij dan onrustig voortloopen, zonder ze te kunnen inslikken of aan stukken trekken. Op het midden van den dag zoeken zij de schaduw, kruipen onder de vleugels, of plaatsen zich op den rug hunner moeder; zij blijven in het gezelschap hunner ouders zoo lang zij niet door deze of gene omstandigheid van hen gescheiden worden.

In het najaar zijn de Patrijzen zeer vet en daarom als wild zeer gezocht. Men vindt ze dan overal in moeslanden en op afgemaaide grasvelden, in troepen van drie tot twaalf en meer stuks. Men jaagt ze met den staanden hond en schiet ze in de vlugt; want op den grond zelf zijn zij moeijelijk te ontdekken, doordien de kleur hunner vederen bijzonder met die der aarde overeenkomt. Bij het naderen van den hond loopen zij hem schielijk vooruit en trachten zich te verbergen totdat hij in hunne nabijheid gekomen is, als wanneer zij eensklaps opvliegen. Nadert er een mensch, dan drukken zij zich tegen den grond, tusschen het hooge gras of lage hout, en verbergen zich daar zóó volkomen, dat men, zonder hen op te merken, voorbijgaat. Als men echter hun schuilhoek ontdekt of te nabij komt, vliegen zij schielijk op, en dalen gewoonlijk eenige honderden passen verder neêr. Ook in het voorjaar kan men Patrijzen, vooral Hanen, jagen, doch dan zijn zij veel minder vet en smakelijk dan in den herfst. De vlugt dezer vogels is zwak, doch vrij snel; zij vliegen met korte vleugelslagen meestal, in eene regte lijn, zelden hooger dan zestig voet en schier nooit verder dan eenige honderden passen, zoodat men in eene vlakte hen gewoonlijk in het gezigt kan houden. Moeten zij over boomen heênvliegen, dan strijken zij er zelden hooger over heen, dan noodig is, en raken dikwijls de takken.

Als men jonge voorwerpen magtig kan worden en ze met broodkruimels, miereneijeren en zachte zaden of havergort voedt, kunnen zij zeer goed tam gehouden worden. Men kan ook de patrijzen-eijeren door Krielkippen doen uitbroeijen. Er worden dikwijls variëteiten aangetroffen, als: isabelkleurige, geheel of gedeeltelijk witte, alsmede voorwerpen met eene grijsachtige tint en witten halsring, of bruine met een witten ring, welke laatsten echter zeldzamer zijn dan de witte of isabellen.