Keulemans Onze vogels 2 (1873)/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
53 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

54. Het bandvogeltje

55


[ Pl54 ]

Keulemans Onze vogels 2 54.jpg

[ 182 ]
 

HET BANDVOGELTJE.

MUNIA FASCIATA.


Dit vogeltje, in alle Europesche zeesteden overbekend, heeft zijn naam te danken aan den vuurrooden nekband, welke het mannetje zoo zonderling versiert. Deze bloedroode, overdwarsche, sterk uitkomende band gelijkt zoo sprekend naar eene bloedende snede in den nek, dat men in Frankrijk, en ook in Engeland, dezen vogel met den naam: „afgesneden hals" aanduidt. De Franschen noemen hem namelijk: „le cou coupé", de Engelschen: „the cut-throat". De naam, dien men hem hier te lande geschonken heeft, is in elk geval niet zoo afgrijselijk en toch, bij alle eenvoudigheid, minstens even juist.

Het Bandvogeltje dan behoort tot de familie der Wevers en is in Afrika inheemsen. Zijn vaderland strekt zich over geheel Noord- en Midden-Afrika uit, doch het menigvuldigst vindt men hem in de grasvelden en vlakten nabij de Gambia-rivier, in het westelijk, en, langs den Nijl, in het oostelijk gedeelte van dit werelddeel.

De Bandvogeltjes bewonen uitgestrekte grasvelden, kreupelhout en het hooge riet langs rivieren en moerassen. De grasvelden dier streken zijn evenwel niet, zoo als men zich alligt zou voorstellen, aan onze Europesche weilanden gelijk; zij zijn veel uitgestrekter en meestal langs de kusten of groote rivieren gelegen. Het gras groeit er tot 10 voet hoog, en is door allerlei slingerplanten doorvlochten. Hier en daar ziet men boschjes laag hout, meestal doornachtige heesters of dunbladige Euphorbia's; ginds staat een doode boom, tot op de helft van den stam met klimplanten begroeid, en welks kale takken een roofvogel zich tot rustplaats heeft gekozen. De bodem is door heirlegers van gekleurde krabben doorgraven; bij iedere stap, dien gij doet, zakt uw voet in den weeken grond, en tal van deze afzigtelijke gravers zitten daar voor hunne holen en schieten als ratten naar omlaag, zoodra gij u vertoont.

[ 183 ] Naauwelijks heeft de ochtendzon hare eerste stralen op dien weelderigen bodem geworpen, of dikke nevelwolken stijgen als rook omhoog. In dien voor den mensch vergiftigen atmospheer leven en tieren duizenden groote en kleine dieren. Goude kevers snorren over het ontluikende groen; dartele vlinders spelen en fladderen van bloem tot bloem. Vlugge, sierlijke gazellen huppelen over den zachten bodem; waar ook oog of oor zich wendt, overal ontmoet het leven. De vogels zingen, en hunne liederen verkondigen genot, liefde en verrukking, hunne bewegingen geven blijk van een leven zonder zorgen. Hier klappert de prachtige Vuurwever met de vleugels, zet zijn nek- en rugveêren omhoog, en maakt allerlei koddige gebaren om zijn wijfje te behagen; daar ligt het nest van de Senegalie, waaruit de kleine hulpbehoevende jongen hunne kopjes opsteken, de terugkomst eener zorgzame moeder verbeidende; ginds weder posteert zich de Egret met zijn zilverwit gevederte, zijne deftige stappen en voorzigtige, langzame vlugt; hij plaatst zich op een heester, terwijl een tweede langs het hooge gras vliegt, waarin eene geheele menigte verscholen zit. Nader niet te digt; want de twee zilverwitte Reigers, die ge daar zaagt, zijn schildwachten; hunne kameraden ziet ge niet; zij echter zullen hen waarschuwen, dat uwe komst hen met gevaar bedreigt.

Boven in den onbewolkten atmospheer ontdekt gij den Graauwen Gier, die, met schijnbaar onbewegelijke vleugels, cirkels in het uitspansel beschrijft. Een weinig verder ontdekt uw oog eene donkere streep; zachtkens rolt zij boven de vlakte voort: het zijn vlugten Wevers en Vinken. Lager vliegen duizenden Zwaluwen; zij wentelen en kantelen zich met vlugge, sierlijke bewegingen, duiken en schieten door het luchtruim met ongelooflijke snelheid, en hun vrolijk, onvermoeid getier verdooft het zachtluidend geroep van den Bonten Kwartel, die zich nevens u verscholen heeft.

Zóó is het grasveld der keerkringen.—Afrika vooral is rijk aan zulke wildernissen, en ook bijna al de Vinken, Wevers en dergelijk gevogelte, dat in onze kamers prijkt, behooren in dit werelddeel, in zulke velden tehuis.

De Bandvogeltjes nu leven daar te midden van den vruchtbaren plantengroei, altijd in troepen, hetzij van hunne soort alleen, of met andere vereenigd. Zij voeden zich hoofdzakelijk met graszaad, doch eten even gaarne rijst; trouwens, even als alle vogels, die van granen leven, kennen zij geen onderscheid tusschen het kruid, dat der natuur, en dat, hetwelk den mensch toebehoort. Daardoor echter worden zij soms schadelijke gasten voor den planter, te meer daar zij steeds heirlegers van medepligtigen hebben.

[ 184 ] De broeitijd dezer vogeltjes begint in West-Afrika na of reeds gedurende den regentijd, namelijk in September. Men vindt er tot in Maart broeijende paren, doch ieder paar brengt, althans voor zooverre bekend is, zelden meer dan twee broeisels voort. Het nestje is aan dunne takken van laag hout of aan neergebogen grasstengels bevestigd, en uit gras of gespleten grashalmen zeer kunstig zaamgevlochten; het is langwerpig rond van vorm en heeft de opening op zijde. Elk broeisel bevat 4 à 6 lichtgraauwe of vuilwitte, donker gevlekte eijeren.

De jongen missen vóór den rui nog den rooden keelband, zoodat zij dan nog op het wijfje gelijken. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest, zeer jonge voorwerpen te zien; 't kan zijn dat dezen een meer gevlekt of bruiner kleed dragen. Die, welke ik voor mijne beschrijving onderzocht, waren ongeveer twee maanden oud en alleen aan hunne losdradige veeren te herkennen; overigens waren zij aan het oude wijfje gelijk. Het wijfje onderscheidt zich namelijk daardoor van het mannetje, dat bij haar zoowel de roode keelband als de bruine vlek aan den buik ontbreken.

In gevangenschap telen deze vogeltjes even goed voort, als Kanaries, ja zelfs nog spoediger, en weinige der bij ons ingevoerde Grasvinken vertoonen zoo veel wederzijdsche gehechtheid, als een paar Bandvogeltjes. Wil men ze echter laten paren, dan dient hun eene ruime kooi met afzonderlijke broeiplaats gegeven te worden; zij zijn namelijk gewoon, hun nestje tusschen overeind staande rietjes te bouwen, die dus te dien einde in hunne kooi dienen aangebragt te worden. In eene volière van grooten omvang gaat dit natuurlijk het best. Men brenge dan lange grashalmen tusschen de traliën aan, en late ze overigens met rust en ieder paar afzonderlijk. Het wijfje broeit ongeveer 14 dagen, en voêrt dan hare jongen uit den in gereedheid gebragten voorraad gehakt ei en beschuitkruimels. Zoodra de jongen buiten het nest komen, dienen zij, even als de ouden, overvloedig versch groen te hebben. Overigens geve men hun witzaad en gierst.

Het mannetje heeft een zachten zang, en vooral gedurende den broeitijd van het wijfje kwettert hij onvermoeid voort. Hij is zeer jaloersch, en kan alles van zijn wijfje, doch niets van andere vogels verduren; hij zou dan ook tegen iederen vreemden indringer den strijd aanvaarden en zich des noods zelfs doodvechten. Zoolang echter de Bandvogeltjes geen liefdeshistories in 't hoofd hebben, zoeken zij het gezelschap van andere vogels, en kunnen dan ook veilig met dezen gezamenlijk in volières gehouden worden.