Keulemans Onze vogels 3 (1876)/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
29 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

30. De groote pieper

31


[ Pl30 ]

Keulemans Onze vogels 3 30.jpg

[ 102 ]
 

DE GROOTE PIEPER.

ANTHUS RICHARDI.


De Groote Pieper, ook Richards Pieper en, o. a. in sommige streken van Braband, Zandleeuwerik genaamd, en ook onder den wetenschappelijken naam van Corydalla Richardi beschreven, wordt, met eenige verwante soorten, als van de eigenlijke Piepers verschillend beschouwd, zoodat hij, althans volgens de tegenwoordige schrijvers, een nieuw geslacht uitmaakt. De snavel van dezen vogel is dan ook een weinig krachtiger, de nagel van den achterteen langer, dan die der overige Piepers.

Deze vogels verschillen, al naar het klimaat of den grond waarop zij leven, zeer opmerkelijk in grondkleur van gevederte, zoodat zij, even als de Leeuwerikachtige vogels, nu eens met eene rosroode, dan weder met eene zandkleurige tint worden aangetroffen.

Het mannetje is doorgaans iets grooter dan het wijfje. De jongen verschillen van hunne ouders door de duidelijk witte randen aan al de vleugel- en staartveêren; bij hen is rug en borst meer gevlekt, bij de ouden gestreept.

Deze soort bewoont gematigd- en Zuid-Europa, is echter zeldzaam in Spanje, doch zeer algemeen in het Zuid-Oosten van ons werelddeel. Zij wordt ook in het Himalaya-gebergte, in geheel Engelsch-Indië, Centraal-China en ook in Ceylon aangetroffen, doch is in Afrika, voor zoover bekend is, nimmer waargenomen.

Bij voorkeur houden zij zich op zand- of grasvlakten, heidevelden en in het gebergte op. Gedurende den zomer leven zij gepaard, en na den broeitijd bij troepjes van 5 à 8, terwijl zij in het najaar Zuid- of Oostwaarts trekken.

Zij broeijen op den grond, in kloven of ondiepe holten, tusschen steenen, onder neêrgeworpen hakhout of takkebossen, of, zoo als dit in Indië is opgemerkt, onder het vuilnis, dat in plantages en op suiker- en maïsvelden in een afgelegen hoek op den grond wordt afgezonderd.

[ 103 ] Het nest is zeer eenvoudig uit grashalmen en worteltjes in elkaêr gewerkt. Elk broeisel bevat 4 à 6 blaauwachtig of grijsachtig witte, donkergrijs en bruin gestipte eijeren.

In Engelsch-Indië worden, volgens Jerdan, deze vogels met netten gevangen en op de markten der steden onder den naam van Ortolanen verkocht, om, even als dezen, gebraden en door smulbroêrs gegeten te worden. Andere ornithologen beweren daarentegen, dat de zoogenaamde Ortolanen tot eene kleine Leeuweriksoort behooren, welke aldaar menigvuldig voorkomt, terwijl, zoo als overigens algemeen door de Engelsche kolonisten wordt aangenomen, de Groote Pieper er slechts toevallig en in geringen getale voorkomt.

Hier te lande is deze vogel schaarsch en veel minder algemeen, dan in België. In de provincie Noord-Braband vindt men hem nu en dan in de heidevlakten en wordt hij, hoe verder men Zuidwaarts trekt, van lieverlede menigvuldiger. Eenige jaren geleden moet hij in de nabijheid der vestingwerken van Antwerpen zeer talrijk zijn geweest; althans in verschillende vogelcollectiën vond ik op bijna al de aan de huiden gehechte etiquetten Antwerpen als plaats van afkomst vermeld, met de dagteekening van September en October 1869 of 1870; later vernam ik dan ook, dat juist omstreeks dien tijd vogelaars nabij de vestingwerken eene groote menigte „vreemde Leeuwerikken” gevangen hadden.

De zang van het mannetje bestaat in een kort en schielijk voortbrengen van de syllaben: „riek, riek, riek, pit, pit, pitriek-pitriek” . Het klinkt echter zeer helder en levendig en kan reeds van verre gehoord worden. Onder het voortvliegen roept hij: „wiet-ziep”, de laatste syllabe zeer schelluidend en gerekt.

Deze vogels komen op onze na- en voorjaarsmarkten onder en gelijktijdig met de Leeuwerikken voor, ofschoon niet met de vroege of zoogenaamde Winterleeuwerikken, die reeds in Februarij te koop worden aangeboden; de Groote Pieper wordt zelden vóór het einde van Maart of het begin van April gezien.

Men kan ze in gevangenschap in de voor Leeuwerikken geschikte kooijen houden, en op gelijke wijze als deze vogels behandelen. Zij eten gaarne kleine sprinkhanen en oorwormen, worden zeer mak, doch blijven niettemin hun leven lang schrikachtig. Zij zijn, even als alle andere Piepersoorten, zeer oplettend, doch zingen, in gevangen staat, zeer zacht of in het geheel niet.