Koninklijke Courant/Jaargang 1807/Nummer 173/Tegenwoordige staat van Dalmatiën

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Tegenwoordige staat van Dalmatiën’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Koninklijke Courant, zaterdag 18 juli 1807, [p. 3]. Publiek domein.
[ 3 ]

Tegenwoordige ſtaat van Dalmatiën.

 Het, ſedert meer dan duizend jaren, in de geſchiedenis van Europa, half vergeten Dalmatiën, komt, door de gebeurtenisſen van onzen tijd, uit zijne oude duisternis weer te voorſchijn, en wekt de opmerkzaamheid van den aandachtigen beſchouwer op. Raguſa’s ſchrikkelijke dagen, en de ongenaakbare Rotſen van Cattaro, zijn tegenwoordig beduidende teekenen, in de Geſchiedenis van den voorbeeldloozen Oorlog. Dalmatiën, als eene Rusſiſche Provintie, zou altijd voor Italiën eene dreigende Vesting blijven, welke van de eene zijde het Rijk der Ottomannen in vrees kon houden, en van den anderen kant, in een’ Oorlog met Oostenryk, moge wezen, Frankryk zal nooit zijne Provintie Dalmatiën overgeven.

 Deze Landſtreek, bevattende 400 vierkante Mijlen, en (volgens eene telling van 1803, de Krijgsmagt daar onder gerekend,) 361,000 Inwoners, vormt eene gedeelte der westelijke Kusten, van het groote half-Eiland van Europisch Turkyën. Het is eene aan de Zee grenzende vlakte, regelloos van Bergen afgebroken, die eigenlijk geen Bergketen uitmaken. Hoe nader men aan de Zee komt, des te ſterker ſchijnt het Vaste Land te ſcheuren, en de enkelde ſtukken en blokken vormen eenen uitgebreiden Archipel, van talrijke, groote en kleine Eilanden.

 De voormalige Regering van Venetiën, niet meer zijnde, wat zij in vorige Eeuwen was, en klein in haar inwendig Beſtuur, zonder gelijken tred met het overig Europa in de beſchaving houdende, liet Dalmatiën geheel verwilderen, zich vergenoegende, eenige duizende Krijgslieden en Matrozen daar uit te kunnen ligten.

 Het volk, zonder eenige beſchaving, bijgeloovig, verwilderd, ongeöefend en gehecht aan oude gebruiken, leefde armoedig, ellendig, ruw, en maakte het zeldzaamſte kontrast met de prachtige levenswijze der Geestelijkheid.

 Met het volk verwilderde ook de grond. Overblijfſels en bouwvallen van heerlijke Tempels en Paleizen, eener werkzamer en rijker voorwereld, verkondigden den geroerden aanſchouwer, in de ontvolkte Steden, eenzame vlekken en verlatene Dorpen, wat Dalmatiën in vroegere dagen was.

 De modder eener beek maakte de aanzienlijke Zeehaven van Nona onbruikbaar; de groote en zekere Haven van Biograd is voor de ſcheepvaart bijna vreemd geworden; de Haven van Sebenico zou eene der veiligſte en ſchoonſte Havens van de Middelandſche Zee kunnen wezen; doch voor dat alles was niets gedaan.

 Steden, voorheen zeer aanzienlijk, zijn tegenwoordig ſlechts bewoonde Dorpen; groote Moerasſen, gelijk die om de Monden der Cettina, vergiftigen den dampkring met verpestende uitwaſemingen; de meeste Vestingen des Lands (voorheen was elke Stad bijna eene Vesting,) vertoonen ſlechts vervallene muren en ingezonkene werken.

 De Bergen beſtaan meest uit kairotſen, die hier en daar het fijnſte Marmer leveren. Nog herinnert men zich het ſchoone Traguriſche Marmer van het oude Romen, dat met de voortreffelijkſte Marmerſoo[r]ten van Italiën wedijverde, en waar van men niet meer weet, waar het gebroken werd. Over het geheel genomen, heeft het bergwerk in Dalmatiën bijna niet meer plaats; ſlechts weinige IJzergroeven worden nog aan den gang gehouden. Op verſcheidene plaatſen vindt men Koper-erts. Goud wordt nergens meer gegraven. En evenwel noemt Martialis Dalmatiën het Goudland, en met regt, zoo Plinius waarheid ſchreef, dat onder Nero’s Regering, in eenige dagen, eens vijftig ponden Gouds gevonden werden, en het niet diep onder den grond lag. Ook verhaalt Florus, dat de Veldheer Vibius, dien Augustus naar Dalmatiën zond, de overwonnene Inwoners in de Goudmijnen gebruikte.

 Granen en Ooſt groeijen welig in de Dalen van Dalmatiën; beter nog, dan op de Eilanden, komen de Wijngaarden en Olijfboomen, aan de kusten, voort. De nijverheid kan, door aanbouw, de edelste Gewasſen van Italiën en Griekenland, het Katoen, de Amandelen, Vijgen, Dadels, Korinten, en den Tabak van Macedoniën, tot inlandſche voortbrengſels maken; de Bosſchen, die aan den voet der Bergen zijn, (want boven is alles kaal,) zouden het beste timmerhout, zelfs voor Schepen, kunnen opleveren. De Vischvangst op ſommige Kraalvolle Kusten, rijk in ſmakelijke Visſchen, kon uitgebreider zijn, en de Mastik, die hier uit tallooze Boomen vloeit, zou een aanzienlijken tak van Handel kunnen uitmaken.

 Maar daartoe wordt ook eene wijze Regering verëiſcht, die, door eene zedelijke hervorming van het karakter des Volks, en met eene naauwkeurige kennis van de geſteldheid des Lands, alle mogelijke voordeelen van dezen grond trekken kan.

 Aan geestvermogens ontbreekt het den Dalmatiër niet. De Palmboomen, de Aloë en Broodboom, groeijen daar in ’t wild; en, worden de uitgebreide Moerasſen door goede Kanalen afgeleid en droog gemaakt, dan kan Dalmatiën het Paradijs dier ſtreken worden.

 Het zou waarlijk een gewin voor het menschdom wezen, en de ſchoonſte vrucht zijn van den ontzettenden Oorlog, die zoo veel bloed en tranen kostede, wanneer zulke verwaarloosde Landen, als Dalmatiën, onder Frankryks wijs beſtuur, uit den ſtaat van barbaarsheid getrokken, en overvloed met verlichting daar gevestigd werden.