Leidsch Dagblad/Nummer 19309/Dada-avond

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dada-avond
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 15 februari 1923
Titel Leidsche schouwburg. Dada-avond.
Krant Leidsch Dagblad
Jg, nr ?, 19309
Editie, pg [Dag], eerste blad, [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron leiden.courant.nu
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


LEIDSCHE SCHOUWBURG.

Dada-avond.

      Zoo heeft Leiden gisteravond dan ook zijn dollemans-avond gehad, want iets anders is het niet geworden. De nog vrij talrijke bezoekers waren immers behoudens enkele uitzonderingen ook alleen gekomen om een lolletje, waaraan zij zelf een werkzaam aandeel konden nemen? Dada als kunstuiting waar te nemen was niet de bedoeling en na hetgeen wij gisteravond nu persoonlijk ervan hebben gehoord en gezien, is onze indruk nog gevestigd, dat dit werkelijk veel en veel te veel eer zou zijn. Op het programma, dat in verkleind formaat zoo’n soort reclame-billet tevens moest zijn en dat, wilde men er iets van snappen, bestudeerd worden moest — ’t leek wel een kinder-teekening in letters, grillig van vorm en kwistig rondgestrooid — stond o.a.: Dada est mort, Dada est idiot. Nu, het eerste is helaas nog niet waar, maar via het tweede, wat absoluut juist is, zal het toch wel niet al te lang meer duren. Men vrage niet van ons er verder op in te gaan, want dan zouden wij ons nog dwazer toonen dan wij feitelijk met de bezoekers al zijn geweest door het program zoo naarstig te bepluizen en zeker tienmaal idioter, dan Theo van Doesburg en Kurt Schwitters, die met zoo’n zeldzame verzameling onzin de dubbeltjes in hun zak hebben getooverd. En al is alles dan dada, die dubbeltjes zijn het toch zeker niet...
      Onze plicht getrouw willen we — er zijn te veel nieuwsgierige afwezigen! — evenwel nog in ’t kort het verloop van den avond schetsen.
      Voor den aanvang was de stemming nog al rustig, al hoorde men reeds af en toe een da-da stamelen als welkom, gelijk de zuigelingen het eerst uitbrengen. Toen de aanvang wat werd uitgesteld, luchtte men zich in een lustig getrappel met cadans. Spoedig daarop ging het doek dan open en de stemming was er weldra, toen Theo van Doesburgh een soort beschouwing leverde over Dada met, naast wel enkele rake dingen, in hoofdzaak allerlei zotte in- en uitvallen, w.o. ter voorbeeld: elke burger is een kleine Landru; men denkt op een wei met bloemen te zitten, doch zit op een closet, geestelijke ondervoeding is de kwaal der vetten enz. Alles is dada, alleen de Dadaisten zijn niet dada, want


[2]


[...]


als de Dadaisten dada waren, dan zouden de Dadaisten toch niet dada zijn. Acadabra, dat groote hilariteit verwekte, en reeds leidde tot vele opmerkingen en nu en dan een flauw gemiauw, geblaf of ander geluid. Kurt Schwitters wist echter een pandemonium te ontketenen, toen hij enkele verzen of wat er voor door moet gaan, geluid voortbrengend voordroeg en daarbij met de oogen dicht een soort krolsche kat af en toe nabootste. Er werd meegejoeld, meegerateld zelfs, gemiauwd, ja wat niet al. En dit tweetal wisselde elkaar geregeld af, waarbij Kurt Schwitters de favoriet werd, daar hij zijn collega verre sloeg in malligheid. En daarom was het immers te doen.
      Bepaald geestig was een stem uit den hemel, die opmerkte, toen er verteld werd: la vie est aujourd’hui, mais aujourd’hui n’existe pas; le mot lumière existe, mais la lumière n’existe pas: en dat lampie bij jou dan? Overigens bleef het een heksenketel van gelach, gebrul, geluidengeroep tot het einde toe. Wat nog vermeerderd werd, toen een der bezoekers den dada-geest over zich voelde vaardig worden en ook begon voor te dragen, het af en toe wel eens te lastig makend, al viel het eerst wel in den smaak.
      De „voorstelling” werd echter ten einde gebracht, nadat een paar maal met stoppen was gedreigd, waarbij Theo van Doesburg aan de nabijheid van Endegeest herinnerde met de noodige antwoorden daarop. Er werd nog „geteld” en allerlei onzin verkocht, zelfs ten koste van welbekende liederen als „Es fiel ein Reif in Fruhlingsnacht” enz.
      Niet vermeld hebben we nog, dat mevr. van Doesburg zich op de piano deed hooren, soms niet onverdienstelijk, maar daarvoor was weinig erkentelijkheid meer, gezien hoe het idiote gedoe alle ernst had gebannen. Zooals trouwens volkomen te begrijpen was en daarom is o.i. niet kwalijk te nemen, dat zoo werd te keer gegaan.
      Bewonderd hebben we het sangfroid waarmee de dadaisten alle stormen over zich heen lieten gaan. Maar het geld verzoet den arbeid en zelfs het staan voor pias en charlatan....
      Bij het heengaan vingen we nog op: je kunt gek worden wanneer je wilt. ’t Was de geest van den avond!

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem en W. de Graaf (1992) Een levendige soirée. Dada in Leiden, Leiden: Clipeus pers.