Limburg's Jaarboek/Jaargang 5/Wandelingen rondom Roermond

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wandelingen rondom Roermond
Auteur(s) Van Beurden
Datum 1897
Titel Wandelingen rondom Roermond
Tijdschrift Limburg's Jaarboek
Jg, nr, pg 5, ?, 57-108
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[57]


Wandelingen rondom Roermond.

HERTEN, MERUM EN OOL

      „Herten, Merum en Ool, drie durpe en mer eine pastoor”, luidt het spreekwoord, waardoor men den innigen band, die deze drie dorpen, vlak bij Roermond gelegen, verbindt, wil doen uitkomen. Men kon er bij voegen, dat de dorpen slechts ééne kerk met Sint Michael als patroon, één burgervader, één school, één schoolhoofd hebben. Wel is er door den loop der tijden, in de ligging der drie dorpen ten opzichte van den grooten verkeersweg te water, de Maas, groote verandering gekomen. In vroegeren tijd waren het drie plaatsjes, aan den oever der Maas gelegen. De grillige rivier heeft zich echter van Merum afgewend, heeft dan haar oud bed beoosten den Isabellagreend verlaten, om meer op Beegden aan te stroomen, zocht het oude Oolder huisje weer op, om dan, Herten zelf ontwijkend, regelrecht naar de Roerstad te snellen door de laag gelegen landen.
      Toch heeft ze vroeger dicht langs Herten gestroomd. De hooge oevers van de gegraven Hambeek en het Schoor tot aan de eerste huizen van Herten, bestaan geheel en al uit aangespoeld, scherp zand. Bij den aanleg van den toren der waterleiding kon men nog de opeenvolgende aangeslibde lagen tot op vijf en meer meters diepte volgen.
      Nog kan men aan den kort ineengedrongen vorm van Herten zien, dat de eerste bewoners, bevreesd voor den alvernielenden waterwolf, de hoogte gezocht hebben.


[58]


– 58 –

      Dáár hebben ook de eerste Christenen hun kerkje gebouwd, het bedehuis, welks hechte grondslagen met den ouden toren nog niet lang geleden verdwenen zijn.
      Herten heeft eene geschiedenis, die zich in den duisteren tijd van den strijd der Menapiers, Bataven en Romeinen verliest.
      Men heeft zelfs eene verklaring van den naam van Herten willen geven uit het Oud-Germaansch. Herten zou het oude Hertena zijn, den naam dragende der Germaansche Godin Herta, aarde. Daarbij moet dan dienst doen, dat eene hoeve tusschen Herten en Merum, den „Offerkamp” heet. Wij achten deze stelling evenmin bewezen, als die, waardoor men Wanssum van Wodans-heim, Blitterswijck van Vicus ad littoram (oord aan den oever), Panheel van den god Pan, en Pol van den god Apollo afleidt.
      Het wordt echter reeds in 939 n. C. vermeld. Herten had in dat jaar hoog bezoek. Gisberta, echtgenoote van Lodewijk van Overzee, koning van Frankrijk, aldaar vertoevende, stichtte de proostdij van Meerssen, begiftigde deze met goederen en stelde ze onderhoorig aan de abdij van Sint Remigius te Rheims.
      In 986 schonk zij haar goed te Meerssen met de bijbehoorende landerijen Klimmen, Lithoyen, Angleur en Herten aan de abdij van Rheims. Richardis van Nassau, weduwe van Otto Graaf van Gelre, was de eerste abdisse van het te Roermond door Graaf Gerard III gestichte Cistercienser klooster of der adelijke Munsterabdij. Dit klooster met zijne heerlijke kerk, werd met milde schenkingen bedacht en verkreeg tegen geringe sommen verschillende goederen onder Herten.
      Wij willen daarbij een oogenblik stilstaan. In 1220 verkocht het kapittel van Aken hier 18 bunders akkerland en drie huizen. In 1222 gaf de abt van Rheims den hof te Herten aan de Abdij, in hetzelfde jaar gaf ook Dirk van Heinsberg zijne rechten, die hij als voogd had, over. In 1270 verkreeg ze de groote en smalle tienden te Herten, ook het


[59]


– 59 –

voogdambt, in 1246 het patronaat der kerk van Herten, zoodat de Abdij den pastoor benoemde.
      In 1266 wordt Daniel als investitus genoemd. Deze werd later, in 1272, tot pastoor van Roermond benoemd en komt in 1283, als zoodanig voor. Zoo ziet men, dat Herten langen tijd van het adelijk Munsterconvent afhankelijk was. Tot in de Fransche revolutie behield het een deel in het tiendrecht, waarvan, zooals we later zullen zien, de Abdij ook een gedeelte weer in Herten moest besteden aan reparatiën van kerk en pastorie.
      Vóór de oude, thans vernieuwde, kerk op den heuvel stond een toren, welks bovengedeelte uit de 12de eeuw dagteekende, terwijl het onderstuk uit oudheidkundig oogpunt niet van belang ontbloot was.
      Dit toch was opgetrokken uit het ruwe inlandsche materiaal, steenen, keien, stukken van zwerfblokken, in of aan de Maas gevonden. De muren bestonden uit zoogenaamd kistwerk, keien in eenige orde opgestapeld, den platten kant naar buiten en dan door kalkmortel aaneen gegoten. Men vertelt hierover, even als van zoo vele oude bouwwerken, dat er roggemeel in de specie gebruikt was, om ze beter te doen hechten. Die het gelooft, moet het weten.
      De zware muren waren 14.50 M. breed; 3.65 M. dik.
      Het werk had veel overeenkomst met het benedendeel der torens van Susteren, Thorn, O. L. Vrouwe te Maastricht. In de dikke muren waren hier en daar lichtvensters of luchtgaten uitgespaard. Men kon aan de naar Roermond gerichte zijde duidelijk bemerken, dat de Hertenaren in den beginne slechts een klein kerkje bezaten; tot tweemaal toe werd het het verhoogd en verlengd.
      Aan onzen tijd aan het laatst der 19de eeuw, waarin zooveel nieuwe heerlijke tempels in Limburg verrezen, was het voorbehouden, om het onoogelijke bedehuis nadat de toren in Augustus 1881 door den bliksem getroffen was, te vervangen door een grooteren tempel, den trots der drie dorpen. Van Roermonds brug af ziet men de fraaie gothische kerk


[60]


– 60 –

gelegen aan de zilverblauwe wateren der Maas, als gedragen door den heldergroenen ondergrond naast haar slanken toren prijken, terwijl op den achtergrond Ool zijne wit schitterende huizenrij doet blinken. Ver in ´t verschiet herinnert de nieuwe Romaansche toren van Beegden, dat de Gothieke bouwvormen niet meer alleen de heerschappij voeren, zooals vóór een kwart eeuw terug.
      Om de nieuwe kerk te kunnen bouwen, moest eerst de oude steenkolossus verwijderd worden. Maar als deed het den getuige van zooveel eeuwen leed, het oude hoofd te buigen, hij weigerde te vallen, ook toen men hem zijne drie flanken uitgekapt had. Wegens de nabijheid der huizen durfde men het krachtige verdelgingsmiddel, dynamiet, niet in werking brengen en zoo moest men hem vak voor vak opruimen.
      Herten behoeft geen spijt te hebben van den ruil. De nieuwe kerk is door den architect Kaiser volgens zijne eigene opvatting rijzig en ruim opgetrokken en de kerkschilder Lommen heeft voor eene door hare eenvoud aantrekkelijke beschildering gezorgd. De toren staat evenals te Reuver, ter zijde in afwachting, dat een tweede hem zal komen vergezellen. Wie tijd heeft, wachte daarop.
      De oude klok in den toren was in 1457 door Caetmans gegoten.
      De Pastorie van Herten ligt bij de kerk en vóór het kerkhof, waarop zoovelen onder de eenvoudige, gelijksoortige houten kruisen den slaap des doods slapen. Hier geen wufte gedenkteekenen of monumenten, met weidsche opschriften, waarop het woord toepasselijk zou zijn „hier liggen de dooden, en liegen de levenden” — maar de eenvoud des kruises voor allen na den dood, die allen gelijk maakte volgens de broosheid des lichaams.
      Over deze pastorie is in vroeger jaren heel wat gehaspel geweest! Kerkelijk behoorde Herten onder Luik, het kapittel van Roermond bezat een deel der tienden. De tiendenaar had volgens de placcaten van 1611 en 1613 den last der herstelling van kerk en pastorie; in 1738 werden die lasten nog


[61]


– 61 –

eens toegelicht en toen Pastoor Lambertus Hobus in 1769 zijn pastoraat aanvaardde, zag hij met droefheid, hoe slecht men voor de pastorie gezorgd had. Hij wendde zich om herstel allereerst tot zijne nieuwe kudde, maar deze verwezen hem naar den tiendheffer. Deze was echter niet tot herstel te bewegen en nu begon een proces, waarvan men niet moet denken, dat het korter duurde dan een huidig burgerlijk proces. Een jaar of vijf later pas was de zaak in gewijsde en toen moest zich de schepenbank van Herten nog tot het Hof wenden, om het kapittel aan zijn plicht te herinneren.
      Ook over het herstellen der kerk procedeerde men tegelijkertijd. Dat het noodig was, kan men zien, uit de lijst van datgene, wat in dien tijd daaraan ontbrak, 1o moest het dak vernieuwd worden, 2o moesten de muren gewit worden, 3o de fondamenten geschoord, 4o de groote deur vernieuwd, 5o het venster bij het doopvont vergroot, 6o alle gevaar van nedervallende stukken voor de parochianen voorkomen worden.
      Wat zegt men van zulk een toestand?
      Men zou nu van een ruïne spreken. Maar in de Fransche revolutie zou het nog anders worden, zooals wij straks zullen zien! Gelukkig, dat de tijden thans gekeerd zijn.
      Bijna overal heeft men waardige Godshuizen. Offervaardigheid en liefdadigheid, mildheid en kunstzin hebben schoonere monumenten gesticht, dan gedwongen onderhoudsplicht en lasten, gelegd op vreemden, die er zich zoo weinig mogelijk aan gelegen lieten liggen.
      Van het kerkelijke stappen wij over tot het burgerlijk bestuur.
      Herten behoorde tot het landschap Daelenbroek.
      Daelenbroek droeg den naam naar het kasteel bij Herkenbosch. Als men een blik slaat op een oude kaart van Limburg, dan zien men die bezaaid met graafschappen, vorstendommetjes, heerlijkheden, baronieën. ’t Was hier in ’t klein, zooals men ’t nog in ’t groot vindt, in Duitschland en de Thüringsche staten, die de nachtmerrie uit maken van het


[62]


– 62 –

studentje, dat bij zijn vele vakken, nog de aardrijkskunde als leervak moet eeren.
      De versnippering liep ook in Limburg in ’t oneindige! Zelfs het kasteel Daelenbroek lag ook weer omgeven door het Guliksche Herkenbosch. Gelder en Gulick streden van 1630 af om het bezit van Daelenbroek; 1 Mei 1719 eerst ging het definitief aan den Hertog van Gelder over, na 90-jarigen strijd.
      Kerkelijk behoorde oudtijds Herten, zooals gezegd, tot het bisdom Luik; in 1561 stelde Paus Pius IV het onder het bisdom Roermond, in 1715 kwam het weer aan Luik terug. Voor oudheidliefhebbers vindt men in de gemeente eenige vermeldenswaardige zaken Op het grondgebied van Herten bevonden zich vroeger een tweemaal historische monumenten, de Borgh en de Drususberg, waarvan de eerste nog als ruïne is bewaard gebleven. Daarheen willen wij thans onze schreden richten.
      Rechts tegen een waterachtige vlakte, uit vetten Maasklei bestaande, waarin ook de Drususberg lag, verheft zich tusschen het hout een ruïne, die in belangrijkheid wint, als men haar van nabij beschouwt. Het zijn de overblijfselen van den Oudenborgh, waarnaar de geadelde Petits d’Oudenborgh hun naam voeren. Het houten getimmerte met den ooievaar er op, dateert uit den tijd, toen de bewoner van af de hoogte van het gevaarte het schoon van het omringende landschap wilde genieten, en de ruïne als Belvedere gebruikte. De Oudenborgh ligt in den tuin achter eene heerenhuizing, welke vóór een kwart eeuw in gebruik was als klooster der uit Frankrijk verdreven Passionisten, die destijds hier woonden en nu te Tourcoing verblijven.
      De muren van de Borgh bestaan uit eeuwentrotseerend materiaal. Zoo oud, dat menige eeuw daarover met hare stormen heengewaaid is en nieuwe reuzenboomen rondom, de oude konden vervangen.
      Zou dit nu een overblijfsel van de burcht zijn, waarop Gisela de gemalin van den Franschen Koning verbleef? Of


[63]


– 63 –

zou het gebouw als wachttoren reeds dienst gedaan hebben in Romeinsche tijden? Wie zal dit beslissen?
      In 1834 werd op last der Belgische regeering een onderzoek naar de bestaande Oudheden ingesteld. In het rapport leest men onder Herten, over den Oudenborgh.
      Een ruïne of steenen massa, genaamd de Borgh, oudtijds de Aldenborght. Het gebouw is gesticht ten tijde der heidenen; zijn bouw is stevig; men ziet er harde bazaltsteen, die veel op verglaasde steenkool gelijkt. De lichte steen is tuf. Het is 80 voet hoog; van zijn top heeft men het schoonste vergezicht, men kan thans nog 65 torens tellen van de omliggende steden, dorpen en gehuchten. Toen men twee vleugels van het gebouw afbrak, die bouwvallig waren vond men, 1o een safier, een kostbare steen ter grootte van den nagel des wijsvingers. Er stond een oostersche inscriptie op; 2o een gouden medaille aan de eene zijde het hoofd van Diana, aan de andere een ossekop; 3o een liard van Hendrik VI, Koning van Frankrijk; 4o een ijzeren kistje, kant bevattende, die in stof viel. De ruïne zal wel verder in puin, vallen; daar men ze bijna niet onderhoudt.
      De Borgh behoorde in de 16de eeuw aan Nicolaas Spee, schout van Herten en Maria Heijstermans, echtelieden; deze lieten hem na aan de weduwe Harthart van Spee, drost te Montfort met Gielis van Harff en Anna van Baerle. Van deze kwam de Borgh aan Willem Carel van Harff, gehuwd met Elysabeth van Baerle, die hem den 9 November 1640 verkochten aan Carel van der Meeren, rentmeester en Everard Syceram, ontvanger te Roermond; in onzen tijd kwam hij aan de Petits, wier naam nog met eerbied genoemd wordt, als begunstigers van het Louisahuis te Roermond.
      Kort bij de Borgh lag, zooals gezegd is, de Drususberg. Stel u een heuvel voor uit klei gevormd, van boven afgeplat, met steile wanden, bestaande uit verschillende aardlagen, en resten van een verbrandingsoven in het midden. Het volk wilde, dat hij uit den Romeinschen tijd dateerde. Hij was nog grooter dan de tumulus tusschen Rolde en Assen, in


[64]


– 64 –

Drenthe. Het Belgische rapport zegt dat het „een Romeinsche begraafplaats” was, gelegen op 500 pas afstands van de ruïne.
      Den naam ontving hij naar de volksmeening, dat toen de veldheer Drusus, het rechterbeen boven de knie gebroken had, en hem dit afgezet was, hij na den dood, die binnen drie dagen volgde, hier begraven werd.
      Of het een vluchtheuvel was, een grafterp of offerplaats, ligt in het duister. Was de Drususberg de plaats, waar de laatste afgodendienaars der Limburgsche gouw, de heidenen van Linne, die volgens de sage tot in de achtste eeuw het langst weerstand boden aan de vermaningen van den H. Wiro en zijne geestelijke gezellen, afscheid namen van hunne afgoden?
      Hoe dit ook zij, zijne kleilagen hebben andere vormen aangenomen; door het vuur gelouterd, zijn zij tot steenen gevormd, waaruit de gewijde muren van het Godshuis van Herten omhoog rezen, aan het einde dezer vruchtbare vlakte.

      Merum ligt vlak bij; het is een stil landbouwdorp. Vroeger was het er levendiger. Toen liep door Merum de groote verkeersweg; het was heinde en verre bekend om zijne markt, „Merummert” geheeten.
      Deze viel op den eersten Dinsdag van September. Dan was het daar een leven en een beweging, met karren, hand- en kruiwagens, beladen met de meest onderscheidene koopwaren, trok men er van Roermond en elders heen. Daags te voren reeds passeerden de vreemde kramers Roermond. Allerlei landbouwwerktuigen, schoppen, zeisen, rieken, wannen, ploegen, ijzer- en blikwerk, wollen goed, linnen, eet- en drinkwaren, varkens en biggen kon men er in keus en keur krijgen.
      De Roermondenaars deden mede aan de markt. Daar verdeelden zich de huisgezinnen in twee partijen; ééne ging ’s morgens; ééne des namiddags. Iedereen moest er geweest geweest zijn en bracht wat mede. Groote tenten waren opgericht, waarin gedronken en gegeten, gedanst en gezongen


[65]


– 65 –

werd. De verbinding der beide Roeroevers aan de Roode brug had vóór 1823, toen een nieuwe brug gebouwd werd, nog steeds plaats met een veerpont. In 1792, in den revolutietijd, bracht het veergeld heel wat op en het standgeld der kramen nog 37 schellingen en 3 stuiver. Hiervan werden betaald aan de twee wachthoudende schutten 10 schellingen voor ½ ton bier, aan den bode 4 schellingen en aan de drie collectanten van het standgeld 5 schellingen, zoodat er nog 17 schellingen van den bezitter der inkomsten der heerlijkheid, den heer van Daelenbroek, overschoten.
      Thans bestaat er nog een zeer oud gebruik in Roermond. Op Merummer marktdag, stooten de bakkers reeds vroeg in den hoorn en toeten de „spinweggen” uit. Dit gebruik moet zeer oud zijn en men leidt het af van de spinsters, die evenals andere dienstbaren, van dien dag af ’s morgens met het licht hun werk begonnen. Die dien eersten dag op tijd begon, kreeg opzettelijk daartoe gebakken „spinweggen” van de huisvrouw ten geschenke. Thans ziet men deze spinweggen nog geregeld eens per jaar op de onbijttafel verschijnen, herinnerende aan ’t korten der dagen, terwijl de beroemde Merummermarkt reeds lang tot het verledene behoort.
      Herten, Merum en Ool lagen kort bij de vesting Roermond. Als de stad door vijanden ingesloten was, dan werden zij afgestroopt, met inkwartiering belast, vernield, bestolen, en uitgeplunderd. Toen Roermond in 1577 door Spanjaarden onder Pollweiler bezet was, lagen de Geldersche soldaten in Statendienst, te Swalmen. Op 10 October viel Pollweiler met een grooten hoop volks uit, om proviand te halen. Al het hoornvee van Merum, Herten, Ool en Roer werd als buit naar Roermond meegesleept en daar in ’t Munster gestald. Ook Horn werd daags daarna uitgeschud en toen de Gelderschen wegtrokken, werd ’t ambt Montfort afgeloopen. De Broekhin en de Wijer werden door de tegenpartij in brand gestoken en zoo bleef dat maar voortduren tot groote schade der omringende dorpen. Den 26 October 1577 werden door


[66]


– 66 –

de Statenbenden te Ool en te Merum op den molen vele Duitschers in Spaanschen dienst, doodgeslagen.
      Herten en Ool lagen vol Staatsche soldaten. Op Allerheiligendag kregen de toch al bezwaarde dorpen er nog 5 vendels bij; den 8en November brandde de Kruisbroerenhof bij Roer af. Roermond bleef ook tot Nieuwjaar 1578 ingesloten. De bezetting rekende op hulp van Don Juan. Te Herten bevond zich een hoofdkamp. De Staten braken den 4 Januari 1578 het beleg op, „dat” zegt de chroniek „deze stadt mit haere naebueren grondtlich verdorven, oick dat furstendomb Gelre ende insonders dat Overquartier in grooten gefhaer gebracht.” De soldaten van Pollweiler vonden in het verlaten leger te Ool, eenige lasten bier, veel brood en andere goede provisie, drie schepen kolen enz.
      Nu brak na al de ellende nog de dag van wrake, de „dies iræ”, aan. Ool, Merum, Herten en Linne werden in brand gestoken en vernield. Dat was „ter oirsaecken, dat die huijslieden aldaer den 26 Octobris mit op die Hochduijtschen geslaegen, als sij van den Staeten op die provianderinge verrast worden.”
      Dus eerst moest men zich alle vee laten afnemen; verhinderde men dit, dan kraaide later de rooden haan over ’t dorp.
      Later werden de schansen door de inwoners van het Overkwartier geslecht, wat bij die van Ool wegens het ingegraven hout en stroo moeielijk was. In 1657 lagen in de dorpen vele plunderzieke Fransche soldaten. Ook in volgende jaren ondervonden de dorpen de gruwelen des oorlogs.
      Vooral in 1672 toen de Fransche Koning Lodewijk XIV aan onze Republiek den oorlog verklaard had.
      In dezen oorlog leden de dorpen van betde legers veel. Spanje stond de Republiek bij. De Spaansche landvoogd dwong Maasniel en Herten 16 rations per dag op te brengen. Dat kon moeilijk. 22 Juli 1680 kwamen 500 man van Stevensweert en vorderden het achterstallige. Zij vernielden de dorpen, namen 50 paarden, koebeesten en meer dan 1000


[67]


– 67 –

schapen mede. De landvoogd verdween, een nieuwe trad op en deze in aanmerking nemende „de groote ellende” verminderde de bijdrage. Daarna werden ze van hun eigen Heer nog eens geplaagd en men ging de 18de eeuw in.
      ’t Werd rustiger, maar in de Fransche revolutie ging de rust weer plaats maken voor rampspoed.
      Wij bezitten een nauwkeurige kroniek van Herten, die loopt over de woelige jaren der Fransche revolutie, te beginnen met 1792. Zij werd samengesteld door den pastoor van Herten A. E. A. H. Borret, zoon van H. J. Borret, landrentmeester van ’t land van Ravenstein en Jonkvrouw M. H. van der Gheest. De kroniek werd uitgegeven door Jhr. V. de Stuers in deel XXVI der Publications de la Société Historique. Wij zullen het voornaamste hier laten volgen.
      In November 1792 kreeg Herten inkwartiering van de Oostenrijksche huzaren en ander krijgsvolk. Den 10en December werden bij de pastorie kanonnen opgesteld, terwijl de troepen zich slagvaardig hielden.
      De Franschen waren in aantocht. Deze waren te Maasbracht over de Maas getrokken en posteerden zich tusschen Montfort en Linne, op een half uur afstand van Herten; den nacht daarop volgende werd de brug over de Roer verbrand.
      Den 11en vielen de Franschen met den blanken sabel in Herten, tienduizend man passeerden het pastoreel huis. Men begrijpt, dat alle provisie verorberd werd, zoodat ten slotte pastoor Borret niets anders als gekookte aardappelen kon opdisschen. Op Kersnacht wilden twee van de „aldergoddelooste Fransche dragonders” hem vermoorden, maar hij werd door twee huzaren van het regiment Esterhazy ontzet.
      In Januari 1794 steeds inkwartiering, den 18en „den capiteijn Gauville, een groote satlap.” Den 23en kwamen drie soldaten met hun geweer in huis. De pastoor zat juist aan tafel. Zij goten het bier op den grond, eischten wijn, dreigden met een mes, toen gelukkig een boer binnenrad, die hen naar buiten werkte. Kort bij het huis, koelden zij hun


[68]


– 68 –

overmoed, aan een Crucifix, sloegen het de armen af en wierpen het bij een boer in ’t vuur. Deze werd daardoor toornig, sloeg er twee op de vlucht, die nu op hem schoten. Den derde sloeg hij op de plaats zelf neder en doodde hem, met zijn eigen wapens. De straf voor de kruisschenders bleef niet uit. Twee jaren na dato verscheen een der twee te Roermond, zijn brood bedelende; hij had geen armen meer.
      Op den 3en Februari werd de eed op de Republiek voor de geestelijken afgekondigd. De pastoor vluchtte naar Maasbracht. Op dien dag vochten de Franschen en Pruisen te Swalmen; er bleven 16 Pruisen. Den 14en vocht men des namiddags van 1 tot 4 uur op het Schoor tusschen Linne en Herten. De Franschen vluchtten naar Roermond; de Oostenrijkers trokken op Herten aan, om 4 uur waren er 15 Oostenrijksche officieren in de pastorie; de Franschen wierpen bommen en houwitsers naar het huis; een Franschman werd zelfs aan de poort neergesabeld. De Franschen trokken naar Horn, de Oostenrijkers beschoten hen met het kanon.
      In 1794, tijdens al die beroerten, begon de pastoor zijn bouwvallige kerk te vernieuwen. Ook daarbij had de pastoor ongeluk. Toen het dak gelegd zou worden, schoten de Franschen den metselaar en den architect dood. In Juli was Herten vol geemigreerden, vervolgde adellijken en geestelijken. De Oostenrijkers lagen in het dorp tot October, toen de Franschen weer verschenen; de pastorie werd uitgeplunderd, er moest contributie opgebracht worden en tot overmaat van ramp er ontstond eene besmettelijke ziekte, die bijna twee jaar duurde.
      Te Roermond stierven daaraan de pastoor, de kapelaan, twee assistenten, verscheidene paters, twee medicinæ docters, zes chirurgijns. 1795 begon te Herten met echten Franschen wind: muziek, het planten van den vrijheidsboom en feesten, waarbij de gemeente bier, brandewijn, vleesch en wittebrood moesten leveren. Overigens ging dit jaar even als 1796 vrij rustig voorbij. In dit laatste jaar werd de nieuwe haven van Roermond gemaakt en 15 September is


[69]


– 69 –

het eerste schip „in volle musiek door het nieuwe kanaal binnen Ruremonde gekomen.” Hier zal wel de doorgraving van Maas tot Roer aan de Visschersstraat bedoeld zijn.
      De pastoor Borret moest den 21 Augustus zijne kerkelijke registers afstaan. In 1797 werden de kloosters gesupprimeerd. Den 3en Juni mochten de onbeëedigde priesters geen dienst meer doen en den 24en wierp men de klokken uit den toren der Munsterkerk van Roermond. In September deed men op Guliksche grondgebied achter de Kapel in ’t Zand eene Hoogmis, die door duizenden werd bijgewoond en waarin de pastoor van Herten predikte. 16 December kwam men hem vragen, of hij den voorgeschreven eed wilde doen, en toen hij weigerde, verzegelde men de pastoreele papieren en effecten, die dadelijk verkocht werden. Den 21 December verliet pastoor Borret zijn huis, ging op Leenenhof wonen en las daar ’s nachts de H. Mis.
      Wat men van zijn huis maakte, kan hier niet geschreven worden.
      De priesterjacht begon in Juli 1798. Den 10en werden de pastoor van Montfort en negen andere priesters ’s nachts opgelicht en naar het eiland Rhé gevoerd, ook wilde men Borret gevangen nemen, deze ontkwam op het laatste oogenblik; hij viel op den weg neder; mijne tong was zoo dik en stijf, schrijft hij, dat ik langen tijd sprakeloos bleef, kwam zonder hoed en koussen tusschen het koren sprakeloos aan op Jongenhof, een half uur van Herten.
      Den 11en keerde hij in groote benauwdheid terug naar zijne parochie, hoorde biecht, deelde de H. Communie uit, stelde den H. Olie te bewaren bij den mulder Clephas en ontsnapte dan als voerman verkleed, per kar naar Meijel en vandaar naar Elten. Met een van aandoening trillend hart beschrijft hij, hoe hij van zijne metgezellen, die hem met eene kar weg brachten, op de heide afscheid nam en hoe hij alleen de wijde wereld in ging zwerven, zonder te weten, waar de ballingschap zou eindigen. ’t Waren bange tijden


[70]


– 70 –

voor de zieleherders. In 1799 woonde de Pastoor 8 maanden te Mill, 3 te Haps en nog altijd zochten hem de gendarmen.
      Na 22 maanden afwezigheid, ging hij ter sluiks naar Herten, doopte, bediende eenige zieken, maar werd verraden. Weer moest hij vluchten, nu naar Helden, ging weer naar Herten, week weer uit naar Boxmeer en kwam in September 1800 terug, en hield zich 8 maanden schuil in het heerenhuis bij den Borgh te Merum.
      En hoe zag het pastoreele huis van Herten er in dien tijd uit. Van binnen was het bedorven, de tuin verwoest, de muren en staketsels, die Borret zelf had laten maken waren omvergeworpen of verbrand.
      Eindelijk zou Herten zijn waardigen pastoor voor altijd moeten missen. Veel had hij voor zijne parochie geleden, maar de liefde zijner parochianen volgde hem ook, toen hij in 1801 op 23 April tot pastoor te Echt benoemd werd.
      Daar had hij echter met de vijandschap van den maire van der Leur en diens broeder, den notaris, te kampen. Hij moest in 1802 langs een „onbruikbaren weg” naar Susteren vluchten, dan door de heide en struiken naar St. Odiliënberg uitwijken en moest vervolgens te Boxmeer verblijven. Hij werd later pastoor te Haren bij Megen, deken en Apostolisch Vicaris van Megen en Ravestein. Pastoor Borret overleed te Reek bij Grave 26 April 1839, in den gezegenden ouderdom van 88 jaren.
      Zijne chroniek, zegt Jhr. V. de Stuers terecht, levert een duidelijk tafereel van de ellende, welke de bevolking van Limburg in het algemeen en de geestelijkheid in het bijzonder in het laatst der voorgaande en het begin dezer eeuw hadden te doorstaan. Pastoor Borrets nagedachtenis blijve in zegening.

      Keeren wij nu tot het tegenwoordige terug en richten wij den blik op Ool.
      In de bocht der Maas van Oosden naar de Roermondsche


[71]


– 71 –

brug ligt aan de Hertensche zijde Ool en daartegenover op Beegder grondgebied het „Oolder huuske.”
      Ool is bij den Limburger wel bekend. Ten eerste door een spreekwoord, ten tweede door de herinnering aan de treurige heksenprocessen.
      Wanneer men om Roermond spreekt van iemand, die eene zaak nog in lange niet tot een goed einde gebracht heeft, dan zegt men : „hij is te Ool nog niet euver.” Menigeen heeft zich reeds afgevraagd, hoe deze volksuitdrukking in de wereld gekomen is. Het rechte weet men niet! Er zijn twee lezingen, ééne met eene natuurlijke oorzaak, ééne met een historischen achtergrond.
      In de 18de eeuw behoorde de opbrengst van het veer op de Maas der Hertensche kerk, zooals b. v. nog kan blijken uit de vernieuwing der veerpont, waaraan de kerk één jaar lang al hare inkomsten gaf. Het veer werd publiek verpacht.
      Een tiental Oolder kaartliefhebbers pachtte het veer; zij moesten het om beurten bedienen. Gewoonlijk zat men aan de kaarttafel; de een liet het op den ander aankomen.
      De reizigers konden nu in weer en wind buiten staan roepen tot één der firmanten verscheen, die hem na lang wachten, nog brommende overbracht. Bij een zaak, die nog niet zeker gelukt is, eene zaak van wachten, zeide het volk daarom overdrachtelijk „hij is te Ool nog niet euver.”
      De historische verklaring is volgende. Vroeger huisden op het slot Ghoor bij Neer een drietal ridders, echte woestelingen. Zij sprongen met hunne onderzaten ruw om en schoten de knechten achter den ploeg, de leidekkers op het dak dood.
      De bewoners der omliggende dorpen waren evenmin tegen hun overmoed en weinig ridderlijke baldadigheid beveiligd. De heeren hadden het ten slotte zoo bont gemaakt dat de bestuurders der omliggende landen, besloten den oudsten broeder, den gevaarlijkste der drie, gevangen te nemen. Dit zou dan geschieden bij een feest op het Horner kasteel. In hem

2      


[72]


– 72 –

zou ten schrik der beide anderen de overmoed der broeders gestraft worden.
      Terwijl men daarna te Horn aan ’t banketteeren was, rook de bediende van den heer van Ghoor lont, en zag het gevaar, waarin zijn heer verkeerde. Hij wilde hem redden, trad plotseling de zaal in op zijn heer toe, en zeide dat het paard in den stal plotseling ziek geworden was. Tegelijkertijd fluisterde hij hem in het oor „vlucht”. IJlings stond de ridder op, hoewel zijne dischgenooten hem aanspoorden te blijven zitten en zich om zoo’n kleinigheid niet te bekommeren. De ridder spoedde zich reeds naar buiten, sprong met zijn knecht op de gereedstaande paarden. De bedrogen gasten zagen hem vertrekken, beproefden hem terug te doen keeren, door hem toe te roepen, dat hij zijn hoed vergat. Hij echter snelde in galop heen, roepende beter „zonder hoed, dan zonder kop”. Hij vluchtte naar Ool, men hielp hem spoedig over de Maas, zoodat zijne vervolgers hem niet in hunne macht kregen. Uit erkentelijkheid schonk hij de Oolder landlieden den Ooldergriend.
      Toch was hij er nog bijna ingevlogen. Bij het uitgaan der pont, kwam hij den beul tegen; de ridder vroeg hem, waarheen hij ging. Het antwoord luidde: „ik ga te Horn drie vette ossen slachten,” doelende op de drie broeders. „Nu,” hervatte de ridder, „dan zult ge uw zwaard wel te vergeefs geslepen hebben.” Zoo zegt het volk en herdenkt de moeielijke overvaart.
      Ool is nog bekend in de annalen der crimineele rechtspraak. In het begin der 17de eeuw regeerde in Duitschland eene ziekte, die onafhankelijk van geloof, zoowel Roomsche als Luthersche magistraten bezocht, namelijk de vrees voor heksen en toovenaars. Te vergeefs verhieven geleerde en vrome geestelijken en predikanten hunne stem tegen die epidemie. Overal zag men heksen, heksenvergaderingen en toovenaars en waar mangel was aan eenig bewijs van schuld werd de pijnbank te hulp geroepen om onschuldigen allerlei onzin te laten bekennen. Even dwaas als het is de Kerk


[73]


– 73 –

verantwoordelijk te stellen voor de terechtstellingen der inquisitie in ’t algemeen en de Staatsinquisitie, die crimineel vonniste, niet af te scheiden van de Kerkelijke inquisitie, die veelal boetedoening vroeg, zoo dwaas is het ook, om de heksenprocessen met al hunne dwaasheden op rekening der Kerk te schrijven. Toch doet men dat zoo gaarne, zoo gaarne zelfs dat men daarbij de historie niet meer noodig heeft. Een blad, dat reeds lang ter ziele is en er bijzonder op uit was geestelijken te bekladden, schreef, dat bisschop Lindanus (overleden 1588) de man van de heksenprocessen was, die nota bene 25 jaar na zijn dood opkwamen.
      Een blik in die processen zullen wij onze lezers geven, door hier het „verhaal” uit dien tijd te doen volgen onder opmerking, dat het te Nijmegen gedrukt is en overloopt van eene „godsaligheyd”, die de placcaten uit dien tijd naar de kroon steekt.

Verhaal van de vervolging der toovenaars, die in het jaar 1613 te Roermond plaats had.

      Een warachtige beschryvinge van 64 tooveressen, die door haer tooveryen over de duysent menschen, so oude lieden als jonge kinderen, ende wel ses duysent beesten hebben omgebracht, twelc jammerlyck ende bedroeft om hooren is, zonder de groote schaden, die zy oock in de vruchten gedaen hebben, dat eens menschen hayr mocht te bergh staen diet hoorden, alzoo zy ’t selfs bekent hebben voor de Justitie, dies zy gherecht zyn alle daghen twee, beginnende den 24 September 1613 tot noch toe. Ende dit is uut het protocol ghetoghen der stadt van Remunt, (alwaert gheschiet is) ende in druck ghestelt. Nae de copy tot Nimweghen, by Aert Cornelissoon. (Zie Publicat. de la Société Historique d. D. d. L.)

Tot den goetwillighen Leser.

      Het is beminden leser niet te verwonderen, al straft ons de rechtveerdige God met veelderley straffen. So de Heere


[74]


– 74 –

wilde aensien ons boose wercken ende verdiensten, souden tienmael zwaerder wesen, maer hy gaet genadich met ons int gerechte om zyn barmherticheyt te mercken, de gene die hun van ganscher herten tot hem keeren. Want hy segt door de Propheet: So warachtich als ic leve en begeer ic den doot des sondaers niet, maer dat hy hem bekeere ende leve. Laet ons dese belofte niet cleyn achten, maer ons bekeeren terwyl wy noch tyt hebben. Laten wy ons wapenen tegen des duyvels aenvechtinge, die oorsaec is onser booser wercken ende sonden, door dien dat wy met Lucifers eerste possessie niet te vreden en zyn, die te voren een enghel Gods was, met veel eerlicke gaven verciert, daerna door hooveerdicheyt uut de heerliche plaetse des hemels geworpen in de eewige verdoemenisse. Soo ist ooc met ons (God betert) gestelt, die met vele goede gaven van den schepper verciert zyn, ende soecken noch andere grouweliche stucken aen te richten, om de wellust onses vlees onsen getrouwen vader verlaten, begheven ons onder de gehoorsaemheyt des duyvels, tot verliesinge onser zielen, ende dat alom onzen naesten te verdrucken. Gelyc ’t nu publyc in deze Nederlanden bekent is. Van de afgrysselicke tooverye, die int lant van Gelder ende Gulick geschiet zyn ende noch dagelycx geschieden, so de beminde leser breeder horen zal.
      Dese voorsz. landen hebben geweest in groote bezwaernissen, so dat aen allen eynden veel weenen en klagen gehoort wert, d’een klaegde dat zyn kinders storven in ellendicheyt, ja cregen veelderley accidenten, de voeten verkeert, de lendenen gecrompen, de armen lam, ende de oude lieden ooc niet ghespaert.
      D’een claegde dat zyn beesten storven, d’ander zyn koeyen, de derde zyn peerden, schapen.
      Ja de vissen int water, de vruchten opt velt werden bedorven, als tarwe, coren, dees quamen tot geen perfectie, de boomen insgelycx. Ooc verlorender vele hun neeringe, ende patrimonie. Dese clachten werden alle dage overvloediger, zo dat den eenvoudigen gedwongen wert God almach-


[75]


– 75 –

tich met weenen ende schreyen aen te roepen ende te bidden. God heeft se verhoort, en hem over de duyvelsche tooverye vertoornt en hun gestraft, zo datse zelfs hun boevery hebben int licht gebracht, zo gy hooren zult. Daer woonde een van de overste tooveresse binnen de stadt van Remunt, genaemt Tryntje van Zittaert, die had een dochter omtrent 12 jaer out, diese mede inde duyvelsche leere dede oeffenen, zo dat se die volcomelicken kost. Dit dochterken door haer joncheyt liep noch dagelicx met de kinderen op straete speelen, ende begon ooc opt leste eenige van hare konsten onder de kinderen te doen. (Te weten.) Het spooch uut zynen mont, gelt, garen, lint, spelden, naelden, spyckers, steenen, koper en quaet yser, zo dat de ander kinderen seer niewelic toesagen, ende riepen hun ouders om dit wonder te sien, die oock met groote verwonderinge dese konste aensagen, waer onder (alst God wilde hebben) een van de Magistraet was, kreeg groot achterdencken, hevet de Officier aengedient, die niet vertoefde, nam ’t meysken gevangen, brachtet voor den raet, waert dezelve konsten dede; de Magistraet vraegde wie haer zulcx leerdet. Sy antwoorde daer staet een man met een root mutsken opt hooft int root fluweel, die wyst metten vinger op zyn mont, dat ic zwygen zoude, ’twelc was de duyvel. Den Officier dreygdese te slaen en in boeyen te sluyten, heeft van vreese bekent van haer moeder. Doe ging hy terstont wesende den 24 September 1613 ende nam de moeder gevangen, ondersochten se, ende wilde niet lyden, zy wert gepynicht, ende beleet datter tot Ool, een dorp niet wyt van der stadt, eenen Mr. Jan woonde, die vaendrager van de toovenaers ende tooveressen was, ende beleet, dat se de toovery wel 24 jaer gedaen had, ende wel 41 kinderen doot betoovert hadde, met 3 mans, 7 vrouwen, sonder de beesten ende vruchten. Zy beleet noch 10 tooveressen, die met Mr. Jan tot Ool gevangen werden. De eerste tooveresse werde gebrant 4 dagen na haer gevangenis, ende haer dochterken altyt gevanckelyc geset in een klooster. Deze Mr. Jan tot Ool wert ondersocht, gedreycht met pynigen, heeft veel quaets


[76]


– 76 –

bekent, hy was een vernaemt meester, genas de gene die betoovert waren, in zulcker voegen had hy een verbont metten duyvel gemaect, als hy 10 menschen genesen had, den elfsten moest hy doot tooveren; dit had wel 16 jaer geduert, zo dat hy over de 150 menschen om tleven ghebracht hadde, tgestolen goet deed hy door duyvels konste wedercomen, menschen, die uut en lande waren dede hy in hun gedaente in eenen spiegel comen.
      Hy beleet noch 41 tooveressen, waervan de 10 binnen Stralen woonden, 11 binnen Remunt, 15 binnen Wassenberch, ende 5 binnen Swalmen, die naeste dorpen by de stadt. De Magistraet van Remunt hebben rontom de weet gelaten, dat elc de zyn vangen zoude, gelycse deden. Den voorsz. beleet noch, dat hy zyn huysvrou wilde bewilli- gen totter duyvelser tooveryen. Maer wilde hem geen gehoor geven, hem onderrichtende met Gods woort.
      Hy door vreese van meldinge heeft zyn vrou met een byl in stucken ghehouwen, ende de stucken in eenen stinckenden put geworpen, zeggende dat se wech gelopen was; waer hoordemen desgelycken? Zyn sententie wert gewesen levendigh tot polver verbrant te worden, dat ooc geschiede.
      De ander tooveressen beleden veel quaets gedaen te hebben, ende veel kinderen doot, kreupel ende lam betoovert hadden, ooc mans en vrouwen, die leven noch sterven konden, zynde in grooter ellendicheyt, spouwen hayr en paddengerey, sommige hebben hun eygen vader, moeder, man, kinders, broers en susters, of haer nabueren betoovert, dat se gaen of staen, leuen noch sterven connen. Hiertoe dwong de duyvel hun, als zy bekenden.
      De wyse Magistraet ordineerde alle dage twe te branden totte leste toe, twelc zo geschiede binnen Remunt, Swalmen en Wassenberg. De Magistraet van Stralen hebben hun devoir ooc betracht, ende hun gevangens ondersocht, die ook veel quaets beleden, zeyden. Hadden wy ons residentie noch een jaer mogen hebben, wy zouden theele lant woest ende vol gruwels hebben door ons tooverye. Sy beleden ooc datse


[77]


– 77 –

mans, vrouwen, kinderen ende beesten doot getoovert hadden, de vruchten opt velt en veel lieden verdorven, ja door duyvels dwang haer vader, moeder, broeders ende susters, ooc haer onnoosele kinderkens niet gespaert.
      Sy bekenden, dat by Stralen een vroetwyf woonde, die Entjen Gillis hiet, in dorp Heringen, die een princesse der tooveressen was. De Eers. Majestraet van Straelen hebben den Officier vant dorp belast, alsulcke een te vangen, twelck hy terstont dede. De voorsichtige Magistraet van Stralen hebben na rechts costuymen de voorsz. tooveressen veroordeelt aen staken tot polver gebrant te worden, zoot geschieden.
      De Magistraet des dorps hebben haer sonder eenige genade verwesen levendigh aen eenen staec te verbranden, zoot geschieden; zy had groot leedtwesen van hare sonden, roepende aen God menichmael om gratie. Alzoo hebben dese voorsz. 64 tooveressen met haren vaendragher, Mr. Jan tot Ool, hun boos leven geeynt. Hebben in somma alsoo zy zeiver bekent hebben wel over de 600 onnoosele jonge kinderkens, ende over de 400 oude lieden so mans als vrouwen, ende meer dan 6000 beesten, zo swynen, paarden, schapen, etc. doot betoouert, wel 50 merghen lants ende 200 boomgaerden bedorven, dat zy geen vrucht en konden voortbrengen, sonder quaet, dat hier om kortheyt des tyts achtergelaten wort, ooc de namen van de voorsz. misdadighers.
      Eylacy ist niet te beclagen, dat de menschen hun zo verre buyten de wegen des Heeren begeven, tredende onder ’s duyvels joc, daer de eewige verdoemenisse navolgt, ende zwaer knerssen der tanden.
      Laet ons doch vreesen voor ’t strenge oordeel Gods, daer wy alle moeten komen, ende daer zal een strenge rekeninge geschieden. Dus ziet een iegelyc toe, ende zyt op de wacht met vasten ende bidden, want niemant den tyt en weet. Noch zynder ongoddelycke menschen; die seggen, dat tooveren een vrye conste is, ende sonder sonde geschiet, ja vragen noch waert geboden is dat men se dooden soude. Ic


[78]


– 78 –

segghe contrarie dat het een duyvelse conste is, ende van God vervloect.
      Want God zegt Exod. Cap. 22, vers 18. De tooveressen en zuldy niet laten leven. Ick meene, dat de vrome voorsichtige Magistraten ende Justitie van God ingset zyn als wachters over onse zielen, om tgoede te beschermen ende tquaet te straffen. Deselve ordonnantie Gods daerwel in gebruyeken, sonder daerinne berispt te werden. God Almachtich wil alle Magistraten ende overicheden der Justitien, hier en in allen landen begaven met zynen H. Geest, dat sy altydt wel moghen regeeren tot Gods eeren ende onser saligheyt. Amen.

      De wijsheid en voorzichtigheid, het gezond verstand scheen alle magistraten en overheden der justitiën in den steek gelaten te hebben.
      Men leze welke dwaze vragen men de arme slachtoffers voorlegde. De bekentenissen werden afgepersd onder duldelooze pijnen en moesten dan met het zwakke „getortureerde” lichaam nog eens herhaald worden.
      Nog is het toch een raadsel, hoe de geincrimineerden zich al die dolheden aan lieten wrijven. Wat baatte het bij die ware epidemie, of een Jacob Valck, pastoor te Groessen in Gelderland, de geneesheer Wier, de geleerde jezuit Frederik von Spee in zijn Cautio criminalis, de jezuit Adam Tanner, de Amsterdamsche predikant Balthasar Bekker (1698) hunne waarschuwende stem tegen die menschonteerende gruwelen verhieven.
      Men bleef pijnigen, zengen, braden en nam de bezittingen der gestraften in beslag, zonder zich aan de ellende der achterblijvenden te storen. Nog denkt men met weerzin aan die verblindheid.
      Toen de heksenjacht in deze streken reeds lang had uitgewoed en verdwenen was, voor de protesten van het ten slotte zegevierende gezond redeneerende verstand, was zij in sommige streken nog in vollen gang.


[79]


– 79 –

      In 1652, 1660, 1669 en 1671 werden te Neuendorf nog heksen verbrand; in 1687 te Hilgenfelde, in 1737 te Gerstadt en in 1727 nog zelfs in de „Stadt der Intelligenz” Berlijn.
      En het heksengeloof is nog niet geheel uitgestorven.
      Vóór eenige jaren vond men op de oude gerechtsplaats aan de Kapel in ’t Zand, met recht het „Jammer- of Richterdal” genaamd, nog de pieken en haken, waarmede men het vuur aangewakkerd had, dat loeiend en blakerend de stemmen der veroordeelden smoorde.
      Een wonderlijk verhaal is nog te Merum verbreid en geboekt bij Lindanus. De duivel zou zich op 4 Februari 1570 verschillende malen vertoond hebben als werver voor het Statenleger. Petrus Visschers, die als knecht bij Henrichs, alias op den Berg te Merum diende, reed naar de heide te Sint Odilienberg. Hij was dien dag met eenige kameraden in het huis van Hendrik aen gen Valderen geweest; bij het terugkeeren naar zijns meesters huis werd hij in een waterpoel geworpen, daaruit gered en vervolgens door den duivel op een perenboom geworpen. Als nu Peter op de vraag van den duivel, wien hij wilde aanhangen, antwoordde „God den Heer” verliet hem de booze, onder het breken van vele boomtakken. Nog heden verhaalt men het aldus te Merum.
      Op het gebied der rechtspleging zijn er vele zonderlingheden geboekt en ook op het gebied van het civiele recht bestonden vele eigenaardigheden.
      Toen in 1615 de schout van Daelenbroek, de schepenen van Ool, Herten en Merum de grenzen der heerlijkheid met de stadsheeren onderzochten, kreeg men niet alleen een goeden maaltijd maar men dronk ook voor 27 gulden wijns, evenals op den dag, toen de stadsheeren eene andere handeling verrichtten, om hun recht op een aanwas te vestigen.
      Toen werd een plaat, in de Maas opgekomen, „bevaeren”. De heeren namen aan den oever der Maas op een vierwieligen „mestwagen” plaats. Men reed in het ondiepe water, dat de aanwas van den oever scheidde, hield stil en nu be-


[80]


– 80 –

gon de ceremonie. Men gebruikte brood en wijn en voer dan op den aanwas. Weer stilhouden, eten en drinken. Dan reed men rond, weer in de geul terug, at, dronk en hield ten slotte weer een collatie op den oever. Hiermede was het recht van de „bevaerders” op de plaat volgens de heerschende rechtsbegrippen „onwedersprekelijk” gevestigd en bevestigd.
      Als men dacht, dat de Heeren met al dat eten en drinken verzadigd waren, vergist men zich; want gewoonlijk volgde dan een maaltijd met zooveel gerechten, dat wij er onze magen niet toe zouden willen leenen.
      Herinnert men zich, dat het koopen van vast goed hier en daar vergezeld ging met het overreiken van een koren- of grashalm, wat men met „halm en monde” noemde, dat men op andere plaatsen het overgeven van een mes met een „elpenbeinen heft” noodig achtte, dat men thans nog bij het afbranden van een kaarsje verkoopt, dat bij eene overeenkomst soms nog getuigen voorgeschreven zijn, die met de zaak niets te maken hebben of van de zaak geen begrip hebben, dan mogen ons die vreemde manieren niet zoo veel verwondering baren.
      Onze voorvaderen hielden van goed eten en de Maas onder Herten en onze Roer leverden vroeger daarvoor hun zalm. Ouden van dagen weten zich thans nog goed te herinneren, dat de zalm de Hambeek op zwom en ieder kent het verhaal, dat eene dienstmeid te Roermond zich verhuurde op voorwaarde, dat zij slechts eens per week zalm opgedischt zou krijgen.
      Tempora mutantur; de visschers krijgen bijna geen zalm meer op het net, en de enkele verdwaalden, die bij uitzondering gevangen, worden zijn zoo vermagerd, dat zij het geld niet waard zijn. Ook het visschersvak is dank zij de goede afsluitingen in Holland en de zalmcontracten al mooi bedorven.
      De drie dorpen leven hoofdzakelijk, zooals gezegd werd, van landbouw en veeteelt, werken samen voor de fabricatie van boter. Toch treuren vele pachters, om de vette jaren van 70, die maar niet willen terug komen. Voegt men daarbij,


[71]


– 81 –

dat de Maas soms ongewilde bezoeken brengt aan de bezaaide landerijen en als vernielster optreedt, zooals in 1880 te Ool, dan zal men het vooral niet eens zijn met den dichter Poot, die zoo zoetsappig schreef:
                        Hoe genoeglijk rolt het leven,
                        Des gerusten landmans heen.
                        Die zijn zalig lot hoe kleen,
                        Voor geen koningskroon zou geven.

Lijst der Pastoors van Herten.

      Theodorus Brouwers van Wanloper, in het jaar 1597 pastoor van Herten, gedurende 40 jaren de pastoreele bediening waarnemend. Godefridus Reutsen, pastoor 1626—1652. Joannes Meuleners, pastoor 1682 30 Jan. 1724. Hij richtte in het het jaar 1701 de Broederschap van den H. Rozenkrans op. Gerardus Ignatius de Wagener, zoon van Jan Joseph, burgemeester en Anna Elisabeth Adenau, 1725—1732, naderhand kanunnik der kathedraal van Roermond, ✝ 1746. Antonius Gosewijn de Wagener, zoon van Jan Joseph, burgemeester en Anna Elisabeth Adenau, 1732 —1764, pastoor tot aan zijn dood 1764. Onder goedkeuring van Georgius Ludovicus, prinsbisschop van Luik richtte hij, den 2 Aug. 1739, de Broederschap van de HH. Hubertus en Anna in de parochiale kerk op, na vele aflaten voor de leden der Broederschap van Z. H. Paus Clemens XII, den voorafgaanden 6 Mei, verkregen te hebben. Hij was de eerste rector dezer broederschap. Destijds was Jacobus Bender kapelaan. Christianus Houben, 1763—1768, pastoor, 2de rector der Broederschap. Tijdens zijn bestuur werd de pastorie hernieuwd of de thans bestaande pastoorswoning gebouwd. Antonius Van den Steenwegh (1767) was kapelaan der parochie. L. Hobus, 1768—1782, pastoor, 3de rector der Broederschap. Joannes Leenen, van Herten, was in den jare 1782 kapelaan te Herten. Na den dood van L. Hobus, werd omstreeks


[82]


– 82 –

het begin van Augustus 1782 Joannes Van Mechelen, minderbroeder-recollect van het convent van Roermond, deservitor der parochie tot ongeveer het begin van Juli 1783. S. A. Lemmens, 1783—1784, pastoor, 4de rector der Broederschap. In het jaar 1784 was hij kanunnik der kathedraal van Roermond. Arnoldus Borret, 1784—1801, pastoor, 5de rector der Broederschap. Joannes Gerads was primissarius der parochie. Petrus Bruno Houwaert, 1802—1817, 6de rector der Broederschap. Na zijnen dood werd B. Thomassen, deservitor. Joannes Willem Weyckmans, 1817–1824, pastoor, 7de rector der Broederschap. Na zijnen dood werd B. Thomassen andermaal deservitor. Joannes Jacobus Peters, 1825—1835, pastoor, 8ste rector der Broederschap. Joannes Henricus Thielen, 1835—1873, pastoor, 9de rector der Broederschap. De weleerw. Heer Van Son en de Hoogeerwaarde Heer Fr. A. H. Boermans waren achtereenvolgens primissarii van Herten. De pastoor noemde dezen laatsten assistent in het register der Broederschap Secretarius illustr. Dni Episc. Hiren. Admin. Apostol. Limburgensis, prædicator eximius et parochiæ hujus primissarius officiosissimus. Vervolgens werden onder Thielens veeljarig bestuur, Peters (1844), Albert Wolters (1856( en Hendrik Tacken (1868) tot kapelaan benoemd. Mgr. Henricus Andreas Lom (1873—1888), pastoor, 10de rector der Broederschap. Hij bouwde de kerk (1881—1883) en vergrootte den kerkhof. Ook hervormde hij de aloude Broederschap van den H. Hubertus door haar de H. Brigida, patrones van Ierland. Consecratie der kerk 24 Juli 1880, door Z. D. H. Mgr. J. A. Paredis. Inwijding van het nieuwe gedeelte van het kerkhof 3 Nov. 1886. Onder zijn pastoorschap waren H. Tacken en Fr. Drehmanns (1878) kapelaans. E. Hustinx, 1889—1897, pastoor, 11de rector der Broederschap. Tijdens zijn bestuur werd het inwendige der kerk gepolychromeerd; de kerk werd door den bouw van de torenspits voltooid. Ook werd een nieuwe klok geschonken en het feest van den H. Hubertus tot den ritus van dubbel 2de klas verhoogd. Fr. Drehmanns, 1897, pastoor, 12de rector der Broederschap.


[83]


BEEGDEN OF „BEEGDJE”.

      Al is het weer nu niet zoo zacht, dat het door zonneschijn en warmte boom en struik met knop en blad wil tooien, en kan de grillige April ons soms ook al eens een snijdende bui om de ooren jagen, een mooie dag noodigt ons tot een wandeling naar ’t naburige Beegden. Berouw zullen we er volstrekt niet van hebben, want ’t is een genot, als men zoo lang den wandelstaf in den hoek moest laten staan, het frische groen der weiden te zien ontluiken. Dat doet ’t oog goed, en men begint te verlangen naar den zoelen dag, die de zwellende knoppen zal doen barsten, en Horn met zijn prachtig geboomte en fraai kasteel al die aantrekkelijkheid zal schenken, die ’t zomers heeft.
      Dan ook komt er leven in de links langs den grintweg vóór Beegden gelegen, met dicht kreupelhout begroeide „Moordkuilen” en duizende vogels kwinkeleeren in het geurende berkenhout.
      Een treurige geschiedenis deed aan de „Kuilen” dien akeligen naam geven.
      Eene ontaarde moeder bracht voor een honderdtal jaren te Horn hare dochter om ’t leven, en begroef het lijk in de „Kuilen.” Een jager kwam ter plaatse, en zijne honden groeven het lichaam op. De moordenaresse werd ontdekt, bekende de snoode daad, en werd gestraft.
      Een weinig verder in het weiland ligt een andere diepe kuil, waar over eene sage loopt.
      De duivel zou de ongedoopte klok van een nabij gelegen dorp uit den toren gehaald, en hierin gesmeten hebben. Met Kerstnacht gaat de klok aan ’t luiden, en als met een koperen muntstuk in den „Breulkuil” smijt, hoort men de klok


[84]


– 84 –

aanslaan. Dat de duivel in dien kuil huist, wist onze zegsman als zeker te verhalen, en bewees dit ook door eene geschiedenis, die natuurlijk vóór heel langen tijd gebeurd moet zijn. Wij laten hem het woord.
      Tegen het vallen van den avond ging een knecht van ’t kasteel Horn met zijn mand naar ’t adellijke huis Beegden; plotseling zag hij naast zich op den weg een prachtig rijtuig, bespannen met vier gitzwarte paarden. Twee heeren zaten in ’t rijtuig, waarvan de eene een paardenpoot had. Zij vroegen den kneeht, of hij mede wilde rijden, maar de verstandige gast, die de zaak wantrouwde, bedankte hen; hij zette echter op aandrang der edellieden zijne zware mand achter op den wagen.
      En toen ging ’t vooruit in galop. De paarden bliezen vuur, de knecht liep al wat hij halen kon, om zijne mand nog te redden, maar tegenover den Breulkuil gekomen, keerde het karos het land in, en reed pardoes in den kuil. De mand viel er gelukkig af, en de onthutste knecht zag niets meer dan het plonsen en opspatten van het water.
      Paarden, rijtuig en de edelman met den paardenpoot waren ter helle gevaren. De knecht vertelde later in Beegden zijn wedervaren, en iedereen zei, dat de satan hem een poets gebakken had of wel.... dat het Horner bier hem wat te zwaar geweest was, en hij aldus een visioen gekregen zou hebben. Wat zou ’t ware zijn?
      De grintweg, die ons langs de Kuilen naar Beegden of „Beegdje” brengt, ligt ter plaatse, waar vroeger de Romeinsche grintweg lag, die, van den Horner molen langs de Schietroede en de Duinen naar Panheel liep.
      De plaats, waar deze sporen van het verblijf der Romeinen liggen, is des winters goed te bespeuren, daar het water niet door de grintlaag heen zakt, en de grond daardoor harder bevriest. Ook in de nabijheid van Beegden worden sporen van Romeinsche vestiging gevonden; men vond in verschillende grafheuvels urnen.
      Aan de overzijde van den weg op den Berg kampeerden


[85]


– 85 –

18 eeuwen na de Romeinen de moderne wereldbeheerschers, de Franschen, en schonken hun naam aan den heuvel. Dat zij ’t den boeren van Horn en Beegden lastig maakten, behoeft geen betoog. Veel heeft Beegden toen echter niet geleden.
      Het dorp ligt voor ons op eene hoogte, en van alle kanten ziet men de kerk. Eene aardige anecdote daarover doet nog de rondte.
      Een scheper of schaapherder, die voor zonderling doorging, had zich door zijn trouwen dienst een aardig spaarduitje verzameld, dat hij in een kous onder zijn bed bewaarde. Die plaats was hem echter niet veilig genoeg, en in zijn wijsheid begroef hij het geld op de Heide in den grond.
      Toen zijn baas hem later eens vroeg, waar hij toch met zijn geld gebleven was, gaf hij ten antwoord, dat hij ’t in den grond verborgen had „recht tegenover den toren van Beegden”. Later bemerkte hij echter tot zijn niet geringe teleurstelling, dat hij overal recht tegenover den toren stond, en kon het geld niet meer terugvinden, welke moeite hij ook deed. Die ’t nu vindt, mag het als zijn eigendom beschouwen. Het ligt in de Heide.
      De Heide van Beegden, aan den kant van Baexem gelegen, heeft niet die eentonigheid, die men over ’t algemeen aan ’t woord heide verbindt. Heuvel en dal, plas en moeras wisselen elkander af; donkergroene dennebosschen liggen in droomerige rust naast den geelblinkenden zandheuvel, die nog op beplanting wacht, terwijl de nijvere Beegder eigenaars van jaar tot jaar de heide in korengrond herscheppen; de winterrogge vertoont nu in ’t voorjaar zijne heldergroene tinten naast de roodbruine kleur der heide en het donkergrijs en geel der hoogere heuvelen ’t Is een tafereel, waardig om op doek gebracht te worden.
      Over de bosschen heen ziet men de tinnen van Exaeten, het oude manoir der de Pollarts de torens van Grathem, Baexem en Haelen, terwijl de witte streep aan ’t einde der Heide den grooten door Napoleon aangelegden weg naar Weert aanwijst.


[86]


– 86 –

      Eene aangename herinnering aan deze Heide hebben velen nog behouden, toen eenige jaren geleden ’t gedonder van ’t geschut en de groote manoeuvres zooveel volks naar het anders zoo eenzame terrein trok.
      Van hier uit heeft men een schilderachtig gezicht op Beegden en omgeving.
      Was ’t misschien om de verlatenheid der streek, of wel om den ter dood veroordeelden misdadiger nog een laatsten blik op ’t vreedzame dorp te gunnen, dat op gindschen hoogen heuvel in vroeger tijd de galg stond? Die hoogte draagt nog altijd den naam van Galgenberg.
      De laatste misdadiger, die daar den tol aan de menschelijke gerechtigheid betalen moest, was de beruchte „Joostje Eenoor.”
      Joostje had bij een zijner rooftochten zijn oor verspeeld, en droeg daarom bij ’t volk, dat hem vreesde, dien bijnaam.
      ’t Was een onverbeterlijke gauwdief en stoutmoedig inbreker. Meestal ging hij als lid eener bende uit, en zoo gebeurde het, dat deze onverlaten op zekeren avond tot einddoel hunner nachtelijke tochten Beegden gekozen had.
      De bende had het voornamelijk op het huis van een der rijkste ingezetenen gemunt, die nabij de kerk woonde. Toen zij hun nachtelijken aanval en inbraak beginnen wilden, werden zij echter door de groote wachthonden op ’t erf verdreven. Daarom brak »Joostje Eenoor” in de kerk en beroofde deze.
      Toen later de diefstal bespeurd werd, begreep men dadelijk, dat de beruchte roover zijne hand in deze misdaad gehad had. Men zocht hem overal, maar hij was spoorloos verdwenen. De speurhond van den slachter Clerx spoorde den dief later evenwel te Stevensweert op in het wishout, waar hij zich schuil hield.
      Nadat hij bij vonnis ter dood verwezen was, werd „Joostje” in de Beegder Heide opgeknoopt, en onder de galg begraven.
      Bij het ontginnen van den Galgenberg vond men voor nog eenige jaren geleden de zware kluisters, waarmede de


[87]


– 87 –

misdadiger geboeid was geweest, en die men hem in den grafkuil medegegeven had.
      Op een andere hoogte in de heide verheft zich de stang, waarop de schutterij St. Sebastianus naar ouder gewoonte eens per jaar, daags na H. Sacramentsdag, den vogel schiet. De koning draagt bij die gelegenheid het koningszilver, bestaande uit een aantal fraaie platen.
      Ook den edelen handboog wordt in Beegden eer aangedaan. De schutterijen hadden vroeger bijzondere voorrechten. Verder bevordert eene Liedertafel, de Lyrique, het gezellige samenzijn, de vriendschap en de kennis der muziek.
      Zien we nu, wat de geschiedenis over ’t dorp boekte.
      Beegden, vroeger Baeghden of Beechden geschreven, komt reeds voor in het jaar 1275, in een verdrag tusschen de stad Roermond en de stad Wessem met hare onderbanken, onder welke Beegden genoemd wordt.
      Het had reeds in 1636 zijne eigen rechtspraak; en was een onderdeel van ’t Graafschap Horne; men kon in hooger beroep komen bij de schepenbank van Wessem, terwijl het allerhoogste ressort de bank van Aken was.
      Ten aanzien van het rechterlijke was het land van Horne overigens verdeeld in vijf dingbanken nl. Haelen, Horne, Neer, Heithuijzen, en Ophoven. Het dorp Haelen, als in ’t midden des lands gelegen, was de zetel van het „wettig hoefftgericht.” In later tijd werd dit naar Horn overgeplaatst.
      Beegden had zijn versterkt huis, het huis Beegden, met grachten en wallen omgeven, dat nog aanwezig is. In 1700 was Baron de Fostier heer van Beegden en bewoner van ’t slot. In 1720 woonden op het huis Beegden de kapitein en ontvanger Egidius Ignatius van Buggenum, gehuwd met Freule Sibilla Elisabeth van Berckelaar, beiden van Roermond afkomstig.
      Ook het huis Nederhoven was, een adelijk leen-goed liggende onder de jurisdictie van Beegden en Heel, in 1695 toebehoorende aan Charles R. Smeets, majoor van Maeseyck,

3


[88]


– 88 –

had zijne adelijke bewoners; de grens der gemeente Heel en Beegden loopt midden door dit kasteel, dat thans in eigendom toekomt aan mevrouw de weduwe R. Dahmen, echtgenoote van notaris Corbey. Vlak daarnaast mogen we niet vergeten te noemen de groote Hoeve „Pannenhof,” afkomstig van het kasteel Osen of Oosden. In de weilanden van Pannenhof en ook bij en om Beegden zelf, ziet men prachtig vee, waarop het dorp terecht trotsch mag zijn.
      Want zoowel als te Horn, Wessem en andere plaatsen legt men zich ook hier op de verbetering van den veestapel toe, en de naam Beegden heeft met de andere dorpen een goeden klank op het gebied van veefokkerij.
      Het Casino legt eene bijzondere werkzaamheid aan den dag, en zoekt door den aankoop van goed fokvee de welvaart te doen stijgen. De landbouw, alhoewel gedrukt, werpt er vrij goede vruchten af, daar de lager gelegen gronden langs de Maas uit eene uitstekende kleisoort bestaan. Het zoogenaamde Beegderveld bestaat voor ’t meerendeel uit korenveld.
      Een kapelletje in ’t dit veld, kort bij de plaats, waar vroeger een hagelkruis stond, wijst ons op den godsdienstzin der Beegdenaren.
      Eene nieuwe grootere kapel, in 1887 door eene bekwame hand gebouwd, staat aan ’t andere einde des dorps. Het opschrift toont ons, aan wie ze gewijd werd:
                        De Moeder van Barmhartigheid
                        Verblijft hier in Uw midden,
                        Toont uwe offervaardigheid
                        En komt hier dikwijls bidden.
      Deze grootere kapel vervangt een zeer oud kapelletje, dat op den duur te klein was geworden en daarom afgebroken werd.
      Midden in ’t dorp, aan de Maaszijde, ligt op eene hoogte de kerk van Beegden, gewijd aan Sint Leonard.
      De kerk is een gothiek gebouw met één schip en aangebouwd priesterkoor. Het schip is vernieuwd. Bij de vernieuwing werd even als dit de Roermondsche kapel om het

[89]


– 89 –

oude heengebouwd, dat later weggeruimd werd. De toren verschuilt zich met zijn laag muurwerk bescheiden achter den hoogen gevel van het schip.
      De kerk behoorde vroeger tot die van Wessem.
      Boven den ingang der kerk, onder den toren, leest men ’t volgende tijdvers tVrrIM eCCLesIæ strVXIt beeghDen (1773) zijnde het jaar, waarin de toren herbouwd werd.
      In den toren hangen twee klokken.
      De grootste (75 cm. hoog bij 80 cm. opening) is de oudste. Zij dagteekent uit het jaar 1549, en draagt het volgende inschrift: Martinus heijt ich, Eren Godes lude ich Gregoris van Trier goyt mich Ano MVcxLIx.
      Tusschen twee wapens van Horne, schild met drie jachthoornen beladen, 2: 1 geplaatst, staat St. Martinus te paard.
      Evenzoo aan de andere zijde de Luiker zuil tusschen het beeld van den Heilige en dat der H. Familie.
      De kleine klok 60 cm. hoog bij 66 cm. opening is in ’t jaar 1817 gegoten; zij draagt het volgende randschrift:

Sancta Maria Mater Dei ora pro nobis.
H. J. Eggen pastor et W. Verheggen tesaurarius Beegdensis.
Petit et Fritsen me fuderunt, anno 1817.

      Het priesterkoor der kerk is versierd met drie schoone gebrandschilderde vensters. Het middenraam werd in 1870 door Graaf de Geloes en Emilie de Meer geschonken, die ’t met hunne wapens, een zwart kruis op gouden grond en 6 roode balken op zilveren grond met devies „in hoc signum vinces” sierden. Dit raam, de kroning van O. L. Vr. voorstellende, staat waardig naast de twee andere vensters ter eere van St. Leonard en St. Martinus, in ’t zelfde jaar geplaatst, en door twee leden der oude en aanzienlijke familie Verheggen geschonken; deze familie droeg bij ’t versieren der kerk door geschilderde vensters ruim haar deel bij.


      Zij voert als familiewapen: op zilver een azuren dwarsbalk beladen met vier zilveren vogels, in het schildhoofd drie azuren bloemen sinopel van steel en blad even als de aanverwante Dencken’s en Corbeij’s.


[90]


– 90 –

      Op het linker zijaltaar zien we een schoon oud beeld van den H. Martinus. Het hoofdaltaar en de sobere beschildering komen niet veel overeen.
      Als kerkelijke parochie heeft Beegden geene oude geschiedenis. De parochie Beegden was vereenigd met die van Heel, toegewijd aan den H Stephanus. Als pastoors van Heel en Beegden troffen wij aan Petrus van Asten, ✝ 1615, Jacobus Craens, pastoor na 1615, Gerardus Crenkens, pastoor in 1633, Godfried van Heijl of Hedele in 1637 en 1669.
      Op hem volgde Arnoldus Graus, die in 1670 tot pastoor benoemd werd. Den 12 October 1676 stierf pastoor Graus, weggerukt uit het midden zijner parochianen door eene besmettelijke ziekte.
      Op hem volgde pastoor Stephanus Wassenberg, de vroegere kapellaan van Wessem. Hij was pastoor van Beegden en overleed op 11 Januari 1733, in den ouderdom van 92 jaren, waarvan er 56 aan zijne parochie gewijd waren.
      Toen trad Herman Heuvelmans als herder op, en stierf den 20 April 1740, werd opgevolgd door Matheus Jeuken, die 53 jaar het herdersambt bediende, en op 12 Mei 1793 stierf. Dan volgde Laurentius Herbouts, Henr. Joseph Eggen en Joannes Franc. Frencken, welke laatste op 13 Mei 1868 het tijdelijke met ’t eeuwige verwisselde.
      Rondom de kerk, getuige van zooveel lief en leed, dat den Beegdenaren in hun leven wedervoer, waarin ze ten doop gehouden en in den echt verbonden werden, en waarheen ze zoo menig voorganger bij zijn laatsten gang begeleidden, vinden ook nog de overledene Beegdenaren hunne laatste rustplaats; verschillende monumenten verkondigen ons, dat vergankelijkheid is ’t lot van de besten en edelsten, zoowel als dat van de thans onder de nederige houten kruisjes sluimerende armen is.
      Op het kerkhof zien we een uiterst klein gebouwtje, dat, we konden ’t bijna niet gelooven, tot 1861 der jeugd van ’t dorp tot alles behalve ruime school heeft moeten dienen, zoo als te Susteren ook ’t geval was.


[91]


– 91 –

      De tegenwoordige school met het raadhuis staat nu aan ’t Zuidereind des dorps.
      Het is een luchtig vroolijk gebouw. Van de speelplaats heeft men een ruim gezicht op de omliggende landerijen. Vooruit tusschen de boomen aan de Maas blinkt het Oolderhuisje; meer links werpen de fabrieken van Roermond hunne rookpluimen in de blauwe lucht, en rijst den slanke St. Christoffel naast de beide zustertorens der Munsterkerk.
      De toren van het Horner kasteel heft zijn spits naast het hooger gelegen torentje der Horner kerk op, en in ’t groene weiland ziet men het grazende vee overal verspreid als witte vlakken.
      Beegden dankt een goed deel zijner welvaart aan zijne ligging kort bij de Maas. De Maas, die nu zoo kalm langs hare bouwlanden snelt, liep vroeger verder van Beegden verwijderd, om den Isabellagriend onder Herten en teisterde bij hoog water dikwijls de gronden en laaggelegen huizen van ’t dorp. Ook van andere rampen kreeg Beegden zijn deel.
      Zoo ontstond op 20 October 1686 omstreeks drie uur in den middag brand in ’t dorp, bij Jan Coolen, die zich zoo uitbreidde, dat vele huizen en schuren in de asch werden gelegd. Ongelukkig konden Coolen’s vrouw en dienstmeid niet tijdig uit het huis vluchten, en vonden zoo een vreeselijken dood in de vlammen.
      In den jare 1676, 1701, 1705, en op verschillende andere tijden, rukte de roode loop verscheidene bewoners ten grave.
      Den 8 Augustus van het jaar 1578 beroofden de troepen, die te Roermond lagen en waarover onder Herten reeds gesproken is, Stevensweert, Wessem, Grathem, Heel, Beegden en alle aanliggende dorpen van hun vee, en voerden dit de stad in. Het garnizoen vreesde namelijk, dat de stad belegerd zou worden. Toen dit niet geschiedde, gaven de Duitschers wel de koeien terug, maar de jonge runderen, schapen en varkens behielden zij voor zich, „daer sij niet veel eeren mit ingelacht hebben” zegt de kroniekschrijver.
      Zoo heeft Beegden, als onderdeel van de rijke bezitting


[92]


– 92 –

van het machtige geslacht der Hornes gedeeld in al de lotswisselingen van dit graafschap. Door de herhaalde twisten en politieke wendingen der heeren was het dorp menigwerf het tooneel van ruwe krijgstooneelen.
      Sinds twee eeuwen echter heerschte er onafgebroken rust in ’t dorp, alleen de Fransche revolutie bracht nog woelige dagen. De wallen van ’t slot zijn geslecht, de torens verdwenen; van de torenwacht, die vroeger uitzag, of geen roovende benden op ’t dorp aantrokken, weet niemand iets meer te verhalen, en de schutterij, wier leden vroeger geroepen waren, om de wapenen in de hand huis en hof tegen vreemde indringers te verdedigen, heeft geheel en al hare oorlogzuchtige bestemming verloren. In stede van de wilde krijgsliederen op de schuttersfeesten weergalmt nu bij zoo menig feest een luid „Wien Neerlandsch Bloed”, onder ’t genot van een degelijk glas Beegder bier uit de vermaarde brouwerij van van Hoogstraten verkrijgen.
      En ’t leven vliet er kalm henen. Een aardige uitdrukking met betrekking op Beegdens patroonheilige willen wij tot slot hier in herinnering brengen.
      De vliegen zijn in den zomer lastige gasten, en hoe men ook in de schoolboekjes den kleinen inprent, dat ze hun nut hebben door den fabel aan den slapenden soldaat, die door een vlieg gewekt werd, ’t zijn en blijven lastige vrienden, zoowel als hunne stamgenooten, daas, „knaos”, mug en hoe de gonzende en zingende op menschenbloed beluste insecten ook heet. Ieder ziet ze graag afreizen.
      In ’t land van Cuijk zegt men, dat de Cuijksche boeren de vliegen in den kermismik bakken, en dat ze dan weg zijn. Rondom Roermond zegt men, dat degene die op Sint Leonardsdag zich verslaapt de vliegen met de kar naar „Sint Lennard” te Beegden moet brengen, waardoor ze dan verdwijnen. Beide gezegden hebben een dieperen zin, als men bedenkt, dat de Cuijker kermis op 9 October en „Sint Lennard” op 6 October valt. Het volk, dat zoo gaarne in beelden spreekt, zegt daarmede, gekscherende en lachende de waarheid.


[93]


NEER OF „NÈRE.”

      De winterzon doorboort met matte stralen de morgennevelen. Ieder straaltje kaatst terug in de millioenen druppelen van de berijpte grasspieren der weide.
      De boomen betalen hun jaarlijkschen tol aan den wintervorst en van de takken daalt onophoudelijk een regen van verdorde eikenbladeren neer, die met een eigenaardig geritsel op den harden grond vallen.
      Na verloop van eenige dagen is het landschap even kaal als ’t veld, waarin thans het groen nog slechts weinig afwisseling brengt.
      Over het water trekt een wit-grijzige nevel, en de vochtige, vinnige koude kleurt neus en ooren bont en blauw.
      Het eentonige van het landschap vóór Buggenum verdwijnt, als men het dorp nadert, waarvan de lange rei huizen ons in den wintermorgen als verlaten schijnt. Boven eiken schoorsteen zweeft een blauw, rechtopstijgend rookwolkje, dat bewijst, hoe men daarbinnen de koude wel weet te weren.
      Achter Buggenum breidt zich het vergezicht uit. Wij staan op een hooge vlakte, met vele wegen doorsnedeu, waarvan de meesten naar Neer leiden.
      Links zien wij Haelen en Nunhem met hunne kerkjes hun kasteelen tegen de heuvelen leunende.
      Groene dennenbosschen brekende rechte lijnen.
      Rechts zien wij ver weg het oude kerkje van Asselt, met de huizen van ’t dorpje, dat eens zoo welvarend was, toen de scheepvaart op de Maas nog bloeide en Hanssum onder Neer, een groot en bekend veer was.
      Voor ons ligt Neer, met de kerk op eene hoogte, die eenvoudige doch evenredige vormen te zien geeft.


[94]


– 94 –

      De huizen van Neer liggen in de inzinking ontstaan door door het riviertje, waaraan het zijn naam ontleent.
      Van welken kant men het dorp ook beziet, overal is het omringd door een hooge vlakte.
      Ook van de Noordzijde heeft men een fraai vergezicht van het hooger gelegen land op Neer.
      Wendt men zich naar de Maas, die aan de zijde van Hanssum en Neer, langs een hoog schoor of steilen oever loopt, dan ziet men het dorp Beesel liggen, dat zijne huizen weerspiegelt in het blauwend vlak der Maas.
      Achter tusschen de bosschen door, waar de torens van Swalmen en Reuver hunne stippen verheffen, ontwaart men de witte rookpluim der locomotief en kan men hem in zijn loop over de lijn volgen. Let men goed op, dan zal de stille winterlucht u het gegil der stoomfluit overbrengen, lang nadat men de rookpluim weer heeft zien bewegen.
      De zon breekt nu krachtiger door de nevelen heen, waartusschen zij zoolang als een melkwitte schijf een twijfelachtig licht trachtte te zenden.
      Al verdrijft zij de koude niet, er komt toch meer bezieling en leven om ons.
      Neer ligt vlak voor ons en de watermolens op het riviertje ratelen en klapperen, dat het een lust is.
      Zoo’n watermolen heeft iets aantrekkelijks, ’t is een aardig stoffeering in het landschap.
      De watermolen leverde vroeger aan zijne bezitters heel wat op. De heer des dorps, hier het klooster Keizersbosch, had het monopolie van malen op de riviertjes. Daarom bracht dit voorrecht geld in de kist, terwijl de molenaars voor zich zelf zorgden en niet lui waren met scheppen in de meelzakken. Sommige molenaars hadden echter wijde mouwen, zoo verhaalt de sage, en schepten met hand en mouw tegelijk. Of dit verhaal, dat men in Limburg zoo vaak hoort opdisschen, waar is, zullen wij „God en den mulder laten scheiden.”
      Het dorp Neer is zeer oud. Het kan zijn naam ontleenen aan zijne ligging. Wij herinneren er hier echter aan, dat


[95]


– 95 –

in het bochtige diepe riviertje vele draaikolken voorkomen, (in ’t Limburgsch neer) en het riviertje ook dien naam draagt. Het vormde in 870 de grens tusschen de boven en beneden Maasgouw.
      In de Salische wetten wordt een plaats Nara of Nare vermeld, welke Wendelinus het tegenwoordige Neer noemt. De bekende muntkundige Stiels, pastoor te Neer, (1) verhaalt dan ook in zijn te Neer gouden en zilveren munten uit den tijd der Merovingers werden gevonden en daaronder enkelen te Wijk-bij-Duurstede of te Wijk bij Maastricht en Utrecht waren geslagen. Eene bijzonderheid die bovengemeld vermoemoeden bevestigd.
      De Heer Stiels schreef verder over het dorp, volgende bijzonderheden neer, die wij hier doen volgen:
      Alhoewel de heeren van Horne, die in den jare 1450 geworden zijn rijksgraven, hunne bijzondere woonplaats hadden op het slot omtrent Weert en het kasteel van Horne, aan de Maas, gehouden werd als het opperhoofd van dit landschap, zoo heeft nochtans altoos Neer uitgeblonken boven andere plaatsen. Zoo door zijne oudheid als door het getal zijner inwoners, zijne privilegiën en voorrechten, alsook door de treffelijkheid van zijne kerk, (gewijd aan Sint Marten) in welke als immemoriali niet alleen een pastoor is gesteld gesteld geweest, maar ook een pastoraat met 4 à 5 benificiën. Mits het onmogelijk is, de fundatiën dezer benificiën te ontdekken, en het zeker is dat anno 1203 de pastoor reeds genoemd werd, persona in Neer, gelijk te zien is in Miræus, en bij meer andere, alwaar gezegd wordt dat Imaina gravin van Loon en abdisse van Munsterbilsen, weduwe van den Hertog Godfried III van Brabant opdraagt het personaat van Neer aan den Heer Prelaet der Abdij van Averbode enz., zoo kan men besluiten, dat anno 1000 of 1100 dit pastoraat reeds moet opgericht zijn, en dat vervolgens deze gemeente alsdan reeds zeer volkrijk moet geweest zijn; ja, wat meer


      (1) Publ. etc. du Limb., Deel XIX, p. 465.


[96]


– 96 –

was, is, Neer was te dien tijde een stad met wallen en poorten, genietende alle voorrechten, welke steeds burgeren gewoon zijn te hebben. Alhoewel de schrijver hier niets van meldt, en bij verloop van tijden door oorlogen en andere ongelukkige omstandigheden, van deze stad geen de minste overblijfselen meer te zien zijn, zoo heeft men nochtans proeven genoeg, om dit zeer geloofbaar te maken, aan allen, die de gelegenheid der plaats kennende, daarenboven zullen bemerken, de volgende proefstukken:
      Neer is dan eerst een personaat, en dat reeds lang voor 1200; in onze kerk waren gefundeerd 5 benificiën, met zulke goede revenuën, dat de benificianten daarvan, resideerende te Neer, op Zon- en hooge feestdagen het koor frequenteerden gelijk in kapittel-kerken, met zingen van vespers, metten enz.
      Daarenboven, in Neer zijn drie treffelijke broederschappen of schutterijen, welker oudheid en opkomst het onmogelijk is te bepalen; immers, is het zeker dat deze door de vorston van Horn en ook door de navolgende graven zijn verrijkt geworden met treffelijke privilegiën, met verscheidene landerijen en inkomsten, om op zekere gestelde dagen, est in festo sancti Sebastiani en andere, op eene eerlijke wijze zich te komen recrëeeren, en ook om in tijden van oorlog voor hunne graven te velde trekken en bij tijden van onvoorziene geloopen hunne medeburgers te bewaren van geweld en strooperijen.
      Eertijds zijn nog meer broederschappen geweest, als dat van den H. Antonius, van O. L. Vr., welker inkomsten, na het ophouden dezer congregatie, om wat oorzaak is onbekend, gekomen zijn aan de armentafel dezer gemeente.
      Ook hebben de ambachten der smeden, wevers en schoenmakers hunne broederschappen en patronen, op welker feestdagen zij bijeenkomen en voor hun eene hoogmis gezongen wordt.
      Ten derde hebben de inwoners, welker huizen binnen de vulders of stadsgrachten staan, een bijzondere privilegie, dat op den dag hunner begrafenissen, gelijk het in steden geschiedt, het lijk met kruis en priester aan het sterfhuis moet afgehaald worden.


[97]


– 97 –

      Maar hetgeen op het klaarste aanwijst, dat Neer hiervoor eene stad was, zijn de overgebleven stadsgraven, welke in het begin dezer eeuw nog niet geslecht zijnde, allengskens afgeworpen zijn tot akkerland, doch met zulk voorrecht, dat op die graven de tiende altoos zal toekomen aan den pastoor, als zijnde novale decimateur, welk recht hij ook altoos, zonder eenige contestatie genoten heeft. Deze graven (grachten) beginnen aan de Bergerstraat, loopende op de Zuiderhak; vandaar achter de Groote op den Baent en van den Baent op het huis van schepen Peter Windelmolen, en zoo door het Pasveld tot op den Keizer, zijnde op sommige plaatsen maar 16 voeten breed, maar op andere plaatsen veel breeder. Uit oude papieren kan men nog halen de namen der poorten, als Bergepoort, Veerpoort, enz.
      Bij verloop van tijd heeft Neer veel verspeeld; of zulks geschied is door de opkomst van andere dorpen, als Roggel, Heijthuijzen, enz., welke nog onbekend waren, of wel door verwoestingen van oorlog of door brand, welke ons dorp verscheiden malen vernield heeft, is onzeker; immers, dit land heeft ten tijde der beeldstorming, als grenzende aan de stad Roermond, ook veel geleden, doch nooit meer als in het leven van den pastoor-deken Leo van der Meer, tusschen de jaren 1630–1650, want na het plunderen van de stad Thienen, anno 1635 zijn de Hollandsche en andere troepen hier in het graafschap neergeslagen, alles verbrandende en verwoestende. Daarop is de pest gevolgd, welke niet alleen een oneindig getal van krijgsvolk, maar ook van ’s lands inwoners weggenomen heeft, zoodat de huizen ledig en de landen onbebouwd hebben moeten blijven Maar nooit is onze gemeente droeviger ongeluk overkomen, als in den jare 1645, wanneer de Hessische troepen, na vele dagen overal den baas gespeeld te hebben, ten laatste op den 11 Augustus het dorp op 4 hoeken hebben in brand gesteld, waarschijnlijk omdat men de geëischte brandschatting niet heeft kunnen opbrengen. Hierdoor is niet alleen het geheele dorp, weinige uitgenomen, maar ook het pastoreele huis met alle papieren


[98]


– 98 –

documenten, registers, zoo van kerk als armen, zoo van pastoreele redenen als gemeentezaken in de asch gelegd. De pastoor Leo van der Meer is als toen door de Hessen gevankelijk medegeleid en 8 weken tot Nuijs in hechtenis gehouden.

      Tot zoover de pastoor Stiels. Zeer opmerkelijk zijn zijne bewijzen, waardoor Neer tot stad verheven werd. Zeer zeker ligt er het bewijs in, dat Neer vroegtijdig een aanzienlijk dorp is geweest. Onzes inziens heeft men het ter beveiliging tegen vijandelijke aanvallen met grachten omringd, wijl men, zoo gemakkelijk aan water kon komen, terwijl men verder eene schans aanlegde, welker overblijfselen nog bestaan. Van eene eigenlijke verheffing tot stad is niets bekend, ’t Zou ook mogelijk kunnen zijn, dat Neer in den Gelderschen oorlog in ’t begin van 1500 in staat van tegenweer gebracht is. In 1504 toch toen Echt geheel verwoest werd, lag Jacob III van Horne met zijn krijgsvolk in Neer. Die van Roermond overvielen hem daar, namen hem gevangen met „anderen luyden van des Prijnschen volcke, die due tertijt die nachtewaecke qualicke hilden” en voerden hem „myt grotter blijtschappe tot Ruremonde in gevange.”
      De schutterijen bestaan nog en zijn in het bezit van fraai zilver, dat op de „port” of het gildehuis bewaard wordt. Een schutterij is nog in het bezit van fraaie steenen drinkkannen. Het dorp Neer is welvarend, alhoewel de tijdsomstandigheden het niet verbeterd hebben.
      Wanneer men echter tot het verledene terugkeeren en een treffend beeld wilt zien van het nietige van het edelste en waardigste dezer wereld, wandele men den weg in de richting der heide en bezie de eentonige, smakelooze, doch groote en hechte gebouwen, die er overgebleven zijn van het wijd befaamde en eeuwen oude stift Keizersbosch.
      Vóór 700 jaar reeds eene bezitting der Abdij Averbode bij Sichem, werd hier een klooster gesticht voor vrouwen, na de milde schenkingen van Graaf Engelbert van Horne in 1200.


[99]


– 99 –

In 1226 werd hier eene kerk gesticht, in 1232 was er een proost, in 1350 was een telg van het machtige geslacht van Horne priorin.
      In het kerkgebouw, in 1472 vernieuwd, werden de hooge Hornes ter aarde besteld en gedurende ruim vijf eeuwen was Keizersbosch het vereenigingspunt van de vromen en machtigen. In 1786 werd het stift opgetrokken; men vond nog de grondslagen der oude hoeven. Een gedeelte dezer gebouwen bestaat nog.
      Gedurende de Fransche Republiek vluchtten de nonnen van dit klooster naar de Meijerij en vestigden zich te Deurne, in het verlaten huis van den Predikant. Daarheen voerden zij ook een gedeelte harer meubelen en archieven. Een Cartularium der abdij, in 1885 aldaar teruggevonden is door den archivaris in Limburg ten voordeele van zijn depôt aangekocht. Een oud gezangboek, waarin de voorschriften, te volgen bij de opname van een religieuze en bij den choordienst, werd door mij te Neer gevonden en ook aan het Rijksarchief te Maastricht geschonken.
      Keizersbosch met al zijne bezittingen werd den 28 Messidor jaar 6, 16 Juli 1793, (affiche 57) met al zijne op- en dependentiën door de fransche Republikeinen verkocht en aangekocht door Arnold Jan Baptista De Raedt van Roermond voor de som van 145,000 livres, natuurlijk grootendeels in assignaten uit te betalen, die bijna waardeloos waren.
      De Raedt deed al heel spoedig de kerk afbreken, evenals een gedeelte der 82 jaar vroeger vernieuwde gebouwen.
      De familie De Raedt verkocht dit landgoed den 8 Augustus 1876, groot 7 hectaren en 84 aren, met stallen, schuren en remisen, bouw- en weiland aan den tegenwoordiger bezitter Alexander Steegh, gehuwd met Margaretha Antoinetta van Hegelsom.
      Zooals boven vermeld is, bevonden zich in de kerk de grafsteden der meeste graven van Horn.
      Voor een aantal jaren vond men bij het omgraven van het terrein achter het gebouw, de grafsteden terug. Maar men


[100]


– 100 –

kon de beenderen der hooge heerschers niet onderscheiden van den minsten kloosterknecht. De huizing bestaat nu uit een tiental kamers met zaal, keukens, kelders, stalling, door zijne uitwendige vormen weinig aan de vroegere grootheid herinnerende.
      Bij Neer behoort behalve het huis Ghoor, eene versterkte hoeve van Aldenghoor, Kuikhoven, Brumholt, Gerheggen, Waay, Wijngaarden, het gehucht Hanssum, aan de Maas gelegen, waar het veerhuis ligt.
      Voor een paar honderd jaar is er heel wat ruzie ontstaan over dit veer. In 1700 liet de Bisschop van Luik er tol heffen, dit beviel de Generale Staten niet en zij beletten gewapenderhand de heffing.
      In 1718 begon het spelletje weer, nu lichtte men den Luikschen ontvanger op en wierp hem te Roermond in den kerker. De Bisschop liet zich niet ontmoedigen en de schippers betaalden er tot 1731, toen de koning van Pruisen den Keizer de opheffing verzocht.
      Opmerking verdient het, dat de Noordgrens van de gemeente Neer gevormd wordt door het afwateringskanaal der Zuidwillemsvaart naar de Maas. Het verval van het kanaal in de Maas is groot. Daaraan mag het wel te wijten zijn, dat men de verbinding van Maas en Schelde hier niet tot stand gebracht heeft.
      Voor aleer wij deze schets van Neer willen besluiten, moeten wij nog wijzen op het eigenaardige dialect, nog al afwijkende van dat der omringende streek. Men hoort daar verwisselingen van letters, die „kerk” bijna tot „krek”, van „verkes” tot ongeveer „vrèkes” maken. Honderde jaren heeft men er aldus gesproken, want aan oude zeden en gewoonten houdt men trouw vast en Neer kenmerkt zich gelukkig, nog steeds door ouderwetsche goede trouw, die u uit alles tegenstraalt.


[101]


NUNHEM OF „NUUNEM”.

      Wie des zomers wandelen wil en genieten van de heerlijkheden der natuur, moet vroeg uit de veêren. En dan naar buiten de stad uit, uit dien steenklomp met straten doorsneden, die boomloos, straks weer door het felle zonlicht verhit zal worden tot gloeien toe. In ’s Heeren vrije natuur, daar gevoelt zich de mensch vrij. De frissche morgenlicht waait er u tegen, het licht windje zet het gebladerte der canadas met een eigendommelijk gesuis in beweging en voert u den geur van duizend bloemen en bloeiende heesters toe. In boom en struik roeren de vogels zich; de spreeuw jubelt, vleugeltrillend, in het hoog geboomte; de leeuwerik stijgt in het luchtruim; elke spanne tijds brengt een nieuwen zanger aan.
      Het water der met riet en lissen omkranste poelen dampt en de rietmusch verblijdt zich met een lustig „karekarekietkiet.”
      Niet ten onrechte vergelijken de dichters de weelderige weiden in haar bonten tooi met een bloemtapijt. Het gras glinstert en pronkt bij het licht der morgenzon met millioenen paarlen.
      De dagvorstin is nog vroeger opgestaan dan wij. Zij heeft reeds het Oosten in gloed doen zwemmen en zooals de Noordsche godenleer het zoo fraai beeldsprakig voorstelt, ze heeft reeds een uur den kamp met de Nevelingen, de strijdbare dochters der duisternis, gestreden. Eindelijk zegeviert zij en doorboort met hare stralen wolk en mist en giet een betooverend licht over veld en beemd, bosch en plas uit. Ja, zóó zag ze de Zweedsche dichter Esaias Tegnér, toen hij haar


[102]


– 102 –

met zijn melodischen, onvergetelijken zang „aan de zon” begroette.
      De tinten van het donkere Horner bosch, dat in de verte ligt, beginnen op te komen. Licht en donker scheiden zich af, de omtrekken der omgeving komen scherp uit. Het geboomte van Melenborg teekent zich donker tegen de helderblauwe lucht af en de logge, cilindervormige massa van den toren van Aldenghoor verheft zijn gekanteelde tinnen boven de roode daken van het kasteel.
      Bij Kloosterhof stijgt de grond langzaam en een weinig verder zien wij over het wijde, ruime veld, waarin hier en daar een wachthuisje den loop van ’t spoor aangeeft. Langzaam zien wij een kar over den veldweg trekken en het getamp der morgenklok klinkt uit den toren van het naburige Haelen tusschen de witte huizen en zelfs de klok van Nunhem werpt hare trillende tonen over de vlakte.
      Neer met zijn geboomte sluit den verren horizon gedeeltelijk af en rechts verdwijnt de rij huizen van Buggenum.
      Alles krijgt nieuw leven en de zandige weg langs ’t hakhout is reeds warm. Bij het kleine heilighuisje van O. L. V. van Salette rusten wij een oogenblik.
      Dan gaat het verder onder den spoordijk door de viaduct en wij bereiken den grooten weg naar Venlo.
      Wij laten Haelen links liggen en voor ons ligt het oude slot Aldenghoor.
      Het slot, thans nog de residentie van Baron de Keverberg d’Aldenghoor ziet er krijgshaftig uit. ’t Behoort tot de type, waarvan men er verschillende in Limburg vindt. Er loopt eene sage, dat een der freules van Boetselaar, aan wien het vroeger behoorde, zich op den laatst overgebleven toren moedig verdedigde. Men betwist echter de waarheid dezer legende.
      In het laatst van 1300 was Aldenghoor nog een hof met stroo gedekt.
      Door Haelen willen wij naar Nunhem wandelen. Haelen is een welvarend dorp. De kerk, van 1423 dateerende, heeft een opmerkelijk fraaie toren, zeer verdienstelijk gerestaureerd


[103]


– 103 –

door den bekenden bouwmeester Caspar Franssen van Roermond. Vlak aan Haelen aansluitende ligt Nunhem. Op den klank af zouden wij den naam van Nuwenheim, nieuw verblijf, afleiden. Het dorp zou dan bij het kasteel of bij een der twee kloosters ontstaan zijn.
      Het wordt doorsneden door de Nunhemsche beek, een driftig loopend watertje, dat reeds een lange reis afgelegd heeft. Het komt uit België, loopt langs Hunsel, het kasteel van Grathem, dat den vreemden naam Groot Buggenum draagt. Bij Grathem splitst zich het beekje, een tak loopt door Panheel naar Wessem, liep daar vroeger door de grachten; de tweede tak is deze, die hier en daar overbrugd is en van Exaeten, het rustige verblijf der in Duitschland zoo gevreesde, hier zoo geëerde Jezuiten, komt langs Warenberg, Aldenghoor, ’t Nunhemsche kasteel de Voort en Ghoor. Daar vereenigt ze zich met de Zetterbeek, die de Leurbeek opnam. Vereenigd vloeien ze bij Hanssum in de Maas.
      Het dorp Nunhem bestaat uit verschillende deelen.
      Een gedeelte noemt men den Kerkbongaart, omdat hierin de kerk, gewijd aan den grooten Limburgschen Heilige St. Servatius, met eenige groote boerenwoningen en burgerhuizingen gelegen zijn.
      Verder Noordwaarts ligt het kasteel de Voort, in rénaissance stijl opgetrokken, geheel door singels omgeven met voorgebouwen, die vroeger afgescheiden van het hoofdgebouw lagen.
      Dit kasteel werd vroeger door den Drossaerd bewoond, het het rechtsprekende hoofd van het Haelensche gericht.
      Over een dier drosten loopt nog het verhaal, dat hij zeer streng was. Zijn naam en de tijd, waarin hij leefde zijn niet opgeteekend. Toch denkt men nog met siddering aan de harde vonnissen, die hij velde, en dat, zegt men, wijl hij hiervan veel geld trok. Hij kende geen medelijden en spaarde geen menschenleven.
      Een vrouw, die een „tesscheplak” of zakdoek gestolen had,

4            


[104]


– 104 –

werd gehangen en hare goederen verbeurd verklaard. Geringe feiten werden met brandmerken en geeselen gestraft.
      Hij had er den schrik zóó ingebracht, dat zijn aandenken na honderde jaren nog niet vergeten is.
      Naast de oude drostdij ligt het vermaarde klooster, Marienschoot, dat door de Franschen als domein aangeslagen, in 1820 verkocht werd. Geen wapen aan den ingang, op het daklooze poortgebouw roept ons den adellijken stichter in de herinnering terug.
      De tand des tijds knaagt voortdurend aan de dikke muren; de oude kloosterzalen zijn herschapen in woonvertrekken voor den pachter en zijn gezin. Al is het klooster ook van bestemming veranderd, een fraai votiefkapelletje daarbij doet een beroep op de godsdienstige gevoelens der voorbijgangers. Het getuigt van den goeden smaak des stichters.
      Nunhem is niet groot. Het telt 250 zielen, is 385 hectaren groot en bestaat voor ⅔ uit bosschen. Dat het er gezond moet zijn, bleek eenige jaren geleden, toen er in drie jaren geen enkel sterfgeval voorkwam.
      Toch weten de Nunhemmers het zich vroolijk te maken, zij houden van gezelligheid, daar men op iedere 24 inwoners, vrouwen en kinderen medegerekend, één herberg telde. Na een goeden arbeid, mag men zich ook verpoozen en waar zou de schutterij, die er bloeit, als ze in hare bonte uitrusting uittrekt, anders hare portie bier krijgen.
      Ongeveer halverwege tusschen „Nuunem” en „Heitzen”, op Nunhems grondgebied tegen de Heithuijzer grens ligt het voormalige klooster Sint Elisabeth, thans eene heerehuizing, toebehoorende aan den Gr. Ed. Achtb. Heer Mr. Beerenbroek, President der Rechtbank en lid der Prov. Staten te Roermond.
      Het klooster werd reeds in de XIIIde eeuw gesticht door Dirk van Altona die eene bedevaart naar Sint Jacob in Gallicie had gedaan. Deze ridder verbleef bij zijn doortocht van Bourgondie nabij Dyon in een klooster der Cauliten.
      Toen hij in ons laud terugkwam, deed hij te Nunhem (Nieuwenheim, nieuwe woonstede) een nieuw klooster bouwen,


[105]


– 105 –

hetwelk in 1240 voltooid was, vijf jaren na de Heiligverklaring van St. Elisabeth.
      Hiernaar kreeg ’t den naam van St. Elisabeth.
      De kloosterlingen leefden daar gedurende twee eeuwen vreedzaam, maar door den verren afstand van het moederklooster verminderde de tucht in het gesticht en bleven er ten slotte slechts twee kloosterlingen over: nl. Godfried Nobis en Martinus Naus van Weert.
      In 1435 werd het klooster overgedragen aan de Reguliere kanunniken der Congregatie van Windesheim.
      In 1578 staken de Spanjaarden alhier na er nachtverblijf gehouden te hebben, het klooster in verbrand, waarbij eene aanzienlijke bibliotheek der vlammen ten prooi werd. Na dit ongeluk, vluchtte de prior Jacob van den Eertwegh van Maeseyck met zijne kloosterlingen eerst naar Keizersbosch onder Neer en daarna naar Aken.
      Hier stierven ’tzelfde jaar de meesten aan de pest, met uitzondering van één zekeren Tilman Voest.
      Tot 1603 bleef het klooster in puinhoop liggen; daarna herstelde Pater Steegmans, die door het generaal-kapittel tot prior benoemd was, met medehulp van den heer van Ghoor, den graaf van Mijlendonk, het klooster. In 1635 plunderden de Hessische troepen de gebouwen. De kanunniken vluchtten, door krijgsnood gedwongen en keerden in 1650 terug en herstelden de gebouwen. In 1719 werd Hendrik Pisart prior. In 1732 verhuisden de zusters der derde orde van St. Franciscus van Ommelen naar Nunhem.
      St. Elisabeth bezat twee miraculeuze beelden, één Christus- en een Lieve Vrouwebeeld. Van dit laatste bewaart het volk eene sage. Eenige religieuze onderhielden de heilige deugd van gehoorzaamheid zóó slecht, dat zij eens in den tuin in het zomerhuisje hooggaanden twist kregen en tot dadelijkheden oversloegen. Dreigend verscheen hun het beeld en vermaande hen.
      Men verhaalt nog, dat toen de nonnen van Nunhem naar Ommelen terug gingen, zij het Lieve Vrouwebeeld medena-


[106]


– 106 –

men, het beeld kwam echter tweemaal te Nunhem terug en men vond het vochtig en bedauwd op de heg, die het klooster omsloot.
      Een derde maal bracht men het naar Ommelen, maar toen in processie; sedert verbleef het daar.
      Thans begeven zich nog personen van Nunhem naar Ommelen, om er hulde aan de Moeder Gods te brengen.
      In het laatste der vorige eeuw werd het klooster opgeheven, de goederen als landsdomein aangeslagen en in 1820 verkocht.
      Het klooster lag in een langwerpig vierkant van grachten.
      De gebouwen bestonden uit twee aaneensluitende blokken met een voorhof en binnenplaats, terwijl aan de zuidzijde de zuiver Oost-West gerichte kerk lag, die met de sacristie meer dan 30 meter lang en 10 breed was. Om de kerk goed georiënteerd te krijgen, werden ook de aansluitende gebouwen zuiver naar de windstreken gelegd, terwijl daardoor weer de omsluitende grachten ook die richtingen kregen.
      Het water der grachten werd door de in vele kronkelingen voorbijvloeiende Leurbeek gevoed.
      Ten Zuiden van het klooster lag de pachthoeve, thans nog Kloosterhof geheeten. Op de beek lagen bij den Kloosterhof twee watermolens, De streek tusschen St. Elisabeth, het oude kasteel Goor en Nunhem, doorsneden met drie beken, die in allerlei bochten en wendingen door de lagere boschpartijen heen spoeden, is vol afwisseling en bekoorlijkheid; hier een dal, daar een begroeide heuvel, hier weer een dennenbosch, daar een partij diep liggend elzenhout, glanzend van groeikracht.
      Van St. Elisabeth wandelen we langs een omweg, dien we ons om de schilderachtige gezichtspunten niet beklagen, naar de bevoorrechte plek, den heuvel, onder het lommerrijk geboomte, waar ter eere van St. Servaas, eene kapel gebouwd is.
      De kapel is een achtkant gebouwtje, waarnaast een put ligt, die zoo zuiver en helder water levert, dat men uren en uren in de rondte de wedergade niet vindt.


[107]


– 107 –

      Toen St. Servaas in deze landen predikende, bekeerende en doopende rondging, hield hij ook bij Nunhem stil en vond daar eene zuivere bron, waaruit hij het water nam, dat zaligend over de hoofden der nieuwbekeerden vloeide.
      Tot aandenken aan den heiligen Man, maakte men van deze bron een put en tot op den huidigen dag is het water zoo helder, dat men ’t kleinste kiezelsteentje op den bodem kan zien glinsteren.
      In den zomer is het bij de grootste warmte steeds frisch en koel en zou met recht den naam van geneeskrachtig water kunnen dragen.
      De geheele heuvel, waarop het kapelletje ligt, schijnt trouwens rijk aan bronwater te zijn. Een weinig meer naar Nunhem, welt ook een „sprung” uit den zandigen bodem.
      Toen de processie tijdens de St. Servaasfeesten, van Nunhem naar de kapel trok, had men terzijde van den weg in natuurlijke nissen heiligenbeelden geplaatst.
      Bij het uitgraven der nissen stiet men op eene waterader, die nog steeds loopt.
      Merkwaardig is dit te meer, als men bedenkt, dat de waterspiegel der beek, die een vijftig meter westelijk door het weiland vloeit, zeker vier meter lager ligt.
      Bij den put verhief zich het klein kapelletje. Het werd op den duur te klein. Thans is door vrome gevers een nieuwe kapel gesticht, een sieraad voor den heuvel en de omgeving.
      Zij is zeer net versierd; op ’t altaar vindt men een beeld van den H. Servaas en terzijde van het altaar twee reliquikassen, die gevuld zijn met groote reliquiën en die waarschijnlijk uit een der Nunhemsche kloosters stammen.
      De laan, die vroeger naar de kapel leidde, is opnieuw aangelegd. Kort bij het kapelletje ligt de St. Servaaskamp, met hout begroeid.
      Van wijd en zijd komen pelgrims St. Servaas vereeren en wie eens de plek, waar de geloofsverkondiger volgens de sage predikte, bezocht, keert zeker weder.
      Er bestaan in Limburg meer bronnen, die gezegd worden


[108]


– 108 –

door den H. Servatius te voorschijn te zijn geroepen. Ook in ’t Zuiden.
      Op zijne apostolische reizen kwam Hij aan den oever van een beekje, dat van eene met hout en struikgewas bedekte rots stroomde en zijne wateren in de Maas stortte, op een plaats bij Luik. Gedreven door een hooger gevoel, besloot de Heilige eenige dagen in het daaronder liggende dal te vertoeven.
      Hij bouwde er eene nederige bidkapel. Ter plaatse, waar hij zijn herderstaf plantte, borrelde eene fontein uit den grond. Het beekje was de Legia. De bidkapel werd St. Servais, eene van Luiks parochiekerken.
      De H. Servaas, zoo verhaalt ook de Zeereerw. Heer Willemsen in zijne Handleiding voor den vereerder van den H. Servatius, deed door het maken van een kruis met den pelgrimsstaf eene bron ontspringen. Verder bestaat eene Servatius-bron in het schoone Jekerdal nabij Maastricht, niet verre van het kasteel Aigremont bij Neer-Canne. Hiervan zegt de dichter:

                        Sinds stroomde naar de wonderbron
                        Het volk van heinde en veer;
                        En menig lijf en menig hart
                        Vond daar verkwikking in de smart,
                  Vond daar genezing weer.

      Ook van de bron te Nunhem geldt het woord des dichters:

                        Nog blijft bij ’t vrome Christenvolk
                        De heil’ge bron in eer,
                        Die, hoe de zon haar stralen schiet,
                        Steeds frisch en heelend water biedt,
                        Een wonder van den Heer.

VAN BEURDEN.      


[plaat tegenover p. 108]


Limburg's Jaarboek vol 005 image facing p 108 Schets van de dorpen Horn, Buggenum, Haelen, Nunhen en Neer.jpg