Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 212/Rede van den heer De Ras

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Rede van den heer De Ras’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Limburger Koerier, dinsdag 20 december 1892, [p. 1-2]. Publiek domein.


[ 1 ]

Rede van den heer De Ras.

In de zitting van Vrijdag sprak de afgevaardigde voor Maastricht, de heer De Ras, weer een goed woord ten beste van Limburg. In ons Kamerverslag van jl. Zaterdag vindt men dit even vermeld. Volge hier de officieele tekst van het gesprokene:

Mijnheer de Voorzitter!

Slechts eene enkele korte vraag aan den heer Minister?

Het heeft mijne aandacht getrokken, dat de Minister op bladz. 19 der Memorie van Toelichting dezer begrooting, gewag makende van winterscholen, meldt, dat er overleg gepleegd wordt met de Maatschappij van landbouw in Limburg over de eventueele vestiging eener winterschool in de hoofdstad van dat gewest. Dit overleg is nog niet geëindigd.

En in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag dezer begrooting lees ik:

„Er zal steeds naar worden gestreefd, de winterscholen in eene passende omgeving te plaatsen. Dat nu wordt voorgesteld twee winterscholen aan de beide uiteinden van het land te doen oprichten, vindt zijne oorzaak hierin, dat vanuit de provinciën Groningen en Zeeland bij herhaling op de vestiging van zulke inrichtingen is aangedrongen, en de behoefte aan landbouwonderwijs zich daar zeer sterk doet gevoelen.

„Ook moet niet uit het oog worden verloren, dat, aangezien de Rijkslandbouwschool in het centrum van het land is gelegen, de uiteinden wel in de eerste plaats mochten worden bedacht.“

Met leedwezen heb ik ontwaard, dat hier met geen woord meer van het derde uiteinde des lands, do provincie Limburg, gewag wordt gemaakt.

Toch ben ik, Mijnheer de Voorzitter, den heer Minister reeds dankbaar voor zijne goede bedoelingen, wel niet zoo dankbaar als de geachte afgevaardigde voor Utrecht, maar toch dankbaar. Ik hoop en verwacht intusschen, dat de Minister het ditmaal niet bij woorden zal laten, maar dat de onderhandelingen, die met de Limburgsche Maatschappij van landbouw hangende zijn, – en reeds voor zes maanden hangende waren – spoedig tot een afdoend en gunstig resultaat mogen leiden.

’t Kan den Minister niet onbekend zijn, dat in Limburg reeds sedert meer dan 30 jaar een cursus in land- en tuinbouw gegeven wordt, die door de provincie gesubsidieerd wordt, doch lang niet in de bestaande behoeften kan voorzien.

Men heeft zich tot dusver gewend tot het geven van onderwijs tot leeraren in België, hoofdzakelijk uit Gent en Leuven, die dat onderwijs in de Vlaamsche taal gaven.

Dat onderwijs heeft goede vruchten gedragen, maar dient uitgebreid te worden wil het afdoende resultaten geven.

In ’t belang eener provincie, welker bewoners bijna uitsluitend van den land- en tuinbouw leven, meen ik dus te moeten aandringen op eene spoedige beslissing.

Eenige inlichtingen ten slotte, Mijnhear de Voorzitter, omtrent den stand der onderhandelingen met de Maatschappij van landbouw zal mij aangenaam zijn.

De heer Tak van Poortvliet, Minister van Binnenlandsche Zaken antwoordt daarop ’t volgende: Van mijne belangstelling in deze zaak is, gelijk de geachte afgevaardigde uit Maastricht zeer te recht opmerkt, reeds uit de gewisselde stukken gebleken. Ik wil hem gaarne de verzekering geven, dat die belangstelling

[ 2 ] sedert het opstellen van de Memorie van Toelichting omtrent deze begrooting niet is verminderd. De onderhandelingen over de oprichting eener winterschool in de provincie Limburg zijn nog niet afgeloopen. Ik moet bezwaar maken daaromtrent, zoolang zij nog hangende zijn, mededeelingen te doen, welke trouwens tot geen practische uitkomst zouden leiden. Wel durf ik de hoop uitspreken, dat op eene volgende begrooting ook voor eene winterschool in Limburg gelden zullen worden aangevraagd.