Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 212/Uit den doode opgestaan

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Uit den doode opgestaan’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Limburger Koerier, dinsdag 20 december 1892, [p. 1-2]. Publiek domein. De zetfout in kolom één is omwille van de leesbaarheid gecorrigeerd.


[ 1 ]

FEUILLETON

VAN DEN „LIMBURGER KOERIER“.


Uit den doode opgestaan.

NAAR HET ENGELSCH.
– – – –

31

Nog nooit had ik Vaux zoo druk en bewegelijk gezien. Hij was gewoonlijk een van de langzaamste menschen, die ik ooit ontmoet had. Nu wierp hij palet en stok ter zijde, trok zijn kiel uit met een haast, alsof het zijn leven gold. Als ik hem minder goed had gekend, dan had ik gedacht, dat hij plotseling gek was geworden, te meer, daar ik mij geen afspraak, met wien ook, kon herinneren. Intusschen viel ik hem niet in de rede en liet hem alleen praten. Wel zag ik, dat de heer Conyers verbaasd was over dien zonderlingen ommekeer van zaken. Hij zag van Vaux naar mij en van mij naar Vaux, alsof hij het geheim wilde doorgronden. Maar Vaux’s voortvarendheid liet hem geen tijd zijn psychologische studie voort te zetten.

„Dus wilt gij morgen wel zoo goed zijn om terug te komen, niet waar? Op hetzelfde uur? Wij zullen dan verder over de schilderijen praten. Ik ben zeker, dat Lindley ze u zal afstaan. Goeden dag, mijnheer. Wel bedankt voor uw vriendelijk bezoek. James, laat mijnheer uit“.

Hij had reeds gescheld en de knecht stond te wachten. Had mijnheer Conyers al plan gehad nog langer te blijven, dan was dit nu onmogelijk. Met dat al was Vaux zeer beleefd en hoffelijk gebleven en geleidde den heer Conyers tot aan de deur, waar hij afscheid van hem nam.

Teruggekeerd wierp hij zich in een armstoel, waar hij zwijgend bleef zitten, totdat hij de voordeur hoorde dichtslaan. Toen barstte hij uit in lachen.

„Welnu nog mooier“, riep ik geërgerd, „waarom jaag je mijn kooper de deur uit?“

„Om hem terug te laten komen. Hadden we de zaken nu afgehandeld, dan hadt je hem niet weergezien“.

„Ik verlang hem ook niet weer te zien. Ik kan niet zeggen, dat hij mij bevalt“.

„Neen, zijn manieren zijn niet zeer beschaafd, maar overigens was het wel de moeite waard hem te bestudeeren. Zoodra hij je zijn rug toekeerde en meende onopgemerkt te zijn, verscheen er een zeer zonderlinge uitdrukking in zijn oogen“.

„Welke uitdrukking?“

„Juist die van het portret, dat die arme vrouw heeft doorgesneden“.

„Is het mogelijk!“ riep ik verbaasd, „ik heb niet de minste gelijkenis kunnen zien. Zijn oogen waren half dicht en stonden slaperig“.

„Hij is een goed acteur en voor deze gelegenheid oordeelde hij het noodig ze die uitdrukking te geven en hij heeft zijn haard laten groeien om niet te worden herkend“.

„Je bedoelt toch niet te gelooven, dat die man...“

„Niemand anders dan Darvill in eigen persoon“.

Ik wist niet wat er van te denken. Ik had niet de minste gelijkenis kunnen ontdekken. Maar ’t is altijd moeielijk iemand naar zijn portret te herkennen; vooral daar de baard natuurlijk een groote verandering moest teweegbrengen. Vaux was een scherpzinnig opmerker, maar hij kon zich toch vergissen. Over het geheel vond ik zijn ontdekking van zeer twijfelachtigen aard.

„Zijt gij zeker van uw bewering?“ vroeg ik.

„Hoe kan ik zekerheid hebben, daar ik den man nooit beb gezien? Maar ik acht het zeer waarschijnlijk. Ik zeide je immers reeds dat je de macht bezat hem uit zijn schuilhoek te lokken. Vulpian heeft hem alles verteld en hem je adres opgegeven, dat op je kaartje stond. Daar je artist bent, had hij gelegenheid om je te spreken en die heele geschiedenis van het landschap te willen koopen, was niets dan een voorwendsel, daar kan je zeker van zijn. Je landschap is nu niet zoo uitnemend schoon om de voorkeur te verdienen boven al de andere stukken van de tentoonstelling“.

„Dat weet ik nu zoo juist niet“, zeide ik „mij dunkt, dat het nogal goed geschilderd is“.

„Het heeft in elk geval goede diensten bewezen“, hernam Vaux lachend. „En nu begrijp je wat onze afspraak te Kensington beteekende. Ik moest iets verzinnen om hem te kunnen laten terugkomen“.

Waarom wenscht gij hem te laten terugkomen? Of liever wat zullen wij doen, als hij terugkomt?

„Zijn identiteit constateeren“.

„Op welke wijze?“

„Door te zorgen, dat mevrouw Darvill hier is. Er zal misschien een hevige scène voorvallen, maar wij zullen zorgen behoorlijk gewapend te zijn, want ik verkies geen vechtpartij in mijn atelier te hebben“.

Den volgenden dag ontving ik een brief van Vulpian om mij te melden, dat hij mijn boodschap aan zijn cliënt had overgebracht en dat deze hoopte het genoegen te hebben mij te bezoeken, zoodra hij in de stad zou komen. Dit zou waarschijnlijk over veertien dagen zijn.

„Dit werpt je geheele veronderstelling in duigen“, zeide ik tegen Vaux.

„Integendeel; het bevestigt dat mijn vermoeden juist is“.

„Wat beteekent die brief dan?“

„De verdenking van Conyers af te wenden. Die beschermer der kunst is als een vos zoo geslepen; hij heeft misschien opgemerkt, dat wij achterdocht koesterden, daarom heeft hij zijn zaakgelastigde, die een even groote schelm als hij zelf is, last gegeven ons te doen gelooven, dat Darvill zich niet te Londen bevindt.

„Het is mogelijk“, zeide ik, „maar die uitleg is dunkt mij nogal ver gezocht.

„Qui vivra verra“, antwoordde Vaux. „Ik geloof evenwel, dat ik op den rechten weg ben“.

Op raad van Vaux begaf ik mij nogmaals naar mevrouw Darvill. De arme ziel was in een zeer treurige, neergedrukte stemming en was ik voor iets anders gekomen, dan zou ik moeieljjk haar aandacht hebben kunnen opwekken. De naam van haar echtgenoot evenwel was voldoende om haar scherp te doen toeluisteren. Toen ik haar zeide, dat zij in het atelier haar echtgenoot zou ontmoeten, begonnen haar oogen op onheilspellende wijze te glinsteren en wrong zij zenuwachtig haar groote handen.

„Natuurlijk mogen er geen heftige dingen voorvallen“, waarschuwde ik. „Alles wat ik wensch te weten, is of wij den rechten man voor hebben. Daarna zullen wij samen bepraten wat ons te doen staat. Gelooft gij dat gij hem, veranderd als hij nu dooreen baard is, zult herkennen?“

„Voor mij kan hij zich nooit vermommen“, riep zij op schamperen toon.

Er werd nu afgesproken, dat zij te half drie bij ons zou zijn, daar onze bezoeker tegen vier uur werd verwacht. Natuurlijk verscheen zij, in haar drift om hem te zien, lang voor het afgeproken uur. Na haar aan Vaux te hebben voorgesteld, nam zij op een gemakkeiijken stoel plaats, waar zij in een half liggende houding zwijgend en in haar eigen gedachten verzonken bleef zitten, totdat de pendule op den schoorsteen vier sloeg.

„Nu zal hij weldra komen“, zeide zij opspringende.

„Ja, als hij op tijd komt“, antwoordde Vaux.

Maar hij kwam niet op tijd. De pendule sloeg half vijf, toen vijf uur en niemand verscheen.

„Gij hebt mij voor den gek gehouden“ riep zij toornig.

„Het is werkelijk geheel buiten mijn schuld“, antwoordde ik, „dat de man zijn woord niet houdt. Hij zeide om vier uur te zullen komen, niet waar Vaux?“

„Ja“, zeide Vaux, die over iets scheen na te denken.

Of mevrouw Darvill hiermede genoegen zou hebben genomen, betwijfel ik zeer, maar op dit oogenblik

[ 2 ] werd er aan de kamerdeur geklopt en bracht de knecht een brief binnen. Ik opende dien terstond. Het briefje was kort en luidde:

„Het spijt den heer Conyers zeer, verhinderd te zijn aan zijn voorgenomen bezoek gevolg te geven; hij hoopt evenwel dit genoegen eenige dagen later te hebben“.

„Dus zal hij ten slotte toch niet komen“, zeide mevrouw Darvill met heesche stem. „O, hij is zoo geslapen!“

„Wat zegt gij daarvan, Vaux?“

„Wilt ge zoo goed zijn het briefje aan mevrouw Darvill te laten zien?“

Zij trok het mij letterlijk uit de handen.

„Herkent gij het schrift, mevrouw?“ vroeg Vaux.

„Neen“, zeide zij teleurgesteld, „dat is zijn hand niet“.

Ik nam uit mijn portefeuille den blief, die aan Etheleen was geschreven, en vergeleek de beide handschriften. Neen, er was niet de minste gelijkenis tusschen.

„Dit pleit weder niet ten gunste van je veronderstelling“, zeide ik tot Vaux.

„En weder ben ik het hierin niet met je eens“. gaf hij ten antwoord. „De kerel is zoo geslepen, dat hij er niet licht zal inloopen. Dit briefje heeft hij waarschijnlijk door een ander laten schrijven, en zijn achterdocht zal gisteren zijn opgewekt door onze voorgewende, zoo haastige afspraak te Kensington. Misschien is hij ergens in de buurt gebleven, om te zien of wij zouden uitgaan. Daar dit niet zoo was, heeft hij de zaak niet vertrouwd. Dat soort van schelmen is gewoonlijk zeer voorzichtig“.

„Gij hebt je veronderstelling volkomen goed uitgewerkt“, zeide ik, „en toch voldoet je uitleg mij niet geheel en al“.

„Dat komt omdat gij de uitdrukking van zijn oogen niet hebt gezien, zoodra hij zich onopgemerkt meende“.

„Maar indien gij nu mocht gelijk hebben, wat moet er dan worden gedaan? Ik zie niet in dat wij veel hebben gewonnen“.

Op deze vraag gaf Vaux niet terstond antwoord. Hij zat in diep nadenken verzonken. Ik sloeg een blik op mevrouw Darvill en zag dat haar oogen strak op Vaux waren gevestigd. „Wat moet er worden gedaan?“ – was het eenige wat haar belangstelling opwekte en in ademlooze spanning zat zij op ’t antwoord te wachten.

„Ik heb nu alles rijpelijk overwogen“, begon hij eindelijk. „Ik ben er zeker van, dat Conyers Darvill is. Hij kwam om te onderzoeken, wat er waar kon zijn van uw bewering, dat miss Stuart niet dood is. Herinner je zijn vragen, toen hij hoorde dat gij te Grenzstadt waart geweest. Hij ontdekte dat gij er u juist bevondt op het tijdstip dat miss Stuart heette te zijn overleden; dat gij haar persoonlijk hadt gekend; dat zij u waarschijnlijk het een of ander op hem gelijkend had getoond, want hoe zoudt gij anders zijn portret hebben kunnen schilderen? Hij zou zeker vandaag zijn teruggekomen om nog meer te vernemen, indien zijn wantrouwen niet ware opgewekt. De twee brieven, natuurlijk beide door hem gezonden, dienen alleen om je zoo mogelijk te Londen te houden, daarom schrijft hij in naam van Darvill, dat hij je over veertien dagen zal komen bezoeken, en als Conyers veronderstelt hij dat gij, om je landschap te verkoopen, wel eenige dagen op hem zult wachten“.

„Nu, in elk geval zal dit ook wel het verstandigste zijn“, zeide ik.

„Als gij verstandig wilt handelen“, hernam Vaux, „dan moet gij juist het tegenovergestelde doen van hetgeen uw tegenpartij verlangt. Ik raad je dus om met de eerste de beste mail naar het vasteland en verder naar Grenzstadt te gaan. Verlies geen oogenblik, want hij is je reeds één dag voor“.

Ofschoon ik niet geheel en al overtuigd was, maakte de beslistheid, waarmede hij sprak grooten indruk op mij en besloot ik zijn raad te volgen.

„Ik ga ook“, zeide op eens mevrouw Darvill, die tot nog toe zwijgend had zitten luisteren.

Op alle manieren trachtten wij haar van dit plan af te brengen. Ik beloofde haar onmiddellijk te zullen schrijven hoe ik de zaken te Grenzstadt had gevonden, maar zij wilde naar geen rede luisteren.

„Maak u over mij niet bezorgd“, zeide zij. „Ik ken Duitsch en ben reeds vroeger op ’t vasteland geweest. Ik zal niet met u reizen of u ergens mee lastig vallen. Mijnheer Vaux heeft mij geheel overtuigd. Ik ben zeker, dat mijn echtgenoot op weg naar Grenzstadt is“.

Het was noodeloos er verder met haar over te praten en zij gaf ons ook geen gelegenheid, want zij stond op en terwijl wij nog aan ’t overleggen waren, had zij het huis reeds verlaten.

Tot mijn groote vreugde stemde Vaux er in toe mij te vergezellen. Haastig pakten wij onze reistasschen en vertrokken met de nachtboot. Den volgenden avond om acht uur waren wij te Grenzstadt. Ik had mijn hospita reeds een telegram gezonden om haar te verzoeken mijn kamers in orde te maken, alsook een slaapkamer voor Vaux. Wij gingen evenwel niet terstond naar juffrouw Dahlweiner, maar naar het huis harer zuster, juffrouw Metzger, waar Etheleen woonde, want Vaux had mij ten laatste overtuigd, dat er geen tjjd te verliezen was.

Juffrouw Metzger bewoonde de eerste verdieping, en dus gingen Vaux en ik terstond naar boven. Op den overloop gekomen, zag ik dat de toegangsdeur tot juffrouw Metzger’s appartement openstond. Achter een der gesloten deuren hoorden wij een verward gedruisch van stemmen, alsof er een hevige woordenwisseling plaats greep. Een der stemmen herkende ik terstond – het was die van Etheleen – waarop ik zonder plichtplegingen snel naar binnenging, gevolgd door Vaux. Wij konden ons niet vergissen in de kamer, waaruit de stemmen klonken, dus klopte ik aan de deur. Er kwam geen antwoord, maar ik hoorde Etheleen zeggen:

„Wat gij beweert is misschien waar, maar ik heb nooit met u tezamen gewoond en ben niet van plan dit ooit te doen“.

Dit was meer dan genoeg voor mij en de deur openend, trad ik met Vaux binnen.

Ik zag het volgende:

Achter de tafel, die in het midden stond en tegenover de deur, zag ik Etheleen in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid staan. Zij hijgde zichtbaar en het bloed was haar naar de wangen gestegen. Zelfs op dit oogenblik werd ik door haar schoonheid getroffen. Aan de andere zijde der tafel met den rug naar mij gekeerd, stond een man en een ander zat in den donkersten hoek van de kamer met de hand de onderste helft van zijn gelaat beschaduwend. Op dat oogenblik kerkende ik hem niet.

Bij het geluid van ons binnenkomen uitte Etheleen een lichten kreet en liet zich op een stoel nedervallen. De man, die met zijn rug naar ons toestond, keerde zich om en ik zag Conyers voor mij. De man in den hoek nam zijn hand weg en ik herkende Vulpian. Toen was ik niet weinig verheugd naar Vaux’s raad te hebben geluisterd en terstond op reis naar Grenzstadt te zijn gegaan.

(Wordt vervolgd.)