Limburger Koerier/Jaargang 76/Nummer 123/Swentibold en zijn beteekenis voor Sittard

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Swentibold en zijn beteekenis voor Sittard
Auteur(s) Ger. Krekelberg
Datum Zaterdag 28 mei 1921
Titel Swentibold en zijn beteekenis voor Sittard
Krant Limburger Koerier
Jg, nr 76, 123
Editie, pg [Dag], tweede blad, 4
Opmerkingen Worms vermeld als Womrs
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Swentibold en zijn beteekenis voor Sittard.

      Nu Sittard aan den vooravond staat van een groot feestelijk gebeuren ,en zijne zoo wijd bekende en beroemde turnclub, „Swentibold”, waarvan de bekende turner de heer Moons de voorzitter is, in ’t begin der volgende maand haar 40-jarig bestaan viert, zal ’t voorzeker den Sittardenaren niet onaangenaam zijn te vernemen, wat de historie bewaard heeft over hem, die van af de oprichting zijn naam schonk aan de kranige club, over Swentibold, die als hij nog leefde ,zich voorzeker niet zou hebben te schamen, zijn naam te hebben geleend als schutspatroon in haar vaandel of banier.
      Wij moeten echter eeuwen en eeuwen terug naar den ongelukkigen tijd der ruwe, roofzuchtige Noormannen, die in de laatste jaren der 9e eeuw dood, verderf, brand en diefstal brachten over ons schoone gewest Limburg, waarvan weegeroep en angstgeschrei, armoede en uitputting het gevolg waren. Een der hoofd-aanvoerders, even onverschrokken als wreed, was de Deen Godfried. Aan zijne onmenschelijke eischen en daden werd echter op zekeren dag een einde gesteld. Toen hij op hooghartige wijze beleedigende uitdrukkingen zich veroorloofde tegenover Everard, heer van Teisterbant, dien hij ook al van zijn Graafschap had beroofd, sabelde deze hem met een krachtigen goed getroffen slag ter neer. Later echter moesten tengevolge dezer daad verschillende streken het weer ontgelden, en drongen andere horden van Noren onder een nieuwen aanvoerder Siegfried door tot zelfs voor Parijs. In deze gevechten sneuvelde o.m. Markgraaf Hendrik. De toenmaals regeerende Keizer Karel de Dikke voelde zich nu niet meer op zijn gemak, ging accordeeren met den Noor Siegfried, en schonk hem een deel van Neustrië, later Normandië geheeten. Over deze daad waren alle voornamen bijzonder verontwaardigd, en zetten doodeenvoudig Karel den Dikke uit zijn ambt, eerst in Duitschland, later in Frankrijk.. Dat was in 888. En men koos in zijne plaats nu als keizer Arnulf van Karinthië, zoon van zijn broeder Karloman, dae later eene volkomen overwinning op de Noormannen behaalde, hen uit onze gewesten verjoeg en geen hunner, die nog overbleven, spaarde, waarna de woeste benden voor goed uit ons land zijn weggebleven, en naar het Noorden terugtrokken.
      Deze Keizer Arnulf had een natuurlijken zoon, die toen 18 jaren oud was en den naam droeg van zijn doopvader Swatopluk, bij de Duitschers Zwentibald geheeten ,later vervormd tot Swentibold en door den volksmond tot Sanderbout.
      De naam Swentibold schijnt te zijn ontstaan bij aanpassing uit oud-Germaansche naamstammen. Wij vinden erover in Graaf’s Nederl. doopnamen: Swanik; Zwanik; Suana, Suano; Suanucho, Suanabald, verder Swentibold. Op eene andere plaats: Suintha; Suint; Suidebold; Swidbold, Swindebald; Swentibold, Zwentibald. Zoodat naar de oud-Germaansche stammen die in dezen naam nog ver scholen liggen (Suana; Suintha, Bald) de beteekenis moet zijn: krachtig en gezwind. Suana = Zwaan, Boud, Bolt, Bold, Balda, Balt = onversaagd en sterk. Voorwaar een bijzonder toepasselijken naam heeft het oude bestuur der turnclub voor hare vereeniging gekozen. En niet beschaamd heeft de club Swentibold haren patroonsnaam ,getuige de vele lauweren, die zij tijdens haar bestaam op zoovele wedstrijden heeft geplukt. Laten de thans nog bestaande leden der vereeniging daarom voorzeker eene gepaste hulde brengen aan de nog overgebleven vier veteranen vanaf de oprichting. Het in te zetten feest verschaft hun daartoe eene geschikte gelegenheid. Volge thans eene uiteenzetting der historische gegevens over den vorstelijken schutspatroon der jubileerende turnvereeniging.


      Op eene vergadering van ’s Rijks Grooten te Womrs in 895, werd Swentibold op 25 jarigen leeftijd door zijn vader tot koning van Lotharingen verheven. Nu moest Swentibold ook eene vaste woonplaats hebben, of beter een koningszetel. Daartoe koos hij de steden Aken en Metz. Maar een plaatsje, waar hij bijzonder gaarne placht te verblijven, was het dorpje Born, bij Sittard; alwaar hij eene burcht of oud kasteeltje bewoonde, volgens oude geschriften Grasbroeck genaamd. Jammer, dat van deze burcht niets meer te vinden is. Op het kasteel te Boen bevond zich voor een twaalftal jaren, misschien is hij er nog, een oude zetelstoel, dien men bestempelde met den naam van „Stoel van Koning Sanderbout.” Anderen betwisten, dat deze nog van koning Swentibold afkomstig zoude zijn.
      De jonge koning trad op als onafhankelijke vorst, was nog al wispelturig en vechtzuchtig van aard en voerde gaarne oorlog, zonder zich om anderen te bekreunen. Daarover waren de graven en hertogen binnen zijn gebied slecht te spreken, en hij zoude daardoor al spoedig allen steun verloren hebben, ware het niet, dat Renier, Hertog van Hesbanië en Henegouwen zich erg voor Swentibold interesseerde, en wist te bewerken, dat hij de gunst als heerscher behield. De geschiedenis verhaalt ons, dat hij daarom de Abdij van Sint Servaas te Maastricht aan Renier heeft geschonken, hoewel deze Abdij eenige jaren vroeger, reeds door zijn vader Arnulf aan den aartsbisischop van Triër werd toegekend, en de bisschop dan ook begrijpelijkerwijze ernstig tegen deze eigendunkelijke manier van handelen protesteerde. Toch wenschte voornoemde hertog zich voor goed in ’t bezit te stellen der geschonken Abdij. Deze beweging gaf aanleiding tot eene vergadering te Aken in het jaar 898, waarop de Kerkvoogd Radboud van Triër de Abdij van den keizer terugeischte. Nu kon koning Swentibold niet meer aan de billijkheid, of beter de rechtvaardigheid ontkomen, en werd de bisschop voor goed eigenaar der schenking.
      Door zijn eigenaardig, aanmatigend optreden werden velen der grooten uit zijn land Lotharingen allengs zeer ontevreden. Zelfs de geestelijken begonnen tegen hem in opstand te komen. Van lieverlede waren een groot aantal aanzienlijken tegen Swentibold gekeerd. Zij wilden van onderdanigheid jegens hem niets meer weten, en verschansten zich in burchten en vestingen, welke, doch te vergeefs, door Swentibold werden belegerd. Hij gaf de belegeringen op, en trok onverrichter zake uit zijne stellingen terug.
      In dien tijd regeerde in Frankrijk de jeugdige Karel de Eenvoudige. De tegen Swentibold gekante vorstelijke personen boden dezen het koningschap over Lotharingen aan, waartoe hij dan ook niet ongenegen was. Terstond vormde Karel zich een legertje, belegerde en nam de steden Aken en Nijmegen, en maakte daarna aanstalten om op te trekken tegen Swentibold.
      Aan verdere krijgsbedrijven werd echter terstond nu een einde gemaakt door keizer Arnulf, zoodat de jeugdige Fransche Koning weer naar zijn land terugkeerde. In ieder geval had het prestige van Swentibold zooveel geleden, dat hij weinig eerbied meer kon afdwingen. Zelfs kon hij de geestelijken niet meer aan zich verbinden, hoewel hij kon wijzen op vele door hem gedane giften en schenkingen van allen aard. Verontwaardigd over zooveel tegenwerking ,gaf hij ten slotte alle verweer en vijandige actie op. Wat betreft zijne giften voegen wij hierbij een gedeelte uit eene oude chroniek van Sittard, medegedeeld door wijlen Aug. Dunckel:

      „Arnulf wurde unserer landfürst im Jahre 887, wehrend Seine Regierung gerieth Zuentibold (Alias Sanderbout) König in Lothringen (nach vieler meinungen in Mähren) mit den Deutschen in Krieg und lockte die Hünnen aus Ungarn in J. 892 mit grossen schaden nach Deutschland. Er kam auch über den Rhein in diese Laender, richtete grosse Verwüstungen an, und hat zu Born in der Königlichen Burg gewohnt allwo er die Privilegiën des Graitz busches für 14 umliegende Dörffe (worunter auch Sittard) in altfrankische Sprache geschriebem, gegeben und verlehnt hat. Im Jahre 900 blieb er in einer Schlacht an der Maas todt und würde zu Susteren im Stifte, dessen Einkünfte er wesentlich vermehrt hatte begraben, wo auch seine beide Töchter Benedicta Amalberga und Cecilia, so daselbst Klosterjungfrauen und nach ein ander Abtissinnen gewesen, beerdigt worden sind.
      Die Privilegen und Rechten in unserer alte Muttersprache geschrieben waren folgenden inhalts: „Gifte der Geradheyde, gegeven van Conink Sanderbout, aen de arme luyden van 14 Kirspelen, te weeten: Born, Guttekoven, Liemburg, Sittardt, Stein, Munstergeleen, Opgeleen, Beek Elsloo, Ormondt, Berg, Bicht, Papenhoven, Buchten.”

      Tot overmaat van ramp kwam nu nog, dat in het jaar 899 zijn vader, keizer Arnulf, stierf. Een nieuwe tegenspoed zette daarmede in, en de groo[t]en huldigden terstond den jeugdigen (7-jarigen) Lodewijk, wettige zoon van Arnulf, op den keizerstroon van Duitschland. Ook de Grooten van Lotharingen namen daarna den jeugdigen keizer tot hun koning, en zag Swentibold nu wel in, dat hij ofschoon naar zijn zin onverdiend, door alle personen van geeag en aanzien werd verlaten, woelzuchtigen, maar ook kloekmoedigen aard, zoodat hij thans, als laatste toevluchtmiddel naar het zwaard greep en een formeelen oorlog verklaarde aan alles en allen die hem in den weg stonden of hem tegenwerkten. Woedend over zooveel vernedering en machtsberooving trok hij door de landen met zijn leger, en spaarde in zijne gevechten niets en niemand, uit wraak over al ’t volgens hem door de medestanders van zijn broer aangedane onrecht. Ten slotte moest het tot een treffen komen van de beide tegenstanders, ja tot een verwoed en bloedig treffen. Zulks gebeurde dan ook op 13 Augustus van ’t jaar 900, in de nabijheid van Susteren. Na een hevigen, moorddadigen strijd moest de partij van Swentibold het opgeven, en werd later van onder de puinhoopen en gesneuvelden uitgehaald ook de ongelukkigen koning Swentibold. Men nam zijn lijk op, en vervoerde het naar de Abdijkerk van Susteren, (men zegt, dat zijne dochters Cecilia en Relindis het lijk hebben gezocht en gevonden onder de gesneuvelden en het zelf ter kerke hebben gedragen, waar het in de kerk van den Allerheiligsten Verlosser, waar ook rusten de H. H. Amelberga, Benedicta en Cecilia, werd begraven naast zijne brave vrouw Sofia.
      (Slot volgt.)

GER. KREKELBERG.