Limburgsch Dagblad/Jaargang 1/Nummer 12/Limburgensia

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Limburgensia
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 9 november 1918
Titel Limburgensia. 3.
Krant Limburgsch Dagblad
Jg, nr 1, 12
Editie, pg [Dag], Vierde blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

LIMBURGENSIA.

3.

      Gallië en België had Caesar onderworpen aan de Romeinsche republiek en aldus een gewichtigen dienst bewezen aan Rome en de menschheid in ’t algemeen.
      Acht volle jaren had hij besteed aan dat grootsche werk, elf legioenen er aan geofferd, zijn genie en zijn ongeëvenaarde werkkracht in zijn dienst gesteld.
      België, tot daartoe gelijk aan het vrije, ongetemde strijdros, dat we afgebeeld zien op de munten van Nerviërs en Eburionen, was nu geknecht en moest zich goedschiks aan den machtigen overwinnaar onderwerpen.
      Deze evenwel zocht op alle mogelijke wijze de geleden nederlaag te doen vergeten en de wonden, door den vreeselijken oorlog toegebracht, te doen genezen.
      Een geheel jaar door reisde hij van stad tot stad om de gemoederen te kalmeeren en de geesten voor zich te winnen. Geen zware belastingen wilde hij hun opgelegd zien en allen eerbied betoonde hij voor de overwonnenen en hunne krijgstropheeën.
      In een veldslag had hij eens zijn zwaard verloren. Zijn soldaten vonden het, opgehangen als offergave in een Gallischen tempel, en wilden het afrukken.
      „„Laat het hun behouden”, zei Caesar, „het is thans gewijd.”
      Hij liet hun echter nog veel meer: hun godsdienst, hun priesters, hun wetten en gebruiken, en hij bleef na de overwinning in hun midden, alléén om hun den algemeenen vrede te schenken en hen te hechten aan het groote Rome.
      Zelf had hij er overigens belang bij, die dappere volken aan zijn persoon te binden. Als eenvoudig burger had hij Rome verlaten, toen hij ten strijde trok: de grootsche wapenfeiten hadden hem nu te hoog verheven om niet nog hooger te willen stijgen.
      Zijne opvolgers echter gingen op zijn voetspoor niet, en het was vooral Augustus, die in het bestuur der provincies belangrijke veranderingen aanbracht.
      De burgeroorlog, die gedurende twintig jaren Rome teisterde, had de opgestapelde rijkdommen verslonden, handel en industrie vernietigd.
      In heel Italië heerschte armoe en ellende alom Alles bedelde, zelfs hooggeboren senatoren.
      Azië, het rijkste onder de Romeinsche wingewesten, was volslagen bankroet.
      Dientengevolge zag zich Augustus genoodzaakt een door en door revolutionnairen maatregel te nemen, n.l. vernietiging van alle schulden.
      Schatting werd niet betaald en de nood van de schatkist steeg dus altijd hooger.
      Om de stadhouders te beletten hun provincie te plunderen en uit te zuigen, wees Augustus hun een jaarwedde toe en om de rust in het rijk te handhaven organiseerde hij een staand leger van driehonderdduizend man.
      ’t Is onbekend, welke kosten daardoor ten laste vielen van den staat, doch men mag het budget van oorlog wel gerust schatten op 100 millioen gulden per jaar.
      Waar vandaan dat geld allemaal halen?
      Onder de republiek waren de belastingen weliswaar dragelijk, doch ongelijk verdeeld en ze werden geind geheel willekeurig. Caesar had reeds beproefd hierin verbetering te brengen, Augustus deed insgelijks. Weliswaar maakten zij zich beiden geen illusies de schattingen in ieder opzicht aan te passen aan de draagkracht der belastingschuldigen, doch zij zochten ten minste bij benadering de grootte van het onroerend bezit te leeren kennen om de lasten met meer billijkheid te kunnen verdeelen.
      En om daartoe te geraken, deed Augustus de kadastrale meting beëindigen, die Caesar was begonnen.
      Vier landmeters doorliepen, met een staf van helpers, het heele rijk om de afstanden te meten. Theodotus, naar de noordelijke provincies gezonden, voleindigde zijn taak in ruim negentien jaren.
      Hunne bevindigen, onder cijfers gebracht, werden in een centraal bureau te Rome zelf gecontroleerd en tot een geheel saamgebracht.
      Balbus, die aan het hoofd stond van dit bureau, zette een algemeen kadastraal register in elkaar en stelde een veldreglement op, dat verplichtend werd gemaakt voor de gezamenlijke provincies van het rijk.
      Agrippa, schoonzoon van Augustus, leidde als algemeen voorzitter jaren lang dit eminent werk; hij deed een groote wereldkaart teekenen en die in gedeelten aanbrengen op de muren in een speciaal daartoe ingericht gebouw, zoodat b.v. ieder lid van den senaat, dat aangewezen werd als gouverneur eener provincie, reeds van te voren uitgestrektheid en opbrengst van zijn gebied kon bestudeeren in wat wij vandaag zouden noemen het rijksbureau van statistiek.
      Hij kon daar vinden eene vrij nauwkeurige beschrijving van zijn gewest, de afstanden, in mijlen uitgedrukt, de staat van wegen, bergen, en rivieren.
      De bouwlanden waren er op verdeeld, volgens vruchtbaarheid en opbrengst, in verschillende klassen en overeenkomstig getaxeerd, en de landbouwer, die zijn belastingschuld jegens den staat kende, kon zijn akker verbeteren zonder bevreesd te zijn slechts voor den schatheffer te zullen werken.
      Deze generale meting had intusschen een ander werk van buitengemeen belang vergemakkelijkt.
      Waar eenmaal het rijksgebied opgemeten en in kaart gebracht was, daar bestond geen bezwaar meer een net van wegen en straten te trekken, die de Romeinen terecht beschouwden als een voorname steun van hun bewind.
      De Republiek had Italië overdekt met militaire wegen, het keizerrijk deed insgelijks in de provincies hield echter daarbij ook de handelsbelangen in het oog.
      Ook dit plan was uitgegaan van Augustus, die in Agrippa een ijverigen en kundigen medewerker vond.
      Die klassen van wegen werden aangelegd, of, waar ze bestonden, in goeden staat gebracht. Voor de groote verkeerswegen, ook Koninklijke of heerwegen genoemd, gold algemeen, ten minste waar geen onoverkomelijke bezwaren dit beletten, de rechte lijn ter verbinding van vaste punten — steden of dorpen — die op de groote kaart waren aagegeven.
      Al die wegen werden op de kaart bijgevoegd.
      Het centrale uitgangspunt was de gouden mijlpaal op het forum te Rome en van dat middelpunt werden de afstanden door het geheele rijk in mijlen gemeten en door steenen palen beteekend.
      Ook tabellen of afstandswijzers werden in de steden opgesteld, waarop men den afstand van verschillende plaatsen onderling zonder moeite kon vinden.
      Naar de groote geographische kaart van Agrippa zijn zonder twijfel naderhand op kleiner schaal kopieën of afdrukken ontstaan; en eene van deze kopieën is ons waarschijnlijk bewaard gebleven in een handschift o p 12 perkamentbladen, hetwelk in de 16de eeuw in bezit was van Conrad Pentinger, een bekend geschiedkundige te Augsburg, en naar hem wordt genoemd „de kaart van Pentinger”.
      Een jongere beschrijving der Romeinsche wegen is tot ons gekomen onder den titel van „Itinerarium Antonini”, welke volgens algemeen gevoelen uit de 4de eeuw dateert.
      Door onze provincie nu liepen 4 groote Romeinsche wegen of heerbanen, n.l.:
      1o. Die van Bavay over Tongeren naar Keulen.
      Volgens de kaart van Pentinger lagen aan dezen weg de Pons Mosae of Maastricht en Corriovallum, Heerlen.
      Tusschengelegen plaatsen, waar tal van Romeinsche oudheden gevonden zijn, en die dus te dien tijde bewoond waren, zijn: Wijk, Limmel, Meerssen, Houthem, Klimmen, Kunrade, Schaesbergh, Groenstraat, Rimburg; vandaar leidde de weg over de Worm naar Gulik en verder naar Keulen.
      In oude akten heet hij steeds van af Heerlen langs den Leenhof „„de heerbaan”; voorbij Schaesbergh onder de gemeente Nieuwenhagen wordt hij nog heden „Heerweg”, en in een oorkonde van 1632 in de heerlijkheid Broekhuizen „de heerstraat” genoemd.
      Daar, waar hij bij Rimburg over de Worm ging, lag tot tegen het einde der 18de eeuw een gasthuis met ruime kapel „aan der hersrrater” dicht bij de z.g. „„Gremelsbrugge, d. i. bij de oude, toen versleten brug.
      2o. Links van de Maas de weg van Tongeren naar Nijmegen, welke in ons gewest Oud-Vroenhoven, Ittervoort, Wessem, Hom, Buggenum, Kessel, Blerick, Grubbenvorst, Lottum, Broekhuijzen, Broekhuijzenvorst, Oyen, Blitterswijk, Wansum, Geysteren en Mook aandeed.
      3o. Van Aken naar Xanten.
      Hij sneed de heerbaan van Maastricht naar Keulen te Heerlen, en Heerlen werd aldus, als kruispunt van twee voorname banen, een plaats van meer dan gewone beteekenis ten tijde der Romeinen.
      Het verwondert ons dus ook niet, dat aldaar zoovele herinneringen aan Romeinsche kultuur in den bodem bewaard zijn.
      Aan deze lijn lagen verder: Valkenhuizen, Rompen, Brunssum, Schinveld, (Tüdderen), Echterbroek, Melick, Boekoel, Azenraai en Swalmen.
      Het boven vermelde Intinerarium heeft van dezen weg alleen het traject Heerlen—Tüddern of Teuderiacum—Xanten, met een afstand van 6000 passen of ongeveer 2½ uur gaans tusschen beide eerstgenoemde plaatsen.
      In de nabijheid van dezen vinden we reeds in 714 een gasthuis met kapel te Susteren, en insgelijks in de 8ste eeuw eene kapel op den St. Petrusberg bij den overgang over de Roer, het tegenwoordige St. Odiliënberg, hetwelk door Pepijn van Herstal geschonken werd aan de apostelen van Gelderland, Wiro en Plechelmus.
      Ofschoon het traject Aken—Heerlen in het Itiverarium niet is aangegeven, mag men gerust aannemen, dat ook dit gedeelte reeds ten tijde der Romeinsche overheersching is aangelegd. Vondsten, voornamelijk op Pruisisch gebied langs dit gedeelte gedaan, laten hieraan niet den minsten twijfel.
      4o. Eindelijk liep een vierde heerweg van Maastricht naar Aken, over Scharn, Heer, Bemelen, IJzeren, Schnelder, Gulpen, Wittem en Lemiers.