Limburgsch Dagblad/Jaargang 13/Nummer 52/Geschiedenis v.d. voormalige stad Susteren en van de adellijke abdij St. Salvator aldaar

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Geschiedenis v.d. voormalige stad Susteren en van de adellijke abdij St. Salvator aldaar
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 4 maart 1930
Titel Geschiedenis v.d. voormalige stad Susteren en van de adellijke abdij St. Salvator aldaar
Krant Limburgsch Dagblad
Jg, nr 13, 52
Editie, pg [Dag], tweede blad, [1]
Opmerkingen Gregorius van Utrecht vermeld als Gregorius, Alberik I van Utrecht als Albricus, Lodewijk de Duitser als Lodewijk van Germanië, Aldeneik als Alden-Eyck, Karloman van Beieren als Carloman
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Geschiedenis v.d. voormalige stad Susteren en van de adellijke abdij St. Salvator aldaar

      In onze vorige beschrijving hebben wij gezien wat de diplomen ons verhalen over het ontstaan der abdij te Susteren, waarvan de H. Willibrordus voorloopig het hoofd was.
      Na het overlijden van dezen Heilige in het jaar 739 bleven de bisschoppen van Utrecht steeds in betrekking met de abdij Susteren. De H. Gregorius, een verwant der Frankische Koningen, die gedurende twee en twintig jaren het bisdom bestierde en in 776 overleed, vertoefde meermalen in dt stift, en werd er, volgens, de getuigenis der kroniekschrijvers van Luik, naast zijn moeder de H. Vastradis begraven. Ook zijn opvolger en neef, de H. Albricus, die circa 783 overleden is vond er zijne ruststede. De overblijfselen dezer heilige en hoogaanzienlijke personen worden nog heden in de grijze Salvatorskerk te Susteren vereerd; zij rusten in twee lijkkistjes versierd met hun borstbeeld. In het jaar 1174 zag men er ook nog den gordel van den H. Gregorius en de tunica van den H. Albricus. Maar de afstammelingen van Pippijn, zich grondende op het diploom van 714 (zie onze vorige beschrijving) verdrongen weldra de opvolgers van Willibrord uit het bezit der abdij, die nu als een familiegoed werd geërfd, gebruikt en weggeschonken.
      Bij de bekende verdeeling des rijks, den 8 Augustus 870, tusschen de twee zonen van Lodewijk den Vromen, op eene landengte der Maas, bij Caestert, tuschen Meerssen en Herstal gesloten, werd de abdij Susteren „Abbatia Suestre” in rekening gebracht en op het aandeel van Lodewijk van Germanië gesteld.
In November van het jaar 882 verscheen een bende Noormannen, die de Maas opvarende, zich te Elsloo verschansten, en van daaruit de omstreken met vuur en zwaard bezochten. Maastricht, Luik, Tongeren en Keulen werden verbrand. Te Aken plaatsten zij hunne paarden in de zalen van het keizerlijk paleis en vrebrandden de stad.
      De kloosters Stavelo, Malmedy, Corneli-Munster, Pnum en Alden-Eyck werden geplunderd en verwoest; het keizerlijk paleis te Nijmegen werd een prooi der vlammen. Volgens de annalen van het Bisdom Luik onderging de abdij Susteren een dergelijk lot; zij werd verwoest en verbrand.
      Keizer Arnulf (887–899), die de abdij Susteren van zijn grootvader Lodewijk geërfd had, vond er geen bezwaar in dit veel beproefde godshuis weg te schenken. In dien tijde leefde in de abdij Pruim een voornaam kunstenaar, de priester Siginandus, die zich de gunst des keizers had weten te verwerven door zijne getrouwe dienstvaardigheid, zijn goeden wil, zijn onbesproken vlijt en zijne groote verdiensten. Hem schonk Arnulf de abdij Susteren met al hare aanhoorigheden en beloofde, dat Siginandus ze als eigendom zou hebben, houden en bezitten; dat niemand zijner opvolgers hein in dat bezit zoude stooren. De eenige voorwaarden aan deze schenking gehecht, was dat men dezelfve zou betrachten als een aalmoes gegeven tot de zalige nagedachtenis van hem, van zijn vader Carloman en van zijn grootvader Lodewijk.
      Uit dit diploom, hetwelk den 23 Februari van het jaar 891, te Regensburg, drie maanden voor den triomf der Noormannen op de oevers der Geul, bij Valkenburg werd uitgevaardigd, blijkt het volgende.
      Ten eerste: Dat de abdij Susteren sedert eenigen tijd eene groote verandering had ondergaan. Aan de mannelijke bevolking waren vrouwen gevolgd. Voor het jaar 891 kwamen daarin niets dan mannen (fraters) voor. Mogelijk is het echter, dat aanvankelijk deze abdij, gelijk de meeste dier instellingen, te gelijk uit mannen en uit vrouwen bestond. De overgang tot een uitsluitend vrouwelijk stift, kon in deze veronderstelling gevoegelijk gaan door het verplaatsen der mannen naar een ander stift of door het verbod van nieuwelingen uit het mannelijk geslacht aan te nemen. Misschien heeft de verwoesting der abdij door de Noormannen tot deze verandering iets bijgedragen.
      De vrouwen leefden volgens den regel van den H. Benedictus.
      In het diploom over Susteren, gegeven door Pippijn van Herstal in 714, vinden wij onder de onderteekenaars Blendumen abdisse en Adelbertus abt. Vermoedelijk hebben dezen aan het hoofd der abdij Susteren gestaan.
      Ten tweede blijkt uit dit diploom, dat de eigendommen der abdij destijds zeer aanzienlijk waren. Zij bestonden uit meerdere kerken, vele kloostercellen, hoeven, hutten en andere gebouwen, dienstmannen en lijfeigenen der twee geslachten, velden, akkers, weiden, wijngaarden, beemden, bosschen, waters, walerdriften, molens, vischvijvers, wegen en stegen, uitgangen en toegangen, bebouwde en onbebouwde gronden, betwiste en onbetwiste eigendommen, met een aantal roerende en onroerende goederen, te Susteren en elders gelegen. Op het einde van dit stuk gaf de keizer aan Sigenandus verlof, om Susteren te mogen overdragen aan een andere vergadering van geestelijke personen. Sigenandus deed dit ten voordeele der abdij Pruim in de Eifel, een vermaard klooster van de orde der Benedictijnen, waarin hij monnik was. Deze schenking gaf aanleiding tot veelzijdige relatiën tusschen Pruim en Susteren.

(Wordt vervolgd).