Mainzer Beobachter

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Mainzer Beobachter

Auteur Eduard Douwes Dekker
Genre(s) Non-fictie
Brontaal Nederlands
Datering 1866-1869
Bron Opregte Haarlemsche Courant
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Mainzer Beobachter op Wikipedia

In januari 1866 vlucht Multatuli naar Duitsland, omdat in Nederland een strafzaak tegen hem loopt. Bij verstek wordt Multatuli veroordeeld voor vijftien dagen cel en twee geldboetes, voor het slaan van iemand. Dit betekent dat hij niet zonder meer naar Nederland kan terugkeren. Omdat zijn financiële situatie bijzonder slecht is, accepteert Multatuli een baan als correspondent voor de Opregte Haarlemsche Courant.

Het is de taak van Multatuli regelmatig te rapporteren wat de kranten in het Rijnland te melden hebben, maar omdat Multatuli graag zelf iets te vertellen heeft, verzint deze zelf een krant, en noemt hem de Mainzer Beobachter. In deze krant zet Multatuli zijn eigen mening, en vervolgens kan hij de Mainzer Beobachter gebruiken in zijn eigen stukjes.

Dit gaat een tijdje goed, maar omdat Multatuli zijn mond niet weet te houden, komen de heren Enschedé, eigenaren van de Opregte Haarlemsche Courant, te weten dat de zo vaak geciteerde krant, helemaal niet bestaat. En zo komt in 1869 een einde aan het Rijnse correspondentschap van Multatuli.

Dit zijn de verzamelde werkjes uit de Opregte Haarlemsche Courant waarin Multatuli zijn fictieve Mainzer Beobachter citeert.

Inhoud

15 november 1866 - Brandewijnkroegen[bewerken]

De gemeentebesturen in het Nassausche hebben last bekomen, zeer omzigtig te werk te gaan met het verleenen van concessien tot het houden van brandewijnkroegen. Er is onder anderen vastgesteld, dat in landelijke gemeenten slechts ééne concessie mag verleend worden op 300 zielen. De Mainzer-Beobachter vindt dit nogal veel, en zegt te hopen, dat de ondoelmatigheid dezer bepaling zal worden opgewogen door een streng toezigt op de hoedanigheid van het verkochte. Ook zou er, volgens dat blad, moeten worden gelet op het tappen van sterke dranken in kraampjes op de markten, waar zeer dikwijls de wet wordt ontdoken, door het gratis schenken van brandewijn, als voorgewende toegift bij den tegen te hoogen prijs aangerekenden verkoop van kleine artikelen.

15 november 1866 - Loterijen - Gebeden[bewerken]

De couranten zijn gevuld met advertenties over loterijen uit allerlei landen. In verband namelijk met de bepaling, dat de geannexeerde gewesten eerst in October 1867 volkomen zullen worden opgenomen in de pruissische administratie, zijn de verschillende lands- (en, wat Frankfort aangaat, stads-) loterijen nog niet met de pruissische inééngesmolten. Eerst later zal de pruissische loterij, de verschillende speelinrigtingen in zich opnemende, eene evenredige uitbreiding ondergaan. 'Hoe dit alles rijmt (zegt de Mainzer-Beobachter) met den kruistogt, die alom in Pruissen wordt gepredikt tegen de groene tafels te Homburg, te Wiesbaden en te Ems, begrijpen wij niet. Spel is spel.'—Diezelfde courant behandelt een artikel uit de Kreuz-Zeitung, waarin dat blad de anti-pruissische demonstratien gispt, welke te Hannover en elders plaats gehad hebben in de kerken, bij gelegenheid van het gebed voor den Koning. De Kreuz-Zeitung had onder anderen gezegd: 'Zulke demonstratien vallen onder het Oordeel des Heeren. Wie niet wil medebidden met de gemeente, blijve des zondags tehuis; maar, wie in de kerk wil te koop loopen met politieke meeningen, heeft met de huichelaars zijn loon weg.' Het Mainzer blad, betuigende, even zeer als de Kreuz-Zeitung de bedoelde demonstratien aftekeuren, vraagt evenwel, hoe hier van huichelaars spraak kan zijn, en of niet veeleer het vermoeden van huichelarij hen treft, die altijd gereed zijn, op hoog bevel, te veranderen van onderwerp des gebeds? 'Dat politieke demonstratien in de kerk niet te pas komen (gaat het voort), stemmen wij toe; maar is niet het bewuste gebed zelf eene politieke demonstratie? Het verschil tusschen de godsdienstleeraren, die bidden, en de rustverstoorders, die met gedruisch de kerk verlaten, ligt alleen hierin, dat de eersten en règle zijn met de politie; de anderen niet. Slechts weinig maanden geleden werd de stemming, die nu aandrijft tot onbehoorlijk geraas, plegtig verkondigd van den kansel. Men moet derhalve die levenmakers niet al te streng veroordelen, en vooral hen niet schandvlekken met den naam van huichelaars. Indien zij dat waren, zouden zij rustig medebidden, onverschillig voor welken Vorst.'

25 november 1866 - Gezant[bewerken]

Uit Darmstadt wordt geschreven, dat de nieuwbenoemde gezant van Pruissen, de heer von Wentzel, den Groothertog zijne geloofsbrieven heeft aangeboden. De Mainzer bladen doelen herhaaldelijk op de moeielijkheid van de taak, welke deze diplomaat zal te vervullen hebben, vooral in verband met den tweeslachtigen toestand van Oberhesen. Volgens de Kreuz-Zeitung (en geen der hessische bladen loochent dit beweren), beweegt zich te Darmstadt eene anti-pruissische partij, 'die de onbeschaamdheid heeft, zich de duitsche te noemen.' Vrij algemeen is men van oordeel, dat de toestand van Oberhesen 'pijnlijk en onhoudbaar' is. Op de beschuldiging, dat men in de hessische hoofdstad Pruissen niet genegen is, antwoordt de Mainzer Beobachter met de vraag: 'Of men zich dit, na al het voorgevallene, anders had voorgesteld?'

1 december 1866 - Militairen[bewerken]

Men verneemt uit Hanau, dat de militaire ligting aldaar geregeld en ordelijk plaats heeft. De opgeroepen doortrekken, met bloemen en linten gesierd, de straten. Men kon in de stemming geen verschil bemerken met vorige ligtingen onder keurhestisch bestuur. De Mainzer-Beobachter, dit berigt uit pruissische bladen overnemende, drijft den spot met 'het optimismus, dat zelfs uit de brooddronkenheid van beschonken jongelieden stof meent te mogen putten om den nieuwgeschapen toestand te verheerlijken. Wij hopen (gaat die courant voort), dat de pruissische politiek andere en betere bewijzen van tevredenheid moge inoogsten, dan het geschreeuw van miliciens, die hunne nieuwe loopbaan inwijden met onmatig gebruik van brandewijn. Ook onder het vorige bestuur bestond die zeer onbehoorlijke gewoonte; maar wij vernamen nooit, dat de keurvorstelijke Regering zulk straatrumoer durfde aanvoeren als een bewijs van algemeene tevredenheid. Niemand zou het ook als zoodanig hebben aangenomen; maar tegenwoordig, na Königgratz, schijnt alles veranderd te zijn.'

8 december 1866 - Verliezers[bewerken]

De Mainzer-Beobachter verwondert zich over het opzien, hetwelk telkens te Berlijn schijnt te worden teweeggebragt door het minste teeken van ontevredenheid in kringen, 'die niet mogten medejubelen in den overwinningsroes van Königgrätz.' Dat blad vergelijkt den toestand van Pruissen en sommige omliggende landen met de stemming van personen, die met elkander gespeeld hebben. 'Dat de winner tevreden is (zegt het), laat zich begrijpen; hem is niets aangenamer dan het gewonnene te behouden en zijnen buit in veiligheid te brengen; maar hij gunne den verliezer het regt, te peinzen op de mogelijkheid eener revanche. Te allen tijde (gaat dat blad voort), vonden overwinnaars niets natuurlijker dan dat zij overwonnen, en het veroverde behielden; maar even natuurlijk is het, dat anderen, wien het lot minder gunstig was, het verlorene trachten terug te erlangen. De verbrokkeling van Hessen is reeds treurig genoeg, zonder dat men nog daarbij vordere, dat wij daarin berusten, of, erger nog, ons daarover zelfs verheugen zouden.'

8 december 1866 - Dotatiewet[bewerken]

De dotatie-wet houdt veler aandacht gaande, en zeer weinigen schijnen tevreden met het standpunt, waarop thans die zaak gebragt is. Streng-monarchalen betreuren de, volgens hen, ongepaste inmenging der Kamer in eene zaak, die, naar hun gevoelen, alleen den Koning aangaat. 'Gesteld (schrijft een Coblenzer blad), men had den Volksvertegenwoordigers opgedragen, aan zekere ambtenaren bij eenigen tak van algemeen bestuur eene belooning toetekennen voor buitengewone inspanning. Zou niet, in dergelijk geval, de Kamer zich doen voorlichten door den persoon, die, aan het hoofd van dat corps ambtenaren staande, geacht worden kon, beter dan iemand te weten, hoe de toegedachte belooning behoorde te worden verdeeld? Welnu, is niet de Koning het hoofd des legers? Moet hij geacht worden te kunnen beoordelen, wie zijner generaals het meest heeft uitgemunt? Is het niet eene kleingeestige bemoeizucht, Z.M. hierin als het ware de handen te willen binden? En het zijn niet alleen de buitengewone diensten, die hier in aanmerking komen: ook de financiële omstandigheden der betrokkenen behooren invloed te hebben op de verdeeling der toegelegde belooning; en hetgeen zeer geschikt en zonder de minste onkieschheid zou kunnen worden overgelaten aan de beoordeling van Z.M., wordt een doornig onderwerp ter behandeling van anderen, zij mogen dan al of niet behooren tot de Vertegenwoordigers des volks. Het kan den generaals, wier beleid en moed de grenzen des vaderlands hielpen uitbreiden, niet aangenaam zijn, zich op die wijze 'getaxeerd' te zien, noch wat hunne verdiensten aangaat, noch wat hun geldelijk vermogen betreft; en hetgeen vereerend wezen kon uit den mond van hunnen Koning, zou misschien kwetsen, indien 't werd uitgesproken door anderen'. Ook sommige liberale bladen betreuren de wending, die deze zaak genomen heeft, en vreezen, dat de inmenging der Kamer een precedent zal daarstellen, hetwelk ten laatste de Volksvertegenwoordiging zou doen afdalen tot eene commissie tot het afnemen van vergelijkende examens. 'Men had (zeggen die bladen) de gevraagde som moeten toestaan of moeten weigeren; dit ging de Kamer aan, en wij, voor ons, zouden eene weigering natuurlijk hebben gevonden, zoo lang vele noodzakelijke uitgaven moeten uitgesteld blijven; maar in geen geval kwam het te pas, zich optewerpen tot beoordeelaars over den juisten graad van verdienstelijkheid der betrokkenen'. Velen beweren, in strijd met de meeste Berlijnsche couranten, dat graaf Bismarck het hem door de commissie toegedachte aandeel in de geldelijke belooning niet aannemen zal, en noemen dit zoowel eene daad van bescheidenheid als van welbegrepen politiek. 'Men moet de handen vrijhouden (zegt de Mainzer-Beobachter) om den twijfelachtigen vriend van heden, die gisteren nog onze verklaarde vijand was, bij gelegenheid de deur te kunnen wijzen; en dat kan men niet, indien men de hand in den zak heeft. Kamerontbindingen zijn van die zaken, welke nu en dan te pas komen in de avontuurlijke politiek onzer dagen.' Diezelfde courant, de voorstellen der commisie uit de Kamer over de dotatiewet besprekende, vraagt: 'Of men zich ook beijverd heeft, de namen te leeren kennen van de personen, die, in den vorm van oorlogscontributien, hebben bijgedragen tot stijving van de pruissische schatkist? Indien men zoo naauwkeurig weten wil (gaat het bedoelde blad voort), hoe de namen luiden der personen, die iets uit de schatkist zullen ontvangen, behoorde men even stipt onderzoek te doen naar de wijze, waarop zulke gelden in die schatkist gevloeid zijn. Maar zoo ver gaat waarschijnlijk de naauwgezetheid der Berlijnsche Volksvertegenwoordiging niet. Men neemt de provincien gretig aan, maar verzet zich tegen het sparen van de molens.'

16 december 1866 - Volksvertegenwoordiging[bewerken]

De Coblenzer-Zeitung, in eene reeks hoofdartikelen het 'grondwetsconflict' behandelende, vaart hevig uit tegen de maatregelen, waardoor het ministerie zich in de nieuwe Kamer eenig overwigt heeft trachten te verschaffen. 'De Regering (zegt zij) heeft eene soort van ruilhandel willen drijven, en dat behoorde beneden hare waardigheid te zijn, gelijk het beneden de waardigheid der Volksvertegenwoordiging is, zich daarmede intelaten. Ware de voorgenomen reorganistie des legers goed, welnu, dan zou dit goede ook wel begrijpelijk hebben kunnen gemaakt worden aan de mannen, die het volk waardig oordeelde, zijne belangen te behartigen; en indien de bedoelde veranderingen niet goed zijn, mogt men niet naar spitsvindige machinatien omzien, ten einde zaken doortedrijven, waarin het volk een ernstig woord heeft medetespreken. Toch hopen wij, dat de toeleg mislukken moge. Wij verwachten dat zelfs. Het land is door de Kamer-ontbinding, en door hetgeen daarop gevolgd is, ontstemd en verbitterd. Vele gematigde elementen der middenpartij zijn, als het ware, met geweld in de gelederen der oppositie gedrongen, en de vooruitgangspartyij, vereenigd met het linkercentrum, heeft voortaan een onbestreden overwigt in de Kamer.' De Mainzer-Beobachter, deze conclusie van het Coblenzer blad besprekende, vraagt, waarom dan de liberalen zich beklagen? 'Indien de handelingen der Regering (zegt dat blad) uwe partij zoo aanmerkelijk hebben versterkt, behoordet gij haar daarvoor dankbaar te zijn. Of zijt gij misschien niet geheel zeker van uwe zaak, en is welligt de vrees, dat de stemming der natie, vooral na de behaalde voordeelen, niet bijzonder anti-ministrieel is, de oorzaak uwer verstoordheid? Wij, voor ons, gelooven, dat pruissische harten niet zoo geheel afwijkende van de algemeen-menschelijke natuur zullen geschapen zijn, dat zij niet nu en dan (als elders en overal) zouden aandrijven tot het offeren op de altaren der godin Fortuin. Het is, na Königgräz, moeijelijk, alles wat graaf Bismarck deed zoo bijzonder slecht te blijven vinden. O, indien de uitslag anders geweest ware!'

21 december 1866 - Acten[bewerken]

Bij de liquidatie-commissie van het Duitsch-Verbond, te Frankfort, is door het bestuur dier stad eene vordering ingediend van 1,200,000 fl. voor sedert het jaar 1848, boven de voorgeschreven verpligtingen, gedane verstrekkingen. Er is vervolgens een ontwerp ter tafel gebragt omtrent de pensionering der Bonds-beambten. Ook verneemt men, dat nu door de commissie regelen zijn aangenomen aangaande de toewijzing van eenige voorwerpen, die aan het voormalige Duitsch-Verbond behoorden. De acten uit het archief en van de militaire Bonds-commissie (de Mainzer-Beobachter noemt deze stukken 'scheurpapier') worden aan Pruissen in bewaring gegeven; welke mogendheid zich verbindt, die oorkonden te allen tijde toegankelijk te houden voor de Regeringen des voormaligen Verbonds. Er is een termijn gesteld, binnen welken particulieren hunne eventuele aanspraken op stukken in dat archief moeten doen gelden. De bibliotheek en de, naar men beweert, zeer belangrijke verzameling van kaarten en plannen, zullen in de Frankforter Stads-bibliotheek bewaard worden, mede onder voorwaarde van toegankelijkheid voor de vroegere leden des Verbonds en, onder zekere bepalingen, voor particulieren. De Regeringen worden uitgenoodigd, de daaronder voorkomende verzameling van wetten hunner Staten te completeren. Gereedschappen, meubelen, schilderijen en andere voorwerpen van geschiedkundig belang (hieronder bevindt zich de vlag van het deensche fregat Gefion) worden ten geschenke gegeven aan het Germaansch Museum te Neurenberg.

23 december 1866 - Eed[bewerken]

Omtrent de werkzaamheden der minister-conferentie voor de zamenstelling van het Noordduitsch-Verbond wordt in sommige Rijnsche bladen melding gemaakt van een plan om den militairen eed van trouw aan den Bonds-veldheer te 'combineren' met den eed aan den Souverein van het land, waartoe de troepen behooren. De Mainzer-Beobachter maakt daarbij de opmerking, 'dat een gecombineerde eed,—dat wil in een zeer denkbaar geval zeggen: een eed in twee rigtingen,—eigenlijk vrij wel gelijk staat met geen eed.'

26 december 1866 - Adres[bewerken]

Vroeger is beweerd, dat het te Wiesbaden in omloop gebragte adres, strekkende tot handhaving der speelpacht, weinig deelneming vond. Die meening was onjuist. Meer dan 3000 ingezetenen, meestal eigenaars van percelen in genoemde stad, hebben dat adres onderteekend. De Mainzer-Beobachter, dat berigt mededeelende, voegt daarbij de opmerking, dat, wel is waar, het spel moet worden beschouwd als iets zeer verdefelijks, maar dat evenwel de Wiesbadensche adressanten in hun goed regt zijn, wanneer zij aanspraken verdedigen, die gewettigd zijn door de toelating en bescherming der Regering. 'Het opheffen (zegt het genoemde dagblad), het opheffen der speelbanken, zonder schadeloosstelling der personen, die door deze inrigtingen genoopt zijn geworden, hun vermogen in gronden of huizen te Wiesbaden te beleggen, zou onbillijk wezen, en men bereikt geen zedelijk doel met onzedelijke middelen. Het blijft de vraag, of het spel kan verboden worden, en of niet het tegengaan der openbaarheid, juist tegen de bedoeling des wetgevers, den hartstogtelijken, of door nood gedreven speler (want voor weinigen is het spel een vermaak) overlevert aan de schurkerij van chevaliers d'industrie, die in 't verborgen hunne slagtoffers plunderen door valsch spel. Bij de openbare speelbanken heerscht althans loijauteit. Dit moet wel, daar het der directie van die Banken volkomen onverschillig is, of er gewonnen of verloren wordt. Hare winst bestaat doorgaans in een zeker quantum, als belasting van al het geld, dat op de groene tafel wordt geworpen, en niet in het toevallig verlies van den speler, dat altijd wordt opgewogen door de even toevallige winst van een ander. Valsch spel aan eene openbare Bank is reeds hierom onmogelijk, wijl daartoe medepligtigheid zou noodig zijn van de geëmployeerden, die al zeer spoedig van de hun bekende lots-correctie, door middel van een compère, zouden gebruik maken om zich te verrijken. Geene inrigting is zóó gedwongen tot eerlijkheid, als eene publieke speelbank; en het ware te wenschen, dat zulke dwang ook kon worden toegepast op andere speculatien, die zich sieren met den deftigen naam van zaken. Was er zedelijkheid in het wedden voor Lee's zuidelijke genie, of Grant's noordelijke veerkracht? En hoe velen hebben (somtijds niet zonder het uitstrooijen van valsche berigten) daarop gespeculeerd? Doch, dit alles daargelaten, de eigenaars van vastigheden te Wiesbaden, te Ems, te Homburg hebben regt op schadeloosstelling, wanneer de moraliteit van het naaldgeweer de waarde hunner bezittingen doet dalen; en Pruissen zal zich te verantwoorden hebben over de tegenstrijdigheid van het begrip van spel, al naar mate dit den naam draagt van rouge-et-noir of van koninklijk-pruissische Staats-loterij.

4 januari 1867 - Constitutie[bewerken]

De Norddeutsche Allgemeine-Zeitung schrijft: 'Hoe meer wij het oogenblik naderen, waarop de voorlopige Constitutie van het Noordduitsch-Verbond afgekondigd zal worden, hoe meer zich overal wenschen en verwachtingen lucht geven, welke de partijen aan die Constitutie vastknoopen. Maar, is het geoorloofd, dat staatsstuk aan de critiek der partijen te onderwerpen? Wij meenen, dat dit eene dwaling zou wezen, die niet te vroeg en niet te ernstig kan bestreden worden. Het zijn niet de partijen, die den grond ontgonnen hebben, waarin deze Constitutie zal moeten wortelvatten. De conservatieve partij heeft, wel is waar, de politiek der Regering getrouwelijk ondersteund, maar kan daarom nog niet beweren, den tegenwoordigen toestand geschapen te hebben. Nog minder kan dit de andere partij doen, welke het ministerie bestreden en, tot op het laatste oogenblik toe, alle verantwoordelijkheid voor hetgeen voor de deur stond van zich afgeworpen heeft. Neen, de toestand zoo als die nu, door de ontwikkeling en inspanning der krachten van het geheele volk ontstaan is, is niet het eigendom van de partijen, maar van de natie.' De Mainzer-Beobachter gispt dit artikel, als vele woorden bevattende om niets te zeggen. 'Elke partij (zegt dat blad) beweert, de natie te vertegenwoordigen; en de vraag zal wel altijd blijven, welke partij dit met regt beweren kan? Zoo lang de wereld staat is het woord 'weldenkend' eene vertaling geweest van 'ik en mijne geestverwanten', en dat zal wel altijd zoo blijven.'

11 januari 1867 - Achtenswaardigheid[bewerken]

Men schrijft uit Wiesbaden: 'Tot eer onzer stad dient gezegd te worden, dat het gerucht, als zou het adres aan den Koning tot behoud van de speelbank, onderteekend zijn geweest door meer dan 3000 achtenswaardige burgers, gebleken is, valsch te zijn. Hoe vele handteekeningen op dat stuk gesteld zijn, weten wij niet; maar dit weten wij, dat het slechts geteekend is door aandeelhouders in de Bank, geëmployeerden en bedienden van die inrigting, door schoolkinderen en marktvrouwen. Ook beweert men, dat het stuk niet is doorgezonden aan den Koning, daar de burgerlijke commissaris zou geweigerd hebben, het aantenemen, toen het hem werd aangeboden door zekeren aandeelhouder in de Bank; een man, wien Hertog. Adolf had gedecoreerd voor verdiensten van zeer dubbelzinnigen aard.' De Mainzer-Beobachter, dit berigt mededeelende, zegt, niet te kunnen gelooven, dat geene 'achtenswaardige' bewoners van Wiesbaden daarop zouden hebben geteekend. 'Achtenswaardig (zegt dat blad) in maatschappelijk-staatkundige zin (en dit moet hier bedoeld worden, daar er geene spraak kan zijn van gewetens-onderzoek), achtenswaardig is ieder, die een flink huis bewoont; daarin een nuttig bedrijf uitoefent; behoorlijk zijne belasting opbrengt, enz. Daar nu nagenoeg alle bezitters en bewoners van huizen te Wiesbaden de middelen tot het ophouden hunner 'achtenswaardigheid' moeten putten uit het verkeer, dat de speelbank in het leven roept, zou er eene zeer buitengewone maat van zelfverloochening vereischt worden om de opheffing van de speelbank onverschillig aantezien. Zeker zou het een ongewoon verschijnsel zijn in de wereldgeschiedenis, eene geheele stad bewoond te zien door Cato's en stoïcijnen. Die al te gewillige marktvrouwen moeten zich misplaatst gevoelen te midden van zoo veel deugd.'

15 januari 1867 - Vereniging[bewerken]

In de officiële Coburger-Zeitung van 9 Januarij, leest men het volgende: 'Het Frankfurter-Journal zegt, berigten ontvangen te hebben omtrent eene conferentie der thüringsche Vorsten te Meiningen, waar deze zouden hebben beraadslaagd over eene vereeniging der thüringsche Hertogdommen onder den Groothertog van Weimar. Dat berigt is ongerijmd, en verdient bijna geene ernstige wederlegging. Ofschoon men van tijd tot tijd het publiek in spanning brengt door zulke geruchten, kan men toch aannemen, dat zoodanige combinatie van officiële zijde nooit beoogd werd of worden zal. Duitschland heeft lang genoeg gezucht onder het bestaan van zoo vele Midden-Staten, te zwak om het initiatief te nemen dáár, waar het de ontwikkeling des volks betrof; te sterk om zich gewillig te voegen naar de eischen van het geheel. Het zou eene politieke fout wezen, thans op nieuw zulk een staat in het leven te roepen, en het volk zelf zou daaruit meer nadeel dan voordeel trekken. Bovendien heeft Thüringen niet de minste reden om de meerderheid van Weimar te erkennen. De groothertogelijke titel alleen zal toch wel niet als voldoend motief kunnen gelden. Het Groothertogdom Weimar is niet veel uitgebreider dan de andere thüringsche Staten, en geenszins beter gelegen, of geschikter, dan elk ander deel des lands, om het middelpunt eener nieuwe groep te zijn. Zulke halfbakken proefnemingen leiden tot niets degelijks, en zouden radicale verbeteringen, die later verwacht kunnen worden, in den weg staan.' De Mainzer-Beobachter voegt hierbij: 'Wanneer wij den geest, die in Coburg heerscht, niet beter kenden, zou men door bovenstaande beschouwingen op het denkbeeld geraken, dat men daar aan Pruissen alleen het regt van annexeren toekent. Wij gelloven echter, te kunnen verzekeren, dat dit geenszins de bedoeling is der officiële Coburger-Zeitung, en dat zij met de verwachte radicale verbeteringen geheel andere uitzigten verbindt.'

15 januari 1867 - Verkiezingen[bewerken]

Omtrent de verkiezingen voor het noordduitsche Parlement deelt het Norddeutsch-Volksblatt het volgende mede: 'Een groot aantal (101) leden der conservatieve partij hebben een programma in het licht gegeven, waarnaar de kiezers zich zouden te rigten hebben, en daarin wordt het pruissische Koningschap als middenpunt van duitsche eenheid en vrijheid, benevens de geheele Bismarcksche politiek op den voorgrond gesteld. Wij noemen dat programma zeer elastisch, en verklaren ons daarmee geenszins tevreden. De noordduitsche Rijksdag mag niet ontaarden in een pruissisch parlementarismus met eenigzins uitgebreider bevoegdheid. Die vergadering behoort juist integendeel een correctief daartestellen; een middel om het Berlijnsche Parlement onschadelijk te maken, de Grondwet te herzien en te veranderen in strikt-monarchalen zin. Waarom zou men de pruissische Constitutie niet in vrede laten ten grave dalen? De gelegenheid tot ''forsch ingrijpen in de pruissische staatsverordening '' (v. Bismarck's woorden), welke door graaf Bismarck, den man van bloed en ijzer, zoo roemrijk voorbereid en daargesteld is, zal niet ligt ten tweeden male zoo wettig en plegtig, onder zulke gunstige omstandigheden als tegenwoordig, zich voordoen.' De Coblenzer-Zeitung maakt hierop de volgende aanmerkingen: ''Alzoo wil de reactiepartij door den Rijksdag het pruissisch parlement en de Grondwet vernietigen, terwijl de nationale fractie juist het omgekeerde beoogt: namelijk, door de Volksvertegenwoordiging den Rijksdag te doen ter zijde stellen. In dien zin heeft zich ook de heer Twesten uitgelaten in een brief aan een zijner politieke vrienden, welk stuk van democratische zijde (Volks-zeitung en Zukunft) scherp gegispt is. Bij diezelfde gelegenheid is de uitsluiting van ambtenaren behandeld, waarin men eene verkorting van 's volks kiesregt meent te zien. Wanneer dat beginsel opging, zegt men, zouden ook in het Heerenhuis geene beambten mogen plaats namen. Hoe dit zij, men verwacht, dat de Regering zich aan de zijde der nationale fractie scharen zal. In vele kiesdistricten zijn openlijk regerings-candidaten voorgesteld; men zegt onder anderen, dat graaf Bismarck te Stralsund zeer uitdrukkelijk den vorst von Putbus heeft aanbevolen. Ook wordt zeer ijverig gewerkt voor de generaals von Moltke en von Trotsche. In het Thüringsche heeft zich eene partij gevormd, die het denkbeeld voorstaat, zich van kiezen te onthouden, op grond, dat de duitsche Rijks-Grondwet van 1849 regtens nog altijd bestaat, en dat het mandaat der leden van het Rijks-Parlement nog altijd niet is ingetrokken. Bovendien zouden, volgens de meening dier partij, de hoofdvoorwaarden van vrijheid in verkiezingen (namelijk drukpersvrijheid, vrijheid van personen, en het regt van vereeniging) niet bestaan. Deze meening wordt weder bestreden door de Vossische-Zeitung, die beweert, dat men juist op democratische gronden wèl behoort deel te nemen aan de verkiezingen. Wat Bismarck wil (zegt laatstgenoemd blad), is zijne zaak; het is onze zaak, te weten en doortezetten wat wij willen. Indien wij slechts het bewustzijn bezitten van de zuiverheid onzer bedoelingen, en in de gelegenheid gesteld worden, daarvoor te strijden, zou het een politieke zelfmoord zijn, uit vrees voor den wil van anderen, ons terugtetrekken.'
De Mainzer-Beobachter, deze en dergelijke stukken overnemende, zegt te gelooven, dat graaf Bismarck in elk geval zijne doeleinden bereiken zal. 'Wij vermeten ons niet (zegt dat blad), alle redeneringen over de aanstaande verkiezingen te beoordelen. Ja, zelfs onthouden wij ons met bescheidenheid van aanspraak te maken op het juist begrijpen van al die redeneringen. Maar ééne zaak staat vast, namelijk deze: dàt men veel redeneert. En dit kon wel eens Bismarck's wil zijn. Wij herinneren ons, gelezen te hebben, dat Mazarin van vreugde de handen wreef, wanneer men op de straten liedjes zong, al waren dat dan ook spotliederen, mazarinaden. ''Ils chantent ...ils payeront!'' Wij kunnen ons voorstellen, dat graaf Bismarck met gelijke tevredenheid uitroept: ''Zij redeneren en zij zullen zich voegen in alles wat ik voornemens ben, intevoeren. Één Parlement was niet genoeg: ik heb hun een tweede gegeven. Dat zijn veiligheidskleppen tegen den wrevel, en ik handel naar mijnen zin.'' '

3 februari 1867 - Honorering[bewerken]

De commissie uit de Eerste Kamer te Berlijn, aan welke was opgedragen het onderzoek der kwestie over de aan de noordduitsche Parlementsleden toetekennen daggelden, heeft dienaangaande eene afwijzende conclusie uitgebragt. In geval ten slotte mogt worden bepaald, dat bedoelde Afgevaardigden hun mandaat zullen moeten vervullen zonder daarvoor geldelijk beloond of schadeloosgesteld te worden, verwacht men op vele plaatsen, dat de kiezers zelven de daartoe noodige gelden zullen bijeenbrengen. 'De overal heerschende fout (zegt de Mainzer-Beobachter), dat Parlementsleden hun district, en niet de algemene zaak vertegenwoordigen, zou door deze nieuwigheid niet verbeterd worden. Wij zien niet in, welk nut het hebben kan, de personen die het volk zouden behooren te vertegenwoordigen, tot loontrekkende dienaars te maken van eenige raddraaijers. Zamenwerking ten algemeenen beste is van eene aldus bijeengebragte vergadering niet te verwachten. Integendeel, zulk eene Vertegenwoordiging des lands doet eer denken aan een engelsch cricket-match, of erger nog, aan eene bokspartij, waartoe eenige dorpen, hoovaardig op hunne kampioenen, elkander hebben uitgedaagd. Wij zien den dag aanbreken, dat candidaten elkander den voet zullen ligten door het aanbod om de zaak voor eenige thalers minder aftedoen; en ten slotte zal de Vertegenwoordiging des volks aan den minst eischende of aan den meestbiedende worden uitbesteed.'

5 februari 1867 - Wereldtentoonstelling[bewerken]

Men verneemt, dat de pruissische commissie voor de groote tentoonstelling te Parijs voornemens is, het model van eene complete dorpsschool derwaarts te zenden. Er zou reeds last gegeven zijn, op dusdanige scholen door de leerlingen een en ander te doen vervaardigen, dat gelegenheid geven zou, over die inrigtingen een oordeel te vellen. Deze voorwerpen zouden bestaan in een schoonschrift, een dicté, een opstel, en de schriftelijk beredeneerde oplossing van een rekenkunstig vraagstuk. De Mainzer-Beobachter, dit mededeelende, vraagt: 'hoe men het zal aanleggen om den toeschouwers de gegronde zekerheid te geven, dat dit het werk van scholieren, en niet van hunne leermeesters, is?'

17 februari 1867 - Muntstelsel[bewerken]

Uit Frankfort wordt geschreven: 'Zoo vaak men pogingen aanwendde om in Duitschland eene gelijksoortige munt intevoeren, stuitte men op den onwil van het Noorden, dat altijd met hoofdigheid aan zijn stelsel bleef vasthouden. Maar met welk regt kan men van het Zuiden verlangen, dat het zijne zeer ondoelmatige munt verruile tegen eene muntsoort, die nog ondoelmatiger is? De thaler biedt geene behoorlijke eenheid aan, noch in vorm, noch in gehalte, nog in gewigt. Men kan hem even min in rollen verveelvuldigen, als contrôleren op het gewigt, daar èn zwaarte èn omtrek telkens verschillend is. Het groot aantal napoléons, hetwelk in geheel Duitschland in omloop is, doet eene andere vraag bij ons oprijzen, en wel deze: of niet de gouden twintig-franken-standaard zou behooren te worden aangenomen? Wij meenen van ja, en gelooven, dat de algemeene beweging ons dien weg heenstuwt. Behalve Oostenrijk en Rusland, hebben thans reeds 62% der bevolking van Europa den goud-standaard, terwijl van den geheelen geld-omzet circa 73% in goud wordt verhandeld. Men heeft overal opgemerkt, dat gouden munt het zilver verdringt, zoo dra het handelsverkeer van een volk zich uitbreidt; en het is dan ook hierom, dat Frankrijk, België, Zwitserland, Italie en Roumanie den goud-standaard hebben aangenomen. Dit zetsel heeft het voordeel, dat het den onevenredig grooten aanwas van papier tegengaat. Het fransche muntstelsel, het eenvoudigste en voor alle operatiën het geschikste, behoorde in Duitschland algemeen aangenomen te worden, waardoor het weldra door 150 millioen menschen zou worden gebruikt. Daar reeds nu de napoleons in massa in omloop en dus overal bekend zijn, zou de overgang zonder schokken kunnen plaats vinden. De kleinhandel zou verlost zijn van het nu telkens wederkeerend verlies op het wisselen; ieder zou tijd winnen, en weldra zou Noord-Duitschland zijne ongemakkelijke thalers niet meer betreuren.—De Mainzer-Beobachter, dit artikel besprekende, zegt, partij te trekken voor éénheid van muntstelsel, als ook voor de decimale indeeling der munten, doch niet intezien, waarom juist de napoléon als standpenning zou moeten worden gekozen, dewijl daartoe de friedrich d'or, mits decimaal ingedeeld, minstens even geschikt zou zijn. 'De pruissische thaler (zegt dat blad), en vooral de dubbele thaler, is de schoonste munt, die men vinden kon. De fransche vijffrancs-stukken kunnen de vergelijking daarmede niet doorstaan.'

22 februari 1867 - Speelbanken[bewerken]

Weder circuleert te Coblenz eene petitie tegen de speelbanken, door welke inrigtingen (naar luid van dat stuk) de stad en hare omstreken benadeeld worden. De Mainzer-Beobachter, dat feit mededeelende, voegt daarbij eenige beschouwingen en zegt onder anderen: 'Voor den honderdsten keer verklaren wij, tegen de speelbanken te zijn. Indien ons ware opgedragen de bevoegdheid om concessien te verleenen tot het oprigten van dusdanige etablissementen, zou nooit één enkele gulden op de groene tafel geworpen zijn. Maar, er is verschil tusschen afkeuren en een vervolgziek fanatismus, gelijk dat, hetwelk zich dezer dagen openbaart. De speelbanken brengen ongeluk aan, zegt men. Toegestemd! Maar, zij roepen te gelijker tijd een vertier in het leven, dat zonder haar niet zou kunnen bestaan. Wat zou Homburg, Ems, Nauheim, ja zelfs wat zou Wiesbaden zijn, zonder de Bank? Toch erkennen wij, dat zulke beschouwing geen grond mag opleveren om iets te verdedigen, dat uit een zedelijk oogpunt niet te verdedigen is. Dat dus Homburg te gronde ga, mits de beginselen bewaard blijven! Doch, van waar op eenmaal dat algemeen partijtrekken voor zedelijkheid? De colporteurs van petitien mogen het ons ten goede houden, indien wij, overigens volkomen bereid om het getal handteekeningen op hunne adressen met de onze te vermeerderen, een glimlach niet kunnen onderdrukken bij de vraag, die op onze lippen zweeft: of ook soms hier en daar broodnijd schuilt onder dat hardnekkig bestrijden van ...verkeerde dingen? Het harder klinkend woord, dat misschien juister onze meening zou uitdrukken, willen wij liever niet uitspreken.'

7 maart 1867 - Polen[bewerken]

Volgens den Kölnischen-Anzeiger, is te Weenen een werkje verschenen, getiteld: Polen aan de volken en Regeringen van Europa, waarin men de belangstelling in het lot van dat land weder poogt te verlevendigen. Op roerende wijze wordt (volgens het genoemde blad) het lijden van Polen in dat werkje beschreven. Het geeft onder anderen het getal op van de slagtoffers der onlusten van Januarij 1863 en vervolgens; welk getal 141,882 personen zou beloopen. Hiervan zijn naar Siberie getransporteerd 18,682; naar de binnenlanden van Rusland 12,556; naar de Steppen van den Ural 33,780; als gemeen soldaat in de gelederen geplaatst 2416; tot strafarbeid veroordeeld 31,500; in de gevangenissen omgekomen 620; begraven op slagvelden 33,800; door beulshanden om het leven gebragt of doodgeschoten 1468; gevlugt naar het buitenland 7060.—De Mainzer-Beobachter, dat berigt overnemende, erkent, dat zulk een toestand inderdaad wel geschikt is om het medelijden optewekken, doch voegt daarbij, dat de oorzaken niet uitsluitend moeten worden gezocht in russische tyrannie. 'Wij vragen (zegt dat blad), waar of wanneer de poolsche adel, die beweert, bij uitnemendheid het land te vertegenwoordigen, bewezen heeft, een beter lot te verdienen? De Pool beklaagt zich, geen vaderland te bezitten. Wij eerbiedigen de smart over dat gemis, doch houden vol, dat het overgroote gedeelte der poolsche natie geen vaderland bezat, lang vóór de russische overheersching. De adel was in het bezit van den grond; de joodsche speculanten bezaten het kapitaal; midden- of burgerstand bestond niet; de arbeider of landbouwer was lijfeigene. Dat de adel ontevreden is, omdat men hem den invloed ontnam, krachtens welken hij het volk uitzoog, is begrijpelijk; doch voor dat volk zelf is de russische heerschappij betrekkelijk eene verlossing. Bovendien, welk gebruik maakte Polen ooit van zijne vrijheid? Wat heeft dat land bijgedragen tot de europesche beschaving? Op welk gebied van wetenschap of kunst heeft het zich onderscheiden? In één woord, welk regt heeft Polen om een onafhankelijke Staat te zijn? En nu spreken wij nog niet van de Nemesis, die zoowel volkeren achterhaalt als individuen; de Nemesis der geschiedenis, die den Polen toeroept: Bedenkt wat gij deedt, ruim twee eeuwen geleden, toen het krijsgeluk u de beschikking over Moskou gaf!'

11 maart 1867 - Persvrijheid[bewerken]

De Provincial-Correspondenz geeft de volgende beschouwing over het regt van openbaarmaking der in het noordduitsche Parlement te houden redevoeringen: 'Indien de Regering zich verzet tegen de onvoorwaardeljike vrijheid, en de onbegrensde straffeloosheid op dit stuk; indien alzoo niet elke redevoering, niet elke uiting mag worden openbaar gemaakt, was hare bedoeling geenszins, het publiceren te verhinderen van getrouwe verslagen der zittingen van den Rijksdag, zoolang de redenaars niet vervallen in afdwalingen, welke de grenzen te buiten gaan van hetgeen men in dusdanige vergadering billijkerwijze verwachten mag. In dien geest zijn dan ook de politiebeambten en de publieke ministerien van instructien voorzien'. De Mainzer-Beobachter noemt de Provincial-Correspondenz eene onhandige verdedigster, en betwijfelt het, of graaf Bismarck haar dankbaar wezen zal voor zulk eene toelichting. 'Wij weten (gaat genoemd blad voort), hoe Bismarck zich verzette tegen het binnensluipen der persvrijheid langs stenografischen weg, en hoe hij den leden van het Parlement het regt betwistte, te laten drukken, wat ze niet zouden mogen doen drukken. Wij zelven, hoe ook gezind, partij te trekken voor vrijheid, erkennen, dat het eene inbreuk wezen zou op de gelijkheid voor de wet, indien de taal van een parlementslid overal zou mogen worden gehoord, terwijl de uiting der gevoelens van alle andere burgers belet wordt. Wij laten nu daar, of wij meer vrijheid voor dezen, of minder voor genen redenaar of schrijver eischen zouden, doch wenschen gelijkheid. Maar niet daarop is de verdediging gegrond van het blad, dat volstrekt voor den beschermer der Regering schijnt te willen doorgaan, en, naar ons gevoelen voor die taak niet berekend is. Het spreken over 'afdwalingen buiten de grenzen van wat men billijkerwijze van dergelijke vergaderingen kan verwachten', komt ons ongepast voor, en schijnt ons toe, eene afdwaling te zijn buiten de grenzen van wat men billijkerwijze verwachten kan van een blad, dat zich voor eene staatkundige autoriteit houdt. Afdwalingen? Is het niet, of men van jeugdige ligtzinnigheid spreekt? De afdwalingen, die zullen plaats vinden, behooren op een ander terrein te huis dan in de kinderkamer, en wij betwijfelen het zeer, of de Afgevaardigden hunne redevoeringen of stemmen zullen willen inrigten naar den maatstaf van goed gedrag, dien de Correspondenz schijnt te hebben vastgesteld. Indien men overigens, gelijk dat blad meent, zekere grenzen aanneemt, buiten welke men het terrein der onwelvoegelijkheid betreden zou, ware het inderdaad niet overbodig, die grenzen met juistheid aftebakenen. Dan wisten de Vertegenwoordigers, en de uitgevers hunner redevoeringen, waaraan zij zich te houden hadden. Thans schijnen de politie-beambten en de publieke ministerien belast te zijn met deze paedagogische taak, en wij vinden de keuze dezer leermeesters niet gelukkig.'

18 maart 1867 - Grondwet[bewerken]

Volgens de Kölnische-Zeitung, begint de belangstelling van het publiek in de discussien van den Rijksdag over de Ontwerpconstitutie te verflaauwen, dewijl de redeneringen voor en tegen dat onderwerp moesten worden beschouwd als uitgeput. Naar de meening van dat blad, zijn door de onderscheidende sprekers alle standpunten vertegenwoordigd geworden, en de partijgroepen zullen, bij de behandeling der artikelen, volkomen in staat zijn tot het beoordelen van de zaken zelven zoowel, als van de krachten ter verdediging of aanval, waarover zij zullen beschikken. De ministriële Provincial-Correspondenz beweert, dat de algemeene beraadslagingen de hoop op het definitief aannemen der Constitutie nagenoeg tot zekerheid gemaakt hebben, en dat 'het mislukken buiten het bereik ligt van menschelijke berekening.'—De Mainzer-Beobachter, bovenstaande mededeelingen van de Kölnische-Zeitung en van de Prov.-Correspondenz besprekende, geeft dien bladen toe, dat het aannemen der Constitutie als zeker te beschouwen is, 'en wel (gaat de Beobachter voort) om de zeer eenvoudige reden, dat het aannemen onvermijdelijk is. Onvermijdelijk, zeggen wij, want,—en hier doen wij eene vraag, die zeker vele der Afgevaardigden op de lippen zweefde, doch welke niet ronduit werd geformuleerd,—wat zou geschieden, indien de Constitutie niet werd aangenomen? Dat, immers, zou slechts kunnen worden gewenscht door die weinigen, die liever het Verbond niet tot stand zagen komen. Welnu, met of zonder de Constitutie, dat Verbond bestaat feitelijk. En, indedaad, Bismarck, die de betrekkelijke éénheid van Noord-Duitschland heeft weten in het leven te roepen zonder Parlement, zou haar weten te bewaren, des noods ook tegen dat Parlement. En hierin zien wij juist eene reden, die den bijval dier Vergadering aan het onderwerp verzekert. Het besef, dat tegenstand niet baten zou, dringt tot medegaan; en wij zeggen dat niet met verwijt, alsof we ons beriepen op de dezer dagen zoo vaak ter tafel gebragte aanbidding van het succès, maar omdat werkelijk, na het gelukken van Pruissens plannen, het deelnemen in de gevolgen daarvan strekken kan tot het algemeene welzijn. Wij begrijpen de bitterheid van den Afgevaardigde uit Hannover, doch zouden hem durven vragen, of de grieven, die hij te berde bragt tegen de pruissische overheersching van zijn land, van dien aard zijn, dat men de vorige splitsing en vijandschap zou moeten terugwenschen? Juist die verkeerdheden, welke hij thans gispt, en die een natuurlijk gevolg zijn van den overgangstoestand, zullen onmogelijk worden, zoodra Hannover voor goed in Pruissen zal zijn ingelijfd, dat is: na het ophouden van den staat van beleg. Wij hebben overigens met het uitspreken van ons oordeel over de zekerheid van het aannemen der Constitutie niet gewacht op de discussien. Die discussien waren à priori als overbodig te beschouwen, 1° wijl ieder inzag, dat de strijd tegen het voorgelegde ontwerp een hopelooze strijd tegen het Verbond zelf wezen zou, en 2° wijl de overgroote meerderheid der Afgevaardigden,—nagenoeg alle pruissische leden, bij voorbeeld,—in die Constitutie meer erlangden dan zij hadden durven verwachten: het regt onder anderen om te mogen medespreken over zaken, die buiten hen, en meerendeels tegen hunnen wil, tot een goed einde waren gebragt. Indien in zulke omstandigheden spraak kon zijn van edelmoedigheid, komt het ons bijna edelmoedig voor van graaf Bismarck, dat hij den parlementair-gezinden aandeel geeft in den buit, dien hij, huns ondanks, behaalde. En men zou meenen, dat de spreek-partij ligtzinnig het voordeel zou verwaarlozen, 't welk de partij der daden haar in de schoot wierp? Onmogelijk! Wij noemen het karakeristiek, dat aan het Parlement niet de vraag is voorgelegd: Verkiest gij een Noordduitsch-Verbond te stichten? maar eenvoudig: Neemt gij genoegen met de bepalingen, waaronder wij het Noordduitsch-Verbond gesticht hebben? Het feit bestaat, en de redeneringen der Afgevaardigden zullen daaraan niets veranderen. Dat zien allen in, en daarom vallen de meeningen geheel anders uit, dan het geval zou geweest zijn, indien het pruissische ministerie het oordeel der heeren had gevraagd vóór 1866.'

22 maart 1867 - Staatsregeling[bewerken]

De Allgemeine-Zeitung maakt de berekening, dat de debatten over het ontwerp der noordduitsche Constitutie niet vóór de helft of het einde van Mei kunnen afgeloopen zijn. 'Indien men aanneemt (zegt genoemd blad), dat de Rijksdag wekelijks vier zittingen houdt, en dat er gemiddeld drie artikelen in elke zitting worden behandeld, dan vorderen de 71 paragrafen zes weken: maar in die zes weken valt het paaschfeest in, en de Rijksdag zal zich wel houden aan het oude gebruik, om bij die gelegenheid veertien dagen vacantie te nemen. Bovendien zullen er wel twaalf zittingen, d. i. drie weken, worden besteed aan het behandelen der Hoofdstukken, hetzij ieder op zich zelf, hetzij groepsgewijze. Eindelijk zal er nog tijd verloren gaan met het bijeenvoegen van alle speciale besluiten tot eind-besluiten. Die eindbesluiten zelf moeten nog gedrukt, en gedurende drie dagen in handen der leden zijn, voordat de wettelijke vaststelling kan plaats hebben.' De Kölnische-Zeitung zegt, te hopen, dat de zaak iets sneller in haar werk moge gaan, en raadt diensvolgens aan, het amenderen te beperken tot het hoognodige. De Mainzer-Beobachter antwoordt hierop: Zeker, op die wijze is spoed mogelijk. Of die spoed echter, aldus verkregen, gewenscht is, moge daargelaten worden. De meening onzer Keulsche zuster herinnert ons aan de vlugheid van een schoenmaker, die aannam één paar laarzen te vervaardigen in ééne seconde; maar ...zonder zolen,—'t bovenleder zou hij later leveren. 'O (gaat laatstgenoemd blad voort), wij beweren niet, dat de duitsche eenheid zoo slecht geschoeid uit de werkplaats van den Rijksdag zal te voorschijn komen, als de ongelukkige klanten van dien laarzenmaker; maar dat is een gevolg van de zeer eenvoudige oorzaak, dat die eenheid gelaarsd en gespoord was, vóór (en des noods zonder) den Rijksdag. Alle artikelen, die Pruissen gelieft voortestellen, zijn aangenomen ...te Königgrätz. Bismarck moge hebben aangedrongen op spoed, wijl de met de noordduitsche Staten gesloten verbonden op 1° October komen te eindigen,—hij, die op deze Staten den invloed uitoefende, welke tot het sluiten noodig was, zou te zijner tijd, ook zonder de ratificatie van den Rijksdag, wel raad weten, die verdragen te verlengen. En bovendien, van ult° Mei tot primo October, is nog ver: er is tijd genoeg voor amenderen; en, daar de hoofdzaken nu toch eenmaal vaststaan, mag men het sommigen Afgevaardigden niet euvel duiden, dat zij er prijs op stellen, hunnen kleinen naam te verbinden aan eene grote zaak. Dat schijnt reeds een zwak geweest te zijn in Lafontaine's tijd, toen hij de fabel dichtte: de Vlieg en de Reiskoets. Hoe dit zij, de wagen bereikt den bergtop, met of zonder hulp van de gonzende vlieg.'

17 april 1867 - Studenten[bewerken]

De studenten te Parijs hebben aan hunne duitsche academiebroeders den volgenden brief geschreven: 'Duitsche broeders! De kim is bewolkt en donker. Het krijgsgeschal weêklinkt langs beide oevers van den Rijn. De volkeren staren met schrik op de toekomst. Is dan de tijd van volkenhaat nog niet voorbij? Dat zulke denkbeelden, die in lang verloopen jaren te huis behooren, ver van ons zijn! De volken zijn groot, niet naar mate van den omvang hunner grenzen, maar door hunne Constitutien. Frankrijk en Duitschland behooren aantedringen, niet op ruimere grenzen, maar op meer vrijheid. Geen man van moed heeft ooit den oorlog gevreesd, doch ieder, die de eer liefheeft, behoort dien te verfoeijen. Wij haten den krijg, om al de ellende, die hij veroorzaakt, en wegens de tyrannie, welke hij in de hand werkt. Is het niet de pligt der studerende jeugd, deze waarheden openlijk te verkondigen? Duitsche broeders! zijn wij in deze beschouwingen niet van eenerlei meening? Dat alzoo, met en door u, de vrede in vollen luister te voorschijn moge komen, opdat daardoor de volken geleid worden op den weg, die naar welvaart, grootheid en vrijheid voert!'—De Mainzer-Beobachter behandelt dezen brief in eenige spottende regelen, waarin dat blad de Parijsche jongelieden berispt over hunne waanwijsheid, en besluit zijne opmerkingen met deze woorden: 'Op uwe vraag, of het niet de pligt der studerende jeugd is, deze of andere waarheden te verkondigen, antwoorden wij eenvoudig: Neen, jongelieden, dat is uw pligt niet! Uw pligt is, ijverig te studeren, opdat ge, na ernstige inspanning, en na in de maatschappij te hebben getoond, dat ge het regt veroverdet om als mannen medetespreken, in staat moogt zijn, 'iets te verkondigen.' Voorlopig wijzen wij u terug naar uwe collegiebanken, en hopen, dat uwe professoren bij het eerstvolgende examen over u tevreden mogen zijn. Ook wij zijn voor den vrede, en gelooven, dat reeds veel zou gewonnen zijn, indien alleen bevoegde personen deelnamen aan de behandeling der publieke zaak. Indien gijlieden alzoo den vrede wilt, hebt dan in de eerste plaats vrede met uwe eigene jeugd en onervarenheid, en neemt niet onbesuisd voorschot op uwe toekomstige rijpheid!'
In het Frankfurter-Journal wordt van de hand eens ongenoemden eene oproeping aan de duitsche studen aangetroffen, waarin zij worden aangespoord om hunne Parijsche kameraden te antwoorden, dat ook zij den oorlog 'niet vreezen, maar verfoeijen,' en dat zij hopen, dat Frankrijks zedelijk gevoel en de wijsheid des Keizers den weg zullen weten te banen tot eene vreedzame oplossing van het aanhangige geschil, aangezien de verdedigingsoorlog, indien hij eenmaal uitbrak, iederen Duitscher bereid zou vinden tot het brengen van alle vereischte offers.

25 mei 1867 - Grondgebied[bewerken]

Volgens de Zeidlersche-Correspondenz, is het aanbod van den Vorst van Waldeck, om zijn land aan Pruissen aftestaan, van de hand gewezen. Dat blad meent daaruit het gevolg te mogen afleiden, dat het Pruissen niet te doen is om uitbreiding van grondgebied. De Mainzer-Beobachter oordeelt daarover anders, en zegt, dat de eischen van den waldeckschen Vorst te hoog waren, en dat Pruissen voorziet, eenmaal, en misschien weldra, goedkoper in het bezit van dat Vorstendom te zullen kunnen geraken.

26 juli 1867 - Verbond[bewerken]

De Kölnische-Zeitung herhaalt hare vaak geuite meening, dat een verbond tusschen Pruissen en Rusland, om gezamenlijk Frankrijk, Oostenrijk en Italie te bestrijden, onwaarschijnlijk en zelfs onmogelijk is, en geeft te kennen, dat het gedurig voorwenden van zoodanige alliantie geen ander gevolg hebben kan, dan om met eenigen schijn van reden een tegen-verbond te doen oprigten. Volgens den Mainzer-Beobachter, zou het ontkennen der Keulsche courant eene bevestiging van het bestaande vermoeden zijn, daar juist de vrees voor een tegen-verbond in het Zuiden de slagvaardigheid van het Noorden noodzakelijk zou maken.'

11 augustus 1867 - Partijprogramma[bewerken]

De Kölnische-Zeitung juicht den door de National-Zeitung geuiten wensch toe, dat op den aanstaanden Rijksdag niet alleen moge worden gehandeld over de lasten, welke aan de kleine Staten zullen moeten worden opgelegd, en die ongetwijfeld drukkend genoeg wezen zullen, maar dat tevens duidelijk blijken moge, welke voordeelen de nieuwe toestand aanbrengt. 'De offers, die men zal moeten brengen, zullen overal gevoeld worden (zegt zij); het is echter noodig, die te vergoeden door de weldadige werking eener wetgeving, welker roeping het is, de wonden te heelen, die een gevolg zijn van Duitschlands vroegere verbrokkeling.' Het Keulsche blad voegt daarbij: 'Ieder, die het wel meent met ons groot vaderland, behoort dien wensch te beamen. Wij hebben reeds herhaaldelijk de opmerking gemaakt, hoe het noordduitsche Bonds-regt, tegenover het mecklenburgsche landsregt, ijdel en magteloos is. Ook elders is groote behoefte aan verzekering en uitbreiding van het regt om zich te vestigen en een bedrijf uitteoefenen, en nog vele andere zaken eischen dringend voorziening. Het belastingsvermogen der kleine Staten moet vermeerderd worden, om het deelen in de zwaardere lasten mogelijk te maken. Indien de Bonds-raad daartoe het initiatief niet neemt, kunnen de noodige voorstellen van de Afgevaardigden uitgaan. Voorzeker zullen tot dit doel alle leden der oud-liberale partij zich vereenigen. Welk standpunt zullen echter de radicalen kiezen; zij, die gebonden zijn aan hunne nieuwbakken vrienden, de clericalen en de particularisten? Hoe zal zich von Waldeck met Windhorst of Mallinckrodt,—hoe zal Löwe zich met Krebs assimileren? Eene niet bij elkander behoorende partij, alleen op negativen grondslag gevestigd, kan niet lang bestaan, en wij zien dan ook de vernietiging der bedoelde combinatie binnen korten tijd tegemoet.'
Wat het programma der nationaal-liberale partij aangaat, daarvan geeft de Kölnische-Zeitung de volgende schets: 'Wij beoogen de oprigting van een nationaal-duitschen Staat, met parlementairen regeringsvorm. De grond daartoe is gelegd door den oorlog des vorigen jaars, en door de werkzaamheden van het Parlement. Daarom beschouwen wij dezulken als niet tot ons behoorende, die den gelegden grondslag afkeuren, en aan de opregtheid van wier medewerking wij derhalve mogen twijfelen. Evenmin tellen wij hen onder onze vrienden, die zich bepalen tot eene bekrompen oppositie, en wier geheele staatkunde schijnt te bestaan in een stug afkeuren van al hetgeen ter tafel wordt gebragt. Voorts houden wij ons ver van de aanhangers eener koninklijke budjet-almagt. Wij wenschen het goede te behouden en uittebreiden, dat voortgevloeid is uit de grootsche omkeering van 1866, zonder daarom een haarbreed aftewijken van de vrijzinnige gevoelens, welke wij steeds naar ons beste vermogen hebben voorgestaan.' De Mainzer-Beobachter maakt daaromtrent de volgende opmerking: 'Wij gelooven inderdaad, dat deze geloofsbelijdenis van onze Keulsche zuster vrij wel overeenkomt met de beginselen van de partij, aan welke zij zich vrij handig heeft aangesloten. Er is eene zekere mate van casuistiek noodig geweest om op het juiste oogenblik regts-om-keert te maken, en de keuze van dat oogenblik zal dan ook wel schering en inslag der politiek wezen. Of het echter fraai staat, thans zoo laag nedertezien op 'eene stugge oppositie, die alles afkeurt', meenen wij te mogen betwijfelen. Wij herinneren ons, in dezelfde kolommen, waarin nu zekere meêgaandheid gepredikt wordt, oproepingen ten kruistogt tegen alle geldaanvragen van dit ministerie gelezen te hebben. Niemand zal ontkennen, dat de voordeelen, welke de nationale partij zich thans voor Duitschland belooft, zijn voortgevloeid uit het miskennen en ter zijde stellen van hare beginselen. Er zou waarlijk weinig uitzigt bestaan op Duitschlands eenheid, indien graaf Bismarck zich gestoord had aan de vertoogen tegen het schenden van het bewilligingsregt en tegen de leger-organisatie. Misschien is onze opvatting in de oogen der aanbidders van het succès eenigzins bekrompen; maar wij hebben moeite om het gretig aanvaarden van sommige gewenschte uitkomsten overeentebrengen met het afkeuren der middelen, waardoor die uitkomsten bereikt zijn.'

8 oktober 1867 - Benoeming[bewerken]

Men verneemt, dat de heer dr. Seitz benoemd is om, namens het Groothertogdom Hessen, zitting te nemen in de te Berlijn vergaderende commissie tot regeling eener in de noordduitsche Bonds-Staten intevoeren burgerlijke proces-orde. Men verwacht, dat de nieuwe bepalingen, niet alleen voor het tot het Verbond behoorende Oberhessen, maar tevens voor Starkenburg en Rijnhessen van kracht zullen worden verklaard, en de heer Seitz zou zich in de Tweede Kamer, bij zekere gelegenheid, reeds in dien geest hebben uitgelaten. De Mainzer-Beobachter beklaagt zich over dat vooruitzigt, en zegt onder anderen: 'Wij begrijpen niet regt, met welk doel men ons de eer aandoet, een hessischen regtsgeleerde toegang te verleenen tot de deliberatien over hessische regtspleging. De heeren te Berlijn weten immers alles beter dan wij, arme provincialen? Wat hebben de vertoogen en klagten der keurhessische notabelen uitgerigt tegenover de diepe en praktische inzigten van den alwijzen pruissischen heer zur Lippe? Zullen thans onze broeders in het Oberland worden bedeeld met de geheel overbodige weldaad van het landraden-stelsel? Dit is niet te hopen; maar wij erkennen, dat wij het verwachten; even als wij nog voor andere nieuwigheden beducht zijn, waarmede Pruissen gewoon is, de uitbreiding van zijnen invloed te doen vergezeld gaan. Het blijft echter onze pligt, er op te wijzen, dat vele dier nieuwigheden eigenlijk oude, en zelfs verouderde zaken zijn, welke voor een deel ter zijde waren gezet, om plaats te maken voor de alom (en waarlijk niet het minst in Pruissen zelf) zoo hoog noodige vereenvoudiging. Wij achten den pruissischen invloed op het regtswezen een achteruitgang, en zoeken te vergeefs naar de oorzaak, die graaf Bismarck belet, paal en perk te stellen aan de schadelijke bemoeizucht van zijnen ambtgenoot voor Justitie. Het annexeren van een land schijnt gemakkelijker te zijn dan het winnen der gemoederen. Wij hadden gedacht, dat de bewindslieden te Berlijn zich op dit laatste zouden toeleggen, en wij erkennen dan ook, hier en daar sporen van die gezindheid gevonden te hebben; doch zij ontbreken geheel en al in de wijze, waarop graaf zur Lippe zijne verbeteringen schijnt te willen opdringen. Wij wenschen den heer Seitz sterkte, om zich zelven en onze broeders uit het Oberland staande te houden onder den stortvloed van ouderwetsche nieuwigheden, waarmede men trachten zal, ons te beweldadigen. Eenmaal, misschien, zullen ook andere zaken dan de wijze van procederen in civiele zaken op het tapijt worden gebragt; het kon zijn, dat men ons ook wilde leeren, hoe een officier behoort gestraft te worden, die zijnen huisheer vermoordde; en wij bekennen, met de pruissische begrippen op dat stuk niet zeer ingenomen te zijn.'

21 oktober 1867 - Casino[bewerken]

In eene vergadering van de Kurhaus-maatschappij te Wiesbaden is het dividend over het zomer-semester op 40 pc. vastgesteld. Men vermoedt, dat het winter-semester nog 10 of 12 pc. zal opleveren; 'en (zegt de Kölnische-Zeitung) dat geschiedt sedert jaren. Waarvoor zou men dus den bezitters van actien nog eene schadeloosstelling aanbieden? Bij een kapitaal van 2,600,000 fl. en zulke winsten was het toch geene onbillijke vordering van de Regering, voor eene vierjarige verlenging der concessie, 800,00 fl. te bedingen.' De Mainzer-Beobachter vraagt, wat die courant bedoelt met een winter-saizoen, daar de Bank te Wiesbaden gedurende het ruwe jaargetijde gesloten is? Vervolgens maakt zij de opmerking, dat de winsten hoog schijnen, in evenredigheid met het nominaal kapitaal: doch waarschijnlijk geenszins zoo hoog zijn, in verhouding tot de prijzen, welke door de tegenwoordige bezitters voor hunne aandeelen betaald zijn. Ten slotte vraagt het Mainzer blad, 'of de verregaande onzedelijkheid van het spel (de grond, waarop de intrekking der concessie zou moeten rusten) eene reiniging zou ondergaan dor het afstaan van 1/6 der winst aan Pruissen?'

28 oktober 1867 - Tractaat[bewerken]

Het is bekend, dat in de badensche Tweede Kamer slechts één lid, de katholieke Afgevaardigde Lindau, zich tegen het of- en defensief tractaat met Pruissen verklaard heeft. Bij die gelegenheid is tusschen den minister Freydorf en den heer Lindau een woordenstrijd gevoerd waarop het wellicht van belang is, nader terugtekomen. Ten eerste, zeide de heer Lindau, had Pruissen verklaard, zijne bescherming niet uittestrekken tot de aan gene zijde van den Main gelegen landen, en, ten anderen wel degelijk Baden betrokken worden in eenen door Pruissen te voeren oorlog. Daarop vroeg de minister von Freydorf, van waar de Afgevaardigde Lindau dit wist, daar hem, minister, de aangevoerde bijzonderheden alleen uit een clericaal en een democratisch blad (den wurtembergschen en den badenschen Beobachter) bekend waren; welke bladen te dier zake door de groothertogelijke Regering waren gelogenstraft. Daarop bragt de Afgevaardigde Lindau de volgende interpellatie ter tafel: 'Heeft de Koning van Pruissen, bij het sluiten des verdrags, uitdrukkelijk beloofd, Baden te zullen beschermen, in geval dat land mogt worden aangetast, of zal Baden in ogenblikken van gevaar even onbeschermd staan als in 1859, toen Pruissen werkeloos bleef?' De minister repliceerde, dat de waarborg lag in het aanvallend en verdedigend tractaat zelf, waarbij men zich van weêrszijden bescherming en hulp beloofde. Het uitdrukkelijk verlangen van de bedoelde toezegging kon slechts plaats vinden, indien een redelijke grond voor twijfel aanwezig was, en men kon zich daarbij niet beroepen op berigten van niet zeer geloofwaardige nieuwsbladen, die gewoon waren, allerlei der Regering nadelige geruchten te verspreiden. De heer Lindau verzekerde daarop, zijne mededeelingen ontvangen te hebben van zeer hooggeplaatste personen, doch weigerde, daartoe aangezocht, de namen dier personen te noemen.—De Mainzer-Beobachter, dat incident ter sprake brengende, zegt, dat de houding des ministers zeer zonderling geweest is. 'In stede toch (aldus redeneert dat orgaan) van laag nedertezien op de twee genoemde dagbladen, zou het gepaster geweest zijn, eenvoudig te verzekeren dat Baden door Pruissen in geval van nood, zal worden bijgestaan, gelijk, wel is waar, uit het tractaat zou voortvloeijen, doch hetgeen juist nu, door het weifelend en ontwijkend antwoord van den minister, onzeker schijnt te worden. Die weifeling openbaart zich mede in het vragen der namen van de personen, die den heer Lindau zouden hebben ingelicht. Is het niet, alsof de minister weten wilde, wie uit de school geklapt hadden, en in hoe ver zij dit hadden gedaan? En leidt dit niet tot het vermoeden, dat er inderdaad iets uit de school te klappen viel? Werkelijk, anders verdedigd dan op die wijze, of in het geheel niet verdedigd, zou het tractaat meer reden tot gerustheid geven, dan thans het geval is.'

10 december 1867 - Krant[bewerken]

Men schrijft aan den Main: 'Het eenige blad in het Groot hertogdom Hessen, hetwelk in nationalen geest, en wel met bijzonderen ijver en bekwaamheid, werkzaam is, schijnt ons toe, de te Darmstadt uitgegeven wordende Main-Zeitung te zijn. Het spreekt dan ook van zelf, dat dit blad van half-officiële zijde de meest-mogelijke tegenwerking ondervindt. Het is aan alle ambtenaren verboden, op dat blad inteteekenen, en men weet door spionnen aan dat verbod kracht bijtezetten. Bedoelde courant is geheel onafhankelijk en geniet geene ondersteuning.' De Mainzer-Beobachter, dit aan de Kölnische-Zeitung gerigt schrijven mededeelende, voegt daarbij de opmerking, dat 'nationale geest' hier beduidt: 'pruissische geest', en dat de uitdrukkelijke verzekering, dat bedoeld blad niet ondersteund wordt, bijna op de gedachte brengen zou van het tegendeel.

15 januari 1868 - Toespraak[bewerken]

De laatste uren van het afgeloopen jaar hebben een einde gemaakt aan de lange rij ministerien van het Vorstendom Waldeck-Pyrmont. De pruissische commissaris of directeur, de heer von Flottwell, kwam den 1sten Januarij te Arolsen aan, en werd nog dienzelfden dag door den Vorst ontvangen, waarop hij, daartoe door dezen uitgenoodigd, zijnen intrek nam in het vorstelijk paleis. Den volgenden dag werden in het gouvernementsgebouw de leden van het bestuur aan den directeur voorgesteld, die bij deze gelegenheid eene innemende toespraak hield, en o.a. zeide, 'dat hij voorlopig geene veranderingen brengen zou in het bestuur der Vorstendommen, doch alleen in last had, alles te doen wat het welzijn dezer kleine landen (Ländchen) en van het gemeenschappelijke duitsche vaderland bevorderen kon.' Hij besloot zijne rede met een driewerf herhaald Lebehoch op Z.M. den Koning en op Z. Doorl. den Vorst van Waldeck-Pyrmont, waarmede al de aanwezigen luide instemden.—De Mainzer-Beobachter, een en ander mededeelende, vraagt, hoe de heer von Flottwell zal kunnen beantwoorden aan den hem opgedragen last, indien hij niet gekomen is om veranderingen intevoeren, en of niet zijne aanwezigheid te Arolsen, in hoedanigheid van pruissisch lands-directeur van Waldeck-Pyrmont, in volslagen tegenspraak is met de betuiging, dat het bestuur onveranderd blijven zal? 'Wij noemen dit eene protestatio actui contraria (gaat het Mainzer blad voort), en begrijpen niet, hoe de nieuwe directeur zoo onbewimpeld iets heeft durven verklaren, dat geheel tegen de waarheid indruischt, noch hoe de aan hem voorgestelde leden van het bestuur die woorden hebben kunnen beantwoorden met luid gejuich. Het heeft den schijn, alsof de nieuwe directeur zijnen werkkring aanvangt met eene spotternij; en indien al de door hem aantewenden pogingen tot welzijn der 'landjes', zoo als hij Pyrmont en Waldeck noemde, van het zelfde gehalte zijn als de inaugurele redevoering, waarop hij zijne beschermelingen vergast heeft, meenen wij te mogen aannemen, dat eene algeheele inlijving in Pruissen, wel zoo voordeelig voor die landjes zou geweest zijn als zulk eene onopregte halfheid. Men behoorde den moed te hebben te hebben zijner annexatien.'

22 april 1868 - Reis[bewerken]

Volgens berigten uit Weimar, zou de Groothertog uit Dresden, waar hij zich, volgens de voorlaatste tijdingen, bevond, over Koningsberg naar Petersburg vertrokken zijn, ten einde aldaar zes weken te verblijven. De Groothertogin en Prinses Marie zullen zijne terugkomst te Heinrichau, in Silezie, afwachten. Dat deze reis tot velerlei onderstellingen aanleiding geven zou, was (volgens een correspondentie-artikel in de Kölnische-Zeitung) te verwachten, dewijl men nu eenmaal gewoon is, Rusland als den beschermer der kleine duitsche dynastien te beschouwen. 'Wat den Groothertog aangaat (aldus gaat de correspondent voort), het is van algemeene bekendheid, dat hij, ofschoon den nieuwen stand van zaken niet regtstreeks hinderpalen in den weg leggende, zich niet dan zeer moeijelijk weet te schikken in de bekrimping der souvereine regten, welke hij gedurende dertien jaren zijner Regering onder de hoede der Frankforter Bondsvergadering uitoefende. Ieder weet, dat de zaken geheel anders zouden geloopen zijn, indien had kunnen worden achtgeslagen op de wenschen des Groothertogs. Hij hield in 1866 zeer bepaaldelijk de oostenrijksche zijde, en haastte zich, zijn contingent aan Pruissen te onttrekken, door zijne troepen met den meesten spoed naar Mainz in veiligheid te zenden. Men verzekert, dat hij voornemens is, zijne zeer onaangename verhouding tot het Noordduitsch-Verbond te Petersburg ter sprake te brengen, en de hulp van Rusland tegen verdere bekrimping zijner souvereiniteit interoepen. Misschien ook zou hij eene vereeniging der thuringsche Staten onder het gezag van Weimar trachten te bewerken. Men maakt voor het overige aan het weimarsche Hof geen geheim van zekere vrij hevige anti-pruissische gezindheid, die zich vooral in hartelijke sympathie voor de tegenstanders van Pruissen, in het bijzonder voor Koning George, te Hietzing, openbaart. 's Groothertogs kamerheer, graaf von Wedell, is een geboren Hannoveraan, en een broeder van den vleugeladjudant des voormaligen Konings van dat land. Hoe dit zij, en welke ook de bedoelingen met de genoemde reis naar Petersburg wezen mogen, men kan kwalijk aannemen, dat Rusland, onder de tegenwoordige omstandigheden, zich zou willen laten gebruiken als beschermer van de reactionaire rigting in Weimar.' De Mainzer-Beobachter, bovenstaande correspondentie overnemende, knoopt daaraan eenige beschouwingen over de beteekenis, die de nationaal-liberale dagbladen en hunne correspondenten aan het woord 'reactionair' schijnen te hechten. 'Indien de Groothertog van Weimar (zegt zij) te Petersburg pogingen aanwendt om Gotha en Meiningen te annexeren, kunnen wij dit geenszins reactionair noemen, daar hij in dit geval slechts het voorbeeld volgen zou, dat hem zeer onlangs door de moderne staatkunde gegeven is. Zijn tegenzin om zelf geannexeerd te worden ligt in den aard der zaak, vooral daar de tijd nog niet zeer ver is, toen men verwachtte, dat de unificatie van Duitschland uit Weimar zou uitgaan, en men op het Stamhuis der Groothertogen van dat land het oog hield gevestigd, als misschien bestemd om het punt van uitgang te worden eener lange rij van nieuwe duitsche Keizers. Dat nu de Souverein van dat landje zich moeite geeft om in het klein tot stand te brengen hetgeen hem in het groot mislukte, komt ons zeer natuurlijk voor, en wij begrijpen niet, hoe de nationaal-liberale partij aan anderen iets kan verwijten als eene daad van reactionarismus wat door haar zelve als het non plus ultra van hedendaagsche politiek wordt toegejuicht. Het is niet alleen in stoffelijke maten en gewigten, dat wij behoefte hebben aan éénheid en gelijkheid.'

29 april 1868 - Brief[bewerken]

Naar aanleiding eener onlangs in de Kölnische-Zeitung medegedeelde correspondentie uit Weimar, volgens welke de reis des Groothertogs naar Petersburg in verband zou staan met aantewenden pogingen om Ruslands bescherming over de Thuringsche kleine Staten interoepen, behelst thans genoemd blad eenen brief, uit dezelfde plaats geschreven, die aldus luidt: 'De brief, welken gij als uit Weimar geschreven onlangs in uwe kolommen opnaamt, heeft hier algemeene verbazing teweeggebracht. Het oordeel, dat daarin over onzen Groothertog en zijne omgeving geveld wordt, is inderdaad ver van de waarheid verwijderd, al moge het dan ook in den aard der zaak liggen, dat hij de gebeurtenissen van 1866 gaarne eenen anderen loop had zien nemen. Dat hij evenwel vijandelijk gezind wezen zou omtrent den tegenwoordigen toestand,—dat hij naar Petersburg zou gaan om daartegen te agiteren, is eene onjuistheid, welke de scherpste teregtwijzing verdient. In de eerste plaats ontbreekt elke aanleiding tot zulk eenen stap, daar de positie van het Groothertogdom, zoowel door de verdragen als door de onlangs gesloten militaire conventie, zoo duidelijk omschreven is, dat aan eene inbreuk op de souvereiniteits-regten niet te denken valt, zonder te gelijker tijd aantenemen, dat Pruissen de gesloten tractaten verbreken zou; iets, hetgeen toch niet te onderstellen is. Ieder zal erkennen, dat dit niet in de gewoonte ligt van het Berlijnsche Kabinet. Doch bovendien, onze Groothertog is te goed duitschgezind, en ook de Regering deelt te volkomen in die stemming, dan dat het in iemand zou opkomen, in de russische hoofdstad kuiperijen aantevangen, welke het algemeene duitsche vaderland in gevaar brengen zouden. Men kan er op rekenen, dat de Groothertog vast besloten is, de bestaande overeenkomsten te handhaven, en al ware dit niet zoo, de Regering zou hem op eenen tegenovergestelden weg niet volgen. Uw correspondent weet waarschijnlijk niet, dat om aleen één voorbeeld te noemen, de invloed van den heer von Watzdorff ruimschoots voldoende is om het gewigt, hetwelk de hannoverschgezinde familie von Wedell in de schaal legt, volkomen te neutraliseren.'—De Kölnische-Zeitung houdt, in weêrwil van bovenstaande teregtwijzing, de door haren vorigen correspondent geuite meening voor de juiste. 'Wij waren op tegenwerpingen te dezer zake voorbereid (zegt dat blad), doch blijven de juistheid der beweringen van onzen eersten correspondent staande houden, en roepen met Pilatus uit: 'Wat geschreven staat, staat geschreven.'—Hoogst waarschijnlijk zal ook de dupliek van den eersten correspondent niet uitblijven, en men verwacht, dat uit dezen strijd licht zal voortkomen, hetwelk in staat stellen zal, een juist oordeel te vellen over de stemming van een gedeelte der zuidduitsche Staten.—De Mainzer-Beobachter zegt te hopen, dat daardoor tevens een en ander aan den dag moge komen van de wenschen der bevolking. 'Wij willen gaarne gelooven (zegt dat blad), dat de Watzdorffen pruissischgezind en de von Wedells vervuld zijn van hannoversche sympathien; dat de Groothertog heen en weder wordt geslingerd tusschen, 'onaangenaam moeten' en 'onmogelijk wenschen',—doch wij wilden gaarne weten, wat de Thuringers zelven begeeren. Het komt ons voor, dat de ingezeten ook eene stem zouden behooren uittebrengen.'

16 mei 1868 - Verbintenis[bewerken]

De veel besproken vraag, of Pruissen den Groothertog van Hessen vergunnen zal, een gedeelte zijner troepen aan de bezetting van Mainz toetevoegen, schijnt, volgens berigten uit die stad, thans in toestemmenden zin beslist te zijn. Men verneemt althans, dat nog in den loop dezer maand een hessisch infanterie-regiment in de hoofdstad van het Groothertogdom zal binnenrukken, om voortaan, gezamenlijk met de pruissische troepen, het garnizoen dier vesting uittemaken. Niet zonder voorwaarden echter schijnt deze zaak haar beslag gekregen te hebben: men heeft zich moeten verbinden, het regiment op pruissische wijze te kleeden en te wapenen; ook de exercitie en de administratie moeten in pruissischen geest hervormd worden. De Mainzer-Beobachter maakt over een en ander de volgende opmerkingen: 'Wij zullen ons er wel voor wachten, iets in deze nieuwe regeling aftekeuren. Al ware het onjuist, dat een onlangs ontdekt gebrek aan kazerne-ruimte in ons Hessenland (gelijk door velen beweerd wordt) onzen Groothertog bewogen zou hebben, bij een vreemde Regering de gastvrijheid onzer eigene stad voor onze eigene troepen interoepen, dan nog begrijpen en billijken wij het volkomen, dat hessische soldaten op post staan in eene hessische vesting. Zonder alzoo krenkende aanmerkingen te maken, die ons ligtelijk euvel zouden geduid worden, achten wij evenwel eenige opmerkingen niet ongepast, vooral in de oogen van hen, die, met ons de kracht van het voldongen feit erkennende, daarin echter geene voldoende aanleiding meenen te vinden om de indrukken te smoren, welke zoodanig fait accompli bij den denkenden mensch teweegbrengt. Wij zijn dan zoo vrij, in de bedoelde regeling eene bron van misverstand en oneenigheid te zien, en tevens een blijk, dat de tegenwoordige toestand onhoudbaar is. Onze militairen zijn nu eenmaal geene diplomaten, en wij betwijfelen het, of een broederlijke omgang met hunne pruissische kameraden hun even gemakkelijk als de exercitie met het naaldgeweer zal kunnen worden ingeprent. Wij herinneren ons slechts al te goed de onophoudelijke conflicten tusschen Oostenrijkers, Beijeren, Pruissen en Hessen, uit den tijd der gemeenschappelijke bezetting onzer Bonds-vesting, en verwachten niet, dat voortaan het thans onbestreden overwigt van pruissisch gezag betere gevolgen zal opleveren dan het vroeger bestaan hebbende onbesliste mededingerschap. Wij vreezen integendeel, dat zekere heerschzucht, die (wij vertrouwen geheel ten onregte) den Pruissen wordt aangewreven, thans in de oogen der niet-Pruissen meer dan ooit een aanhitsenden schijn van werkelijkheid bekomen zal, en dat onze Hessen niet wijsgeerig genoeg zullen zijn om zich niet nu en dan op mingepaste wijze te verzetten tegen zekeren vermeenden overmoed, welke, volgens het (waarschijnlijk zeer onjuiste) oordeel van sommigen, den bezitters van het Königgrätzer kruis schijnt eigen te wezen. Natuurlijk zullen de officieren, van hunne zijde, alles vermijden wat voedsel geven kan aan oneenigheid; zij zullen hunnen onderhoorigen bij elke gelegenheid inprenten, dat de troepen, die in 1866 niet naast elkander streden, sedert dien tijd, op het papier, tot broeders gemaakt zijn; doch, zeer vurig wenschende, deze pogingen te zien gelukken, kunnen wij niet verzekeren, dat wij aan den goeden uitslag daarvan geloof slaan. Doch al ware dit anders, wij vreezen, dat de burgerij, vooral dat gedeelte, met hetwelk de mindere militair het meest in aanraking komt, te vaak onderscheid zal maken in de bejegening van landgenooten, en van nieuwe vrienden. Bij elk klein verschil van meening, hetwelk toch zoo ligt in oneenigheid of in iets ergers ontaardt, zal het den Mainzer moeijelijk vallen, geheel onpartijdig te zijn of onzijdig te blijven, en wij voorzien, dat weldra zeker gedeelte onzer gemeente in twee kampen zal verdeeld wezen. Zelfs bij de hoogere standen,—onlangs reeds eenigermate in beweging gebragt door het later tegengesproken gerucht, dat van fransche zijde tegen het voortdurend bezetten van Mainz door de Pruissen zou geprotesteerd zijn,—kon welligt de vraag opkomen, of de nadeelen eener gemengde bezetting niet op andere wijze dan door het verwijderen van de Hessen zouden kunnen vermeden worden? Elke botsing toch zou onmogelijk zijn, indien eens de wenschen, die men Frankrijk toedichtte, inderdaad te Berlijn bestonden, al behoeft het dan ook niet gezegd te worden, dat de bron, waaruit zij in dat geval zouden voortvloeijen, eene geheel andere wezen zou. Hoe dit zij, wij noemen den tegenwoordigen toestand ver van gezond; en daarop grondt zich onze meening, dat eene verandering daarin noodzakelijk is. Wij voorspellen alzoo òf de volkomen aansluiting van Hessen aan het Noordduitsch-Verbond, waardoor het land geheel in den toestand der overige noordduitsche Staten zou verplaatst worden, òf eene door de omstandigheden geboden afwijking van de militaire conventie, welke in dat geval slechts als een maatregel van overgang zou te beschouwen zijn.'

7 juni 1868 - Kansspelen[bewerken]

Naar aanleiding van een artikel in de Kölnische-Zeitung, waarin met grooten lof wordt gewaagd van het voornemen der belgische Regering om te Spa de speelbank afteschaffen, en waardoor de vrees van sommigen, dat, na opheffing der pruissische Banken, het euvel zich derwaarts verplaatsen zou, ongegrond geworden is, bevat de Mainzer-Beobachter eenige opmerkingen over het spel in het algemeen, en over de speelbanken in het bijzonder. 'Wij houden van opregtheid (aldus drukt zich het Mainzerblad o.a. uit), en daar wij in den kruistogt tegen de speelbanken zekere huichelarij meenen te ontdekken, trekken wij,—zonder in het minst voor bondgenooten der speelpachters te willen doorgaan,—partij tegen onopregtheid. Gijlieden roept dagelijks met luider stemme, dat het spel een gruwel is. Welnu, ook de huichelarij van zekere moralisten, die den kemel doorlaten en de mug uitziften, is niet aantebevelen, en indien wij kiezen moesten, zouden wij aan het spel met al zijne noodlottige gevolgen de voorkeur geven boven femelarij. Het spel bederft sommigen,—valsche zedelijkheid bederft velen. En is het geene valsche zedelijkheid, met zoo veel verontwaardiging te velde te trekken tegen openlijk, eerlijk spel, waarbij ieder vooruit weet, dat de Bank de voordeelige kansen op hare zijde heeft, en te gelijker tijd met lof te gewagen van den vooruitgang der Berlijnsche en Brusselsche wedrennen, waarbij voortaan, naar men zegt, de zuiverengelsche usantien stiptelijk ingevoerd en opgevolgd zullen worden? Is het geen valsche zedelijkheid, zoo laag nedertezien op een vermaak, hetwelk, wij erkennen dit, duur te staan kan komen, doch welks nadeelige gevolgen niet te vergelijken zijn met de ellende, die de wedrennen na zich slepen? De speelbanken hebben weinig of geene voorbeelden aantewijzen van een ondergang als dien, welke dezer dagen het lot van den markies van Hastings geweest is. En de oorzaak is eenvoudig. Over het algemeen gaan aan de speelbanken, niet (zoo als te Epsom) fortuinen verloren; zij, die te Homburg, te Wiesbaden, te Ems bezweken, zochten daar, na tegenspoed, herstel van hunnen toestand, en niemand spreekt van de velen, die dat herstel ook inderdaad vonden. Doch toegegeven, dat de meesten op die plaatsen het rampzalig overschot van een verwoest fortuin verloren,—is het zoo te verwonderen, dat men sterft, indien men, doodkrank of zwaar gewond in een hospitaal gebragt, aldaar overlijdt? De gezonden komen daar niet. Bij de van hoogerhand gepatrocineerde wedrennen is dat geheel anders; jongelieden van fortuin poseren zich daar; het behoort tot den goeden toon; het brengt in aanraking met de eersten des lands; men verliest,—ja, maar aan dezen of genen prins; men ruïneert zich,—ja, maar de winner van den dag geeft een vorstelijk souper, waarbij (na middernacht altijd) de vorstelijke eigenaar van Miss Arabella of van Flying Dutchman de hand drukt van den arme, die gaarne tegen den volgenden dag een dak zou willen vragen aan zijnen omgekochten jockey, zeer toevalligerwijze juist thans in dienst getreden van den gelukkigen eigenaar van Miss Arabella, enz., met het paard, dat heden zoo ver achterbleef, en waarop de nieuwe eigenaar bij den eerstvolgenden wedren sommen durft wagen, alsof het heden gewonnen had. En nu, spreken wij nog niet van nog reusachtiger bedriegerijen, van beursspeculatien, van valsche berigten, van gefingeerde telegrammen, van de Crédits, van wisselruiterij, van zoo vele met ophef aangekondigde ondernemingen, die onder den schijn van vaderlandsliefde, philanthropie, bevordering der nijverheid, enz., den geloovigen burger het geld uit den zak kloppen. Onze slotsom is deze: slechts arbeid, ware, voortbrengende arbeid, is als middel om te winnen volkomen eerlijk. Het spel, als uitspanning, is geoorloofd. Wie het spel, als winstbejag, afkeurt en wenscht te onderdrukken, keere zijne woede niet in de eerste plaats tegen zoodanige wijze van spelen, waarbij geen bedrog plaats heeft, maar wijde zijne krachten aan het tegengaan van valsch spel op de Beurs, in de staatkunde, in de moraliteit en in de vlakten, die in de nabijheid der hoofdsteden van Europa getuigen zijn van de ligtzinnigheid, waarmede men zijne fortuin, het geluk der zijnen en zijne eer laat afhangen van paarden-skeletten en jockey-kunsten, of erger.'

17 juni 1868 - Maatstelsel[bewerken]

Volgens berigten uit Berlijn, is door den noordduitschen Rijksdag een tientallig stelsel voor maten en gewigten aangenomen, hetwelk echter eerst in 1872 zal worden ingevoerd. De Kölnische-Zeitung zegt daarover het volgende: 'Deze maatregel is ontegenzeggelijk van groote beteekenis, en tevens noemen wij, in overeenstemming met het gevoelen van den Afgevaardigde Twesten, de bepaling, dat sommige duitsche benamingen zullen behouden blijven, zeer doelmatig, aangezien wij ons daarvan eene meer geleidelijke algemeene invoering voorstellen. Nu zal, naar wij hopen, ook weldra eene decimale indeeling der munt volgen, waarop reeds in de verhandelingen van den Rijksdag gedoeld is.'
Omtrent het nieuwe stelsel van maten en gewigten, deelen andere dagbladen o.a. het volgende mede: 'De grondslag van het stelsel is het veertig-millioenste deel van den omtrek der aarde, of de meter, waarvan een platina-standaard te Berlijn bewaard wordt. Deze meter, waarvan men in het Duitsch den naam Stab geven zal, verschilt, volgens naauwkeurige waarnemingen, slechts eenige millioenste deelen van den platina-standaard, die, als grondslag van het stelsel, te Parijs gedeponeerd is, en welk verschil hoogstwaarschijnlijk is toeteschrijven aan de moeijelijkheid om aan de bedoelde voorwerpen een volkomen gelijken graad van warmte medetedeelen; hetgeen evenwel in de praktijk geen noemenswaardig verschil oplevert. Het honderdste deel des meters (centimeter) heet Neuzoll; het duizendste deel (milimeter), Strick. Tien meters (decameter) maken eene Kette uit; duizend meters zullen kilometer genoemd worden. Voor vlaktemaat zal de vierkante meter (Kwadratstab) als eenheid gelden; honderd kwadraatsmeters dragen den naam Ar, en tienduizend kwadraatmeters zullen Hektar genoemd worden. Voor inhoudsmaat geldt de kubiekmeter als grondslag; het duizendste deel daarvan de liter of Kanne; de halve kan heet Schoppen; honderd kannen maken een hectoliter of Vat, en vijftig kannen een Schepel uit. Voorts zal de mijl eene lengte hebben van 7500 meters. De gewigtseenheid is de kilogram, gelijkstaande met het gewigt van eene kan gezuiverd water, bij 4° warmte van den honderddeeligen thermometer. De kilogram verdeelt men in 1000 grammen, met decimale onderverdeeling. Tien grammen maken een Neu-loth; het tiende deel van een gram heet decigram; het honderdste, centigram, enz. Een half kilogram heet een pond; 100 ponden maken een centenaar, en 1000 ponden eene Tonne uit.'—De Mainzer-Beobachter zegt, het zeer te betreuren, dat bij deze prijzenswaardigen vooruitgang niet meer eenvoudigheid in de terminologie in acht genomen is. 'Wij, voor ons (zegt het blad), nemen de vrijheid, van den heer Twesten en de Kölnische-Zeitung van gevoelen te verschillen omtrent de wenschelijkheid om sommige oude benamingen aantehouden, en gelooven geenszins, dat dit de invoering gemakkelijker maken zal; integendeel, wij verwachten daarvan verwarring, vooral daar men zich er op schijnt toegelegd te hebben om het nieuwe stelsel zoo onsmakelijk mogelijk te doen zijn. Wat hebben wij met milligram, dekagram en hektar te maken? Het aannemen van meter, liter en kilo zou voldoende en eenvoudiger, en dus, naar ons inzien, praktischer geweest zijn. Eenmaal met den meter kennis gemaakt hebbende, is het begrip van tiendeelige onderdeelen en veelvouden voor ieder gemakkelijk te vatten, zonder het lastige geheugenwerk, 't welk nu die bastaardnamen vorderen. Om de beteekenis van het woord Ar te vatten, moet men den landman die uitdrukking doen herleiden in 100 kwadraatmeters, of het vierkant op de lijn van 10 meters. Indien men dus ter verduidelijking van die vreemde namen gedurig op het gronddenkbeeld des stelsels moet terugkomen, zou het, o.i., beter geweest zijn, dat gronddenkbeeld tevens in de uitdrukking te bewaren, en liever van 1/1000 meter dan van een millimeter,—liever van 10 meters dan van eene kette of dekameter te spreken. Tegen het behouden van de benaming mijl zouden wij minder bedenking hebben, ofschoon wij weder niet inzien, waarom aan deze latijnsche uitdrukking voor 1000 schreden de voorkeur zou moeten worden gegeven boven het voor ieder begrijpelijke 1000 of 10,000 meters. De bepaling, dat voortaan zoodanige mijl eene lengte van 7500 meters hebben zal, noemen wij zonderling en in strijd met het geheele stelsel. Ook heeft het ons bevreemd, dat bij de nieuwe bepalingen niet schijnt gedacht te zijn aan het overeenbrengen van zeemijlen met de thans aangenomen afstandsmaat.'

22 juni 1868 - Onderscheidingstekens[bewerken]

De Groothertog van Hessen heeft eene nieuwe medalje ingesteld, als onderscheidingsteeken voor de militairen, die nog onder Lodewijk I gediend hebben. De feestelijke viering van deze instelling heeft op den 14den dezer maand te Darmstadt plaats gehad. 'Men ziet daaruit (aldus laat zich de Kölnische-Zeitung over deze zaak uit), dat het Hessenland, wat ook de vijanden van Pruissen daartegen mogen aanvoeren, nog altijd zelfstandig is, en dat den Souverein van dien Staat nog altijd de vrijheid wordt gelaten, zich te vermaken met uitspanningen, zoo als wij dat van oudsher bij zulke kleine Vorsten gewoon zijn.' De Mainzer-Beobachter, dit mededeelende, zegt, dien schimpscheut niet goed te begrijpen, daar toch de Souvereinen van grootere Staten ook van hunne zijde behagen scheppen in het vermenigvuldigen van allerlei onderscheidingsteekenen, getuigen 'de adelaars van witte, zwarte en roode kleur, één en tweekoppig en verdeeld in klassen met bijvoeging van eikenloof, sterren en diamanten.'

2 juli 1868 - Alliantie[bewerken]

Ten aanzien der mogelijkheid, dat het zuiden van Duitschland zich, afgescheiden van het noorden, tot een afzonderlijk Verbond constituëren zou, haalde de Kölnische-Zeitung dezer dagen een artikel aan uit een (nationaal-liberaal) Erlanger dagblad, hetwelk zich aldus uitdrukt: 'Het is van algemeene bekendheid, dat men te Baden niet aan een Zuidduitsch-Verbond denkt,—in het Hessische daaraan niet denken kan, en dat onlangs het orgaan der wurtembergsche Regering zulk een plan voor eene hersenschim verklaard heeft. Ook de minister van Beijeren noemde het, in October 1867, eene onmogelijkheid, en het komt ons derhalve voor, dat men daarin als in eene uitgemaakte zaak zou kunnen berusten. Indien eene partij in het Wurtembergsche (die evenwel zeer spoedig tot eene niet-noemenswaardige fractie zal zijn samengesmolten) zich nog altijd voor zoodanig plan in vuur zet, laat zij dan zulk eene illusie najagen op hare eigene verantwoordelijkheid, mits zij zich slechts er van overtuigd houdt, nooit op eenigen bijstand van de beijersche Regering te zullen kunnen rekenen. Wie onbevooroordeeld de omstandigheden gadeslaat, zal moeten erkennen, dat zelfs eene Kabinets-verandering in Stuttgart, hen, die nog altijd droomen van een afzonderlijk Zuidduitsch-Verbond, geen haarbreed nader aan het doel brengen zou. Men make den baron Schrenk, den baron Thüngen, den baron zu Rhein, dr. Jörg ministers, en zij zelven zullen binnen veertien dagen tijd, indien niet reeds in het eerste uur van hun optreden, inzien, dat een afzonderlijk Verbond der zuidduitsche Staten eene onmogelijkheid is.' De Mainzer-Beobachter zegt daaromtrent o.a.: 'Wij willen beleefdheidshalve het nationaal-liberale beijersche blad op zijn woord gelooven, en zijn volkomen geneigd, ieder, die anders daarover denkt, voor kortzigtig te houden. Het blijft evenwel eene onaangename waarheid, dat nog altijd, zoowel in de staatkunde als op ander terrein, eenige lieden kortzigtig zijn; ja zelfs, volgens sommige pessimisten, vormen de kortzigtigen de meerderheid. Had niet de scherpziende Erlanger-Zeitung,—het blad, voor welks oog niets verborgen is; het blad, dat zoo met juistheid weet medetedeelen, niet alleen wat Beijeren, Baden, Wurtemberg en Hessen willen of kunnen, maar zelfs wat zal geoordeeld worden door ministers, die nog niet benoemd zijn en welligt nooit benoemd zullen worden,—had niet dat blad, ten behoeve van zoo veel kortzigtigheid, wèl gedaan, zijne apodictische verzekeringen eenigzins toetelichten met een afdoend: waarom geen uitzigt zou bestaan op eene onderlinge aansluiting der zuidelijke Staten? Wij, voor ons, die aannemen, dat alles wat bestaat zijne reden van bestaan heeft,—dat alles wat niet bestaan kan, dewijl die redenen ontbreken, wij gelooven, in alle bescheidenheid, dat wat niet is nog komen kan. Gelijk in de scheikunde sommige stoffen zich vijandelijk van elkander afscheiden, totdat eene derde, daartoe geschikte, materie haar onderling verbindt, zou het ook wel kunnen gebeuren, dat deze of gene gebeurtenis (het optreden van een zuidduitschen Bismarck bij voorbeeld) aan gene zijde van den Main hetzelfde gevolg had als waarin het Noordduitsch-Verbond zich verheugen mag. Het staat niet aan ons, te beslissen, of zoo iets voor de deur staat; doch welligt voldoen wij te gelijker tijd aan de eischen der bescheidenheid, en aan die der staatkunde, door op zulke vragen te antwoorden met een zedig: misschien.'

7 juli 1868 - Berichtgeving[bewerken]

De Kölnische-Zeitung deelt, onder de rubriek, 'Zuidduitschland', het volgende mede: 'Eene naauwkeurige beschouwing der woelige bedrijvigheid van ultramontanen, anti-nationalen en republikeinen schenkt de overtuiging, dat die beweging naar een vast beraamd plan plaats heeft, en van één middenpunt uitgaat. In al de organen der verschillende zoo even genoemde partijen,—hoe ver uiteenloopend van rigting voor 't overige ook,—treft men dezelfde beschouwingswijze, en dezelfde aanklagten tegen Pruissen aan; alleen de vorm verschilt, doch in den grond der zaak ontdekt men eene eenheid van streven, die tot nadenken opwekt. In al de bladen van dien stempel wordt met volhardende onbeschaamdheid het naderend oorlogsgevaar geschetst; overal wordt geklaagd over Pruissens heerschzucht, en over de rampen, die zich over Duitschland, ten gevolge der garantie-verdragen en het Tol-Parlement, hebben uitgestort; overal worden der pruissische Regering plannen toegedicht, van welke men niet begrijpt, hoe zij door mannen, met gezond verstand begaafd, mogelijk kunnen worden geacht. Indien iemand als de gewezen wurtembergsche minister von Neurath tot zijne kiezers durft zeggen: 'De Pruissen hebben geen geld om bier te betalen; te naauwernood kunnen zij een snaps met roggebrood bekostigen; er bestaat in Pruissen geen middelstand',—dan behoeft men niet te vragen naar het allooi der zaken, die door personen van minderen stand dan de heer von Neurath worden uitgekraamd. Onder dezen bestaat vrij algemeen het vooroordeel: dat Beijeren zeer benadeeld wordt door het deelnemen aan de Tol-vereeniging; dat de beijersche inkomende regten thans ten behoeve van Pruissen worden aangewend, enz.'
Na deze meening op statistische gronden wederlegd te hebben, gaat het Keulsche blad aldus voort: 'Naast de Augsburger-Postzeitung is het vooral de Volksbote, van Munchen, die zich schijnt toeteleggen op het verontrusten der gemoederen, door de aanhoudende voorspiegeling van een oorlog met Frankrijk. Schier in al zijne nummers van de afgeloopen maand hoont dit orgaan alle weldenkenden, die zich verstouten, eene vreedzame oplossing der aanhangige staatkundige geschillen voor waarschijnlijk te houden. Aanhoudend stelt het de vraag voorop, of Beijeren, bij den als aanstaande voorgestelden oorlog met Frankrijk, het zich zal moeten getroosten, zijne kinderen te zien opofferen aan pruissische heerschzucht? Of men geld en bloed zal moeten bijdragen tot versterking der ketenen, waarin het Huis-Hohenzollern een groot gedeelte van Duitschland gekluisterd houdt? Ook de Stuttgarter-Beobachter spreekt in denzelfden geest. Het is te voorzien, dat eerlang de ultramontaansche bladen verkondigen zullen, dat Pruissen annexionistische plannen omtrent Beijeren koestert.'
De Mainzer-Beobachter antwoordt daarop, dat voor de ultramontaansche bladen geene zeer wilde fantasie noodig is, om deze voorspelling der Keulsche-courant te bewaarheden, doch vraagt, of de Kölnische-Zeitung, die zoo bitter klaagt over de eenstemmigheid der aanvallen, waaraan Pruissen in Zuid-Duitschland ten doel staat, hetzelfde blad is, 't welk onlangs betoogde: 'dat door gebrek aan gelijkgezindheid, nooit spraak kon zijn (aldus redeneert de Mainzer courant), eerst de tegenstanders in de oogen van Europa te vernederen door het betoog, dat zij te veel in zich zelven verdeeld zijn om ooit iets degelijks tot stand te brengen, en twee dagen later zoo te jammeren over de eensgezindheid, waarmede die tegenstanders ons aanvallen. Wat is nu eigenlijk, volgens de meening van het nationaal-liberale hoofdorgaan, de waarheid? Moet men dan, om de daarin voorkomende argumenten niet ongerijmd te vinden, volstrekt al de andere bewijsvoeringen, welke men den vorigen dag in dezelfde kolommen las, vergeten? Wij, voor ons, mogen ons in de daartoe onmisbare memorieloosheid vooralsnog niet verheugen.'

12 augustus 1868 - Berusting[bewerken]

De Kölnische-Zeitung beijvert zich voortdurend, in zeer uitgebreide artikelen te betoogen, dat het niet de moeite waard is, achtteslaan op het streven der zuidduitsche 'raddraaijers', die door het stchten van een verbond zeker tegenwigt tegen het Noorden zoeken daartestellen. In de, door hare eigene correspondenten regtstreeks uit Beijeren en Wurtemberg aan die courant gerigte, stukken wordt gedurig in het breede melding gemaakt van elke betuiging of van elk voorval, hetwelk eene volkomen berusting schijnt aanteduiden in het door Pruissen ingenomen standpunt. Zoo wordt èn door de correspondenten van dat blad, èn door de redactie zelve met hoogen lof uitgeweid over de toespraak, welke de heer von Beust op het schuttersfeest te Weenen heeft gehouden, onder opmerking, dat de verzoenende geest, die in de woorden van den oostenrijkschen president-minister doorstraalt, al de 'weldenkenden' in den Keizerstraat bezielt. 'Dit alles belet evenwel niet (aldus drukt een correspondent uit Munchen zich uit), dat Oostenrijk van de deelneming aan algemeen-duitsche belangen behoort uitgesloten te blijven. Dat vraagstuk is nu eenmaal voor altijd opgelost, en slechts onverberlijke zuidduitsche particularisten en verwarde gevoelspolitici, gelijk in het, voor het overige zoo gezegende, land van Zwaben nog zoo velen gevonden worden, kunnen zich veroorloven, daaraan te twijfelen. Het is een geluk, dat de Oostenrijkers zelven op dit punt verstandiger zijn; zij hebben volstrekt geen lust, zich weder in duitsche aangelegenheden te mengen, en rigten hunne blikken niet naar Stuttgart, maar naar Berlijn. De zwabische democraten beginnen een regt belagchelijk figuur te maken in het groote duitsche drama, en dit zal dan ook weldra ten gevolge hebben, dat alle heldere hoofden en warme harten in het Zwabenland, voor zoo ver de Pruissenhaat niet al te diep is ingeroest, zich aan die zijde scharen zullen, welke de meeste kans op Duitschlands grootheid aanbiedt. Ja, wij houden ons er van verzekerd, dat diezelfde Zwaben geroepen zijn, eenmaal de krachtigste ondersteuning van den grooten duitschen eenheidsstaat uittemaken, zoodra zij zullen geleerd hebben, bijzondere belangen ondergeschikt te maken aan de belangen van het algemeen.'—'Zij moeten het dus nog leeren (aldus commenteert de Mainzer-Beobachter deze redenering); wij hadden iets beters verwacht van die "heldere hoofden en edele harten" der Wurtembergers en Beijerschen; wij staan nu in twijfel, of de lofspraak van den Munchener correspondent onzer Keulsche zuster wel geheel en al opregt is, en of wij hier niet veeleer aan eene welgemeende vermaning te denken hebben. Welgemeend inderdaad! Want, indien ooit, dan geeft de nationaal-liberale partij in Pruissen (waarvan de Kölnische-Zeitung een der invloedrijkste vertegenwoordigsters is) het schoonste voorbeeld van toepassing der leer, welke zij predikt: berusting. Die partij vergenoegt zich zelfs met, uit loutere vredelievendheid, zich in het streven om te behouden wat gewonnen is aan de zijde te scharen der anders zoo onbeminde conservatieven. Het is roerend te aanschouwen, hoe bijna geheel Pruissen berust in de onvermijdelijke gevolgen van Königgrätz, en de Oostenrijkers zouden al zeer verstokt moeten zijn, indien zij dat voorbeeld van vergevensgezindheid niet volgden. Ook te Frankfort, in Nassau, in Hessen en in Hannover vindt men nog 'kwalijkgezinden', die wèl zullen doen, een voorbeeld te nemen aan de pruissische gelatenheid. Hoe echter het Keulsche blad (wel is waar onder protest, doch niet zonder eenig gewigt te hechten aan die tijding) haren lezers, in tegenspraak met het gewone optimismus, mededeelt, dat de ultramontanen in Zuid-Duitschland "op oorlog speculeren",—dat zij door den Münchener-Volksbote het gerucht laten verspreiden, dat Pruissen zich krijgsvaardig maakt, en voor 850,000 th. aan paarden besteed heeft, om oogenblikkelijk in het veld te rukken,—dit verklaren wij niet te begrijpen; evenmin als de wijze, waarop dat berigt wordt gelogenstraft, door namelijk te verzekeren, dat de generaal von Moltke, gevolgd door 59 officieren van den generalen staf, eene oefeningsreis ondernomen heeft; hetgeen, volgens de Kölnische-Zeitung een bewijs is, dat de vrede bewaard zal blijven. Wij gelooven gaarne, dat de onmiskenbare talenten des generaals von Moltke niet zóó ver gaan, dat zij hem zouden in staat stellen, Frankrijk aantegrijpen met een leger van 59 man, doch missen de door het Keulsche blad aanbevolen "helderheid van hoofd", om in den oefeningstogt van eenige stafofficieren een waarborg voor den vrede te zien.'

27 augustus 1868 - Bezoek[bewerken]

Uit Coblenz wordt geschreven, dat Koning Wilhelm, na het bijwonen van vele militaire exercitien en feestelijkheden, van daar over Frankfort naar Hanau vertrokken is. Men zegt, dat. Z.M. zich alom hoogst voldaan over zijn bezoek in de Rijnprovincie heeft uitgelaten. Naar aanleiding van sommige in de fransche dagbladen voorkomende redeneringen over het veroveren dezer streken door Frankrijk, en bepaaldelijk van de bewering, dat de Rijnlanders zelven niets liever willen, dan onder de fransche heerschappij terugkeeren, maakt de Kölnische-Zeitung zeker schrijven openbaar, 't welk door een inwoner van Keulen aan het blad le Temps zou gerigt zijn, en waarin deze meening bepaaldelijk wordt tegengesproken. 'De Parijsche dagbladschrijvers (aldus wordt daarin gezegd), die beweren, dat wij met vreugde ons in Frankrijk zouden zien inlijven, zouden deze hunne illusie verloren hebben, indien zij getuigen hadden kunnen zijn van de hartelijke ontvangst, welke aan Koning Wilhelm van de zijde der Keulsche bevolking ten deel is gevallen. Hier waren geene soldaten, hier was geene politie noodig, om den Souverein te beschermen; hier waren geene betaalde officiële of officieuse toejuichers,—het was hier het werkelijke volk, 't welk zijnen Koning met ongeveinsde innigheid tegemoet stroomde. Men behoeft slechts eenige weinige dagen in dit land vertoefd te hebben, om er van overtuigd te zijn, dat nergens de minste lust bestaat om van nationaliteit te veranderen.'—De Mainzer-Beobachter knoopt daaraan eenige beschouwingen vast, die ten doel hebben, te doen uitkomen, dat de wijze, waarop men een magtigen Souverein ontvangt, wiens innemende persoonlijkheid, ook zonder het prestige van kroon en veldheerstaf, hem alom tot een welkomen gast zou maken, geen juisten maatstaf oplevert voor het waarderen der staatkundige gezindheid eener bevolking. 'Dat men in de pruissische Rijnlanden niet fransch worden wil (aldus gaat genoemd blad voort), nemen wij aan, en wij gaan zelfs verder, door ditzelfde voor de hessische Rijnstreken als uitgemaakt vasttestellen, ofschoon deze meening hier en daar tegenspraak vinden zou. Doch indien de duitsche stemming moet bewezen worden uit de geestdrift voor het Stamhuis der Hohenzollerns, zouden wij tot eene zonderlinge slotsom geraken, als wij met onze gedachten eenige jaren teruggingen. Het is nog zoo lang niet geleden, dat het pruissische Koningshuis, in de voormalig kerkvorstelijke Staten langs den Rijn niet bovenmate bemind was, en, bedriegen wij ons niet, dan bestond zelfs aan weerszijden zekere afkeer. De thans "goede" stad Keulen mogt zich slechts zelden verheugen in een koninklijk bezoek, en ontving de blijken van Koning Wilhelms sympathie (zelfs bij gelegenheden, als de onthulling der twee Konings-standbeelden op de schoone Rijnbrug) slechts langs telegrafischen weg. Wij kunnen op goede gronden berekenen, dat geen gebouw der oude bisschopsstad den Koning, vóór zijn laatste bezoek, beter bekend was, dan de spoorweg-station. In het midden latende, welke oorzaken de door ons opgemerkte verwijdering teweegbragten, meenen wij echter met bescheidenheid de vraag te mogen opperen, of dat thans geweken gebrek aan toenadering, in de oogen van den steller des briefs aan le Temps, voor de zucht pleitte om in Frankrijk te worden ingelijfd? Indien ja, dan schijnt de volksstemming snel te veranderen; indien neen, dan is ook uit de thans gebleken hartelijkheid voor een eerbiedwaardigen grijsaard (niet minder belangwekkend voorzeker door ongehoorden voorspoed, als door magt en geboorte) geen gevolg te trekken ten opzigte der staatkundige gevoelens van de bevolking. Zoo lang er Koningen zijn, die zich weten te omgeven met een schitterenden staf, zal er, bij het licht van nog schitterenden vuurwerken en illuminatien, een volk zijn, 't welk die Koningen toejuicht. Wij, voor ons, hopen, wenschen en gelooven, dat de duitsche nationaliteit der Rijnlanden op hechtere grondslagen rust, en dat het mannelijke "Zij zullen hem niet hebben, den ouden duitschen Rijn" eene waarheid blijven zal, ook al zou die stroom de bescherming moeten missen van pruissische of hessische dynastien, of al ware het, dat die dynastien zich eenmaal in mindere aanhankelijkheid hadden te verheugen, dan wij nu vernemen, dat het geval is. Koningen sterven, Stamhuizen vergaan, maar de volken blijven.'

11 september 1868 - Reglement[bewerken]

Men verneemt, dat, ter vervanging van de thans bestaande bepalingen op het verkeer over de spoorwegen, eene nieuwe verordening is vastgesteld, zoowel voor de eigenlijke staatsbanen, als voor de wegen, die, door particuliere maatschappijen geëxploiteerd, onder toezigt der Regering staan. Het nieuwe reglement handelt over den toestand, het onderhoud en de bewaking der wegen, alsmede over den toestand en de inrigting der vervoermiddelen. Deze laatsten moeten voldoen aan de eischen van de meest mogelijke snelheid, zonder het leven der reizigers in gevaar te stellen. Locomotiven mogen niet gebruikt worden, voordat zij aan een technisch onderzoek der politie onderworpen, en door deze goedgekeurd zijn. Op zigtbare wijze moeten op die werktuigen de kracht, de naam des fabrikants, een doorloopend fabrieks-nummer en het jaar der vervaardiging gesteld zijn. De grootste geoorloofde snelheid bij stijging van 1 op 200, en bij wendingen van niet minder dan driehonderd roeden straal, is voor sneltreinen op vijf,—voor gewone personentreinen op zes, en voor goederentreinen op tien minuten per mijl vastgesteld; bij sterker helling of krommingen van kleiner radius moet deze snelheid naar evenredigheid verminderd worden. Zoodra menschen, dieren of andere hindernissen op den weg bespeurd worden, en bij het overgaan van draaibruggen, moet mede worden ingehouden. In al deze gevallen moet zoo langzaam worden gestoomd, als de omstandigheden ter voorkoming van gevaar eischen. Het personeel der treinen mag, gedurende den togt, slechts aan ééne beambte ondergeschikt zijn, die, als in 't bijzonder voor de orde en de veiligheid verantwoordelijk, derwijze moet geplaatst zijn, dat hij den geheelen trein overziet, de signalen bemerken kan en met den locomotiefvoerder in verbinding staat. Dit is ook van toepassing op de conducteurs en de stokers. Al deze geëmployeerden zullen door eene gespannen lijn, welke in verbinding staat met de stoomfluit, in de gelegenheid zijn, den locomotiefvoerder te roepen of te waarschuwen. Tot het vervullen van deze laatste bediening mogen slechts zij worden aangesteld, die minstens één jaar als proef bij de spoorwegdienst werkzaam zijn geweest. Bovendien behooren zij een voldoend examen te hebben afgelegd. De stokers moeten van de inrigting der locomotief althans zoo veel weten, dat zij, indien dit vereischt wordt, in staat zijn, de machine te stoppen.—De Mainzer-Beobachter behandelt dit staatsstuk op ironische wijze, en stelt voor, den stokers een examen aftenemen, voor het geval, dat de 'ministeriële locomotiefvoerders eens afwezig, van het paard gevallen of door het eene of andere dreigende gevaar duizelig mogten geworden zijn.' 'Inderdaad (aldus gaat die courant voort), wij staan verbaasd over de verregaande zonderlingheid van bepalingen, die voor het meerendeel denken doen aan de verzekering, dar mr. de la Palisse een half uurtje voor zijnen dood nog in leven was. De verzekerings-maatschappijen, die tegen spoorweg-ongelukken waarborgen, hebben thans wat Pruissen aangaat, afgedaan; er is bepaald, dat de treinen zullen stoppen, zoodra zich op den weg eenige hindernis vertoont; botsing met een trein "van tegenovergestelde rigting" (zoo als de politici zeggen) is voortaan onmogelijk. Ook het derailleren zal niet meer plaats hebben. Elk conducteur zal terstond weten te berekenen, in welke verhouding hij de snelheid zal moeten verminderen bij meerder helling en korter straal. Wie echter de juistheid hunner berekeningen zal controleren, wordt niet medegedeeld, en wij gelooven, dat het nogal moeijelijk zal wezen, daarop bij elke kromming, welker radius meer of minder dan 300 roeden bedraagt, bij elke helling van meer dan 1:200, te letten. Wij verwachten nu van die geëxamineerde locomotiefvoerders, dat zij nu en dan zichzelven en de reizigers eenige minuten rust zullen gunnen, om de mathematische berekening te maken, die tot het wèl voeren van een spoortrein schijnt noodig te zijn. Mogt echter iemand klagen over te groote uitvoerigheid van het nieuwe reglement, hij stelle zich gerust bij de opmerking, hoe de nieuwe bepalingen te gelijker tijd lijden aan zekere onvolledigheid, die vergoelijkend afsteekt bij de reglementeerwoede, welke de overbodige artikelen in het leven geroepen heeft. Wij vinden niets over afgescheiden wagens der derde klasse voor vrouwen; niets over de mogelijkheid voor passagiers om bij aanranding hulp te roepen; niets over het sluiten of openen der vensters; niets over het wederregtelijk opsluiten der reizigers, ook in oogenblikken, waarin het ieder behoorde vrijtestaan, zich naar eigen wil te bewegen; niets over het te laat aankomen der treinen, waaruit zoo menige schade ontstaat; niets over het willekeurig afnemen van des reizigers kleine bagage (zonder ontvangbewijs) bij het passeren der grenzen; niets over de toch zoo noodige klagtenboeken; niets over het zoo vermoeijende eindelooze "kaartjes-zien"; over dat alles schijnt het nieuwe reglement heentestappen. Wij weten nu, dat de trein stoppen moet, "indien zich eenige hindernis op den weg vertoont", en daarmede moeten wij te vrede zijn. Schreef de vorige instructie voor, maar doorterijden? Dit zou inderdaad vele spoorweg-ongelukken, welker oorzaak tot nu toe in het duister lag, verklaren.'

18 september 1868 - Vrede[bewerken]

Volgens de Kölnische-Zeitung, behoort men uit de beschikking van den Bonds-veldheer, volgens welke de reserve-manschappen voor een groot gedeelte naar huis zijn gezonden, en de oproeping der rekruten drie maanden is uitgesteld, een bewijs te zien, dat de vrede zal bewaard blijven, hoewel (volgens dat blad) de naastliggende oorzaak dezer maatregelen gezocht moet worden in het deficit van de militaire begrooting van het Noordduitsch-Verbond. Bedoelde courant houdt er voor, dat het uitzigt op vrede, althans tot den aanstaanden zomer, volkomen verzekerd is, en beweert, dat Pruissen daardoor eene onschatbare dienst aan Europa heeft bewezen, welks stemming voortdurend door allerlei berigten, vooral van Parijs uitgaande, heen en weder werd geslingerd. De Mainzer-Beobachter drijft den spot met het artikel der Keulsche courant, waarin deze meening wordt ontwikkeld, en beweert, dat de vrede behoefte heeft aan hechtere grondslagen, dan de zeer voorbijgaande neiging der Regeringen tot spaarzaamheid. 'Indien de zucht om het geld der belastingschuldigen te sparen (aldus drukt o.a. het Mainzer blad zich uit) inderdaad bestond, en krachtig genoeg was om die andere neiging te overwinnen, welke aandrijft tot het uitbreiden van gezag en het verwoesten van welvaart, dan voorzeker zouden wij eens voor altijd van de ramp des oorlogs bevrijd zijn. Dit is echter, blijkens de geschiedenis, zoo niet, en geen onnoozel deficit zal onze staatslieden weêrhouden, onze landskinderen in den strijd te drijven, zoodra eenig vermeend belang, gekrenkte eigenliefde of behoefte aan afleiding naar buiten daartoe aanleiding geeft. Het staat bovendien niet aan Pruissen, noch aan eenig ander land, den oorlog onmogelijk te maken. Elke aanval vordert verdediging, en wij gelooven niet, dat een tegenstander zich van aanval onthouden zou uit zekere kieschheid om het deficit van het Noordduitsch Verbond niet te vergrooten. Wij meenen te weten, dat ook het fransche budjet van Oorlog door sommigen als te hoog opgevoerd wordt beschouwd, en geenszins in evenredigheid met de wenschen en hulpbronnen van het fransche volk; volgens de redeneringen der Keulsche courant, zou dus van dien kant de vrede nooit gestoord worden, en wij zouden een duizendjarig Rijk van eensgezindheid tegemoetgaan, dat zijnen oorsprong vond in geldgebrek. Wij meenen, dat deze zeer onaangename oorzaak wel eens geheel andere gevolgen kon opleveren, en gelooven, dat wel eens oorlog is gevoerd om een schijn van roem te werpen op financiële verwarring. De Paltz is verwoest, omdat tusschen Lodewijk XIV en Louvois verschil van gevoelen bestond over de grootte van eenige vensters in de Louvre. Wie verzekert ons, dat niet weldra deze of gene bouwmeester aan de overzijde van den Rijn behoefte hebben zal aan het verleggen van binnelandsche twisten naar buiten? Of, juister gezegd, ligt het niet in den aard der zaak, dat men daartoe weldra door de omstandigheden zal gedwongen zijn? De nabij Frankrijk wonende volken zijn nagenoeg in den toestand van een burger, wiens huis naast dat van een vuurwerkmaker gelegen is: de verzekeringsmaatschappijen zijn huiverig, zulke panden te assureren. Wij, voor ons, gelooven, dat de Kölnische-Zeitung wel eenigzins ligtvaardig met hare verzekeringen te werk gaat, vooral als zij geldgebrek aan deze zijde als geruststelling er voor aanvoert, dat de ontplofbare stoffen aan den anderen kant niet zullen ontbranden.'

4 oktober 1868 - Staatsloterij[bewerken]

De Rijnsche bladen nemen een berigt over uit de Magdeburger-Zeitung, volgens hetwelk men met zekerheid kan voorspellen, dat de pruissische begrooting voor 1868 zonder deficit sluiten zal; hetgeen (volgens genoemd blad) hoofdzakelijk hieraan is toeteschrijven, dat men geen acht heeft geslagen op die besluiten van het Huis van Afgevaardigden, waaruit vermeerdering van uitgaven en vermindering van inkomsten zouden zijn voortgevloeid. 'Om een voorbeeld aantevoeren (aldus leest men in die courant), men heeft afgezien van de intrekking der koninklijke loterij, en wij hechten daaraan onze goedkeuring. Wij weten wel, dat er gevonden worden, die de klassenloterij, zoo als die thans van staatswege wordt gehouden, met de speelbanken gelijkstellen, doch dit is verregaande overdrijving. Indien er geen kwaad in steekt, een lot te nemen, waarvan de opbrengst dienen moet tot opbouw eener kerk, dan achten wij het ook niet te misprijzen, eene loterij in stand te houden, uit welks inkomsten zekere noodzakelijke behoeften van den Staat moeten worden bestreden. Geene belasting wordt door de bevolking ligter gedragen en met minder weerzin opgebragt, dan die op de publieke loterij. De puriteinsche dweepers, die alle toevalskansen en de hoop op een goeden uitslag daarvan uit het leven willen verbannen, miskennen de menschelijke natuur, en zouden, om zich gelijk te blijven, tevens alle kaartspel moeten verbieden. Zij hebben dan ook in zoo ver hun doel bereikt, dat op kermissen en schuttersfeesten het vrolijke dobbelspel in de kramen verboden is, hoe oud en onschadelijk dit volksvermaak dan ook was. De politie waakt er tegen, dat zes personen ieder vier penningen te zamen leggen, om zich de spanning te verschaffen der prikkelende onzekerheid, wie de gelukkige eigenaar van een twee groschen-koek wezen zal. Daarmede wordt, voorwaar, de publieke zedelijkheid niet gebaat, dat men met kleingeestige kwelzucht het volk onder voogdij stelt,—het te keer gaat in zijne onschuldige uitspanningen, en een stempel van officiële verveling zet op zijne feesten.'—De Mainzer-Beobachter maakt daarbij de opmerking, dat de organen der nationaal-liberale partij, bij het verdedigen der pruissische staatsloterij, dezelfde gronden aanvoeren, die zij vroeger, toen er spraak was van de hessische en nassausche speelinrigtingen, zoo heftig bestreden. 'Ook die etablissementen (aldus redeneert het Mainzer blad) wierpen belasting af "waaruit noodzakelijke behoeften van den Staat werden bestreden." Doch,—dit erkennen wij,—die Staat heette niet Pruissen, en dit maakt een groot verschil in de waardering der zedelijke waarde of onwaarde van die inrigtingen. Ook die belasting werd ligt gedragen, en zonder weerzin opgebragt.—Wij hebben nooit vernomen, dat iemand door gensdarmen naar de groene tafels gebragt is; doch de oogst, welke op die groene tafels verzameld werd, vloeide niet in de pruissische schatkist; daarin zal dan ook wel de reden liggen van het verschil tusschen de beschouwingen, die de speelbanken afkeurden, en de koninklijk-pruissische klassenloterij hemelhoog verheffen. Wat voor 't overige de mening der Magdeburger-Zeitung aangaat over de kleingeestige zorg der politie in het tekeergaan van kleine kansspelen op kermissen en feesten, wij sluiten ons daaraan van geheeler harte aan. Wie in den man uit het volk een mensch ziet, of hem tot mensch maken wil, behandele hem niet als een kind; dit toch is de zekerste manier om hem onmondig te doen blijven.'

27 oktober 1868 - Couranten[bewerken]

Men schrijft uit Hannover: 'Men is wel genoodzaakt, achtteslaan op eene verhoogde werkzaamheid der organen, die, zoowel in het binnen- als in het buitenland, zich het omverwerpen der thans bestaande orde van zaken ten doel stellen. Behalve het nieuwe te Leipzig verschijnende blad Germania, onder de redactie van den heer Stubenrauch, vernemen wij, dat thans in diezelfde stad eene in de fransche taal geschreven courant wordt uitgegeven, als welker hoofdredacteur de italiaansche taalmeester Pozzati genoemd wordt. Dat blad, Bulletin International genaamd. overtreft al de bekende duitsche bladen in hevigheid tegen Pruissen, en tracht zijne fransche lezers in den waan te brengen, dat geheel Duitschland met verlangen naar eene interventie van Frankrijk uitziet. Herhaaldelijk wordt in bedoeld Bulletin de naam genoemd van den heer Hessèle, leeraar aan de Polytechnische- en Militaire-school te Leipzig, en in Welfische kringen wordt verzekerd, dat deze geleerde niet vreemd aan de redactie zou zijn. Wij meenen te mogen betwijfelen, dat de saksische Regering zulk herhaald en stelselmatig bestrijden van eene bevriende mogendheid door een beambte aan de koninklijke school te Leipzig dulden zou.' De Mainzer-Beobachter meent daarbij de opmerking te mogen voegen, dat de 'aanbidders van het succes' wel een weinig ver gaan in de eischen, welke zij stellen aan hen, die minder reden van tevredenheid hebben over 'dien afgod van het oogenblik.' 'Pruissen is magtig geworden (aldus redeneert het laatstgenoemde blad), en wij vinden het natuurlijk, dat elke Pruis tracht te deelen in de algemeene aanwinst. Hetzelfde zou geschied zijn met de Anhalters of Detmolders, indien hun landje den boventoon had verkregen. Maar mag nu die opgeblazenheid zoo ver gaan, dat men, als Gessler van de Zwitsers, van ieder vordert, dat hij het hoofd ontbloote bij het passeren van elk symbool, dat den Pruissischen voorspoed in herinnering brengt? Dat noemen wij onkiesch, onregtvaardig en onstaatkundig. De strekking van den twijfel aan de mogelijkheid, dat een saksisch leeraar aan de Polytechnische-school anti-pruissische artikelen in eene courant zou schrijven, is, in één woord, belagchelijk. Saksen is met Pruissen bevriend...nu ja, oorlog is er niet tusschen die twee Staten; maar of die vriendschap zóó ver gaat, dat de programma's der examens van aantestellen leeraren met een onderzoek naar pruissischgezindheid zouden moeten worden aangevuld, meenen wij, op onze beurt, te moeten betwijfelen. Wij vragen, of het een vereischte is in een pruissische professor, dat hij verkleefd zij aan de Napoleontische dynastie? Is het een beletsel voor de benoeming tot leeraar aan het eene of andere koninklijke instituut te Berlijn, dat men de handelingen van het russische Kabinet tegen Polen afkeurt? Wij gelooven dit niet; en toch zijn Frankrijk en Rusland met Pruissen in vrede, en dus (naar de opvatting van den hannoverschen correspondent) bevriende mogendheden. Wij kennen velen, die, in de eene of andere hoedanigheid, inkomsten genieten uit de pruissische staatskas, en zich toch niet er van laten weêrhouden om min gunstige oordeelvellingen te publiceren over landen en Rederingen, waarmede Pruissen in vriendschap leeft. Zou eene klagt daarover een gunstig onthaal vinden te Berlijn? Geenszins. Waarom zou dan de saksische Regering een professor aan de Polytechnische-school moeten verbieden, lucht te geven aan zijnen afkeer van maatregelen en handelingen, die eene geheel andere kleur dragen in de oogen van de onderliggende partij, dan van hen, die, gelijk wij in den aanvang zeiden, zich gelukkig gevoelen in hun aandeel in de algemeene opgeblazenheid.'

3 november 1868 - Pensioen[bewerken]

Vele dagbladen, houden zich bezig met de intrekking van het pensioen, 't welk door den vorigen Koning van Beijeren aan den heer Emanuel Geibel verleend was. Deze dichter (gelijk hij in de duitsche couranten genoemd wordt) was te gelijker tijd de officiële stads-poëet van Lubeck en de beschermeling der pruissische Regering, die hem een jaargeld van 300 th. uitbetaalde. De oorzaak der intrekking van het beijersche pensioen, 't welk 1500 fl. bedroeg, wordt door de Kölnische-Zeitung, in navolging van beijersche bladen, gezocht in zekere verstoordheid van het Hof te Munchen over een gedicht, waarin Geibel, tijdens het bezoek des Konings van Pruissen, dezen Monarch de heerschappij over geheel Duitschland voorspelde en toewenschte, en welk gedicht op last van den Lubeckschen Senaat vervaardigd was. Eene correspondentie uit Munchen zegt daarover het volgende: 'Deze zaak baart groot opzien; wij hebben zoo lang mogelijk aan de waarheid van het gerucht getwijfeld, doch moeten nu, helaas! verzekeren, dat de bedoelde maatregel, als straf voor de door Geibel in de laatste jaren aan den dag gelegde staatkundige meeningen, inderdaad genomen is, en dat slechts geringe kans bestaat om deze bedroevende oneenigheid bijteleggen en den dichter voor onze stad (Munchen) te behouden. Geibel heeft besloten, voor altijd van hier te vertrekken. Hoe men de handelwijze der Regering,—of eigenlijk van de bijzondere raadslieden des Konings,—want de bedoelde 1500 fl. werden uit het privaat vermogen van Z.M. betaald,—ook beschouwe, altijd blijft het misverstand te betreuren, 't welk daartoe aanleiding schijnt gegeven te hebben. Praktische wereldwijsheid moge het al afkeuren, dat Geibel in de laatste strophe van zijn gedicht den Koning van Pruissen "Heerschappij over geheel Duitschland van rots tot zee" toewenscht, men mag daarbij tweeërlei zaken niet uit het oog verliezen. Vooreerst heeft Geibel, bij het aannemen der beijersche nationaliteit, zich uitdrukkelijk het behoud zijner regten als Lubecksch burger voorbehouden. Als "stads-poëet" van Lubeck mogt hij dus de hem door den Senaat opgedragen taak des te minder afwijzen, omdat die met zijne persoonlijke gevoelens overeenkwam. Hij was nooit van politieke overtuiging veranderd, en nimmer schikte hij zich in zijne meeningen naar de eischen van het oogenblik. Langen tijd toch voordat Koning Max hem naar Munchen riep, had hij "Keizer en Rijk", benevens de "eenheid van geheel Duitschland", bezongen. Indien hij nu door de bedoelde versregelen zijne geboortestad niet beleedigde (en Lubeck is immers nog altijd geene pruissische stad), waarom mogt hij dan geen lucht geven aan zijne persoonlijke gevoelens? En waarom zou men zich in Beijeren gekrenkt gevoelen, en daaraan uiting geven op eene wijze, die als eene demonstratie tegen Pruissen kan worden opgenomen? Indien men zoo prikkelbaar is in Zuid-Duitschland, welke zal dan ten laatste de stemming zijn in de landen van het Noordduitsch-Verbond? Het feestgedicht van Geibel was zeer bezadigd, en geen hart in Beijeren had het regt, zich daarover gekrenkt te gevoelen. Naar wij vernemen, heeft Geibel, in een brief aan den Koning, zijn ontslag verzocht als honorair professor aan de universiteit en als lid van het kapittel der Maximiliaanorde; bovendien heeft hij voor het in Beijeren genotene zijnen dank betuigd, en zijne staatkundige gevoelens blootgelegd. Zoodra zijne ondermijnde gezondheid het toelaat, wil hij vertrekken; het zal echter de vraag zijn, of hij, in die omstandigheden, in staat zal wezen, zich door zijne pen het noodige te verschaffen. Ieder weet, dat een duitsch schrijver, om dat doel te bereiken, minstens elk jaar een paar romans zou moeten leveren. En het pensioen, 't welk Geibel thans uit de koninklijk-pruissische cassette ontvangt, bedraagt slechts 300 th. Toch kunnen wij niet gelooven, dat hij nu een martelaar zijner pruissisch-gezindheid worden zal. De Regering zal deze gelegenheid niet laten voorbijgaan om al hare vrienden en aanhangers eene schitterende genoegdoening te verschaffen. Tieck en Rückert ontvingen jaarlijks 3000 th.; waarom zou men, thans, nu Pruissen zoo veel grooter geworden is, niet een gelijk bedrag toekennen aan Geibel, die tot de beste thans levende duitsche dichters behoort? Mogt men echter dat bedrag te Berlijn te hoog vinden, dan zou in allen gevalle het beste antwoord op de demonstratie van Munchen hierin bestaan, dat men de ingetrokken 1500 gulden in noordduitsch geld met zoo vele thalers vergoedde'. De Mainzer-Beobachter behandelt de verdiensten en het karakter van den 'officiëlen stads-verzendfabrikant' op ironische wijze, en dringt spottend er op aan, in den Kabinets-brief, waarin die 1500 th. zullen worden verleend, de uitdrukkelijke belofte te geven, 'dat dit nieuwe pensioen zal worden verdubbeld, zoodra Geibel, op last van dezen of genen Senaat, de aanstaande verhooging van het Huis der Wittelsbachers, en de ballingschap der Hohenzollerns zal bezongen hebben.'
De heer Geibel heeft, in een brief aan de Kölnische-Zeitung, geprotesteerd tegen dat gedeelte van haar artikel over zijne zaak met den Koning van Beijeren, waarin op zijne min gunstige geldelijke omstandigheden wordt gedoeld. Dat blad heeft echter hare ten zijnen behoeve gepubliceerde meeningen staande gehouden, en eindigt hare toelichting daaromtrent met de woorden: 'De couranten zijn geroepen tot spreken, en niet tot zwijgen.'

22 november 1868 - Onderwijs[bewerken]

Sedert in het hessische Staatsblad de organisatie der Darmstadtsche Polytechnische-school, waartoe de vroegere technische school verheven is, gepubliceerd werd, houdt men zich te Darmstadt ijverig bezig met de wijze, waarop de onderscheidene leerstoelen zullen worden bezet. Bij de groote opgewektheid, welke alom in het Hertogdom (gelijk elders) voor wetenschap in het algemeen en de ontwikkeling der techniek in het bijzonder zich openbaart, ziet men inderdaad,—indien de opgerigte leerstoelen goed bezet zijn,—eene hooge wetenschappelijke vlugt tegemoet, vooral, daar men gebruik zal kunnen maken van een groot gedeelte der docerende krachten van het opgeheven instituut. Het 'Polytechnicum' zal in zes afdeelingen gesplitst zijn: Algemeene wetenschappen; bouw-techniek; het ingenieurs-wezen; mechanica; chemische-techniek en landbouwkunde. De Mainzer-Beobachter wenscht der nieuwe inrigting alle heil toe, en hoopt, dat de tusschenzin 'gelijk elders',—daar, waar van zucht tot wetenschappelijke ontwikkeling spraak is,—hier en daar moge worden opgevat als eene beleefde vermaning om dien lof te verdienen voor zoo ver die nog niet verdiend is. 'Er zijn landen (aldus laat dat blad zich uit), die zich bij voorkeur als den zetel der intelligentie beschouwen, en hun politiek overwigt nu en dan in de schaal werpen, waarin onderwijs en beschaving moeten gewogen worden, zonder te bedenken, dat het zwaard van Brennus tot zulke diensten ongeschikt is. Het is wel eens gebeurd, dat overwinnaars op het slagveld onderlagen in den strijd op edeler gebied, en dat de beschaving der overwonnenen de rigtsnoer werd van overheerschers. Dit nu is in geenen deele van toepassing op ons gezegend Hessenland, 't welk nog altijd niet volkomen geannexeerd is; doch de bezwaren, die de pruissische school-regeling in het gewezen Keurvorstendom en in Nassau teweegbrengt, noopten ons tot de vraag, of de "Staat van intelligentie" bij uitnemendheid wel zeer intelligent handelt, door zijne inzigten optedringen aan gewesten, die, minder intelligent, daartoe nog niet op de hoogte zijn? Hoe zou het den zoo intelligenten Pruissen smaken, indien zij,—geannexeerd door een min beschaafden vijand,—gedwongen werden, het verblijf in hunne gevangenissen te ontzeggen aan den onverlaat, die den draak gestoken had met de skelet-kleinoodien van Koningin Isabella? Zou niet zulke barbaarschheid ten hemel schreeuwen? Zou niet het geheele pruissische volk, onder aanvoering van den minister van Eeredienst, (der vervaardiger van het bekende kroeglied: Wir kommen so eben aus 'm Wirthshaus, enz.),—zou niet het pruissische volk te wapen vliegen, om de geschonden eer van die miskende doodsbeenderen te wreken? Men bedenke, dat ook minder begaafde volkeren zekere zaken bezitten, waaraan zij gehecht zijn. In Keurhessen en in Nassau verstoutte men zich, zorg te dragen voor goed onderwijs; de meening, dat men in die landen er in geslaagd was, dit vooroordeel intevoeren, was zoo algemeen, dat Pruissen zelf daardoor besmet was. Getuigen de vele onderwijzers uit die streken, welken men eervolle aanstellingen in Pruissen opdroeg. Is het nu billijk en verstandig, zoo spoedig na de inlijving zulke vooroordeelen hevig aantetasten? Waarlijk, met eenige beleid zou men er in geslaagd zijn, de hoogere pruissische intelligentie zoo volkomen in de geannexeerde landen intevoeren, dat ook dáár alle lust tot spot met gewijde zaken met wortel en tak zou uitgeroeid zijn. De post op de begrooting voor de uitbreiding van het gevangeniswezen zou geen noemenswaard bezwaar opleveren, daar vele gasten dier inrigtingen (als bijv. de luitenants, graaf von Eulenburg en von Schreven) slechts een zeer bescheiden gebruik maken van de hun van staatswege toegekende vrije huisvesting.' (De heer Dohm, hoofdredacteur van den Kladderadatsch, is tot gevangenisstraf veroordeeld, wegens eene spotprent op de doodsbeenderen van zekere heiligen. De beide genoemde luitenants,—veroordeeld wegens manslag,—zijn zeer korten tijd na hunne veroordeeling weder bij het leger in dienst getreden.)

10 februari 1869 - Verslaggeving[bewerken]

Tevens wordt uit diezelfde bron medegedeeld, dat de gewezen Koning van Hannover belangrijke sommen heeft overgemaakt aan zijne naar N.-America uitgeweken officieren, met de opdragt om aldaar een vrijcorps te vormen, en daarbij wordt verhaald, dat de bedoelde officieren die gelden besteden aan een 'vergelijkend examen van de verdiensten der Veuve-Cliquot, en andere merken van Champagne-wijn.' De Mainzer-Beobachter, bedoeld berigt overnemende, maakt de opmerking, dat de wijze, waarop de zoogenaamde nationaal-liberale bladen den onttroonden Vorst van Hannover bestrijden, den toets van den goeden smaak niet kan doorstaan. 'Wij gissen (aldus redeneert die courant), dat deze quasi-geestigheid over de wijze, waarop de in N.-America zich bevindende hannoversche officieren de gelden gebruiken, die hun tot een geheel ander doeleinde worden toegezonden (indien al, wat wij niet weten, dat doelen op een vrijcorps niet uit de lucht gegrepen is), wij gissen, dat dit hoogst belangrijk berigt eene bestelde zaak is, die echter te laat is aangekomen om te kunnen dienen bij de nu afgeloopen discussie over het beslagleggen op het vermogen van Koning George. Het is een kogel, die in den loop bleef, en nu, pour la bonne bouche, na de overwinning wordt afgeschoten. De zin dier diepzinnige mededeeling komt hierop neder: Ziet eens, hoe gegrond onze bedenking was tegen de uitbetaling van de oude hannoversche liste civile... in N.-America zou men dat geld verdrinken aan Champagne!
'Gelijk altijd: wie te veel bewijst (of te veel verhaalt), bewijst te weinig, of verhaalt het tegendeel van 't geen hij eigenlijk zijnen toehoorders op het hart drukken wil. Dat men in Pruissen ongaarne gelden uit de hand geeft, die strekken moeten tot machinatien tegen Pruissen, vinden wij natuurlijk. Zulk een n.-americaansch vrijcorps zou Berlijn kunnen veroveren, Keur-Hessen en Nassau herstellen, of wel een nieuw Duitsch-Verbond oprigten, met den blinden Koning George aan het hoofd. Wij erkennen, dat het dulden van anti-pruissischgezinde vrijcorpsen aan gene zijde van den Oceaan eene hoogst gevaarlijke zaak is. Maar, eilieve! wat is onschuldiger dan Champagne drinken? Zal een roes der uitgeweken hannoversche officieren den zetel van Bismarck, den Troon van Koning Wilhelm doen waggelen? Wij kunnen ons niet voorstellen, dat de vrolijkheid van eenige jongelieden te Nieuw-York den minsten invloed hebben kan op de loopbaan van den geringsten tolopziener of brugwachter, en begrijpen dus niet regt, op welken grond de correspondent der Keulsche courant zich zoo belangstellend toont in de wijze, waarop het geld van Koning George wordt verantwoord. Is het een wenk aan dien Vorst om zijne vertrouwden en zendelingen beter te kiezen, beter te contrôleren? Maar dat zou een verraad zijn aan de nationaal-liberale zaak en... aan het pruissische budjet. Want, wel beschouwd, komen nu al de bedenkingen tegen de uitbetaling der renten, die gegrond waren op gevaarlijke, den pruissischen Staat bedreigende kuiperijen, te vervallen. Reeds bij de behandeling van het vagebonderend vreemdenlegioen in Zwitserland en Frankrijk maakte onze Keulsche zuster zich schuldig aan gelijksoortige fouten, door de "machinatien" buitenslands als zeer gevaarlijk en te gelijker tijd als zotternij te schetsen. Het valt bovendien in het oog, dat de verschillende correspondenten van dat blad, in Zwitserland, in Frankrijk, en thans in N.-America, zoo juist overeenstemmen in hun oordeel over de vrees inboezemende, maar tevens zoo gevaarlooze pogingen van het Hietzingsche Hof. Men denkt daarbij onwillekeurig aan een voor allen gelijkluidend wachtwoord, 't welk van het hoofdkwartier is uitgegaan. Wat ons betreft, wij gelooven niet aan het hannoversche vrijcorps te Philadelphia (want van die plaats zou de beweging uitgaan), en wij zullen blijven volharden in dat ongeloof, totdat wij over deze zaak berigten ontvangen, welke een minder duidelijk teeken van kinderachtigheid op het voorhoofd dragen.'

15 februari 1869 - Geschillenbeëindiging[bewerken]

Uit Berlijn wordt aan de Kölnische-Zeitung geschreven: 'Men verdiept zich in gissingen, of de beëindiging der geschillen tusschen de pruissische schatkist en de gemeente Frankfort eenvoudig langs den wetgevenden weg zal plaats vinden, dan wel, of men daartoe bij wijze van minnelijke overeenkomst zal trachten te geraken. Bij besluit van Z.M. den Koning is aan het gemeentebestuur van Frankfort te kennen gegeven, dat de weg van recès, ook na het inroepen der beslissing van de Wetgevende Magt, openblijft, en de Provincial-Correspondenz doelt zijdelings op het aanknoopen van vertrouwelijke onderhandelingen, waaruit eene overeenkomst zou kunnen geboren worden; doch men betwijfelt het op vele gronden, vooral met het oog op de bij ingezetenen en gemeenteraad van Frankfort bestaande stemming, of men in die stad tot eene gepaste schikking zou te bewegen zijn. Aldaar heerscht eene soort van pessimismus, zekere wrevel, die uit verkeerden trots zich liever zou te vrede stellen met zeer ongunstige voorwaarden, dan met grooter voordeel, 't welk echter de prijs wezen zou van meer inschikkelijkheid. Het ligt voor de hand, dat Frankfort zelve de nadeelen van deze stemming zal te dragen hebben. De voorgespiegelde weg van recès is niet alleen eervoller, maar biedt tevens uitzigt aan op een beteren materiëlen uitslag, dan het hardnekkig vasthouden aan hetgeen men voor strikt regt houdt. Men zegt, dat de poging tot "vertrouwelijke toenadering", waarop gedoeld wordt, van den heer Möller, den opper-president, zou uitgaan.'—De Mainzer-Beobachter laakt de wijze, waarop deze zaak door de Berlijnsche regeringsmannen wordt behandeld. 'Die mededeeling in den Provincial-Correspondez (aldus laat zich o.a. genoemd blad uit), ofschoon overvloeijende van betuigingen eener alles vergoelijkende vergevensgezindheid, komt ons voor als eene bedreiging, en voorspelt, juist tegen de bedoeling, dat de ingelijfde vrije Rijksstad op weinig toegevendheid,—wij wagen het niet te zeggen, op weinig regtvaardigheidsgevoel,—te rekenen heeft. Is het niet inderdaad zonderling (weder kiezen wij het zachtste woord), dat in eene civiele kwestie eene der partijen, die toevalligerwijze beschikt over 600,000, ja des noods over een millioen gewapende deurwaarders, zoo ernstig aandringt op een vriendschappelijk vergelijk... op gevaar van erger? Hoe groot ook het verschil zij in magt tusschen den geheelen Staat en ééne stad, meenen wij echter, dat dit nog wordt overtroffen door het onderscheid in standpunt tusschen zekeren molenaar en zekeren Koning. Toen waren er regtbanken te Berlijn; thans dreigt men met eene Wetgevende Vergadering, een collegie, welks competentie, naar wij in alle bescheidenheid meenen, door de stad Frankfort op drie gronden kan worden gewraakt. Ten eerste achten wij eene Wetgevende Vergadering onbevoegd tot het uitwijzen van civiel-regtelijke geschillen. Vervolgens is die Vergadering, den Staat Pruissen vertegenwoordigende, partij in de zaak van Pruissen versus Frankfort; terwijl eindelijk uit de processen-verbaal der zittingen sedert bijna twee jaren kan bewezen worden, dat verreweg het grootste getal der leden bezield is met afkeer en haat jegens eene der partijen, welker regten men nu aan het oordeel van diezelfde Vergadering zou willen onderwerpen. Het is eene waarheid, dat Frankfort, in eenig geschil met derden arbiters te benoemen hebbende, zich wel er voor wachten zou, de pruissische Volksvertegenwoordiging daartoe te kiezen. En die Vertegenwoordiging zou nu uitspraak mogen doen in hare eigene zaak? Het is waar, men spiegelt den uitweg van recès voor, eene soort van appèl, een hooger beroep; doch wij vragen: voor welk forum,—waar te beteekenen,—hoe doortezetten? Zullen de regtbanken de fouten verbeteren, die, uit vaderlandlievenden haat tegen Frankfort, door het pruissische Parlement konden begaan worden? Maar, dan was het beter en, op regtskundige gronden, juister geweest, met die regtbanken te beginnen. Wij beweren geenszins, daarmede de regtskundige oplossing te hebben gegeven van de vraag, op welke wijze Frankfort hare regten heeft te verdedigen, daar de zaak, naar ons inzien, van staatsregtelijken aard is. Ons doel was slechts aantetonen, dat de pruissische Kamer niet bevoegd is, zich te mengen in eene kwestie, die men als eene zaak van burgelijke regtsvordering wil doen voorkomen. De begripsverwarring in dezen heeft welligt haren oorsprong in een nieuw woord, 't welk sedert eenigen tijd eene oude zaak schijnt te beteekenen. Vroeger noemde men het innemen, het cijnsbaar maken, het veroveren van een land bij den waren naam, en paste daarbij de wetten of de gewoonte toe, die het oorlogsgebruik aangeeft. Thans, nu men slechts annexeert, verlangt men de voordeelen te genieten der oude wijze van handelen, zonder, als onze naïve voorouders, brutale zaken bij den waren brutalen naam te noemen. Indien Pruissen den moed niet heeft, zich rondweg te beroepen op oorlogsregt, mag het geschil over de eigendommen der stad niet dan op internationale wijze worden vereffend. De goederen en gelden, die betwist worden, zijn het eigendom van de voormalig Vrije Stad Frankfort, eene souvereiniteit, eeuwen ouder dan het Koningrijk Pruissen, en daarover mag niet beschikt worden op eene wijze, welke tegen alle begrippen van volkenregt aandruischt. De wenk in de Provincial-Correspondenz (een blad, 't welk wel in de gelegenheid is, zijne berigten uit goede bronnen te putten) toont den duidelijkste aan, dat men te Berlijn met de zaak verlegen is, en het aanwijzen van allerlei "wegen, die partij zou kunnen volgen", brengt ons op de gedachte, dat men gaarne den ruiterlijken weg, die geene aanwijzing behoeft, zou gesloten houden. Ten slotte voegen wij daarbij, dat ook zij, die de kwestie met Frankfort niet voor eene internationale houden, toch nooit de bevoegdheid der pruissische Kamers kunnen verdedigen, dewijl, ook zonder het beginsel van Frankforts gewezen souvereiniteit, de zaak in elk geval contentieux wezen zou, waarover de beslissing niet toekomt aan de Wetgevende Magt.'

26 februari 1869 - Krantebericht[bewerken]

In een telegram uit Berlijn is gemeld, dat de onderhandelingen met de Frankforters over het regelen der betrekkingen tusschen den Staat en de stad zijn afgeloopen; dat de Regering aan Frankfort eene som van 2 millioen gulden heeft toegestaan, en dat de Koning, uit zijne bijzondere fondsen, een geschenk van 1 millioen gulden daarbij heeft gevoegd. De Pruissische Landdag zal, meent men, nog tot den 6den Maart bijeenblijven, ten einde het Frankforter recès nog vóór de sluiting der zitting te kunnen goedkeuren.—De Kölnische-Zeitung zegt, ter opheldering van deze zaak, in haar wekelijksch overzigt der staatkundige gebeurtenissen, o.a. het volgende: 'De grootste der fouten, die in den veldtogt van 1866 begaan zijn, was deze, dat de generaal Manteuffel, onder bedreigingen, aan de stad Frankfort eene contributie van 25 millioen oplegde. Pruissens handelwijze met opzigt tot Frankfort wordt nog altijd zoo voorgesteld, alsof het werkelijk die contributie geïnd heeft, hoewel daarvan reeds sedert lang tot op den laatsten penning afstand is gedaan; zoodat een onbevooroordeelde de behandeling van Frankfort gedurende den laatsten oorlog eerder zacht dan hard zal noemen. Intusschen heeft Frankfort toch door het verlies harer in 1815 weder herstelde, zij het dan ook grootendeels slechts schijnbare, onafhankelijkheid een zedelijk, en door het opheffen van den Bondsdag ook een stoffelijk verlies geleden; en het is derhalve niet meer dan billijk, dat Pruissen, bij het regelen der betrekkingen tusschen den Staat en de stad, zich zoo veel mogelijk grootmoedig toont. En zoo is dan ook geschied. De Frankforters hebben de door hen verlangde 3 millioen gulden erlangd... Er zal nog wel gedurende langen tijd gescholden worden, maar langzamerhand zullen toch meer verstandige lieden te Frankfort zich met de nieuwe omstandigheden verzoenen.'
Een correspondent te Berlijn van de Kölnische-Zeitung schreef, voordat het tot stand komen der bovengenoemde schikking bekend was, aan die courant het volgende: 'Men kan evenwel niet ontveinzen, dat sommige demonstratien van de Frankforter burgerij, zoowel in parlementaire kringen, als bij de Regering, een hoogst onaangenamen indruk hebben gemaakt, en dat daardoor de taak dergenen, die tot inschikkelijkheid geneigd waren, zeer verzwaard geworden is. In weêrwil daarvan echter blijft over het algemeen eene verzoeningsgezinde stemming heerschen. Men begrijpt in hoogere kringen volkomen, dat de zaak waarvan spraak is niet moet worden beoordeeld volgens de regelen van staatregt, en evenmin moet getoetst worden aan financiële beschouwingen; er zijn geheel andere doeleinden in het oog te houden, dan die, welke in cijfers kunnen worden uitgedrukt.'—De Mainzer-Beobachter betreurt het ten zeerste, dat de correspondent der Keulsche courant zich onthouden heeft van het mededeelen dier doeleinden. 'Wij moeten erkennen (aldus drukt eerstgenoemd blad zich uit), niet volkomen te vatten, hoe men zoo ligt kan heenstappen over meeningen, die door zeer bevoegde personen gekoesterd worden, zonder oorzaken en gronden optegeven, waarop zoodanig verschil van inzigt rust. Het wegcijferen van staatregt in eene kwestie tusschen twee Staten,—het gering achten van "financiële beschouwingen" in eene zaak, die over het eigendomregt van millioenen handelt, komt ons gewaagd voor, en het wijzen op onbekende hoogere "doeleinden" noemen wij, in één woord, onzedelijk. Waarheen zou het met regt en billijkheid, indien ééne der partijen zich mogt beroepen op zekere geheimzinnige invloeden of regten, die voor den tegenstander in het duister verscholen blijven? Dat men te Berlijn redenen zal hebben om de zaken liever niet aan gewone begrippen van regt en billijkheid te onderwerpen, is geen motief voor Frankfort om met die onbekende motieven genoegen te nemen, en welligt zou ook van die zijde een beroep kunnen worden gedaan op gronden, die weder te Berlijn niet-ontvankelijk zouden verklaard worden. De zaak komt hierop neder, dat men aan beide kanten liefst zoo weinig mogelijk opgeeft en zoo veel mogelijk ontvangt. Dit nu is gewoonlijk het geval, en het klinkt voorzeker vreemd, dat men zich in zulke gewone zaken op ongewone gronden of "doeleinden" beroept. Of overigens eenige rekbaarheid in het behandelen der financiële kwestie al dan niet strekken kan "om den ingekankerden hoogmoed der Frankforters te fnuiken" (dit namelijk zou eene der beweegredenen zijn om niet al te streng te werk te gaan), zullen wij aan de toekomst overlaten, ofschoon wij het vreemd vinden, dat men in eene geldelijke kwestie met een gewezen souvereinen Staat de ware of voorgewende zielshoedanigheid van sommige zijner burgers als motief voor eisch en conclusie durft aanvoeren. Gesteld eens, men beweerde (ver zij zulk eene meening, doch de onderstelling is geoorloofd), men beweerde, dat de Berlijners in het bijzonder en de Pruissen in het algemeen ligtzinnig waren of heerschzuchtig, ijdel of schraapziek... zou dit ooit gronden kunnen opleveren om de Frankforter eischen hooger of lager te stemmen? Het heeft inderdaad den schijn, alsof men door van den hoogmoed der Frankforters te spreken de kwestie wil verschuiven op geheel ander terrein dan waar ze behoort, op dat van het regt.'

3 maart 1869 - Aanschafbeleid[bewerken]

Volgens berigten uit Munchen, is men bij het beijersche ministerie van Oorlog nog niet tot eene bepaalde beslissing gekomen omtrent het bij de infanterie intevoeren achterlaadgeweer. Bij herhaalde proefnemingen is gebleken, dat het systeem van Werder wel is waar nog een en ander te wenschen overlaat; doch in snelheid van vuren schijnt het de pruissische geweren te overtreffen; welke laatsten echter dan prijs zouden behalen in het treffen op grooten afstand. Velen zijn evenwel van meening, dat niet alleen de technische zijde der zaak in overweging wordt genomen, doch dat ook staatkundige beschouwingen daarbij zekere rol spelen. Het invoeren namelijk van het pruissische Dreyse-geweer zou zekere gelijkvormigheid van exercitie met de corpsen van het Noordduitsch-Verbond daarstellen; hetgeen door sommigen als eene toenadering tot ineensmelting met het noordduitsche leger beschouwd wordt, en dit wordt gehouden voor eene hoofdoorzaak, dat men niet onvoorwaardelijk aan het pruissische systeem de voorkeur geeft. Zeker nationaliteitsgevoel openbaart zich mede in de beoordeling der verschillende schiet-systemen. De vinder van het Werdergeweer is chef eener Neurenberger fabriek, en de pruissischgezinde bladen beweren, dat er zekere partijdigheid heerscht in het waarderen der bruikbaarheid van dat wapen. Afgescheiden van dit alles echter, ziet men moeijelijkheden tegemoet met de Volksvertegenwoordiging, die de fondsen zal hebben toetestaan, tot het veranderen der geweren benoodigd. Voorzeker zal, naar de meening van vele dagbladen, die deze zaak behandelen, bij de debatten in de Kamers, de techniek geheel en al worden ter zijde geschoven, en naar de meening van den Mainzer-Beobachter, zal het weldra blijken op hoe veel sympathie het Noorden in Beijeren te rekenen heeft. Dat blad beschouwt 'de aanstaande beraadslagingen over de soort van geweren, die voortaan het wapen der beijersche infanterie zullen uitmaken, als een shibboleth. De naam Dreyse zal beteekenen: naauwe aansluiting aan Pruissen; voortdurende afscheiding, splitsing, ja des noods vijandschap zal zich resumeren in den krijgsroep: Werder. Men zal dus spoedig weten, waaraan wij ons te houden hebben. Wel verwachten wij niet, dat ieder, die geroepen zal zijn, zijne stem uittebrengen over de militaire begrooting, ronduit erkennen zal, verband te vinden tusschen het oordeel over zeker krijgswapen en het in stand houden der duitsche tweeheid, doch den oplettenden beschouwer kan dit verband niet ontgaan, en wij houden ons er van overtuigd, dat men ook in Frankrijk, in staatkundige kringen niet minder dan in militaire, met zekere spanning acht zal geven op den uitslag van het oordeel der beijersche Volksvertegenwoordiging over het Werder-geweer'.

9 maart 1869 - Kranteartikel[bewerken]

De Kölnische-Zeitung heeft dezer dagen eene harer kolommen gewijd aan eene vlugtige beoordeling der onlangs overleden celebriteiten Lamartine en Troplong.
'De naam van den laatste (aldus laat zij zich over den voorzitter van den franschen Senaat uit) was te naauwernood buiten de grenzen van Frankrijk bekend. Hij was een goed, arbeidzaam jurist, die, ten gevolge zijner verdiensten als schrijver, reeds in het jaar 1835, naauwelijks veertig jaren oud, tot lid van het Hof van Cassatie werd benoemd. Zijn hoofdwerk was het "Droit-civil expliqué", 't welk van 1833 tot 1858 in 28 deelen het licht zag. Reeds onder de regering van Lodewijk Philips wist men zijne verdiensten te waarderen, daar hij door dien Vorst tot Pair benoemd werd. Eene eigenlijk gezegde staatkundige loopbaan werd hem eerst onder het Keizerrijk geopend, waartoe hij echter niet alleen door zijne regtskundige kennis, maar ook, en vooral, door zijn volslagen gebrek aan vastheid van grondbeginselen in aanmerking kwam. Nadat hij zoowel de Restauratie, als de Julij-dynastie, gediend had, sloot hij zich aan de Republiek aan. Hij behoorde evenwel tot die meerderheid, welke den uit de omwenteling van 1848 voortgekomen stand van zaken beschouwde als eene overgangs-periode, en daarom verzuimde hij dan ook niet, zich terstond te wenden naar het opgaande gesternte van Lodewijk Napoleon. Reeds in 1852, dus als het ware onmiddelijk na den staatsgreep, werd hij tot Senator, tot voorzitter van den Senaat en tot president van het Hof van Cassatie benoemd. Troplong was de ontwerper van al de Senatus-consulten, die, sedert 1852, de Grondwet eenigzins wijzigden in de rigting van eenige meerdere vrijheid. Op zijne welsprekendheid valt overigens niet te roemen. Natuurlijk waren hem groote inkomsten toegelegd, welke hij echter met bijna vorstelijke mildheid verteerde, in dat opzigt geheel verschillende van zijnen voorganger Dupin, dien men algemeen voor verregaand gierig hield. Er wordt verhaald, dat hij jaarlijks meer dan 15,000 fr. aan liefdadige doeleinden uitgaf. Ten allen tijde schijnt hij een voorbeeld van groote werkzaamheid geweest te zijn, en als bewijs wordt aangevoerd, dat hij ook nog in de hoogste betrekkingen immer voor de pers werkt, en zelfs nog artikelen voor de dagbladen schreef. Een uitstekend, onafhankelijk karakter bezat hij niet; men moet bekennen, dat hij dan ook voor het Keizerrijk onbruikbaar zou geweest zijn. Als president van den Senaat zal men moeijelijk iemand vinden, die zijn verlies volkomen vergoedt, en dat is wel het schoonste 't welk men van hem zeggen kan.'
De Mainzer-Beobachter, op hare beurt, maakt deze beschouwing van de Keulsche courant tot een onderwerp van hare beoordeling. 'Wij begrijpen niet (aldus redeneert dat orgaan), hoe men zoo met ééne pennestreek een man kan beoordelen, wiens loopbaan dan toch belangrijk genoeg was om hem eene meer wetenschappelijke en menschkundige kritiek waardig te keuren. Wie zich daartoe niet in staat gevoelt, gelijk wij de vrijheid nemen van de Keulsche courant te onderstellen, is met zwijgen verantwoord. Indien zulk zwijgen de eigenliefde eener redactie, die gaarne tegenover hare lezers den schijn aanneemt, van alles onderrigt te zijn, op te zware proef stelt, wat moet dan die eigenliefde niet lijden door het uiten van oordeelvellingen, zoo onbekookt als die, welke in de necrologie der Kölnische-Zeitung voorkomen. Daar is een man, die zijn leven, zijn zeer arbeidzaam leven, doorbrengt in studie van het regt; onder vier verschillende regeringsvormen wordt hij waardig gekeurd om aan het hooft te staan van de uitgelezenste personen zijner natie; die man wordt geschetst als bijzonder weldadig; de meer vrijheid ademende wijzigingen in de Grondwet zijn van zijne hand. Hij wijdde alszoo zijnen tijd en zijnen geest aan het regt; een groot gedeelte van zijn vermogen aan de armen; zijnen invloed, zijne bekwaamheden en zijn hart aan de vrijheid... en zie, dezelfde pen, die dit alles getuigt, begint en eindigt haar verslag met een droog, wreed en dom: karakter bezat Troplong niet! Moet dit alles bewezen worden uit het feit, dat hij noch in 1830, noch in 1848, noch in 1852 zijn ontslag nam? Diende hij niet, en bleef niet dienen hetzelfde Frankrijk, zijn vaderland? Waarheen zou het met de maatschappelijke orde, indien allen, die daarvan de steunpilaren uitmaken, zich terugtrokken bij dynastieke verandering. Die beschuldiging van karakterloosheid wegens het dienen van verschillende dynastien noemen wij afgezaagd en kinderachtig. Zij is bovendien, in den mond van velen, niet opregt, en wij zouden weinig moeite hebben om aantetoonen, dat de Kölnische-Zeitung zelve onder die velen behoort. Hoe oordeelt zij over de hannoversche staatsdienaren, die, teregt of ten onregte, zóó gehecht zijn aan het geslacht der Welfen, dat zij eens voor al de aanbiedingen van het Berlijnsche Kabinet, om hun vaderland onder de zwart-witte vaan te blijven dienen, met verachting afwijzen? Zulke personen zijn, volgens nationaal-liberale meening, hoofdig,—niet op de hoogte van hunnen tijd,—ja, zelfs verraders van het groote duitsche vaderland! Als gewoonlijk, kiezen wij geene partij, doch wenschen regt en billijkheid in acht genomen te zien ten opzigte van alle partijen en personen. Wij erkennen ootmoedig, van den heer Troplong te weinig te weten, om hem tot een onderwerp onzer hoofdartikelen te maken, en daarom laten wij het oordeel over zijne verdiensten aan dezulken over, die òf hem nader stonden en dus in staat waren naauwkeuriger ingelicht te zijn, òf hem meer van verre beoordeelen, en daardoor meer kans hebben van zich vrij te gevoelen van staatkundig tegen-ingenomenheid. Men meene overigens niet, dat onze eischen op dit punt vreemd zijn aan huishoudelijke belangen onzer eigene nationaliteit. Te dikwijls ergerden wij ons aan den toon der noordduitsche woordvoerders omtrent hen, die meenden, getrouwheid schuldig te zijn aan Vorstenhuizen (en daarin welligt verder gingen dan welbegrepen vaderlandsliefde gedoogt), om thans niet verontwaardigd te zijn over den aanval tegen eene uitstekende persoonlijkheid, die juist anders heeft gehandeld dan hetgeen de Keulsche courant in de aanhangers van Koning George zoo berispelijk vindt. Welk zou haar oordeel over Troplong geweest zijn, indien hij na 1830, in het buitenland, tegen Lodewijk Philips,—na 1848 tegen Republiek en Keizerrijk had geconspireerd?'
Ook over Lamartine is het oordeel der Kölnische-Zeitung ver van gunstig. 'Men behoort (aldus verzekert zij) het bewonderen van dien man aan de fransche natie overtelaten, en indien hij later door dezen of genen de grootste dichter der negentiende eeuw genoemd wordt, zal men daarover de schouders ophalen. Wij althans hebben steeds vruchteloos gepoogd, in bewondering te ontvlammen voor den dichter der Méditations poétiques en der Harmonies religieuses. Er heerscht in zijne beschouwingen zekere vaagheid, iets onbestemds, en naast zijne godsvrucht zekere manie van zelfbespiegeling, die onmogelijk een goeden indruk maken kan op een mannelijk krachtig gemoed.'...'als dat der redactie van de Kölnische-Zeitung,' laat het Mainzer blad daarop volgen, waarin overigens deze geheele beschouwing over Lamartine aan eene strenge kritiek wordt onderworpen. Zeer vreemd wordt het gevonden, dat slechts in het voorbijgaan melding wordt gemaakt van Lamartine's weigering om Lodewijk Philips te dienen en gunsten van Keizer Napoleon aantenemen; hetgeen hem ten minste had moeten vrijwaren tegen beschuldiging van 'weekheid', 'karakterloosheid' enz., die hem door het Keulsche blad naar het hoofd worden geworpen.

14 april 1869 - Unie[bewerken]

De Kölnische-Zeitung heeft dezer dagen een hoofdartikel gewijd aan de, volgens haar, vijandige stemming van het wurtembergsche ministerie ten aanzien van het Noord-duitsch-Verbond. Zij beweerde in dat opstel, dat de heeren Varnbühler en Mittnacht elke toenadering tegenwerken, en wel in tegenstelling van Baden en Beijeren, welke Staten herhaaldelijk blijken gaven van meer vriendschappelijke gezindheid. Tevens zou, naar de meening van genoemd blad, ook eene zuidduitsche verdedigingsunie zich niet in de sympathie van het wurtembergsche ministerie mogen verheugen, en wel op grond, dat eene vriendschappelijke verstandhouding tusschen twee naauwkeurig gesplitste gedeelten van Duitschland eerder te voorzien is dan eene ineensmelting der belangen van het noorden met de afzonderlijke zuidelijke Staten. Als bewijzen voor de weêrspannigheid van Wurtemberg zijn eenige punten aangevoerd, waaronder mede is opgenomen de bekende uitsluiting van den hoogleeraar von Römer van het rectoraat der universiteit te Tubingen. Ook het verblijf van den wurtembergschen Kroonprins te Berlijn mag, volgens de Keulsche courant, geenszins worden toegeschreven aan vriendschappelijke gezindheid der wurtembergsche Regering, dewijl het van algemeene bekendheid is, dat die Prins geheel uit eigene beweging, en zeer tegen den zin van het ministerie-Varnbühler-Mittnacht, zich in Pruissens hoofdstad tracht te bekwamen als militair.
De Mainzer-Beobachter, de boven aangewezen opmerkingen van de Kölnische-Zeitung mededeelende, steekt den draak met de ergernis van die 'noordduitsche bladen, welke de volkeren willen dwingen tot meer geluk dan men dragen kan.' 'Wij erkennen (aldus gaat dat blad voort), dat de noordduitsche Constitutie een volmaakt prachtwerk is; een duizendste achtste wonder der wereld. Het is een monument van pruissische eenheid, uitgedrukt in Mecklenburg-Waldeck-Frankforter verscheidenheid; eene arabeske van gemoedelijke vernuft en staatkundige industrie. De mozaïek van het voormalige Duitsche-Verbond is behoorlijk overpleisterd met zwarte en witte strepen (de pruissische kleuren). Om kort te gaan: wij begrijpen ten volle, hoe ieder Pruis met dat Noordduitsch-Verbond is ingenomen, en wij staan hem zelfs van harte toe, daarmede te dweepen. Maar de eisch, dat ook anderen zich zullen aangestoken gevoelen door die ingenomenheid, is niet regtvaardig. Men mag niet oordelen over zaken van smaak, zegt het spreekwoord, en indien dat gezegde waarheid bevat, hoe veel sterker is dan de verpligting om zich van het opdringen van een smaak, of van zekere voorkeur, te onthouden. De Zuid-Duitscher is nu eenmaal niet pruissischgezind. Er schijnen in karakter, in gewoonten, in wijze van levensbeschouwing zekere verschillen te bestaan, die het "zamenwonen met broeders" onmogelijk maken. Wat baat het, of men onbegeerde weldaden opdringt, die toch ten slotte, door den beweldadigde niet of verkeerd toegepast, meer schade dan voordeel zouden aanbrengen? En waartoe dat boos worden van de nationaal-liberale bladen over inzigten, welke zij slechts weinige jaren geleden, toen het Bismarckianismus nog niet gezegevierd had, zoo vurig verdedigen? Hoe kan men zoo driftig dwingen om integaan in een gebouw, welks oprigting men zoo lang mogelijk tegenwerkte? De beschuldiging tegen Wurtemberg, dat het ook een Zuidduitsch-Verbond tracht onmogelijk te maken, noemen wij niet zeer staatskundig; zij doet denken aan eene averegtsche toepassing van het oude: verdeel en heersch. Heeft het niet den schijn, alsof men den vijand gaarne op één punt vereenigd zag om hem met één slag... gelukkig te maken?
'En die brave Beijeren! En dat gehoorzame Baden! Hebben niet de gevolmagtigden van die landen, op de Conferentie te Munchen, in den herfst van 1868, ronduit verklaard, te wenschen: "dat het Noordduitsch-Verbond formeel zou deelnemen aan de beraadslagingen omtrent het zuidelijk verdedigingstelsel?" En was het niet alweder een hoofdig wurtembergsch ministerie, 't welk dezen wensch tegenging, door, in stede van zulk eene al te naauwe inmenging, slechts in zeer algemeene termen de bemoeijenis van het noorden met de zuidduitsche oorlogszaken te willen omschreven zien? Ja, had het niet den schijn, alsof Wurtemberg alleen ten aanzien der geldelijke en materiële liquidatie omtrent zekere vestingen met het Noordduitsch-Verbond in aanraking komen wilde? De misdaad van den landman, die zijn hoenderhok zoo goed mogelijk sluit om den vos daarbuiten te houden, is zekerlijk groot in de oogen der nationaal-liberalen, maar men vergunne ons de meening, dat ieder geroepen is, zijne eigene belangen voortestaan.
'De Kölnische-Zeitung tracht het ministerie Varnbühler-Mittnacht bespottelijk te maken, als was het ten onregte bezorgd voor de souvereiniteit van Wurtemberg, zoodra het aan het Noordduitsch-Verbond zal geoorloofd zijn, deeltenemen aan beraadslagingen over zuidduitsche oorlogsbelangen. Zij schrijft dat bewind de meening toe, dat "Pruissen, zoodra men het den vinger reikt, de geheele hand nemen zou" en de bemoeijenis weldra zou uitstrekken tot het inwendig beheer. Die achterdocht is, volgens de Keulsche courant, bespottelijk, hersenschimmig. Welnu, wij deelen in die vrees, en gelooven, dat vele naburen van Pruissen, hunne ondervinding raadplegende, ons en het ministerie Varnbühler-Mittnacht regt zullen laten wedervaren.'

22 april 1869 - Presentiestatistiek[bewerken]

In eenige dagbladen van Berlijn wordt eene statistiek gegeven van de 'presentien' der drie parlementaire vergaderingen, welke in die stad zitting houden. Het pruissische Huis van Afgevaardigden telt 432 leden, waarvan alszoo 217 moeten tegenwoordig zijn om een besluit kracht van wet te verleenen. De noordduitsche Rijksdag bestaat uit 297 leden, waarvan de grootste helft tot het nemen van een besluit vereischt wordt. Door het Tol-parlement, 't welk 382 leden telt, moeten 192 stemmen worden uitgebragt om te kunnen besluiten. Niet altijd kan het juiste getal der aanwezige leden geconstateerd worden, dewijl daartoe het nominatief oproepen—'t welk slechts zelden plaats vindt—een vereischte is, en men alzoo met de stenografische berigten moet te rade gaan. De openingszitting van de pruissische Kamer werd slechts door 213 leden bijgewoond, en eerst op het laatste oogenblik traden nog eenige Afgevaardigden binnen, die de vergadering (als zoodanig) wettig constitueerden. Bij de keuze van een voorzitter waren slechts 246 leden aanwezig. De meeste zittingen werden door niet meer dan ongeveer 300 leden bijgewoond; ja zelfs meermalen bedroeg het getal presente leden slechts iets meer dan 200. Toen in de zitting van 5 Februarij niet meer dan 212 Afgevaardigden verschenen waren, maakte men de opmerking, dat onder de afwezigen 26 personen behoorden, die hunne vaste woonplaats te Berlijn hadden. Het getal derzulken, die in de hoofdplaats gedomicilieerd zijn, bedraagt 47, en daarvan was gemiddeld altijd een tiental afwezig. Men vindt voorts in de bedoelde bladen eene gelijksoortige statistiek der twee andere vergaderingen; waaruit blijkt, dat het cijfer van de opkomst der leden van het Tol-parlement iets gunstiger was dan dat van de andere corporatien. Een onderzoek naar de vraag, of het al dan niet toekennen van daggelden invloed heeft op het meer of minder getrouw bezoeken der zittingen, schijnt tot den uitslag te leiden, dat dit geenszins het geval is. In het Parlement van den pruissischen Staat heeft men de absentien berekend van leden, tot zekere partij of fractie behoorende. De vooruitgangspartij (Waldeck, Löwe en de hunnen) telde in het geheel 72 absentien. Van de nationaal-liberalen (Twesten, Braun, enz.) waren gedurende den loop der zitting, te zamen genomen, 57 leden afwezig. De conservativen en de vrij-conservativen telden te zamen 42 absentien, waaronder echter geen enkele naam voorkomt van de leiders dier twee fractien. De heer Gneist, die als het hoofd van het linker-centrum wordt beschouwd, was 8 malen afwezig. Het regter-centrum leverde een getal van 5 absentien op, die alle op rekening van den heer von Patow komen. Van de overige leden, die niet bepaald kunnen geclassificeerd worden, had men een totaal van 46 absentien te noteren.
De Mainzer-Beobachter, deze cijfers overnemende, knoopt daaraan eenige beschouwingen vast. 'Indien nog iets noodig was (aldus drukt dit orgaan zich uit) om ons wantrouwen inteboezemen tegen al te veel parlementarismus, dan zou het de wijze zijn, waarop de kiezers thans schijnen aantevangen met hunne Afgevaardigden te beoordeelen. Dat een aannemer zijne onderbazen beoordeelt naar de kubieke hoeveelheid verwerkte aarde, begrijpen wij. Dat voorts een opzigter zijne werklieden waardeert naar de uren hunner aanwezigheid op de werkplaats, keuren wij goed. Noch de aannemer, noch de opzigter evenwel zal alleen de massa verwerkte stof, of alleen de uren van aanwezigheid tot maatstaf nemen om de geschiktheid zijner arbeiders te beoordelen. Eene geheel andere wijze van schatting wordt noodig, als de te bearbeiden zaak op het terrein ligt van kunst, wetenschap, staatkunde of wijsbegeerte. De artist staat boven den werkman; de staatman boven den kunstenaar, en het zou eene groote onregtvaardigheid zijn, ja zelfs domheid verraden, ongelijksoortige zaken met dezelfde maat te willen meten. Wat bedoelen nu de couranten, waarin de statistiek der presentien van de leden der drie Parlementen zoo haarfijn worden geanaliseerd, met die cijfers? Staan de goede eigenschappen der Vertegenwoordigers tot elkander in omgekeerde reden met het aantal absentien? Is Twesten (die twee malen absent was) vijf malen bekwamer, vijf malen vaderlandlievender, dan bijv. Düncker, die tien malen wegbleef? Is Wagener, die zeventien zittingen oversloeg, een onbruikbaar mensch of een landverrader? Het zal dan bij volgende verkiezingen eene gemakkelijke taak zijn, het volk voortelichten, en de aanprijzende hoofd artikelen zullen aanmerkelijk in prijs dalen.
'Wij, voor ons, stellen hoogere eischen aan de personen, die geroepen zijn om de belangen van Staten en volkeren te behartigen, en in weêrwil daarvan bevreemdde ons de wijze, waarop thans die presentie-statistiek door de dagbladen wordt geëxploiteerd, in geenen deele. Ja zelfs zijn wij niet vreemd van het denkbeeld, dat de sluwe beschikker over duitsche toestanden, die het parlementaire leven in Pruissens hoofdstad ontwikkeld heeft, door het te verdriedubbelen, juist in de vermenigvuldiging van eene gehate zaak de middelen gezocht heeft om die zaak te fnuiken. Hoe meer "Vertegenwoordiging", hoe meer splitsing der partijen. Hoe meer uiting, hoe meer verdeeling van kracht. En dit geldt niet alleen voor die spreek-collegien zelven; neen, ook onder het volk is te minder eenheid van wil denkbaar, naar mate de gelegenheid tot het uitoefenen van zoogenaamden invloed op den loop den zaken menigvuldiger is. De aandacht is te verdeeld, dan dat de natie zich juist rekenschap zou kunnen geven van de maatregelen der Regering, en zelfs daar, waar de algemeene geest zich verzetten zou tegen den stroom, die zich in de regeringskringen openbaart, wordt de opgewektheid tot verzet als het ware verlamd door het wachten op de magt "van die andere vergadering". Wie niet tevreden is met de pruissische Kamer, bouwt zijne verwachtingen op den Rijksdag. Wie den Rijksdag vertrouwt, steunt op het Tol-parlement. Wij voorzien den tijd, dat de pruissische (of noordduitsche) Regering zich schijnbaar nieuwe banden zal aanleggen, waardoor de thans bestaande hoe langer hoe meer zullen verzwakken. De uitersten raken elkander, en even als het heerschen van allen gelijke beteekenis heeft als volslagen regeringsloosheid, zal ook weldra blijken, dat de te ruime toepassing van het parlementaire stelsel vrij wel overeenkomt met het botvieren van teugelloos despotismus.'

24 mei 1869 - Kranteverslagen[bewerken]

Sommige Rijnsche bladen klagen over de onnaauwkeurigheid, waarmede vaan in buitenlandsche couranten, en nu onlangs in de Londense Pall Mall Gazette, de duitsche toestanden worden beoordeeld. Het engelsche blad had zich o.a. uitgelaten over de dwingelandij, die de Koning van Pruissen, in hoedanigheid van opperbevelhebber van het Bonds-leger, over zijne bondgenooten uitoefent. Het verhaalde, dat de Groothertog van Baden gedwongen zou geworden zijn, den pruissischen generaal von Bayer tot minister van Oorlog aantestellen, terwijl toch (volgens de dagbladen te Berlijn en in de Rijnstreek) die Groothertog zelf verzocht heeft, hem den generaal von Bayer aftestaan, opdat het badensche leger op pruissische wijze zou kunnen worden georganiseerd. Voorts zou Prins Willem van Baden genoopt geworden zijn, zijn commandement nederteleggen, dewijl zijne staatkundige inzigten niet strookten met die van graaf Bismarck. Ook dit is, volgens de Rijnsche couranten, onjuist, en als bewijs voeren zij aan, dat Prins Willem in 1866 zoo veel te lijden heeft gehad van beschuldigingen, dat hij te pruissischgezind was. In het hessische leger, aldus zou de Pall-Mall-Gazette beweerd hebben, worden alle van particularistische gezindheid verdachte officieren zonder genade ontslagen en door Pruissen vervangen. 'Behalve de moeijelijkheid om te bewijzen, dat er eenig ontslag zou verleend zijn wegens staatkundige gevoelens (aldus wordt de laatste beschuldiging gerefuteerd), kunnen wij verzekeren, dat in het hessische leger niemand ontslagen is. Ook de beschuldiging, dat in de hoogere kringen te Berlijn zekere wrevel heerschen zou over de in den Rijksdag ondervonden tegenwerking van plannen, in verband staande met de militaire organisatie, moeten wij ten sterkste afwijzen. Het is inderdaad eene zonderlinge stelling, dat Prins Willem van Baden en de hessische officieren zouden moeten boeten voor de wederspannigheid van den Rijksdag. Het engelsche blad schetst voorts Saksen-Coburg als een "brandpunt van ontevredenheid, aangezien die Staat belast is met eene jaarlijksche uitgaaf van 112½ th. voor elken militair, en daarvoor reeds meer dan 100,000 th. schuld heeft moeten maken, terwijl het contingent in 1870 verdubbeld worden zal." Deze voorstelling wordt door een correspondent der Kölnische-Zeitung als geheel valsch verworpen, daar Coburg de 112½ th. 's jaars (hetgeen slechts de helft bedraagt der som, die de andere Staten te storten hebben) voldoet naar aanleiding van een bijzonder tractaat. De successive verhooging van dat bedrag zal slechts geschieden totdat het cijfer der coburgsche bijdragen zal geklommen zijn tot het bedrag, 't welk thans de andere Staten voldoen. Men behoort dus niet zoozeer te spreken van eene verdubbeling in de toekomst, als wel van eene exceptionele verligting voor het tegenwoordige.'
De Mainzer-Beobachter is ontevreden met de wijze, waarop de beschuldigingen, die in het engelsche blad voorkomen, worden beantwoord, en meent, dat 'in vele pruissische bladen een parti-pris heerscht om alles goed te keuren wat ten aanzien der nieuwe regeling van zaken in het Noorden beschikt wordt.' 'Dat de pruissische generaal von Bayer (aldus laat dit orgaan zich uit) het badensche leger op pruissische wijze zal reorganiseren, betwijfelen wij geenszins. Maar daarin ligt de vraag niet. De kwestie is, of die generaal den Groothertog als minister is opgedrongen, en deze vraag wenschten wij ontkennend beantwoord te zien. De pruissisch-gezindheid van Prins Willem, waarover hij in 1866 zoo hevig door de zuidduitsch-gezinden is aangevallen, staat ons volstrekt geen borg voor eene voortdurend goede verstandhouding met graaf Bismarck, en wij noemen het voor de eer van dien Prins, die een zuidduitsch legercorps commandeerde, niet vleijend, zich thans te beroepen op zekere genegenheid voor de vijanden, welke hij toen te bestrijden had. Dat de coburgsche bijdragen na de verdubbeling niet hooger zullen zijn dan die der andere staten, baat den armen bewoners van dat land, die thans reeds moeite hebben, de lagere betaling te bestrijden, zeer weinig. En dat ten slotte de algemeene stemming in het Thuringsche niet zeer aangenaam is, hiervan kan zich ieder overtuigen, die deze streken doorreist en met onbevooroordeelden blik het volk gadeslaat. Eéne zaak kan de meest welsprakende pruissische nationaal-liberaal niet uit den weg redeneren; zij is deze: dat de lasten der tot het Noordduitsch-Verbond behoorende Staten aanmerkelijk zijn gestegen. Kan men nu bewijzen, dat daategenover voordeelen staan, die de zwaardere lasten ligter te dragen maken, het is ons wel; doch tot nu toe is dat bewijs niet geleverd, en de stoute ontkenning van den druk, waaronder de volkeren gebukt gaan, verandert de feiten niet.'

20 juni 1869 - Redevoering[bewerken]

De toespraak, waarmede de burgemeester van Bremen Koning Wilhelm tijdens zijn jongste bezoek in die stad begroet heeft, is door de Mainzer-Beobachter aan eene kritiek onderworpen. Zij noemt het vreemd, dat de burgemeester den Koning 'het hoofd der duitsche natie' heeft genoemd, en vervolgt aldus: 'Wij erkennen, dat de gebeurtenissen elkander sedert eenige jaren met eene snelheid opvolgen, die in de wereldgeschiedenis zonder voorbeeld is, maar hoe snel ook het huis van Hohenzollern op de puinhoopen van andere huizen zich verhief, zóó hoog is de vertegenwoordiger dier familie nog niet gestegen, dat de door den heer Duckwitz aan Z.M. gegeven titel van toepassing zou kunnen geacht worden. In dezelfde aanspraak maakt de burgemeester melding van de stad zijner inwoning, als van een vrijstaat, en wij vinden die uitdrukking niet in overeenstemming met de nieuwe waardigheid, die hij den Koning toekent. Ook wij Hessen zijn Duitschers; niemand zal deze hoedanigheid ontzeggen aan de Saksers, Beijeren, Zwaben en de bewoners der duitsche provincien van de oostenrijksche Monarchie. Is het met het oog op al die millioenen Duitschers niet zeer gewaagd, den Koning van Pruissen het hoofd der duitsche natie te noemen? Heeft eene stad, welker eerste magistraatpersoon aldus met woorden speelt, het regt, zich te beklagen, indien men later mogt goedvinden, die woorden speelt, het regt, zich te beklagen, indien men later mogt goedvinden, die woorden letterlijk optevatten en toetepassen? Er is eene diepe kloof tusschen dien burgemeester en den ongelukkigen Frankforter raadsheer Fellner, die geen getuige wilde zijn van de vernedering zijner vaderstad! Dat Bremen weldra geen weêrstand zal kunnen bieden aan den stroom, die eerlang alle bewoners van het noordduitsche gebied zal meeslepen, is natuurlijk; doch het is te betreuren, dat men den overmoed van den al te voorspoedigen tegenstander voedsel geeft en daardoor als het ware uitlokt wat men dan toch inderdaad zoo lang mogelijk wenscht verschoven te zien. Wij, voor ons, zien een ernstig protest van de Bremensche burgerij tegen de al te beleefde of liever hoofsche taal van haren woordvoerder tegemoet, en welligt zou het daarin de plaats zijn om de insinuatie te beantwoorden van de liberaal-nationale bladen, die er zoo uitdrukkelijk op wijzen, dat "de stad Bremen veel van Welfsche politiek te lijden had." Wij betuigen, niet juist te begrijpen, wat deze uitdrukking eigenlijk beduidt, daar we nooit vernamen, dat de leden der Welfsche vorstenfamilien eene staatkundige school hebben gesticht. Doch al was dit het geval, zal dan de pruissische Monarch of zijne opvolgers eene Gibellijnsche politiek toepassen op de later te annexeren steden en provincien? Wat beteekenen die versleten termen, welke, met omkeering van de gewijde parabel, denken doen aan oude lappen op een nieuw kleed? Dat Bremen—en dit zal ook wel met Hamburg en Lubeck het geval zijn—zich soms te beklagen heeft gehad over zijne hannoversche buren, bewijst niets tegen zijn regt om onafhankelijk te blijven. De geschiedenis levert tallooze voorbeelden op, ten bewijze, dat ook de naburen van Pruissen reden van ontevredenheid hadden over de wijze, waarop de beheerschers van dien Staat hunne aanspraken wisten te doen gelden. En men behoeft daartoe niet—als met het aanhalen der Welfen—eeuwen terugtegaan.'

28 juni 1869 - Verhandelingen[bewerken]

Twee der zuidduitsche leden van het Tol-parlement, de baron von Stauffenberg en dr. Völk, hebben onlangs te Berlijn in eene vergadering van burgers uit de onder no. 35 en 37 bekende wijken dier stad toespraken gehouden. De eerstgenoemde behandelde het standpunt der Zuid-Duitschers tegenover het 'nationale' vraagstuk. Hij begon met de opmerking, dat reeds het feit, dat men thans te Berlijn over dit onderwerp spreken kon—iets, 't welk tien jaren geleden niet zou hebben kunnen geschieden—van eene belangrijke staatkundige beteekenis was. Ook in Beijeren had gedurende dat tijdsverloop eene groote verandering plaats gegrepen, en de verkiezingen waren niet zoo ultramontaansch uitgevallen, als men vroeger scheen te moeten vreezen. De nationale zaak was in dat land met reuzenschreden vooruitgegaan. De reactie, na 1848, had zich in Beijeren niet in gelijke mate met andere duitsche Staten doen gelden, en al was het, dat zij in den laatsten tijd nu en dan het hoofd opstak, zij was toch, volgens den spreker, van een 'zeer gemoedelijk karakter.' De redenaar maakte vervolgens melding van de vruchten, die het streven der vooruitgangspartij in zijn vaderland zou hebben opgeleverd. Daaronder rekende hij zekeren omkeer in de 'maatschappelijke wetgeving', de bedrijfsvrijheid en de vrijheid om huwelijken te sluiten. Volgens hem, was de aansluiting aan eenen Bonds-Staat sedert lang het streven der liberale partij. Zoodra het Zuiden daartoe overging, zou er van een Noordduitsch-Verbond geen spraak meer zijn. 'Wij, voor ons (aldus drukte hij zich uit), wij hebben nooit de tegenwoordige Bonds-Constitutie als ideaal beschouwd; nooit daarin datgene meenen te vinden, waarnaar het duitsche volk sedert jaren gestreefd heeft; doch wel erkennen wij, dat de voorloopige organisatie, die uit de gebeurtenissen van 1866 is voortgesproten, het eenige middel aanbood om Duitschland uit zijne ellende (misère) te verlossen.'—Nadat deze woorden met levendige betuigingen van bijval begroet waren, ging de spreker aldus voort: 'Wij achten ons verpligt, openlijk te verklaren, dat wij met onze broeders in het Noorden gemeenschappelijk willen voortarbeiden aan het nu opgetrokken gebouw. Nooit evenwel hebben wij getracht, te ontkennen of te bemantelen, dat nog vele zaken verbetering behoeven, en dat vele instellingen, wat de vrijheid aangaat, nog veel te wenschen overlaten. Doch het is niet door tieren en schelden op het verkeerde, dat men den toestand verbeteren zal. Zoo menigmaal reeds is het gebleken, dat zulk schelden geleid heeft, niet tot haat jegens het Noordduitsch-Verbond zoozeer, als wel tot afkeer van het noordduitsche volk in het algemeen.' De heer von Stauffenberg eindigde met de belofte, al zijn krachten te zullen blijven toewijden aan het verwezenlijken der nationale eenheid, en hij riep daartoe de medewerking zijner hoorders in, vooral in verband met de soort der wapenen, waarmede hij en zijne gesstverwanten ten zijnent bestreden werden, en die, naar zijne verzekering, grootendeels bestonden in verdachtmaking en het werpen met slijk.
De heer Völk nam daarna het woord, en verklaarde, dat, hoezeer niemand in Beijeren geneigdheid gevoelde om Pruis te worden, men evenwel geenszins gezind was om het tot stand komen der duitsche eenheid tegentewerken. De toekomst van het duitsche vaderland lag, volgens den spreker, in het algemeen besef der noodzakelijkheid van verbroedering. Hij erkende, dat ook in Zuid-Duitschland niet alles was, gelijk het behoorde; doch de gedachte aan woord- of trouwbreuk mogt in zijne geestesverwanten nooit ondersteld worden. Men moest trachten, de Main te 'overbruggen' door het vereenzelvigen van de denkbeelden, dewijl het anders te vreezen stond, dat die rivier eenmaal met lijken zou worden gedempt. Ineensmelting van geheel Duitschland bood het eenige middel aan om zich op den duur staande te houden tegenover den vreemdeling. Het grootste gebouw kan gereed worden gemaakt door den eenstemmigen wil van millioenen menschen, die aanhoudend ieder eene zandkorrel aandragen. 'Duitschland is een groot Rijk (zeide de redenaar): het was dit sedert lang door zijne beschaving en letterkunde, en onlangs hebt gij, mannen van het Noorden, deze waarheid op nieuw door grootsche daden gestaafd. Wij weten wat het volk, goed voorgegaan, in staat is te volbrengen. Alom hijgt men naar de ziel, die het leven zal opwekken, en wij zijn geroepen, het volk die ziel inteblazen. Indien ieder doet wat hij vermag, dan zal die ziel ontwaken; zij zal dan een heerlijk volk om zich vergaderd zien, en zegepralend daar staan voor het oog der natien.'
De Mainzer-Beobachter onderwerpt de verhandelingen der heeren von Stauffenberg en Völk aan eene beoordeling, die ver van gunstig is. 'Wij hebben het geluk niet, bewoners te zijn van de Berlijnsche wijken no. 35 en 37, (aldus drukt zich dit orgaan uit), en waren dus niet in de gelegenheid, die proeven van zuidduitsch-nationaal-liberale welsprekendheid bijtewonen. Het zij ons alzoo toegestaan, ons te bepalen bij de verslagen, die de dagbladen, en wel in het bijzonder de Kölnische-Zeitung, van de bedoelde voordragten publiek maakten. Te oordeelen naar de herhaalde jubelende bijvalsbetuigingen, die beiden redenaars ten deel vielen, achten wij het onzen pligt, de bewoners der twee nationaal-liberale wijken in de hoofdstad geluk te wenschen met de verregaande gemakkelijkheid, waarmede zij zich laten tevreden stellen. Wij zijn zoo gelukkig niet, en zouden èn ons gezond verstand, èn onzen waarheidszin, èn ons schoonheidsgevoel geweld moeten aandoen om de redevoeringen der beide zuidduitsche heeren toetejuichen. Eene ziel, die het volk moet worden ingeblazen en daarna ontwaken zal, ten einde dat volk om zich te zien, komt ons zonderling voor. Ook vatten wij de bedoeling niet van de metaphoor, die de Main voorstelt als met lijken gedempt. Doch dit zijn zaken van vorm alleen. Van meer belang is de vraag, waarom de heer von Stauffenberg het afnemen van ultramontaanschen invloed als gunstig voor de nationaal-liberale rigting doet voorkomen, of liever daarin juist eene hoofdoorzaak meent te zien van de aanstaande verbroedering? Het heeft den schijn, alsof het Noordduitsch-Verbond een speciefiek protestantsch karakter had, en alsof graaf Bismarck de Gustaaf Adolf was der negentiende eeuw. Dat vele zuidduitsche Katholieken niet gezind zijn, zich naauwer met het Noorden te verbinden, nemen wij aan, doch het is gewaagd, dit aan speciaal-ultramontaanschen invloed toeteschrijven. De Rijnstreek—door den Zurichsen geschiedschrijver Scherr de groote Papenstraat genoemd—is minstens even katholiek als Beijeren, en wij gelooven niet, dat de godsdienstige overtuiging, welke aldaar heerscht, ooit aanleiding gaf, de bewoners te verdenken van vijandige gezindheid jegens het Noordduitsch-Verbond. Frankfort is protestantsch en joodsch, en toch zegt men, dat de bevolking dier stad niet ongaarne den laatsten Pruis uit hare muren zou zien vertrekken. Wat alzoo de inmenging van geloofszaken met de meerdere of mindere geneigdheid tot aansluiting met het Noorden te maken heeft, blijft ons een raadsel. Het komt ons voor, dat de beide redenaars hunne toehoorders wel gekozen hebben, en vooraf er van overtuigd waren, dat ieder het volkomen eens zou zijn met hunne beweringen. Wie niet a priori noordduitschgezind was, zou het door de welsprekendheid der heeren von Stauffenberg en Völk niet geworden zijn. De eerste was wel zeer goed, toen hij erkende, dat het tegenwoordige Verbond nog geenszins als het ideaal eener staats-inrigting kon beschouwd worden. Dit was onze meening ook, en wij zagen dus verlangend uit naar vermelding der punten, die de redenaar voor verbetering vatbaar achtte, en vooral naar de opgave der middelen tot herstel. Wij hoopten o.a. te zien wijzen op den druk der belastingen, die thans voor vele kleinere Staten ondragelijk is; op de enorme uitgaven voor het leger; op de zonderlinge, beschrevene en onbeschreven, prerogatieven van den officiers-stand; op de karige bezoldiging van onderwijzers; op de overdrijving der bureaucratie; op de onbillijkheid van het doordrijven van streng pruissische begrippen omtrent bestuur en onderwijs, ook in gewesten, die vroeger in sommige opzigten Pruissen te boven gingen, enz. enz. Maar van dit alles zeiden de redenaars niets, en de bewoners der beide wijken no. 35 en 37 zijn omtrent al deze zaken even onkundig gebleven, als zij schijnen geweest te zijn, toen zij de zaal binnentraden. Wat baten zulke bijeenkomsten? Natien als Beijeren, Hessen en Zwaben hebben geschiedkundige redenen van bestaan, en onderscheidden zich door volksaard en instellingen van de om haar wonende volkeren, lang voordat het woord "Pruis" in de wereldgeschiedenis bekend was. Niemand in Beijeren wil Pruis worden, heeft de heer von Stauffenberg gezegd. Dit noemen wij zeer gelukkig, want wie dit wilde, zou het niet kunnen, en niemand zou dit kunnen, daar het woord "Pruis" slechts een politieke, te naauwernood eene geographische en volstrekt geene ethnologische beteekenis heeft. De bedoeling van dien uitroep schijnt dus te zijn, dat men ginds in het Zuiden geen lust gevoelt, op pruissische wijze geregeerd te worden, en in dat geval vragen wij, hoe men naar aansluiting met—dat wil zeggen: ondergeschiktheid aan—Pruissen verlangen kan? Of meent men, dat het Noordduitsch-Verbond zich vooraf tot een Algemeen-Duitsch-Verbond zal uitbreiden, om den nieuwen leden de grief eener vernedering te besparen? Meent men, dat de Bonds-Voorzitter, die tevens opperbevelhebber van het Bonds-leger is zich in mededingerschap met dezen of genen zuidduitschen gedepossedeerden Hertog aan eene herkiezing zal onderwerpen? Wij gelooven dit niet. De weg naar een eenig Duitschland leidt onder de pruissische furca caudina door, en wie beweert, dien weg te willen betreden, loopt gevaar van onder het juk beklemd te geraken. Er zal den eenheid zijn, ja... doch wij betwijfelen het zeer, of de Beijeren, de Zwaben en de Oostenrijkers met die eenheid zouden gediend wezen.'

24 juli 1869 - Artikel[bewerken]

De Mainzer-Beobachter behandelt een in de Kreuz-Zeitung voorkomend artikel, waarin dankbare hulde wordt gebragt aan de nagedachtenis van den hessischen overste Emmerich, die zestig jaar geleden, onder de regering van den Koning van Westfalen, werd ter dood gebracht, ten gevolge eener poging om zijn vaderland te verlossen van de vreemde heerschappij. 'Al het vreemde, 't welk ons dagelijks voor oogen wordt gebragt (aldus drukt het eerst genoemde orgaan zich uit), zou bijna in staat zijn, ons oordeel over de eenvoudigste zaken te bederven. Wie ons voorspeld had, dat wij in de aloude hoofdstad van den grooten hessischen stam ons dagelijks te vergeefs zouden te beklagen hebben over moedwil en brooddronkenheid van vreemde militairen, die dan toch niet als veroveraars in onze stad zijn binnengerukt, zou voor dwaas zijn uitgekreten. De geschiedenis maakt melding van vrije Staten en van overheerde Staten; doch vruchteloos zoeken wij in het verledene voorbeelden van een toestand, als waarin de nieuwe theorien van staatsregt ons geplaatst hebben. De vraag zal kunnen voorkomen, of een hessisch onderdaan, die zich genoopt gevoelt tot verzet jegens pruissisch gezag, schuldig is aan oproer tegen de wettige overheid. Gaarne zouden wij daarop het antwoord vernemen van de theologische faculteit; doch in afwachting daarvan wenden wij onze leergrage blikken naar de staatkundige voorlichters van den dag. Wat leeren zij ons? In 1807 was een groot deel van Hessenland onder vreemde heerschappij. Een moedig krijgsman, Hes en patriot, stak de hand uit om zijn vaderland te bevrijden en werd daarvoor door de toenmalige regtbanken des doods schuldig geoordeeld. Dit nu bevreemdt ons niet. Wij behoeven niet zeer ver terugtegaan in onze herinnering om voorbeelden te vinden, hoe ook andere regtbanken, regt sprekende in naam van andere veroveraars, streng vonnis velden over misdaden, die, in meerdere of mindere mate, met het vergrijp van den overste Emmerich op ééne lijn kunnen worden gesteld. Is niet nog dezer dagen een bakker te Hannover—wel niet met den dood, maar toch zwaar genoeg—gestraft, omdat hij het gewaagd had, lijnzaad te droogen, 't welk de kleuren van zijn vaderland vertoonde? Hooren wij niet dagelijks hun, die in de geannexeerde landen getrouw bleven aan voorvaderlijke instellingen, den scheldnaam van kwaadwilligen naar het hoofd werpen? Verheft zich ergens eene stem ten voordeele van het Frankfortschen burgemeester Fellner, die—als een oud Romein—de onafhankelijkheid zijner vaderland niet overleven wilde?
'En toch durft het orgaan der pruissischgezindheid bij uitnemendheid, het blad, 't welk God, Koning en vaderland op het voorhoofd draagt, op aandoenlijke wijze eene daad in herinnering brengen, die—thans nagevolgd—alom zou begroet worden met verwenschingen. Emmerich bezweek als slagtoffer voor de eer zijns vaderlands. Niemand is gevoeliger dan wij voor den roem, dien zulke daden aan den duitschen naam mededeelen. Wat wij echter vragen, is: waarom de deugd van 1807 misdaad is geworden in 1867? De zedelijkheid zelve is niet veranderd. Hebben wij het verschil van inzigt te wijten aan verandering van begrippen, aan eene wijziging der zedekunde? Dan zijn de gevolgen van Königgrätz nog grooter dan wij ons durfden voorstellen, ja zóó groot, dat wij ons genoopt gevoelen, die gevolgen in den grond van ons hart te betreuren. Wij meenden, dat waarheid, deugd, regtvaardigheid zaken waren, buiten het bereik der verstdragende getrokken kanonnen, en dat de meestgeoefende achterlader de logica niet in het hart raken kon.
'Te grooter is onze verbijstering, omdat wij de aan Emmerich gebragte hulde niet kunnen toeschrijven aan een partijdig gevoelen van het conservatieve orgaan. Wij houden ons er van verzekerd, dat de Kreuz-Zeitung ditmaal, bij uitzondering, door bladen van allerlei kleur of rigting wordt toegejuicht; waaruit de zonderlinge anomalie voortspruit, dat een hessische held bewierookt wordt door partijen, die eenstemmig alle hessische heldhaftigheid als schadelijk verraad zouden uitkrijten, indien zij zich heden ten dage openbaarde. Wij betwijfelen het zeer, of het een keurhessisch dagblad geoorloofd zijn, de loftrompet te steken over een feit, 't welk wel geschikt is, denkbeelden, wenschen en verwachtingen in het leven te roepen, die de veroveraars liever aan de vergetelheid overgeleverd zagen. Indien een der Berlijnsche organen ons wanbegrip mogt willen te hulp komen, zouden wij met groote dankbaarheid een vertoog ontvangen over de oorzaken, die in zestig jaren tijd eene zoo gewigtige verandering hebben teweeggebragt in het opvatten der verpligtingen van den staatsburger.'