Manute Bol, de lange held

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Manute Bol, de lange held

Auteur Karel Poort
Genre(s) Documentaire
Brontaal Nederlands
Datering 1994
Bron Het Parool (30-04-94) & De Morgen, België (30-04-94)
Auteursrecht GFDL
Logo Wikipedia
Meer over Manute Bol, de lange held op Wikipedia

Manute Bol was een van de langste mensen op aarde. Hij woonde en werkte in Washington, USA.


De Dinka

Zelf zegt Manute Bol dat hij in oktober 1963 is geboren, maar familieleden en vrienden beweren dat hij twee of drie jaar eerder op de wereld moet zijn gezet. Reden van deze onduidelijkheid is dat de Dinka stam, die in het zuiden van Sudan leeft, geen bevolkingsregister kent. Hoe dan ook, feit is wel dat het fenomeen Bol in relatief korte tijd geschiedenis heeft geschreven op twee continenten: het grootste land van Afrika, Sudan en de Verenigde Staten van Amerika.

Hij groeit op in een groot gezin. Vader Madut heeft zeven vrouwen en Manute is de enige zoon van zijn tweede vrouw Okwok. Manute is voorbestemd om net als zijn vader geitenhoeder te worden en de wetten van de Dinka te volgen. Hij mag niet naar school, want papa Bol vindt dat hij z’n tijd beter aan de geiten kan besteden dan in de schoolbanken. Bovendien moet Manute man worden en daarbij horen de nodige rituelen. Zo is het de gewoonte dat bij Dinka jongens rond hun twaalfde jaar zes van hun ondertanden worden getrokken, met scherpe mesjes tatoeages op hun voorhoofd worden aangebracht en vervolgens met as wordt ingesmeerd. Maar op de dag dat Manute volgens de Dinka man zou worden, besluit hij weg te lopen van huis, weg van zijn dominante vader, weg uit zijn geboortedorp Turalei; hij vindt zijn tanden veel te mooi en vreest het tatoeage-ritueel. Dagenlang loopt hij zonder water en voedsel door de droogte van Dinkaland, op weg naar verre familie waar hij probeert begrip te vinden voor zijn vrees. Maar ze halen hem over terug te keren naar huis, want de Dinka meisjes zullen hem niet als volwassen man accepteren, hem beschimpen en uitlachen, laat staan dat ze met hem willen trouwen.

De jaren verstrijken en Manute groeit op. Manute wordt lang, Manute wordt héél lang, en zijn lichaam stopt pas met groeien op de onwaarschijnlijke lengte van 2.31 meter. Zelfs voor een Dinka, één van de langste volken van Afrika, is Manute een bijzonder geval. Zijn benen lijken op die van een giraffe en vingers op uit de handen gelopen staketsels.


Khartoum

Joseph Victor Bol, een neef van de familie en piloot bij Sudan Airways, bezoekt op een dag zijn verwanten in Turalei. Hij ziet zijn neefje Manute, raakt danig onder de indruk van zijn lengte en oppert de gedachte dat Manute wel eens geld zou kunnen verdienen met basketballen. Maar dan moet hij het spelletje natuurlijk wel eerst leren in de stad Wau, twee dagen lopen van Turalei, waar een competitie wordt gespeeld. In eerste instantie vind Manute dat allemaal maar veel te ingewikkeld en te ver van huis, maar als hij de volgende dag wakker wordt is hij van gedachte veranderd want nu doet zich toch wel een heel unieke gelegenheid voor om weg te trekken uit Turalei, weg van zijn vader die ook nu weer de nodige bezwaren maakt. Hij neemt het aanbod van zijn oudere neef aan, dus loopt hij voor de tweede keer weg van huis, maar nu voorgoed. Neef Victor introduceert hem bij de plaatselijke basketbalclub in Wau, ten zuidwesten van Turalei en Manute ziet voor het eerst van z’n leven een basketbal. Hij probeert te dribbelen en te passen, maar door zijn extreme lengte heeft hij geen controle over zijn benen en maatje 52, zelfs niet als hij gewoon loopt. Manute is bij lange na niet wendbaar genoeg en wordt aan alle kanten voorbij gelopen door z'n tegenstanders. Het plan van neef Victor dreigt te mislukken, maar hij neemt Manute voor de tweede keer mee, dit keer naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan in het noorden van het land, waar de competitie op een hoger plan staat en veel betere trainers werken. Na een treinreis van twee dagen komt hij in Khartoum aan en merkt dat hij niet alleen een bezienswaardigheid is door zijn extreme lengte, maar als Dinka ook wordt gediscrimineerd door de moslims in de hoofdstad. De eerste weken wordt hij op straat uitgescholden voor ‘Abid’, slaaf, iets dat Manute niet op zich laat zitten en hij ramt erop los, dag in dag uit. Dinka zijn vechters, Dinka zijn strijders en dat komt Manute goed van pas in de stoffige straten van Khartoum.

Ook op sportief gebied verloopt de eerste periode tamelijk desastreus. Bij ‘The Catholic Club’, een plaatselijke basketbalclub in Khartoum, willen de bal en z’n lichaam maar niet naar hem luisteren. Desalniettemin steelt hij het hart van de Amerikaanse coach Don Feeley, die de club voor een aantal maanden traint op contractbasis. Feeley heeft een zwak voor Manute en is geïmponeerd door zijn lengte, maar vooral ook door Manute’s persoonlijkheid. Hij gaat individueel met Manute aan de slag en dat heeft resultaat. Manute krijgt passing en dribbel letterlijk onder de knie en Feeley leert hem zelfs de ‘dunk’. Manute Bol blijkt, door het enthousiasme en de menselijke benadering van Feeley, plotseling een snelle leerling en maakt zich een op z’n ultralange lijf geschreven specialiteit eigen: de ’blocking’. Hij leert ook met links spelen, want aan zijn rechterhand heeft hij ‘clawed fingers’.

Manute wordt als mens en speler populair in Khartoum, Don Feeley begint voor Manute in Egypte te lobbyen en regelt voor hem een contract van twee jaar. Ook in Cairo verloopt het allemaal naar wens, Manute leert steeds meer bij en begint op te vallen bij basketbalscouts uit de USA. Als het contract van Bol in Cairo afloopt, heeft Feeley de manager van een collegeteam in Cleveland warm gemaakt voor de uitzonderlijke verdedigende talenten van de basketballende Dinka. Cleveland State is een ploeg met grote basketbal-aspiraties waar Manute best eens in zouden kunnen passen. De ploeg biedt hem trainingsfaciliteiten aan en educatie op de universiteit. Iets wat wel nodig is, want Bol spreekt, behalve de Dinkataal en een paar woorden Arabisch, geen woord Engels. Bol nu: “Not a word.”


De NBA-League

Manute maakt de oversteek naar Amerika en toont zich een gretig aankomend basketballer. Maar in de schoolbanken gaat het minder, want aan boeken heeft hij een gruwelijke hekel. Engels leert hij op het trainingsveld, schrijven van vrienden thuis en de basketbal-kneepjes van trainers en medespelers in de sporthal.

Na een jaar laat een trainer van de University of Bridgeport zijn oog op Manute vallen en biedt hem een nieuw contract aan. Hij begint met zijn uitzonderlijke lengte de collegecompetitie te domineren, vooral ook met zijn verdedigende spel; bijna alle ballen lepelt hij met groot gemak voor het netje weg. Manute Bol is de langste basketballer die ooit in een Amerikaanse competitie heeft rondgelopen, als hij in het veld staat krijgt de tegenstander de bal nog maar sporadisch in de basket. De ster van Manute begint tot grote hoogte te stijgen. De teams van de NBA-League staan plotseling voor hem in de rij en The Washington Bullets, het meest succesvolle team in de VS op dat moment, biedt hem een astronomisch contract aan. Bol hapt toe en is in één ongelooflijke klap multimiljonair. Manute wordt onwaarschijnlijk populair bij het basketbal-publiek, overal waar hij speelt zitten de tribunes vol. Bol is een verdediger met een blocking gemiddelde zoals die maar heel zelden voorkomt en sportkranten schrijven: "Bol verdedigd als een grasshopper", "een arm hier en een been daar en hij blokt met z’n ellebogen". De ‘Sports Illustration’ schrijft over de "Manute-gekte" en 'Business week' over "Hawking Tall". Manute wordt een marketingobject, Manute wordt big business. Voor fotosessies van nauwelijks een uur krijgt hij 25.000 dollar. Manute doet zijn naam eer aan, want in de Dinkataal betekent zijn naam ‘Speciale Zegen’. Inmiddels heeft Manute Bol meer, sneller en verder gevlogen dan welke andere inwoner van Afrika dan ook, spreekt het Amerikaanse basketbal-slang zoals maar weinigen kunnen, en is door zijn onophoudelijke grappen en grollen populair bij zijn medespelers. Zelfs bij zijn tegenstanders kan hij bijna geen kwaad doen, want tijdens de wedstrijden maakt hij doorlopend grapjes met zijn opponenten, scheidsrechters en publiek.

Het leven van een gemiddelde basketballer in Amerika is ook een nogal leeg bestaan, ook dat van Manute Bol. In de verbouwde kelder van zijn huis, in een dure villawijk even buiten Washington, staan behalve een pooltafel, een bar, twee grote tot de nok toe gevulde koelkasten, maar ook een onvermijdelijke televisie die dag en nacht aanstaat. Er wordt bijna niet gezapt, maar doorlopend naar basketbalwedstrijden gekeken. De kinderen van Manute scharrelen wat verveeld rond en de ‘ooms’, vrienden en mannelijke familieleden hangen, net als de baas zelf, lui op de banken of de grond en leveren commentaar op de wedstrijden en drinken bier, veel bier, iedere dag opnieuw.


Manute’s nadagen

Manute Bol zit nu, na een prachtige carrière van twaalf jaar, in de nadagen van z'n carrière en tekent, om hier en daar nog wat lucratieve graantjes mee te pikken, het ene kortlopende contract na het andere. Het is nu nog een kwestie van nog een jaartje zijn bankrekening opwaarderen en dan is het over. Onlangs speelde hij op basis van een kortlopend contract voor de Philadelphia ‘76-ers, een ploeg waar Bol in het verleden voor een periode van drie jaar speelde. De ‘76-ers staan laag geklasseerd in de league en hebben, om degradatie te ontlopen, dringend een verdediger nodig voor de laatste serie wedstrijden. En dat is de periode dat wij hem als televisieploeg mogen volgen met camera en microfoon. We mogen vóór, tijdens en na afloop de wedstrijd thuis tegen de ‘The Orlando Magic’, de ploeg van het scorende beest van twee meter twaalf, superster Shaquille O’Neill, alles filmen wat we maar wensen. Manute’s teamgenoot Mozes Malone, een van de meest scorende spelers ooit in de league, zegt, terwijl hij in de kleedkamer zijn wedstrijdshirt aantrekt: “The King hoeft niet eens te springen, hij duikt opeens op. Heb je hem ooit achteruit zien gooien? ‘Mister Reverse’, 'The King' doet ‘t achterstevoren.” Het is een waar afscheidstournee voor Manute, er wordt veel gelachen in de kleedkamer en zonder uitzondering spreken spelers hun bewondering uit voor Bol als collega en als mens. Zelfs Shaquille O’Neill, die vanavond de directe tegenstander van Manute zal zijn, heeft diep respect voor het Sudanese fenomeen.

We reizen met de ‘76-ers mee naar Orlando in de staat Maimi. The Orlando Magic staan op dit moment tweede in de league en het is al uren voor de wedstrijd druk rond de arena van The Magic. Er hangt een aangename, maar nerveuze sfeer bij het toestromende publiek dat van hun held Shaquille O’Neill, die liefkozende ‘The Shaq’ wordt genoemd, weer veel verwacht vanavond. Ook vanavond speelt hij tegen Manute Bol, die ‘s middags tijdens een onderling partijtje traint op het geweld dat hem vanavond te wachten staat. “I’m gonna beat The Shaq, man, I’m gonna beat him!”, is zijn commentaar.

Wij hebben het voorrecht vanavond, naast een aantal andere persmensen, zo ongeveer ónder de basket te zitten, op zich al een belevenis die je nooit meer vergeet. De cheerleaders, die vlak naast ons hun dansende kunstjes doen, maken onze hormonen behoorlijk nerveus. Het kabaal van de aankondigingen en geluidseffecten uit de immens grote speakers rollen over de tribunes: Manuuuuuuute Boooooollll!!! Ladies and gentlemen, de nieuwste aanwinst van de ‘76ers…. Manuuuuute Boooolll!!! De arena van Orlando is tot de laatste plaats bezet met een uitzinnig, popcorn etend publiek, ondanks dat de tegenstander ergens onderaan de ranglijst bungelt. Op de zwarte markt wordt goed zaken gedaan, de tickets gaan grif voor honderd dollar van de hand. Iedere basketballiefhebber wil The Shaq tegen Manute zien spelen. O’Neill, op dat moment pas tweeëntwintig jaar oud, scoort als een mitrailleur, heeft een onwaarschijnlijk atletisch vermogen, is drie keer zo breed als Manute en meet de toch ook niet misselijke lengte van twee meter twaalf. Maar als Manute in de tweede periode in het veld verschijnt, stokt de scorende machine Shaquille O’Neill en in de derde periode wordt hij zelfs voor korte tijd naar de kant gehaald. Orlando wint ook deze returnwedstrijd, maar de kranten staan de volgende dag bol over de confrontatie van Manute en The Shaq.


Sudan Relief Fund

Inmiddels is Manute, na nogal wat speur-en onderhandelwerk van een aantal vrienden in Zuid-Sudan, al tien jaar getrouwd met Atong, een Dinka meisje met een Italiaanse vader. De twee hebben inmiddels vier kinderen en wonen in een meer dan schitterende villa in een elite buitenwijk van Washington. Ze zijn echter niet de enige bewoners van dit huis, want ook Manute’s schoonmoeder, stiefmoeder, een aantal andere familieleden, maar ook vrienden van Manute hebben hun intrek genomen. Iedereen eet mee uit de goed gevulde ruif. Omdat Manute geen vast contract meer heeft bij een NBA-club, heeft hij nu ook wat meer tijd voor andere dingen. Zo zet hij zich in voor zijn landgenoten thuis in in Dinkaland. Het meedogenloze regiem van dictator Omar Bashir in Khartoum gaat maar door met het aanrichten van gruwelijkheden in de dorpen en vluchtelingenkampen, bombardementen zijn hier aan de orde van de dag. Duizenden Dinka’s zijn al het slachtoffer geworden van Bashir’s moslim-fundamentalistische wreedheden en lopen hongerend rond in het uitgedroogde landschap omdat de toevoerwegen van hulporganisaties, zowel óp de grond als in de lucht, zijn afgesneden. Dus is Manute in de Verenigde Staten op een vreedzame manier de tegenaanval begonnen. Juist nu hij zijn laatste jaren in de basketbal league afwerkt en financieel geen zorgen kent, heeft hij samen met een aantal vrienden en familieleden het ‘Manute Bol Sudan Relief Fund’ opgericht. Zijn naaste medewerkers, de neven Eduard Bona en Akuie Malwal, pendelen langs invloedrijke Amerikaanse ambtenaren en Congresleden om gehoor te vinden voor hun strijd tegen het dictatoriale regiem in Khartoum. ‘Sudan Relief Found’ zamelt geld, voedsel en dekens in voor hun landgenoten in het zuiden van Sudan, die dag in dag uit het oorlogstuig van de Noord-Sudanese machthebbers moeten ontberen.

De lichtgrijze Mercedes Benz van Manute zoeft over de highway in de richting van de regeringsgebouwen in het centrum van Washington. Achterin zitten Eduard en Akuie, gekleed in zwarte kostuums en met strakke gezichten, als waren het Manute’s lijfwachten en neuriën zachtjes mee met de Dinkamuziek die Manute in z’n cassetterecorder heeft gestopt. Statig en in driedelig grijs loopt Manute even later, geflankeerd door zijn neven, door de glimmend gepoetste gangen van één van de parlementsgebouwen. De drie zijn op weg naar Congreslid Frank Wolf om hem, en daarmee de Amerikaanse regering, over te halen meer druk uit te oefenen op het Sudanese regiem in Khartoum en financiële steun te vragen voor hun Relief Found. Verbaasd over zoveel fysieke lengte wijst de secretaresse van Frank Wolf de drie de weg naar het kantoor, waar ze hartelijk worden ontvangen. Het gesprek duurt een klein half uur, maar veel levert het allemaal niet op, want Frank Wolf volstaat met een aantal clichés waar politici zo goed in zijn: “Omar Bashir zou bereid moeten zijn te praten”, bla, bla, bla..., “er moet iemand zijn die in dit conflict bemiddelt..., bla, bla, bla, graag zou ik iets voor jullie doen maar..., bladibladibladibamba....”

De volgende dag staat er een demonstratie voor het ambassadegebouw van Sudan op het programma. Bol maakt middels een persbericht handig gebruik van zijn bekendheid als basketballer en lokt daarmee een aantal televisieploegen naar de demonstratie. Een tiental geblokte Sudanesen, waarvan Manute natuurlijk het middelpunt is en hoog bovenuit steekt, lopen een uur lang rondjes voor het gebouw met borden waarop ze anti-Bashir teksten hebben geschilderd en schreeuwen door hun megafoons leuzen in de richting van de geblindeerde ramen: “Down down Omar Bashir...., down down Omar Bashir.” Niemand van het ambassadepersoneel neemt de moeite een petitie van de demonstranten aan te nemen of zelfs maar voor de ramen te verschijnen, terwijl breedgeschouderde politieagenten met walkie-talkies een oogje in het zeil houden. Een bus met schoolkinderen passeert de demonstratie en de kids hangen uit de ramen en schreeuwen Manute, Manute!! Manute’s populariteit kent nauwelijks grenzen in de States. Als de tv-verslaggevers hun microfoons hoog in de lucht steken naar Manute’s mond, komt die niet meer tot stilstand. Hij ratelt in hoog tempo al zijn Zuid-Sudanese grieven naar de kijkers thuis die, zo vrezen wij, meer belangstelling zullen hebben voor de basketballer Manute Bol dan waarvoor hij vandaag hier staat.


Het snoepreisje

In de dertien jaar dat Manute Bol nu in Amerika speelt, is hij nog niet één keer terug geweest naar zijn geboortedorp Turalei, maar daarin komt nu toch verandering. Het verlangen zijn familie, jeugdvrienden en dorpsgenoten terug te zien is in de loop der jaren groter en groter geworden. Zijn wens de laatste rustplaatsen van zijn ouders te bezoeken en met zijn ‘Relief Found’ de vluchtelingenkampen in Zuid-Sudan van hulpgoederen te voorzien, vult het dagelijkse denken van de lange man. Als hij de laatste berichten leest over alwéér nieuwe bombardementen in Zuid-Sudan, is hij zichtbaar van slag. Gehaast belt hij zijn Sudanese vrienden en overlegd wat de nieuwe acties van het ‘Sudan Relief Found’ zouden kunnen zijn.

Vanaf vliegveld Bedford in Connecticut vertrekt enkele weken later een groen gespoten DC-8 vrachtvliegtuig van de Amerikaanse hulporganisatie ‘Americares’. Aan boord bevinden zich, naast Manute en neef Edward Bona, die op uitnodiging van ‘Americares’ de onderneming meemaken, een twintigtal genodigden. De rechtstreekse vlucht naar Nairobi, de hoofdstad van Kenia, duurt zestien uur. ‘Americares’ is een betrekkelijk nieuwe hulporganisatie en heeft Manute Bol naar voren geschoven om als speerpunt te fungeren van de geïnviteerde delegatie, waaronder pers en een aantal artsen, die ook voor deze missie zijn ingeschreven. Manute Bol’s voornaamste taak is de aandacht van de pers te trekken en vertrouwen te winnen bij de Zuid-Sudanese autoriteiten.

De taakomschrijving van zijn neef Edward en de twintig andere genodigden is echter nogal onduidelijk, maar bij ons zou dit waarschijnlijk gewoon een ‘snoepreisje’ heten. Het hele gezelschap wordt ondergebracht in een veel te duur hotel in een buitenwijk van Nairobi en eet ‘s avonds in een van de sjiekste restaurants van de stad. Nadat Paul en ik de volgende dag rugzakken vol met proviand voor de Dinka’s hebben gekocht in een supermarkt in de buurt, wordt het hele gezelschap in busjes met chauffeur geladen en naar Nairobi-airport vervoerd vanwaar met twee vliegtuigen hoppend een drietal ziekenhuizen in het zuiden van Sudan zullen worden bezocht. Maar eenmaal ter plaatse hebben de genodigden meer aandacht voor hun meegebrachte fototoestellen en videocamera’s, dan voor de creperende mensen in de armzalige hospitaaltjes; de journalisten onder hen nemen niet eens de moeite om ook maar één notitie te maken. Manute is wél zichtbaar ontdaan van de ellende die z’n landgenoten moeten ondergaan en bemoeit zich nauwelijks met de rest van de delegatie.

Na een emotionele dag zetten we, samen met Manute en Eduard, koers naar de pleisterplaats Lokichoggio, een kampement in het noorden van Kenia dat beknelt ligt tussen de grenzen van Sudan, Kenia en Uganda. Als de Americares-delegatie alweer hoog en breed aan het zwembad van het hotel in Nairobi ligt, lessen wij onze dorst met heerlijk koude biertjes aan het outdoor barretje van Lokichoggio en brengen de nacht door in legergroene tenten.


Turalei

De volgende dag is één van de belangrijkste in het turbulente leven van Manute. Achter de stuurknuppel van een Chessna vliegtuigje zit de fantastische Nederlandse piloot Frans Driessen, en we maken een drie uur durende jump van Lokichoggio naar de airstrip Mayen Abun, in het hart van Dinkaland. Het is een enerverende vlucht, we scheren rakelings over de boomtoppen en tijdenlang over het oogverblindende gebied waar de blauwe en de witte Nijl tezamen komen.

Na aankomst in Mayen Abun wringt Manute zijn lange lichaam uit het vliegtuigje. En hij heeft zijn grote voeten nog niet op Dinkabodem gezet, of vanuit het niets komt een groep van zo'n honderd kinderen al dansend en zingend naar ons toe lopen. Ze begeleiden zichzelf op trommels en zware drums. De repeterende welkomstliederen bezorgen ons dikke kelen, rillingen op onze ruggen en dik kippenvel op onze verbrande armen. Vanuit een heel andere richting van dit donkerste van donker Afrika komt een groep vrouwen zingend in onze richting, terwijl ze bij wijze van welkomstceremonie zwaaien met stokken en speren.

Het laatste stuk van Mayen Abun naar Manute’s geboortedorp Turalei, een afstand van ongeveer achttien kilometer, zullen we in de zinderende hitte te voet af moeten leggen. Dit is het moment waar mijn collega Paul en ik zo ongelooflijk tegenop hebben gezien. Filmen in de tropen is heel bijzonder, maar heeft ook z'n mindere kanten, zoals nu. Maar onze piloot Frans Driessen stelt voor dat we twee dorpsoudsten in zijn Cessna meenemen om Turalei vanuit de lucht te zoeken en te kijken of er een mogelijkheid is om te landen. Wij vliegen mee, Manute en neef Eduard blijven wachten en verpozen zich in de tussentijd met de zingende en dansende bevolking. De twee locale mannen weten natuurlijk precies de weg in deze omgeving, maar nu ze voor het eerst van in een vliegtuig zitten ziet de wereld er toch wel heel anders uit. Frans wordt het komende halfuur van hot naar her gestuurd, maar opeens denken de twee Turalei toch te zien liggen en Driessen besluit te landen. Maar na de landing én het uitladen van al onze apparatuur en meegebrachte levensmiddelen, komen we tot de ontdekking dat dit niet de plaats waar we moeten zijn. Dus na wat heen en weer gepraat tussen de twee mannen en de lokale bevolking, zet Frans zijn toestel weer in beweging om een aantal kilometers verderop de draagbaarheid van de bodem voor de tweede en definitieve landing te taxeren.

Dit moet Turalei zijn en Frans draait zijn toestel een paar keer rond het gehucht dat aan een drooggevallen rivierbedding ligt. Driessen heeft drieënhalf jaar vliegervaring opgedaan tijdens de oorlog in Somalië en zijn vliegtuigjes zelfs in de straten van Mogadishu laten landen, dus ook Turalei is nu het onderzoeken waard. Hij schat nogmaals de stabiliteit van de bodem in en besluit zijn Cessna aan de grond te zetten. Gelukkig liggen er geen takken of andere obstakels en Frans taxiet na een hobbelige en stotende landing zijn propellertje in de buurt van een grote boom, waar we opnieuw al onze spullen uit kunnen laden. Hij laat ons met z’n tweeën achter en gaat met de twee dorpsoudsten weer de lucht in om Manute en Eduard op te halen. Voor ons wordt het, in de schaduw van de enorme boom, een uur of twee wachten alvorens het gezelschap terug zal zijn.

Waar ze allemaal vandaan komen is ons een volstrekt raadsel, maar binnen tien minuten zijn we in gezelschap van een veertigtal lokale Dinka die, onder krijsende oerwoudgeluiden en zwaaiend met knuppels en speren, om ons heen talloze krijgsdansen uitvoeren. De komende twee uur wanen we ons een beetje als de hoofdrolspelers uit het beroemde stripverhaal van Kuifje in Afrika. Alleen de boven het vuur hangende grote ronde pot, waarin we straks gekookt zullen gaan worden, ontbreekt nu nog. De boom wordt hoe langer hoe dikker en na een half uur zijn we omgeven door zo'n tweehonderd oud-dorpsgenoten van Manute. We begrijpen uit hun gebaren dat ze geen flauw idee hebben wat die twee witte mannen met al die vreemde troep om hun heen hier eigenlijk komen doen, dus proberen we met handen en voeten uit te leggen dat hun beroemde dorpsgenoot Manute hier straks zal landen en een paar dagen in Turalei zal blijven. Ondanks al ons hopeloze gestuntel begrijpen ze wél wat we bedoelen en dat brengt onmiddellijk grote consternatie teweeg.

Een aantal vrouwen, die tantes van Manute blijken te zijn, beginnen om ons heen te dansen, zichzelf begeleidend met veel gegil, geschreeuw en tonggeklak: Héé-Héé! Hu-Ha-Hu! Manute-nja, Dja, Dja, Dja! stampvoeten ze en slingeren met grote houten knotsen boven hun hoofden. Manute-nja!, Hu-Ha-Hu!, Manute-nja! Mijn hoop is uitgekomen. Ik zal niet sterven! Mijn onbevreesde stier, jij drinkt uit diepe wateren. Trots draag jij jouw kroon. Hééé dja, dja, dja, laat de wereld dit zien, laat de wereld dit wonder zien, hu, ha, hu, laat de wereld mij zien! Mijn Manute-nja, dja, dja, dja, mijn Manute-nja komt eraan.

Ondanks onze 1.85 voelen ons maar heel kleine mannetjes tussen al deze magere reuzen, maar ze maken ons niet bang. Integendeel, ze zijn vrolijk en zingen aan één stuk door. En als dan na twee uur de Cessna van Frans Driessen z’n rondjes weer boven Manute’s geboortedorp draait alvorens hij weer in de rivierbedding zal landen explodeert Turalei. Zodra het vliegtuigje stilstaat, rennen zo’n vijfhonderd lange Dinka in de richting van Manute, die inmiddels uit de Cessna is geklommen en op één van de vleugels is gaan staan. Een oorverdovende geschreeuw, gejuich, geklap en gehuil overstemd de pruttelende vliegtuigmotor. Als de meute bij het vliegtuigje is aangekomen, worden de geluiden zachter en gaat het geschreeuw over in een ingetogen brommend gezang: Zzzzoemmmm...zzzzoemmm...zzzoemmm.... De mannen dragen lange witte gewaden en blijven discreet op afstand, maar de vrouwen storten zich massaal op Manute en klampen zich vol bewondering en overgave aan hem vast.

Het volgende half uur is geheel gewijd aan Dinka-rituelen. Zo wordt bij wijze van welkom een vastgebonden geit, die even later zal worden geslacht, zeven keer luid blatend boven het hoofd van Manute rondgedraaid en moet hij een aantal keren over een koe heen stappen die inmiddels op de grond voor hem is neergelegd. Het wordt Manute allemaal te veel en dikke tranen rollen over z’n wangen, die hij droogt met z’n USA T-shirt. Ondertussen gaat het lage gezang van de mannen maar door: Zzzzoemmm...zzzoemm...zzzoemmm....' De temperatuur moet op dit tijdstip van de dag toch dik vijftig graden in de schaduw zijn.

Langzaam zet de stoet zich in beweging in de richting van het dorp, Manute voorop. Hij steekt hoog boven iedereen uit en wordt nog steeds omringt door een honderdtal zoemende en trommelende dorpsgenoten. Wij lopen er met z'n tweeën achter, geëscorteerd door zo’n vijftien hulpvaardige Dinka die het overgrote deel van onze apparatuur en proviand dragen. Door de hitte en de emoties loopt het zweet in straaltjes langs onze lichamen. De tante met de knots en de twee ondertanden blijft ondertussen onophoudelijk rond haar neef dansen, totdat we bij een soort dorpshuis zijn aangekomen waar de plechtigheid zal worden voortgezet. Ook hier zijn het de vrouwen die het officiële gedeelte voor hun rekening nemen. Sommigen hebben zwarte pruiken op hun hoofd gezet en anderen gillen telkens weer trillend met hun tong, zoals vrouwen dat bij speciale gebeurtenissen plegen te doen in Afrika. Voorouders worden aangeroepen en sommigen raken na verloop van tijd, al dansend en stampvoetend, in een diepe trance.

De rest van de dag is voornamelijk gevuld met handen schudden, een Dinka-ritueel waar maar geen eind aan lijkt te komen. Iedereen die Manute en ons een hand geeft, knipt eerst met de duim en wijsvinger en herhaalt de woorden Shybak, shybak? (hoe gaat het?), Yen apol? (alles goed?) en Yen apath! (welkom!), afgewisseld door een brommend MMMmmm... en klakken met de tong, als een bevestigend “Het is goed”.

Veel van z’n familieleden herkent Manute niet onmiddellijk, want de meeste inwoners van Turalei zijn de afgelopen twaalf jaar sterk vermagerd als gevolg van honger en dorst. Ook heeft hij al snel in de gaten dat hij maar niet teveel naar vrienden of bekenden moet informeren, want de kans is groot dat een heel aantal in de oorlog zijn omgekomen. Manute ziet na al die jaren ook zijn jongere zus Abuk weer terug. Ze kruipt op haar knieën naar haar broer en legt huilend haar hoofd tegen zijn borst, terwijl Manute wat onwennig over haar gevlochten kroeshaar aait. Een oude vrouw kruipt gillend tot bij de giraffebenen van Manute, zoent hem een keer of twintig smakkend in z’n nek en begint spontaan traditionele Dinkaliederen te zingen. Andere vrouwen staan haar bij met hoge, langgerekte, trillende kreten.

Turalei kent ook z’n toverdokters. Uitgedost met pruiken van geitenharen, zelf gemaakte kettingen, arm- en enkelbanden, gekleed in pantervellen en brommend met diepe dreigende stemmen, voeren ze stampvoetend rituele dansen rond Manute uit. Met speren en andere belangrijke attributen zwaaien ze brullend rond het hoofd van Manute om boze geesten uit te bannen. De plaatselijke dorpsgek krijst doorlopend onbegrijpelijke woorden in twee stukjes ijzer, die onderling met elkaar zijn verbonden door een kettinkje en als een denkbeeldige walkie-talkie dienstdoet. Als we Manute vragen wat hij eigenlijk roept, bromt hij: “He’s asking for a nice cold beer from Lokichoggio, man.”

In een hutje met een rieten puntdak, dat als Manute’s residentie annex slaapplaats dienstdoet, is het de volgende dagen een komen en gaan van vrienden, kennissen en familie, die uit alle windstreken komen toegestroomd om hun beroemde held te begroeten. De hitte in het hutje loopt soms op tot onmeetbare hoogte, de stank van zweet en kruiden bijna niet te harden.


De kritiek

De bewondering voor Manute is groot, maar de kritiek, zo blijkt in de loop van deze week, niet minder. Want Manute heeft vele andere kanten. Manute de emotionele man met het kleine hartje, maar een andere kant is de Manute van het verwende rijke jongetje en ongelooflijke egoïst. Hier in het dorp is men, en terecht, zwaar teleurgesteld dat Manute de multimiljonair niets voor z’n creperende dorpsgenoten heeft meegenomen. Maar dan ook hélemaal niets. Geen biscuits, geen zout of suiker, geen oogdruppels, geen zeep, geen kleding of dekens en zelfs geen snoepjes voor de kinderen. Maar waar hij en neefje Eduard wél aan hebben gedacht, zijn de luxe luchtbedden voor de nachten en door een onderdanige dorpsgenoot worden opgepompt. Ook is de man de rest van de week verantwoordelijk voor het opnemen van de locale Dinkaliederen op een high-tec cassetterecorder, zodat Manute ze straks thuis in zijn Mercedes kan beluisteren.

In Manute’s bijzijn beleggen dorpsoudsten langdurige vergaderingen, zonder beperkingen uiten hun ongenoegen aan het adres van Bol, wiens hoofd steeds verder zakt van schaamte. Hij is zichtbaar geschrokken van de kritiek en haast zich om de volgende dag onder de grootste boom van Turalei een verklaring af te leggen tegenover zevenhonderd toegestroomde stamgenoten en beloftes te doen betreffende constructieve hulp in de nabije toekomst. “Ik ben er niet in geslaagd voedsel mee te nemen. Ook andere delen van de wereld hebben het zwaar te verduren. Als ik geld in mijn broekzak zou hebben, dan zou ik het jullie geven. Waarom ben ik zo veranderd? Ik kan niet beloven dat hier morgen een vliegtuig landt. Er komen meer lege vliegtuigen. Ik beloof ook niet dat ik graan kom brengen, dat heb ik niet, maar ik doe mijn best. Wees geduldig. God is met jullie.” Het is duidelijk dat Manute er maar wat retoriek tegenaan gooit om de zevenhonderd niet massaal op z’n nek te krijgen. Iemand zegt: “Je had niet moeten komen, je had ons moeten laten sterven. De mensen keken naar je uit, maar je hebt niets meegebracht. Je kunt maar beter weer gaan. Laat ons maar doodgaan zonder jou.”


God bless America

Op woensdag wordt een bezoek gebracht aan het graf van Manute’s ouders, dat wordt gemarkeerd door een simpel stokje. Ook hier weer dreigende krijgsdansen, gillende vrouwen en zoemend gezang van de mannen om boze geesten en de vijand uit Khartoum op afstand te houden. De stoet trekt verder naar de markt in het midden van het dorp, waar wat schaarse pinda’s en primitief gereedschap wordt verhandeld. Maar verder is hier niets in Turalei. Geen medische voorzieningen, geen hospitaaltje om mensen te behandelen aan hun etterende verwondingen en ingeënt kunnen worden tegen de oprukkende tbc-epidemie of zich kunnen wapenen tegen de malariavlieg. Het is ook zeer de vraag of de zwakkeren hier het regenseizoen wel zullen halen.

Maar in alle eerlijkheid is het ook wel zo dat de Dinka weinig initiatieven ontplooien om verbetering te brengen in hun miserabele omstandigheden. Of, zoals de Amerikaanse hulpverleenster en Dinka-kenner Martha Carey het bij ons vertrek uit Nairobi het nogal plastisch uitdrukte: “De Dinka lijdt al duizenden jaren honger door gebrek aan ondernemingslust en dat zal altijd wel zo blijven, ondanks alle inspanningen van buitenaf. Van het aanleggen en irrigeren van akkers is geen enkele sprake, ondanks al onze inspanningen. De Dinka doet z’n behoefte naast zijn hutje of in het open veld. Hordes vliegen en ander ongedierte komen erop af, met alle ziektes en epidemieën van dien. In plaats dat de mannen er iets aan doen, liggen ze te de hele dag te discussiëren onder een boom. De vrouwen doen al het werk. De vrouwen halen water, vrouwen baren en zorgen voor de kinderen, vrouwen werken op het land en vrouwen bouwen de huizen. Mannen blaffen en doen gewichtig, vrouwen hebben het allemaal maar te slikken, iedere monotone dag opnieuw.”

De laatste dagen voldoet Manute Bol plichtmatig aan datgene wat van hem wordt verwacht. Hij schut handen met weer heel veel Knip, shybak, shybak, MMMmmm, klak en Yen Apol, ontvangt mensen, legt bezoekjes af of slaapt op z’n luchtbed. En zo komt er na vijf dagen een eind aan z’n bliksembezoek aan Turalei. Voor de laatste keer, opnieuw omringt door honderden dansende en zingende Dinka, maakt hij de tocht terug naar de rivierbedding die weer tijdelijk als airstrip dienstdoet. Piloot Frans Driessen staat al een tijdje voor de afgesproken tijd in de verzengende hitte naast zijn Cessna te wachten. Nog eenmaal dansen de Dinka om het toestel en Manute heen, die inmiddels wel gewend geraakt is aan de rituelen. Hij laat geen traan meer bij het afscheid, en eenmaal in het vliegtuigje zijn z’n eerste woorden: “God bless America.”


(Manute is op 19 juni 2010 aan acuut nierfalen overleden.)