Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 76/Nummer 59/Avondblad/St. Maarten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
„St. Maarten”
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 1 maart 1919
Titel „St. Maarten”. Grafisch- Teeken- en Beeldhouwwerk
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 76, 59
Editie, pg Avondblad, A, 1
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

„St. Maarten.”

Grafisch- Teeken- en Beeldhouwwerk.

      Men schrijft ons uit Utrecht:
      De grafische afdeeling maakt als geheel een aangenamen indruk, toch ontbreekt er te veel dan dat men, ook bij benadering, van een volledig overzicht kan spreken. Van onzen ganschen rijkdom aan grafische kunstenaars zien we slechts onder de houtsneekunstenaars: Dirk Nijland met zijn krachtige Golven in den Riviermond; van Jesserun de Mesquita, een haast heraldisch decoratief opgevatte Wespendief. Van van Leusden, een compositie uit figuurmotieven samengesteld, en een als kolossale zwarte vlak-versiering gesneden „trekkend Paard” van R. Wichers Wierdsma. Daartegenover kantig, expressief geteekend: een nerveus snuivend paardje met achtergrond van wentelende golven: „Storm” genoemd, van den nog onbekenden Kees Heynsius. Gevoelig en met bewogen aandacht geteekend is ’t mooie „Haantje” van Markes; Van der Valk gaf één van zijn mooi gecomponeerde kleur-litho’s van „Schelpen”; Havercamp een interieur van de „Pieterskerk te Leiden”, in zorgvolle uitbeelding. Meer pictoraal gezien zijn Tjeerd Bottema’s „Kraaien op ’t ijs”. Van Moulijn is er een kleur-litho- „Cypressenvijver”. Verder eenige etsen zooals ’t Duinlandschap van „Graadt van Roggen”, een ander „Duinen” van Ant. Pieck, een stadsgezicht van Harting en eenige luchtige etsjes van „de Haven van Rotterdam” van Van Duffelen. En Poortenaar, die ons meest als etsen zijn indrukken van groote bruggen en pleinen laat zien, doet dit hier in een litho van „Bruggen van Newcastle”.
      Naast dit grafisch werk verschillende teekeningen in zwart en in kleur. Onder de laatste behoort onder ’t beste van de tentoonstelling het bekoorlijk „Babyportret” van Jan Sluiters.
      Van Annie Roland Holst-De Meester is er de origineele teekening van de knappe prent in de „Nieuwe Amsterdammer” verschenen, „het Portret van Toorop” Een karakteristiek „Zelfportret” in auto-kostuum gaf Texeira de Mattos. Knap figuurteekenaar toont zich Gabrielse in zijn „Zeeuwsche veldarbeiders”, dat men ook „de vier leeftijden” zou kunnen noemen. Pieter Slager teekende met aandacht „Moeder en Kind.” Vlot, met sobere lijnen en een weinig kleur geteekend is de fijne „Zilverreiger” van Sam. van Beek, terwijl Henkelom meer decoratief en vlak zijn „Bavianen” schilderde en Tjerk Bottema, in samenvattende lijnen en zuiver vlakke kleur, frisch opgezet „De Poes en de Garanium” gaf. Daartegenover meer analytisch met aandacht waargenomen is de „Oude Gracht te Utrecht” van Elisabeth Adriani-Hovy zooals ook de boschteekening „Schapendrift” van Joh. Vlaanderen. Bij deze afdeeling is ook een „email-schilderij”, van E. Wichman, samenvoeging van rijke email-kleuren, en een mathematisch gecomponeerde „Kompositie 1916” genoemd „Stilleven” van de theoreticus Theo van Doesburg.
      Onder het Beeldhouwwerk het meest bezondere is het werk van Hildo Krop, reliefs voor de Nationale Bank te Leeuwarden: „Landbouw en Veeteelt”, in zuiver vlak gehouden composities in pleister en twee hoek-figuren van „Smeden” in terracotta, waarbij geen naam vermeld staat. Van Hildo Krop ook een goed gemodelleerd „Kinderkopje”.
      Van Tjipke Visser o.a. een mooie bronzen „Pinguin” met ander metaal ingelegd en een in karakter expressief uitgebeelde „Wilde Kalkoen” in „wit faïence”. De zeldzaam mooie ivoren „Pelikaan” van Altorf, dien we voor kort op „Voor de Kunst” mochten bewonderen, is hier ook weer te genieten. Konden we ook de echte Mendes da Costa er zien inplaats van de hem in zijn vroeger werk van verre navolgende Van den Hoef, wiens „Loopend Kindje” en „Oud Vrouwtje” wel aardigs hebben, maar wiens beschilderd aardewerk ook op de Jaarbeurs in de aardewerkfabriek „Holland” al genoeg te zien is. Een nieuwe beeldhouweres ontdekken we hier in Anne Brandts Buys-van Zijp, die verschijnt met eenige kleinere stukken: „Chinoiserie”, een zich uitrekkende kat, in wit faïence, een klein „katje” met de tong uit den bek in zwart faïence, een vrouwenkop in hout: „la Severa”, en het meest karakteristiek: het „Phoenixhaantje” in brons. Verder een grooter relief-ontwerp in gips „Contemplatie”, een vrouw aan den voet van een kastanjeboom, ter uitvoering in eiken- of djati-hout. Uit haar werk spreekt een zich kunnen verdiepen in aandachtige aanschouwing en gevoel voor de bewogen en expressieve lijn. Meer realistisch zijn de „Ezelskoppen” in geglazuurd aardewerk van Henriëtte Vaillant. Een bronzen vrouwefiguurtje met een spiegel is er van Chris Agterberg en dan onder het grooter bronswerk is Toon Dupuis van ’t meeste belang door zijn aan een romeinsche buste herinnerend „portret van Albert Vogel”. Van hem ook „Mijnwerkers” en een „Vrouwenkop”, terwijl Willem Brouwer weer op geheel andere wijze dan Hildo Krop een versierend architectuur ornement geeft in zijn terra-cotta „Baviaan”.