Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 85/Nummer 284/Avondblad/Limburgsche schilders

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Limburgsche schilders
Auteur(s) Anoniem
Datum Vrijdag 12 oktober 1928
Titel Limburgsche schilders. Tentoonstelling te Roermond
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 85, 284
Editie, pg Avondblad, B, 1
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Limburgsche schilders.

Tentoonstelling te Roermond.

      §Verleden jaar ook in het begin van October, werd in dezelfde Julianazaal te Roermond de eerste tentoonstelling gehouden van het werk van Limburgsche schilders. Men vindt hierover een uitvoerig verslag in ons nummer van 4 October 1927 (Avondblad B). Wij wezen er toen op, dat er naast uitstekende inzendingen, nog al wat minderwaardige te zien waren, doch dat leek bij een provinciale onderneming, waar natuurlijk vele persoonlijke gevoeligheden ontzien moeten worden onvermijdelijk De mogelijkheid scheen niet uitgesloten, dat op deze tweede expositie de mindere goden gebannen zouden worden, waardoor dan tevens de wanden niet weer zoo overladen zouden zijn. Het tegendeel te gebeurd. Geen enkele der eerste en tweede-rangschilders hebben ingezonden – hun plaatsen zijn ingenomen door amateurs, die van kunst, zelfs van techniek niet het geringste begrip hebben.
      Er is niets van Eug. Lücker, niets van Jules Brouwers, niets van Jellinger en van Rulkens niets van belang. Hölscher heeft de belofte van verleden jaar niet gehouden. Hollman is verzwakt.
      De eenige, die blijk geeft althans de techniek van het schilderen grondig te kennen is H. van den Avoort. Zijn portret van een violist is niet diep en niet artistiek, maar een degelijk bekwaam stuk werk. Ook het portret van Ansje is wel goed en in het gezicht op de Sambre te Landelier, dat vaag aan De Bock herinnert, is de diepte van het tafereel en de uitbeelding van het stille water te roemen. Voorts noemen wij „Achterbuurt” van Jeanne M. Groenendaal en het „Vikingschip” van Chr. Hollmann, dat goed van compositie en van kleur is. J. van Kooy vertoont ook wel aardige landschappen, die door hun colorlet aanspreken. P. Windhausen staat tenminste op de hoogte van zijn tijd. Zijn naaktstudie, met een harden borstel in O.-I. inkt gedoopt uitgewerkt, is respectabel werk en de kinderportretjes, van moderne allure, zijn verdienstelijk. Niet fijn en gevoelig maar althans genietbaar is J. H. Habets in zijn studies der groot-industrie en J. van de Laar in zijn bloemstukken. L. Rulkens is, zooate wij reeds zelden, beneden zijn inzendingen van het vorige jaar gebleven. Noemt men nu nog J. Berends waarvan hier nagelaten pastels hangen en Marc Syben, dien wij er evenwel van verdenken naar foto’s te werken, dan meenen wij niemand te hebben vergeten, die naar den clementsten standaard, nog aanspraak op vermelding heeft.
      Het merendeel der inzendingen zijn prullen, waarvoor een amateur met eenig artistiek gevoel zich zou schamen. Meer nog: wij wisten niet, dat er zelfs in de meest afgelegen provincieuithoeken zulke dwaze dingen werden gemaakt. Het was een droevige openbaring.
      Laten wij onder de weinige specimina van meubelkunst een mooie dressoir in wortelnotenhout van de firma E. Raymann & Zn., te Roermond niet vergeten.