Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 85/Nummer 75/Ochtendblad/Kinderstudie

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Kinderstudie. Lezing van prof. Kohnstamm’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, donderdag 15 maart 1928, Ochtendblad, B, p. 3. Publiek domein in de EU.
[ Ochtendblad, B, 3 ]

Kinderstudie.

Lezing van prof. Kohnstamm.

 Gisteravond heeft prof. dr. Ph. Kohnstamm voor de stichtting voor Kinderstudie in de aula van de H.B.S. aan den Nieuwe Duinlaan te ’s-Gravenhage een voordracht gehouden over het onderwerp: Nieuwe stroomingen in de kinderpsychologie.
 Nadat prof. mr. G. A. van Poelje de vergadering had geopend met een woord van welkom, kreeg prof. Kohnstamm het woord.
 Spr. herinnerde eraan, dat prof. Stern een overgang heeft doorgemaakt van de associatie-psychologie naar de personalistische. Hij staat daarin niet alleen, neen, overal in Engeland, Duitschland, Amerika en in sommige opzichten ook in Zwitserland en Oostenrijk, is deze kentering merkbaar, een kentering in een der fundamenteele wetenschappen, zooals niet dikwijls een generatie die meemaakt.
 Sinds Locke stond de psychologie op het standpunt, dat de enkelvoudigheid (simpele ideas) voorafgaat aan de complexen (complex ideas) en dat de enkelvoudige waarnemingen samengroeien tot complexen, geluiden, tonen tot harmonieën bijv.
 In Locke’s voetstappen, trachtte Hume de wetten op te sporen volgens welke deze groei, deze samensmelting verloopt. Daarbij ging men, evenals in de physica, uit van de gedachte dat het geheel ontstaat door samenvoeging van enkelvoudige deelen, waarbij het optreden van iets nieuws natuurlijk is uitgesloten, omdat dezelfde onveranderlijke grondstructuur in verschillende vormen telkens weer optreedt. Dit standpunt is in de laatste kwarteeuw niet bestand gebleken tegen het onderzoek. Verschillende personen hebben daaraan meegewerkt, wier opvattingen weleens strijdig met elkaar schenen, waarbij de gelijke hoofdgedachte op den achtergrond werd gedrongen. Enkele der richtingen noemende, wees spr. in de eerste plaats op de Würzburgerschool, die de wils- en de denkverschijnselen het eerst stelselmatig is gaan onderzoeken om te laten zien, dat de wil niet uit de psychologie is te verbannen, dat in het wilsbesluit een diepere laag van de persoonlijkheid tot uiting komt, die niet door associatie van enkelvoudige waarnemingen is weer te geven.
 Het vraagstuk van de instincten is veel minder in Duitschland dan in Amerika en Engeland tot zijn recht gekomen. Wij krijgen daarbij proefnemingen met dieren die bewijzen, dat het instinct niet door eenvoudige associatie is te verklaren.
 Daarnaast kent men de dieptepsychologie en de Individualpsychologie van Freud, Jung, Adler e. a., die leert, dat onbewust indrukken van zeer lang geleden, hun invloed doen gelden. De Gestaltspsychologen als o.a. Lewin, zijn tot de conclusie gekomen, langs weer een anderen weg, dat het geheel niet tot stand is gekomen door eenvoudige additie; zij zijn het ook, die ontkend hebben, dat de deelen er zijn vóór het geheel, volgens hen beheerscht het geheel de deelen. Van geheel anderen kant is Spranger tot dezelfde conclusie gekomen.
 Het is jammer, dat deze menschen, die aan hetzelfde groote werk arbeiden, elkaar zoo weinig begrijpen en elkaar zoo dikwijls bestrijden. Zij allen toch — ook de behavioristen in Amerika en de Fransche psychologen — stellen de totaliteit op den voorgrond.
 De vraag is nu: wat hebben wij eraan voor de psychologie van het kind?
 Lewin stelt in een der weinige werkjes, die van zijn hand afzonderlijk zijn verschenen, de oude elementenpsychologie scherp tegenover de moderne psychologie, erop wijzend dat de eerstet zocht naar de laatste, niet meer te analyseeren elementen. Montessori bijv. nog leert de kinderen bij het schrijven de elementen en verwacht, dat daaruit dan op een gegeven moment de synthese tevoorschijn komt.
 Proeven evenwel hebben aangetoond, dat een proefpersoon, aan wie de deelen van een geanalyseerde complexe beweging waren geleerd in de volgorde waarin zij worden uitgevoerd, niet begreep wat deze deelen te maken hadden met de complexe beweging, toen die van haar verlang werd. In het onderwijs in lezen bijv. wordt thans daarmee rekening gehouden. De Fransche psycholoog Décroly begint niet meer met afzonderlijke letters, maar met een zin, ja met een heele situatie.
 In ons land heeft men in het leesonderwijs intuïtief reeds lang het elementenstandpunt verlaten.
 Uit het feit, dat het geheel de deelen beheerscht volgt, dat men bij kinderen er vooral aan moet denken, dat wanneer twee hetzelfde doen, dit niet hetzelfde is en zelfs dat het niet hetzelfde is als dezelfde persoon dezelfde dingen doen.
 De „Einbettung” van een handeling, d.w.z. de omstandigheden, de sfeer, waarin een handeling geschiedt, is volgens Lewin beslissend voor de wijze waarop ze wordt uitgevoerd. Daardoor wijkt de reactie van het kind sterk af van de veel meer gerationaliseerde houding van den volwassene. De assistente van prof. Stern heeft proeven dienaangaande genomen met kinderteekeningen. Zij liet kinderen een aantal voorbeelden nateekenen en observeerde daarbij niet alleen het product dat voor den dag kwam, maar ook de wijze waarop het tot stand kwam en de houding der kinderen daarbij.
 Haar voorbeelden waren zeer eenvoudig maar het bleek al aanstonds, dat het kind ze geheel anders bekeek dan een volwassene zou doen; het abstrakeerde veel minder, analyseerde niet, maar reageerde er veel meer op met de geheele persoon, met het gevolg, dat er teekening envoor den dag kwamen, die heel weinig op de voorbeelden geleken.
 Een eenvoudig vierkant werd door de kinderen een tafel, een boek, een brief, een kijkgat, „so ’n Rundes” genoemd. Op het kind maakte het vierkant den indruk van een gesloten geheel en dat gaf het weer op eigen wijze, bijv. door een kring, ofschoon het technisch volkomen in staat was een vierkant te teekenen.
 Vestigde men de aandacht op de hoeken, dan was het resultaat dikwijls, dat de figgur geheel uit het gezichtepunt van den hoek werd bekeken en een figuur met verschillende hoeken te voorschijn kwam. Hoewel geometrisch beschouwd de weergaver van het voorbeeld geheel fout is, zij is niet onlogisch, omdat het kind teekent wat het in het voorbeeld ziet, waarbij zooals bleek uit het plotseling overgaan van de eene zienswijze tot de andere, de opvatting uiterst labiel is; het eene oogenblik is een eenvoudige figuur van twee strepen een zwaar, het andere is het een cijfer éen geworden. Ook het feit, dat hoeken bijv. een indruk van iets stekends, iets vijandigs maken kunnen op kinderen waarop zij reageeren, door die hoeken bij het teekenen bijna in het papier geboord worden, blijkt, dat het kind weergeeft den indruk, de emotie, die het ondervindt.
 Een andere proef werd genomen door kinderen bij elkaar hoorende woorden te zeggen, bijv.: locomotiefmachinist. Daarna zeide men: rijtuig en liet het kind het bijbehoorende woord noemen naar analogie van het eerstgenoemde stel van twee woorden. Het kind zou natuurlijk „koetsier” moeten zeggen, maar een jongetje zeide: paard. omdat een paard ook „vorne geht und so ’rum guckt”. Tal van dergelijke analogieproeven zijn genomen, waaruit de wijze waarop het kind reageert, bleek.
 Door voortgaande differentiatie verrijkt de opvoeding het zieleleven, het kind leeren zien en denken, maar men mag daarbij niet vergeten, dat deze differentieering en rationaliseering een nuchterheid, een verarming teweeg brengen.
 Het zien, het aanpakken der dingen uit de totaliteit verdwijnt, maar niet geheel; ook bij volwassenen komt het denken uit de totaliteit, het intuitieve gedrag, voor. Evenwel hoe sterker wij leven in de analyse, hoe meer wij loskomen uit de totaliteit, zooals Darwin, die klaagde dat hij de schoonheid van een bosch niet meer kan waardeeren. Het zijn vooral de school en de taal, die in die richting sturen. Prof. K. H. Bouman heeft op deze achteruitgang van den totaliteitsindruk door de school gewezen aan de hand van het voorbeeld van een zeer achterlijk kind, dat buitengewoon fijne teekeningen maakte, zeer verwant van primitieve kunst, dat daarna onder invloed van het onderwijs, dat men het bij wist te brengen de artistisiteit verminderde, maar met het verdwijnen van den schoolinvloed de artistiviteit terugkreeg.
 Spr. concludeerde, dat het voor den opvoeder goed is niet aan de psychologie voorbij te gaan; de psychologie en de paedagogiek behooren tot de voortdurende studie van den beroepsopvoeder, maar kan ook voor anderen, met name voor ouders, een bron van inzicht en rijkdom zijn. En veel meer dan tot nu toe moet de school worden gepsychologiseerd, het onderwijs in overeenstemming worden gebracht met de ziel van het kind. Op het oogenblik zondigen wij in het Nederlandsche onderwijs nog ernstig tegen den eisch, dat het moet aansluiten aan het gedachteleven van het kind.
 Prof. van Poelje sprak een slotwoord.


Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (15 maart 1928) ‘Prof. Kohnstamm’s kinderstudie’, De Maasbode, Avondblad, derde blad, p. 3.
  • Anoniem (15 maart 1928) ‘Vraagstuk van de instincten’, De Avondpost, Ochtendblad, [p. 2].