Nieuwe Venlosche Courant/Jaargang 69/Nummer 45/De meesters van den scherpe zwaarde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De meesters van den scherpe zwaarde
Auteur(s) A.F. van Beurden
Datum Maandag 23 februari 1931
Titel De meesters van den scherpe zwaarde
Krant Nieuwe Venlosche Courant
Jg, nr 69, 45
Editie, pg [Dag], tweede blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

DE MEESTERS VAN DEN SCHERPE ZWAARDE.

door A. F. VAN BEURDEN.

      In 1582 op 26 Mei besloot de hoogwijze Raad van Roermond, Mr. Hans, als scherprechter aan te stellen, om de justitie te dienen. Hij zou als vergoeding van Zijne Koninklijke Majesteit van Spanje krijgen een nieuwen mantel en 50 dahlder van 30 stuivers. Van de stad 25 gulden. Zijn tarief luidde: van iemand van ’t leven tot den dood te brengen binnen de stad, dat wil zeggen op den Galgenheuvel achter de kapel. 2 daalder, van iemand den strop om te doen, het vonnis voor te lezen of het zwaard over het hoofd te zwaaien, om te laten zien, dat de delinquent den dood verdiend had, één daalder.
      Hij kon, als hij buiten de stad werkte, dubbel geld rekenen, zijn onkosten van hem en zijn helpers opgeven, waaronder een flesch wijn en dan nog een daalder daags loon apart. Hij kreeg in zijn huis een bed met toebehooren, ieder jaar een voeder kolen.
      Van iedere groote voer schansen voor de bakkers kreeg hij er twee, van een kar één. Ook mocht hij uit iederen korf eieren op de Markt twee of een ei nemen, naar gelang het aantal. Hij moest ook de Koeschans nazien.
      In 1590 werd nog eens een accoord over de betaling gemaakt.
      Mr. Hans had jaren gefungeerd en werd het moe. Hij had ook een herberg en vond dat een geruster vak.
      In 1601 stelde de Raad een nieuwe beul aan, genaamd Aaret Jongman Geritzoin van Heitzum op 25 gulden enz. De scherprechter werd in 1623 ook gebruikt, om de melaatschen, die op andere dagen rondgaan om giften dan de vastgestelde, de stad uit te leiden.
      De beul moest ook de kwaadsprekende, veroordeelde vrouwen, de twee schandsteenen omhangen en door den Gasthuispoel jagen; ook de valschmunters een brandmerk op de wang geven en de verdachten pijnigen.
      Voor het Overkwartier van Gelre, waartoe o.a. Roermond als hoofdstad, Venlo, Gelder enz. behoorden, had men omstreeks 1600 een bijzondere scherprechter, Mr. Daniël Schmids. Deze ging naar Gelder voor de executie van een misdadiger, maar deze mislukte hem. Toen heeft het publiek „hem als een rasenden doller hundt ter dodt gesteinigt: ermordet en om das leben gebracht.” Daarna werd een ander benoemd.
      In 1604 moest de Roermondsche scherprechter naar Venlo, omdat men hem daar noodig had. Hij stelde daarvan eene behoorlijke rekening op, die klonk als een klok.
      In 1732 was scherprechter te Roermond Joannes Georgius Döring, gehuwd met Odilia Thelmaes.
      Het huis van den scherprechter Christoffel Döring, gehuwd met Husanna Porset, was in 1791 ingevallen; het zal door de stad verbouwd worden. Zijne dochter Anna Catharina huwde op 5 September 1792 Johannes David Held, scherprechterszoon, geboortig en wonende te Gulick.

      In de oude tijden waren de scherprechters ook heelmeesters.
      In Danzig werd in 1641 den uitvoerder der scherpe justitie vergund, verrekte ledematen en een te zetten. Een ander kon de geheele medicinale praktijk waarnemen. Maar spoedig zag men in, dat dit verkeerd was en herriep men het verlof.
      Pest, veeziekten en andere plagen schreef men op vele plaatsen aan de booze hand toe; in 1609 woedde in Kamenz in de Laustiz de besmettelijke ziekte onder het vee.
      De beul was ook vilder of vellenblooter en men beschuldigde hem, dat hij het vee behekst had, om maar veel vellen te krijgen. Men greep hem vast, legde hem op de pijnbank en om aan de pijniging te ontkomen, bekende hij het vee betooverd te hebben. Daarmede maakte hij het nog erger, want nu werd hij op de Markt onthoofd.
      De beulen hadden soms veel werk. In 1403 waren in Hamburg de Störtenbekersche zeeroovers gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Er waren er zooveel, dat de beul tot zijn enkels in het bloed waadde. Een der rechters zei hem, dat hij wel moe zou zijn van al dat hakken, waarop hij spottend antwoordde, dat hij den geheelen hoogwijzen raad, zooals hij daar zat, nog wel een kopje kleiner zou kunnen maken. Die uitdrukking werd hem door den Raad zeer euvel geduid en hij moest ze terugnemen.
      Van 1622 tot 1639 had Hamburg een weekhartig man als beul, die het baantje van zijn vader geërfd had. Hij moest zekeren Körner, om een geheel te vergeven vergrijp het hoofd afslaan. Zijne hand weifelde en hij moest drie maal slaan, eer Körner dood was. Toen wierp hij het zwaard weg en vluchtte. Maar het volk was daarover zóó verbitterd, dat hij ternauwernood aan den dood ontkwam. Hij vestigde zich toen als heelmeester in een voorstad en werd een algemeen geacht burger.
      De Hamburger beul Max Grave, die daar van 1621 tot 1621 werkte, vatte zijn taak anders op en vermaakte de slachtoffers bij hun rit naar de Gerechtsplaats met allerlei grappen, die door ’t volk werden overgenomen, wat bij sommigen echter niet goed insloeg.
      Nu nog iets over het galgenmaal.
      De veroordeelde had het recht, enkele uren vóór hij naar den galg ging of op andere wijze terecht gesteld werd, een goeden maaltijd te vragen met de noodige dranken, die hem dan ook door den scherprechter verstrekt werden. Men noemde dit maal het galgenmaal, en men zegt dit schertsenderwijze nog van een afscheidsmaal.
      De galg lag gewoonlijk aan de grens van de gemeente op een heuvel; in tal van Limburgsche gemeenten vindt men nog de benaming Galgenheuvel, Galgenberg, Galge-ven. De galg was gewoonlijk zoo ruim gemaakt, dat er zeven misdadigers tegelijk konden berecht worden. Zeven is een galg vol.
      De zwaarden ter onthoofding waren groote, lange kruiszwaarden, die met twee handen gezwaaid moesten worden.
      In sommige plaatsen hadden de beulen het recht, om den tienden ter dood veroordeelde tegen een losprijs vrij te laten, wat hun bij de vele terechtstellingen soms een aardige duit in hun kas bezorgde.
      In enkele andere streken kon men voor het bloedige handwerk alleen veroordeelden en zigeuners vinden. De tegenzin was bij de burgerij zóó groot dat men zelfs geen geld uit de hand van den beul wilde aannemen. Kocht hij iets, dan kon hij het geld op de toonbank leggen. En meestal blies men er dan nog eerst op, om de besmetting er af te werken. Inplaats van de gewone betiteling, op brieven aan den eersamen enz. schreef men „aan den geweldige” enz.
      De naam provoost-geweldige is tot op onze dagen gebleven. Het scherprechters-ambt wordt in Nederland door het vervallen der doodstraf, niet meer uitgeoefend.
      De terechtstellingen, die tot voor een driekwart eeuw in het openbaar plaats hadden, moesten den schrik onder het volk levend houden, maar werkten over het algemeen slechts afschuw.
      Slechts zelden grijpt dit lugubere schouwspel in het buitenland, waar de doodstraf nog bestaat, in het openbaar plaats.