Overeenkomst met betrekking tot de Overgangsbepalingen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Briefwisseling tussen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de regering van de Franse Republiek betreffende het Saargebied Overeenkomst met betrekking tot de Overgangsbepalingen Overzicht:Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal >

Overeenkomst met betrekking tot de Overgangsbepalingen[bewerken]

Overeenkomst

De Hoge Verdragsluitende Partijen:

Verlangend de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen bedoeld in artikel 85 van het Verdrag tot stand te brengen,

Zijn omtrent het volgende overeengekomen:

DOEL VAN DE OVEREENKOMST
§1.

1. Deze Overeenkomst, welke is opgesteld ter uitvoering van artikel 85 van het Verdrag, voorziet in de maatregelen, die nodig zijn voor de instelling van de gemeenschappelijke markt en voor de geleidelijke aanpassing van de productie aan de nieuwe omstandigheden, waarvoor zij wordt gesteld waarbij tegelijkertijd het doen verdwijnen van de onevenwichtigheden, die tengevolge van vroegere omstandigheden zijn ontstaan, wordt vergemakkelijkt.

2. Te dien einde zal het in toepassing brengen van het Verdrag in twee phasen geschieden, de z.g. voorbereidingsperiode en de z.g. overgangsperiode.

3. De voorbereidingsperiode loopt van het tijdstip van het inwerking treden van het Verdrag tot aan het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt.

In de loop van deze periode :

a. worden alle instellingen van de Gemeenschap opgericht en wordt de samenwerking tussen deze instellingen, de ondernemingen en hun verenigingen, de verenigingen van werknemers, verbruikers en handelaren georganiseerd om de Gemeenschap op een grondslag van voortdurend overleg te doen functionneren en aan alle belanghebbenden een gemeenschappelijk inzicht en wederzijdse kennis van zaken te verschaffen;
b. zullen de werkzaamheden van de Hoge Autoriteit omvatten:
  1. het verrichten van studies en het plegen van overleg;
  2. het voeren van onderhandelingen met derde landen.

De studies en het overleg hebben ten doel om het, in voortdurend contact met de Regeringen, de ondernemingen en hun verenigingen, de werknemers en de verbruikers en handelaren mogelijk te maken een algemeen inzicht te verkrijgen in de toestand van de kolenmijn- en staalindustrie in de Gemeenschap en in de vraagstukken die uit deze toestand voortvloeien, alsmede om het mogelijk te maken de concreto maatregelen, die moeten worden genomen om deze vraagstukken in de overgangsperiode aan te vatten, voor te bereiden.

De onderhandelingen mot derde landen hebben ten doel :

  • enerzijds, het leggen van grondslagen voor een samenwerking tussen de Gemeenschap en deze landen;
  • anderzijds, het verkrijgen vôôr het opheffen van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen binnen de Gemeenschap, van de noodzakelijke vrijstelling van;
  • de meestbegungstigings clausule, in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel en van de bilaterale overeenkomsten;
  • de non-discriminatie bepaling geldende voor de vrijmaking van het handelsverkeer in het kader van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking.

4. De overgangsperiode begint op het tijdstip van de instelling van een gemeenschappelijke markt en neemt een einde na afloop van een tijdvak van 5 jaren, te rekenen van het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt voor kolen.

5. Van het tijdstip af van het in werking treden van het Verdrag, overeenkomstig het gestelde in artikel 99, zijn de bepalingen daarvan van toepassing, onder voorbehoud van de afwijkingen en onverminderd de aanvullende voorschriften voorzien in deze Overeenkomst voor het bereiken van de hierboven omschreven doelstellingen.

Behoudens de uitzonderingen, die uitdrukkelijk in deze Overeenkomst zijn vermeld, houden deze afwijkingen en aanvullende voorschriften benevens de maatregelen ter uitvoering daarvan, op van toepassing te zijn na afloop van de overgangsperiode.

EERSTE DEEL
Het in toepassing brengen van het Verdrag
[bewerken]

HOOFDSTUK I
oprichting van de instellingen van de gemeenschap
[bewerken]

De Hoge Autoriteit
§2.

1. De Hoge Autoriteit treedt in functie op het tijdstip van de benoeming harer leden.

2. Met het oog op de taak die haar is opgedragen in § 1 van deze Overeenkomst, verricht zij onverwijld de werkzaamheden met betrekking tot het verzamelen van gegevens en het verrichten van studies, welke haar door het Verdrag zijn toevertrouwd, zulks met inachtneming van de bepalingen en met gebruikmaking van de bevoegdheden, vastgesteld in de artikelen 46, 47, 48 en 54, derde alinea. Van het tijdstip van de aanvang harer werkzaamheden af, zullen de Regeringen haar overeenkomstig artikel 67 mededeling doen van iedere maatregel, die een wijziging van de concurrentieverhoudingen kan teweeg brengen en, overeenkomstig artikel 75, van bepalingen betreffende kolen en staal in handelsovereenkomsten of regelingen met een soortgelijke strekking.

Zij stelt op grond van de ontvangen inlichtingen over de uitrustingen en de programma's, bet tijdstip vast waarop de bepalingen van artikel 54, die niet zijn bedoeld in de voorgaande alinea, van toepassing zullen worden; zowel ten aanzien van de investeringsprogramma's als ten aanzien van de op dat tijdstip in uitvoering zijnde plannen. Van de toepassing van de voorlaatste alinea van genoemd artikel zijn echter uitgezonderd de plannen, voor welker uitvoeringde bestellingen vóór 1 Maart 1951 zijn geplaatst.

Zij oefent voor zover zulks nodig is van het tijdstip van haar ambtsaanvaarding af, in overleg met de Regeringen, de bevoegdheden uit, welke zijn voorzien in het derde lid van artikel 59.

Zij verricht de andere werkzaamheden, die haar door het Verdrag zijn toevertrouwd, niet vóór het tijdstip, waarop voor elk der desbetreffende producten de overgangsperiode een aanvang neemt.

3. Op de hierboven bedoelde tijdstippen doet de Hoge Autoriteit aan de deelnemende Staten mededeling van elk der werkzaamheden, die zij in staat is op zich te nemen. Tot op het tijdstip van deze mededeling blijven de deelnemende Staten de overeenkomstige bevoegdheden uitoefenen.

Echter zal er, van een door de Hoge Autoriteit na haar ambtsaanvaarding vastgesteld tijdstip af, overleg tussen haar en deze Staten plaatsvinden, vóór het uitvaardigen van enigerlei wettelijke bepaling of uitvoeringsvoorschrift, welke zij voornemens zijn te treffen met betrekking tot de vraagstukken ten aanzien waarvan het Verdrag de Hoge Autoriteit bevoegd verklaart.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 67 met betrekking tot het gevolg van nieuwe maatregelen zal de Hoge Autoriteit met de belanghebbende Regeringen een onderzoek instellen naar de uitwerking op de kolenmijn- en staalindustrie van de bestaande wettelijke bepalingen en uitvoeringsvoorschriften, met name van de prijsvaststelling van de bijproducten, die niet aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, alsmede van de bij overeenkomst vastgestelde regelingen terzake van de sociale zekerheid, voorzover de gevolgen daarvan met die van uitvoeringsvoorsehriften terzake kunnen worden gelijkgesteld. Indien zij van oordeel is, dat bepaalde voorschriften, hetzij door het enkele feit van hun bestaan, hetzij door het feit, dat terzake ongelijkheid bestaat tussen twee of meer deelnemende Staten, kunnen leiden tot een ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen in de kolenmijn- of staalindustrie, hetzij op de markt van het betrokken land, hetzij op de rest van de gemeenschappelijke markt, hetzij op de uitvoermarkten, zal zij, na overleg met de Raad, aan de belanghebbende Regeringen voorstellen doen tot het treffen van zodanige maatregelen, als zij geschikt acht voor het verbeteren van zodanige voorschriften of voor het vereffenen van de gevolgen ervan.

5. Teneinde in staat te zijn haar optreden te funderen op grondslagen die onafhankelijk zijn van de verschillende gebruiken der ondernemingen, zal de Hoge Autoriteit in overleg met de Regeringen, de ondernemingen en hun verenigingen, de werknemers en de verbruikers en handelaren nagaan door middel van welke methode het mogelijk zal zijn om vergelijkbaar te maken:

  • de prijsgradaties voor de verschillende qualiteiten ten opzichte van de gemiddelde prijs der producten of voor de opeenvolgende stadia van bewerking de producten;
  • de berekeningswijze van de afschrijvingen.

6'. Gedurende de voorbereidingsperiode zal de belangrijkste taak van de Hoge Autoriteit bestaan uit het in verbinding treden met de ondernemingen, hun verenigingen, de verenigingen van werknemers en van verbruikers en handelaren teneinde concrete kennis te verkrijgen, zowel van de toestand van het geheel, als van de bijzondere omstandigheden in de Gemeenschap.

Met behulp van de gegevens, die zij verkrijgt ten aanzien van de markten, de voorziening, de productie-omstandigheden der ondernemingen, het levenspeil van de werknemers en de moderniseringsen uitrustingsprogramma's, zal zij in samenwerking met alle belanghebbenden, teneinde een leidraad te geven voor hun gemeenschappelijk optreden, eén algemeen overzicht van de toestand van de Gemeenschap opstellen.

Op grond van dit overleg en deze kennis van het geheel zullen de noodzakelijke maatregelen voor de instelling van de gemeenschappelijke markt en voor het vergemakkelijken van de aanpassing der productie worden voorbereid.

De Raad
§3.

De Raad komt bijeen in de maand volgende op die, waarin de Hoge Autoriteit in functie treedt.

Het Raadgevend Comite
§4.

Met het oog op de instelling van het Raadgevend Comité, overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag, verstrekken de Regeringen aan de Hoge Autoriteit na haar ambtsaanvaarding alle inlichtingen over de positie van de organisaties van producenten, van werknemers en van verbruikers, die in elk land bestaan voor kolen enerzijds en voor staal anderzijds, met name over de samenstelling, het geografische werkterrein, de statuten, de bevoegdheden en de rol van deze organisaties.

Op basis van de aldus verzamelde inlichtingen zal de Hoge Autoriteit, binnen twee maanden na haar ambtsaanvaarding, de Raad verzoeken een beslissing te nemen tot het aanwijzen van de organisaties van producenten en van werknemers, die belast zullen worden met het voordragen van de candidaten

Het Raadgevend Comité moet worden ingesteld in de maand volgende op deze beslissing.

Het Hof
§5.

Het Hof treedt in functie op het tijdstip van de benoeming van zijn leden. De benoeming van de Voorzitter geschiedt voor de eerste maal op dezelfde wijze als die van de Voorzitter van de Hoge Autoriteit.

Binnen een termijn van ten hoogste drie maanden stelt het Hof een reglement voor de procesvoering vast.

Beroep kan eerst worden ingesteld van het tijdstip van het openbaar maken van dit reglement af. De oplegging van dwangsommen en de inning van boeten zullen tot aan dat tijdstip worden opgeschort.

De termijnen voor het instellen van beroep beginnen eerst te lopen van dit zelfde tijdstip af.

De Vergadering
§6.

De Vergadering komt een maand na het tijdstip van de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit bijeen op uitnodiging van de voorzitter van deze instelling, teneinde haar bureau te kiezen en haar reglement van orde vast te stellen. Tot aan de verkiezing van het bureau zal zij worden voorgezeten door de oudste in jaren.

Zij zal vijf maanden na het tijdstip van de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit een tweede zitting houden om kennis te nemen van een uiteenzetting over de algemene toestand van de Gemeenschap vergezeld van de eerste begroting.

Financiële en administratieve bepalingen
§7.

1. Het eerste boekjaar loopt van het tijdstip van de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit tot 30 Juni van het volgende jaar.

2. De heffing voorzien in artikel 50 van het Verdrag kan worden geïnd van het vaststellen van de eerste begroting af. Als overgangsmaatregel en met het doel om de eerste administratieve onkosten te dekken verstrekken de deelnemende Staten terugvorderbare renteloze voorschotten, naar rato van hun bijdragen aan de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking.

3. In afwachting van het feit, dat de Commissie, voorzien in artikel 78 van het Verdrag, het aantal functionarissen en hun status heeft vastgesteld, wordt het noodzakelijke personeel op arbeidsovereenkomst aangenomen.

HOOFDSTUK II
instelling van de gemeenschappelijke markt
[bewerken]

§8.

De instelling van de gemeenschappelijke markt, voorbereid door het oprichten van alle instellingen van de Gemeenschap, door het overleg tussen de Hoge Autoriteit, de Regeringen, de ondernemingen en hun verenigingen, de werknemers en de verbruikers, en door het algemene overzicht van de toestand van de Gemeenschap, zoals die zal blijken uit de aldus verzamelde gegevens, zal voortvloeien uit de maatregelen ter toepassing van artikel 4 van het Verdrag.

Deze maatregelen worden van kracht, onverminderd de bijzondere bepalingen voorzien in deze Overeenkomst:

a. wat betreft kolen: zodra de Hoge Autoriteit heeft bekend gemaakt, dat de voorzieningen voor de prijsaanpassing, bedoeld in het derde deel — Hoofdstuk II van deze Overeenkomst — zijn getroffen;
b. wat betreft ijzererts en schroot op hetzelfde tijdstip als voor kolen geldt;
c. wat betreft staal, twe maanden na het hierboven voorziene tijdstip.

De voorzieningen voor de prijsaanpassing voor kolen, in overeenstemming met de bepalingen van het derde deel van deze Overeenkomst, moeten worden getroffen binnen een termijn van zes maanden na de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit.

Voor het geval dat verlenging van de termijnen nodig mocht zijn, wordt deze bepaald door de Raad op voorstel van de Hoge Autoriteit.

Opheffing van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen
§9.

Onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van deze Overeenkomst zullen de deelnemende Staten op de tijdstippen vastgesteld voor de instelling van de gemeenschappelijke markt, overeenkomstig de bepalingen van § 8 voor kolen, ijzererts en schroot enerzijds en voor staal anderzijds, alle in- en uitvoerrechten of heffingen met daaraan gelijke werking en alle kwantitatieve beperkingen op het verkeer van kolen en staal binnen de Gemeenschap opheffen.

Vervoer
§10.

Een Commissie van door de Regeringen der deelnemende Staten aangewezen deskundigen wordt door de Hoge Autoriteit onverwijld samengeroepen en door haar belast met het bestuderen van de aan de Regeringen met betrekking tot het vervoer van kolen en staal voor te stellen voorschriften voor het bereiken van de doelstellingen omschreven in artikel 70 van het Verdrag.

De onderhandelingen, welke nodig zijn voor het bereiken van een overeenkomst tussen de Regeringen over de verschillende voorgestelde maatregelen zullen, onverminderd de bepalingen van de laatste alinea van artikel 70, een aanvang nemen op initiatief van de Hoge Autoriteit, die eveneens het initiatief neemt tot de eventueel noodzakelijke onderhandelingen met belanghebbende derde Staten.

De maatregelen welke door de Commissie van deskundigen moeten worden bestudeerd zijn de volgende:

  1. Opheffing van de discriminaties welke in strijd zijn met het bepaalde in de tweede alinea van artikel 70;
  2. Instelling voor het vervoer binnen de Gemeenschap van directe internationale tarieven, waarbij rekening wordt gehouden met de totale afstand en welke een degressief karakter dragen, zonder dat vooruitgelopen wordt op de verdeling der opbrengsten tussen de belanghebbende vervoersondernemingen;
  3. Een onderzoek bij de verschillende takken van vervoer naar de vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden van welke aard dan ook, welke voor het vervoer van kolen en staal worden toegepast, met het oogmerk om een harmonisatie daarvan in het kader van de Gemeenschap te verwezenlijken, en voorzover dit noodzakelijk is voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt, daarbij rekening houdende o.a. met de kostprijs van het vervoer.

De Commissie van deskundigen zal voor deze studies ten hoogste over de volgende termijnen beschikken:

  • drie maanden voor de maatregelen bedoeld onder 1°;
  • twee jaren voor de maatregelen bedoeld onder 2° en 3°.

De maatregelen bedoeld onder 1° zullen op zijn laatst bij de instelling van de gemeenschappelijke markt voor kolen van kracht worden.

De maatrelegen bedoeld onder 2° en 3° zullen gelijktijdig van kracht worden, zodra overeenstemming tussen de Regeringen is bereikt. Indien echter twee en een half jaar na het instellen van de Hoge Autoriteit geen overeenstemming tussen de Regeringen der deelnemende Staten over de onder 3° bedoelde maatregelen zou zijn bereikt, treden op een door de Hoge Autoriteit vastgesteld tijdstip de maatregelen bedoeld onder 2° alleen in werking. In dat geval zal de Hoge Autoriteit op voorstel van de Commissie van deskundigen de aanbevelingen doen, die zij nodig acht, teneinde ernstige verstoringen op het gebied van het vervoer te voorkomen.

De vervoertaricvcn bedoeld in de vierde alinea van artikel 70, welke van kraft zijn bij de instelling van de Hoge Autoriteit, zullen te harer kennis worden gebracht; deze zal voor de eventuele wijziging de noodzakelijke termijnen toestaan, teneinde elke ernstige economische verstoring te voorkomen.

De Commissie van deskundigen zal een onderzoek instellen naar on voorstellen aan de belanghebbende Regeringen doen voor de afwijkingen van de hierboven omschreven maatregelen en beginselen, welke aan de Luxemburgse Regering zullen worden toegestaan, teneinde rekening te houden met de bijzondere positie van de Luxemburgse spoorwegen.

De belanghebbende Regeringen zullen, na overleg met de Commissie van deskundigen, de Luxemburgse Regering machtigen om voorzover deze bijzondere positie dit nodig maakt de aanvaarde regeling in de definitieve periode te blijven toepassen.

Zolang geen overeenstemming over de maatregelen voorzien in de voorgaande alinea's tussen de belanghebbende Regeringen is bereikt, is de Luxemburgse Regering gemachtigd om de beginselen, omschreven in artikel 70 van het Verdrag en in de onderhavige paragraaf, niet toe te passen.

Subsidies, directe of indirecte hulp, bijzondere lasten
§11.

De Regeringen der deelnemende Staten doen aan de Hoge Autoriteit na haar ambtsaanvaarding mededeling van de hulp en subsidies van welke aard dan ook, die ten goede komen aan de kolenmijn- en staalindustrie in hun landen of van de bijzondere lasten, die aan haar zijn opgelegd. Behoudens toestemming van de Hoge Autoriteit ten aanzien van het handhaven van genoemde hulp, subsidies of bijzondere lasten en de voorwaarden, waaraan dit handhaven is onderworpen, moeten zij ophouden op de tijdstippen en onder de voorwaarden, die worden vastgesteld door de Hoge Autoriteit, na raadpleging van de Raad, zonder dat dit verplicht kan worden gesteld vóór het tijdstip van het begin van de overgangsperiode voor de desbetreffende producten.

Afspraken en monopolistische organisaties
§12.

Alle gegevens over de afspraken of organisaties, bedoeld in artikel 65, moeten ter kennis worden gebracht van de Hoge Autoriteit overeenkomstig de bepalingen van het derde lid van genoemd artikel.

In de gevallen, dat de Hoge Autoriteit niet de ontheffing verleent, welke is voorzien in het tweede lid van genoemd artikel, stelt zij redelijke termijnen vast na afloop waarvan de verboden, voorzien in hetzelfde artikel van kracht worden.

Teneinde de liquidatie van op grond van artikel 65 verboden organisaties te vergemakkelijken, kan de Hoge Autoriteit liquidateuren aanstellen, die tegenover haar verantwoordelijk zijn en die volgens haar instructies handelen.

Met medewerking van deze liquidateuren zal zij de vraagstukken, die zich voordoen en de te treffen maatregelen bestuderen, teneinde:

  • de meest economische wijze van verdeling en verbruik van de producten te verzekeren, met name ten aanzien van de verschillende soorten en kwaliteiten kolen;
  • in geval van vermindering van de vraag elke aantasting van de productiecapaciteit te voorkomen met name van de mijnen, welke noodzakelijk zijn voor de voorziening van de gemeenschappelijke markt in normale tijden en in tijden van hoogconjunctuur;
  • een onbillijke spreiding van de vermindering van werkgelegenheid, tengevolge van een vermindering van de vraag, over de loontrekkers te voorkomen.

Op grond van deze studies on in overeenstemming met de haar opgedragen taken stelt de Hoge Autoriteit, zonder dat het voortbestaan daarvan beperkt behoeft te blijven tot de overgangsperiode, zodanige werkwijzen of organisaties waartoe het Verdrag haar ruimte laat in, als zij geschikt acht om deze vraagstukken tot een oplossing te brengen bij de uitoefening van haar bevoegdheden met name op grond van de artikelen 53, 57, 58 en van Hoofdstuk V van de derde titel.

§13.

De bepalingen van het vijfde lid van artikel 66 zijn van toepassing van het in werking treden van het Verdrag af. Zij kunnen bovendien worden toegepast op concentratiehandelingen, welke zijn voltrokken tussen het tijdstip van ondertekening en het tijstip van in werking treden van het Verdrag, indien de Hoge Autoriteit het bewijs levert, dat deze handelingen zijn voltrokken, teneinde te ontkomen aan de toepassing van artikel 66.

Tot aan het tijdstip, dat het reglement voorzien in het eerste lid van genoemd artikel is vastgesteld, behoeven de handelingen, welke bedoeld zijn in dit lid, niet aan voorafgaande goedkeuring te worden onderworpen. De Hoge Autoriteit is niet gehouden onmiddellijk een beslissing te nemen naar aanleiding van de aanvragen tot goedkeuring, die haar worden voorgelegd.

Tot aan het tijdstip, dat het reglement voorzien in het vierde lid van hetzelfde artikel is vastgesteld, kunnen de inlichtingen, welke bedoeld zijn in dit lid, alleen van de ondernemingen, die aan de rechtsmacht van de Hoge Autoriteit zijn onderworpen overeenkomstig het bepaalde in artikel 47 worden geëist.

De reglementen voorzien in het eerste en vierde lid van artikel 66 moeten worden opgesteld binnen een termijn van vier maanden na het tijdstip van de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit.

De Hoge Autoriteit verzamelt bij de Regeringen, de verenigingen van producenten en de ondernemingen, alle gegevens, met betrekking tot de bestaande toestand in de verschillende gebieden van de Gemeenschap, welke dienstig zijn voor de toepassing van de bepalingen, vervat in het tweede en zevende lid van artikel 66.

De bepalingen van het zesde lid van artikel 66 worden toegepast al naar gelang van het in werking treden van de bepalingen, welker niet naleving zij met straf bedreigen.

De bepalingen van het zevende lid van artikel 66 zijn van toepassing van het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt af, overeenkomstig de bepalingen van § 8 van deze Overeenkomst.

TWEEDE DEEL
Betrekkingen van de Gemeenschap met derde landen
[bewerken]

HOOFDSTUK 1
onderhandelen met derde landen
[bewerken]

§14.

Terstond na de ambtsaanvaarding van de Hoge Autoriteit zullen de deelnemende Staten onderhandelingen openen met de Regeringen van derde landen, en in het bijzonder met die van Groot-Britannië, over alle economische en commerciële betrekkingen ten aanzien van kolen en staal tussen de Gemeenschap en die landen. In deze onderhandelingen zal de Hoge Autoriteit, handelend volgens instructies die door de Raad bij eenstemmige beslissing zijn vastgesteld, optreden als gemeenschappelijk lasthebber van de Regeringen der deelnemende Staten. Vertegenwoordigers der deelnemende Staten kunnen deze onderhandelingen bij-

§15.

Teneinde de deelnemende Staten alle vrijheid te laten om te onderhandelen over concessies van de zijde van derde landen, met name in ruil voor een verlaging der rechten op stilai in het kader van een harmonisatie op grondslag van de minst beschermende tarieven in de Gemeenschap, komen de deelnemende Staten met ingang van het tijdstip van instelling van de gemeenschappelijke markt voor staal het volgende overeen:

In het kader van tariefcontingenten behouden de Beneluxlanden, voor de invoeren afkomstig uit derde landen en bestemd voor hun eigen markt, het voordeel van de rechten, die zij toepassen bij het van kracht worden van het Verdrag.

Zij onderwerpen de invoeren, welke boven dit contingent uitgaan, en die kennelijk bestemd zijn voor andere landen van de Gemeenschap, aan rechten, gelijk aan het minst hoge recht, dat volgens de indeling van de Nomenclatuur van Brussel van 1950 in de andere deelnemende Staten, ten tijde van het in werking treden van het Verdrag wordt toegepast.

Het tariefcontingent wordt voor elke rubriek van het Beneluxtarief telkens voor een periode van een jaar vastgesteld, onder voorbehoud van een driemaandelijkse herziening door de Regeringen van de Beneluxlanden in overeenstemming met de Hoge Autoriteit on rekening houdend met de ontwikkeling der behoeften en van het handelsverkeer. De eerste contingenten worden vastgesteld op basis van de gemiddelde invoeren der Beneluxlanden uit derde landen gedurende een daartoe geschikte basisperiode. In voorkomend geval wordt daarbij rekening gehouden met de productie, bestemd ter vervanging van invoeren en afkomstig van nieuwe installaties, welker inbedrijfstelling wordt verwacht. De overschrijdingen die noodzakelijk zijn door onvoorziene behoeften worden onmiddellijk ter konnis gebracht van de Hoge Autoriteit. Tenzij een tijdelijke controle wordt toegepast op de leveringen der Beneluxlanden naar de andere deelnemende Staten, zal de Hoge Autoriteit overschrijdingen kunnen verbieden, wanneer zij een aanzienlijke verhoging van die leveringen vaststelt, welke uitsluitend een gevolg is van deze overschrijdingen. Het voordeel van het laagste recht wordt slechts verleend aan die importeurs in de Beneluxlanden, die zich verbinden niet naar de andere landen van de Gemeenschap te zullen wederuitvoeren.

De verplichting van de Beneluxlanden tot het instellen van een douane-contingent zal ophouden te bestaan overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomt, die de onderhandelingen met Groot-Britannië zal afsluiten en op zijn laatst na afloop van de overgangsperiode.

In het geval dat de Hoge Autoriteit na afloop van de overgangsperiode of bij een eerder plaatsvindende afschaffing van het tarief-contingent zou vaststellen, dat het gerechtvaardigd is dat één of meer deelnemende Staten ten opzichte van derde landen douane-rechten toepassen, die hoger zijn dan die, welke zouden voortvloeien uit een harmonisatie op grondslag van de minst beschermende tarieven die in de Gemeenschap worden toegepast, kan zij hen overeenkomstig de bepalingen van § 29 machtigen zelf passende maatregelen te nemen om ten opzichte van hun indirecte invoer via de deelnemende Staten met een minder hoog tarief, een gelijke bescherming te verzekeren als die, welke voortvloeit uit de toepassing van het eigon tarief op hun directe invoer.

Om de harmonisatie van de douane-tarieven te vergemakkelijken stemmen de Beneluxlanden er in toe, hun huidige tarieven op staal te verhogen in de omvang, welke door de Hoge Autoriteit na overleg met hun Regeringen noodzakelijk wordt geacht, doch ten hoogste met twee punten. Deze verplichting wordt eerst van kracht op het tijdstip, dat het tariefcontingent bedoeld in de tweede, derde en vierde alinea is afgeschaft en dat tenminste één der naburige deelnemende Staten van de Beneluxlanden afziet van de toepassing van compenserende maatregelen, als bedoeld in de voorgaande alinea.

§16.

Behoudens toestemming van de Hoge Autoriteit brengt de uit artikel 72 van het Verdrag voortvloeiende verplichting voor de deelnemende Staten het verbod met zich mede om door middel van internationale overeenkomsten de douanerechten, die gelden op het tijdstip van het in werking treden van het Verdrag, te consolideren.

Vroegere consolidaties, voortvloeiende uit bilaterale of multilaterale overeenkomsten, worden ter kennis gebracht van de Hoge Autoriteit, die zal nagaan, of het handhaven ervan verenigbaar is met een goede werking van de Gemeenschap. Zij kan in voorkomend geval aan de deelnemende Staten passende aanbevelingen doen om aan deze consolidaties een einde te maken overeenkomstig de procedure, voorzien in de desbetreffende overeenkomsten.

§17.

De handelsovereenkomsten, die nog voor langer dan een jaar na het in werking treden van het Verdrag van toepassing zijn, of die een clausule van stilzwijgende verlenging inhouden, worden ter ' kennis gebracht van de Hoge Autoriteit, die de belanghebbende deelnemende Staat passende aanbevelingen] kan doen om te bereiken, dat, in voorkomend geval, de bepalingen van deze overeenkomsten volgens de daarin vastgestelde procedure in overeenstemming worden gebracht met artikel 75.

HOOFDSTUK II
uitvoer
[bewerken]

§18.

Zolang de bepalingen van de deviezenregelingen van de verschillende deelnemende Staten met betrekking tot de deviezen die aan de exporteurs ter beschikking worden gelaten niet gelijk gemaakt zijn, zullen bijzondere maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen, dat door de opheffing van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen tussen de deelnemende Staten aan bepaalde Staten de opbrengst aan deviezen van derde landen, verkregen door uitvoeren van hun ondernemingen ontgaat.

Ter toepassing van dit beginsel verplichten de deelnemende Staten zich om aan de exporteurs van kolen en staal in het kader van de hierboven vermelde bepalingen slechts zodanige voordelen bij het gebruik van deviezen toe te staan, dat deze ten hoogste even groot zijn als die, welke worden toegestaan door de deelnemende Staat van welke het product afkomstig is.

De Hoge Autoriteit is bevoegd te waken voor het toepassen van genoemde maatregelen en daartoe aanbevelingen aan de Regeringen te doen na raadpleging van de Raad.

§19.

Indien naar het oordeel van de Hoge Autoriteit de instelling van de gemeenschappelijke markt tot gevolg heeft, dat door het vervangen van rechtstreeks uitvoeren door weder-uitvoeren een verschuiving in het handelsverkeer met derde landen optreedt, die een belangrijke schade toebrengt aan één der deelnemende Staten, kan zij op verzoek van de belanghebbende Regering aan de producenten van deze Staat voorschrijven, dat zij in hun verkoopovereenkomsten een clausule met betrekking tot de bestemming opnemen.

HOOFDSTUK III
afwijking van de meest begunstigingsclausule
[bewerken]

§20.

Ten opzichte van die landen die voordeel genieten van de mcestbegunstigingsclausulc op grond van artikel I van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel, zullen de deelnemende Staten bij de Verdragsluitende Partijen van de Overeenkomst een gemeenschappelijke actie voeren om het hiervoor genoemde artikel I niet van toepassing te doen verklaren op de bepalingen van dit Verdrag.

Zo nodig zal worden verzocht een speciale zitting van het G.A.T.T. voor dit doel bijeen te roepen.

Met de landen, die hoewel z¡j geen lid zijn van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel toch krachtens geldende bilaterale overeenkomsten voordeel genieten van de meestbegunstigingsclausule zullen, onmiddellijk na de tekening van het Verdrag onderhandelingen worden geopend. Indien de belanghebbende landen geen toestemming geven zullen de verbintenissen worden gewijzigd of opgezegd in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen.

In geval een land zou weigeren zijn toestemming te geven aan de deelnemende Staten of aan één van hen, verplichten de andere deelnemende Staten zich om daadwerkelijk hulp te verlenen, die zover kan gaan dat de met het desbetreffende land gesloten overeenkomsten door alle deelnemende Staten worden opgezegd.

HOOFDSTUK IV
vrijmaking van het handelsverkeer
[bewerken]

§21.

De deelnemende Staten van de Gemeenschap stellen vast, dat tussen hen een bijzonder douane-stelsel bestaat in de zin van artikel 5 van de Code inzake de vrijmaking van het handelsverkeer van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, zoals deze van kracht is op het tijdstip van de ondertekening van het Verdrag. Zij komen dientengevolge overeen om hiervan te zijner tijd mededeling te doen aan de Organisatie.

HOOFDSTUK V
bijzondere bepalingen
[bewerken]

§22.

Onverminderd het aflopen van de overgangsperiode wordt het handelsverkeer met betrekking tot kolen en staal tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Sowjet-Russische bezettingszone, voor zover het de Bondsrepubliek betreft, door haar Regering in overeenstemming met de Hoge Autoriteit geregeld.

DERDE DEEL
Algemene beschermingsmaatregelen
[bewerken]

HOOFDSTUK I
algemene bepalingen wederaanpassing
[bewerken]

§23.

1. Voor het geval dat de gevolgen, die de instelling van de gemeenschappelijke markt met zich mede brengt, bepaalde ondernemingen of gedeelten daarvan zouden noodzaken in de loop van de overgangsperiode, omschreven in § 1 van deze Overeenkomst, hun werkzaamheden te staken of te wijzigen, verleent de Hoge Autoriteit, op verzoek van de belanghebbende Regeringen en met inachtneming van de hieronder vastgestelde bepalingen, haar medewerking teneinde de werknemers te beveiligen tegen de nadelige gevolgen van de wederaanpassing en hun een productieve werkgelegenheid te verzekeren, terwijl zij voorts een niet-terugvorderbare hulp aan bepaalde ondernemingen kan verlenen.

2. Op verzoek van de belanghebbende Regeringen en overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 neemt de Hoge Autoriteit deel aan de bestudering van de mogelijkheden tot wedertewerkstelling· van de beschikbaar gekomen werkkrachten in de bestaande ondernemingen of door middel van het scheppen van nieuwe bedrijvigheid.

3. Zij zal overeenkomstig de voorschriften van artikel 54 de financiering vergemakkelijken van de door de belanghebbende Regering voorgelegde en door de Hoge Autoriteit goedgekeurde programma's, die voorzien in de omschakeling van ondernemingen of in het scheppen van nieuwe gezonde economische bedrijvigheid, die een productieve tewerkstelling aan de beschikbaar gekomen werkkrachten kan verzekeren, hetzij in de industrieën welke aan haar rechtsmacht zijn onderworpen, hetzij met instemming van de Raad in enige andere industrie. Onder voorbehoud van een gunstig advies van de belanghebbende Regering zal de Hoge Autoriteit deze faciliteiten bij voorkeur verlenen aan de programma's, die zijn voorgelegd door de ondernemingen, die tengevolge van de instelling van de gemeenschappelijke markt hun werkzaamheden hebben moeten staken.

4. De Hoge Autoriteit zal een niet-terugvorderbare hulp verlenen voor de navolgende doeleinden:

a. het bijdragen, in geval van algehele of gedeeltelijke sluiting van ondernemingen, in de vergoedingen, welke het de werknemers mogelijk maken op herplaatsing te wachten;
b. het bijdragen, door middel van het doen van uitkeringen aan de ondernemingen, om de betaling van hun personeel te verzekeren, voor het geval een tijdelijk ontslag noodzakelijk is door de wijziging in de werkzaamheden van die ondernemingen;
c. het bijdragen in de uitkeringen voor verplaatsingskosten aan werknemers;
d. het bijdragen in de financiering van herscholing van werknemers, die zich genoodzaakt zien van beroep te veranderen.

5. De Hoge Autoriteit kan eveneens een niet-terugvorderbare hulp verlenen aan de ondernemingen, die door de instelling van de gemeenschappelijke markt hun werkzaamheden hebben moeten staken, op voorwaarde, dat deze toestand rechtstreeks en uitsluitend is toe te schrijven aan de beperking van de gemeenschappelijke markt tot de kolenmijn- en staalindustrie en dat deze toestand een relatieve vergroting van de productie in andere ondernemingen van de Gemeenschap met zich mede brengt. Deze hulp zal worden beperkt tot het bedrag, dat nodig is om de ondernemingen in staat te stellen aan hun onmiddellijk opeisbare verplichtingen te voldoen.

De belanghebbende ondernemingen moeten alle verzoeken tot het verkrijgen van deze hulp indienen door bemiddeling van hun Regering. De Hoge Autoriteit kan elke hulp weigeren aan een onderneming, die haar Regering en de Hoge Autoriteit er niet van op de hoogte heeft gesteld, dat zich een toestand ontwikkelt die kan leiden tot het staken of het wijzigen van haar werkzaamheden.

6. De Hoge Autoriteit stelt de toekenning van een nietterugvorderbare hulp, overeenkomstig de bepalingen van het vierde en vijfde lid, afhankelijk van een ten minste gelijkwaardige bijzondere bijdrage, door de belanghebbende Staat, tenzij de Raad met een meerderheid van 2/3 een afwijking van deze bepaling toestaat.

7. De wijze van finanzierung voorzien voor de toepassing van artikel 56 is ook op deze paragraaf van toepassing.

8. De belanghebbenden kunnen het voordeel, voortvloeiende uit de bepalingen van deze paragraaf op grond van een beschikking van de Hoge Autoriteit, genomen met instemming van de Raad, gedurende twee jaren na afloop van de overgangsperiode genieten.

HOOFDSTUK II
bijzondere bepalingen met betrekking tot de kolen
[bewerken]

§24.

Gedurende de overgangsperiode zullen stelsels van beschermingsmaatregelen nodig zijn om te voorkomen, dat zich plotselinge en gevaarlijke productieverschuivingen voordoen. Deze stelsels moeten rekening houden met de op het tijdstip van de instelling van de gemeenschappelijke markt bestaande toestand.

Anderzijds zullen voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen indien blijkt, dat in een of meerdere gebieden zich zekere door hun omvang en hun plotseling optreden schadelijke prijsstijgingen dreigen voor te doen, zulks om deze gevolgen te vermijden.

Om het hoofd te bieden aan deze vraagstukken zal de Hoge Autoriteit toestaan dat gedurende de overgangsperiode, voorzover nodig en onder haar toezicht:

a. het tweede lid van artikel 60, onder b, alsmede zôneprijzen in niet in Hoofdstuk V van de derde titel voorziene gevallen worden toegepast;
b. nationale compensatiekassen of ­systemen, gevoed door een heffing op de nationale productie worden gehandhaafd of ingesteld, ongeacht de hieronder bedoelde bijzondere voorzieningen.
§25.

De Hoge Autoriteit stelt voor de aanpassing der prijzen op de productie van kolen van die landen, waar de gemiddelde kostprijzen lager zijn dan het gewogen gemiddelde van de Gemeenschap een heffing per ton verkocht product in, welke een gelijk percentage uitmaakt van de ontvangsten der producenten.

Deze heffing zal voor het eerste jaar na de instelling van de gemeenschappelijke markt 1½ % van genoemde ontvangsten niet overschrijden; dit maximum zal elk jaar worden verminderd met 20% van het maximum voor liet eerste jaar.

De Hoge Autoriteit rekening houdend met de door haar overeenkomstig §§ 26 en 27 erkende behoeften en met uitsluiting van de bijzondere lasten, welke de uitvoer naar derde landen eventueel met zich medebrengt, bepaalt met regelmatige tussenpozen het bedrag van de feitelijke heffing en van de regeringssubsidies, die daarmee verbonden zijn overeenkomstig de volgende bepalingen:

  1. Met inachtneming van het hierboven omschreven maximum zal zij het bedrag van de feitelijke heffing zodanig berekenen, dat de werkelijk uitbetaalde regeringssubsidies tenminste gelijk zijn aan deze heffing;
  2. Zij zal het hoogst toelaatbare bedrag der regeringssubsidies vaststellen, met dien verstande, dat:
  • de Regeringen bevoegd maar niet verplicht zijn deze subsidies tot dat bedrag te verlenen;
  • de van buiten ontvangen hulp in geen geval het bedrag van de werkelijk verleende subsidie mag overschrijden.

De extra lasten voortvloeiende uit de uitvoer naar derde landen zullen niet in aanmerking worden genomen, noch bij de berekening van de noodzakelijke betalingen voor de aanpassing der prijzen, noch bij het berekenen van de subsidies, die even groot zijn als de heffingen.

België
§26.

1. Erkend wordt, dat de netto kolenproductie van België:

  • elk jaar vergeleken hij het voorafgaande jaar geen grotere achteruitgang behoeft te vertonen dan 3%, indien de totale productie van de Gemeenschap gelijk is aan of groter is dan die van het voorafgaande jaar;
  • of niet lager behoeft te zijn dan de productie van het voorafgaande jaar verminderd met 3%, terwijl het aldus verkregen cijfer in geval van vermindering der totale productie van de Gemeenschap wordt vermenigvuldigd met de productie-index van de Gemeenschap zelf in vergelijking met het voorafgaande jaar (1).

De Hoge Autoriteit, verantwoordelijk voor de regelmatige en voortdurende voorziening van de Gemeenschap, raamt de productie en de afzet op lange termijn en doet na overleg met het Raadgevend Comité en de Raad, zolang de afsluiting van de Belgische markt voorzien in het hiernavolgende derde lid van kracht is, aan de Belgische Regering een aanbeveling in zake de door haar op grond van de aldus gemaakte ramingen mogelijk geachte productieverschuivingen. Deze Regering beslist met goedkeuring van de Hoge Autoriteit over de maatregelen, die nodig zijn om eventuele verplaatsingen van de productie binnen de hierboven omschreven grenzen tot stand te brengen.

2. Het stelsel van prijsaanpassing is van het begin van de overgangsperiode af bestemd:

a. om het mogelijk te maken, dat de verschillen tussen de prijzen van de Belgische kolen en die geldend op de gemeenschappelijke markt zodanig verminderen, dat de prijzen van de Belgische kolen voor alle verbruikers daarvan op de gemeenschappelijke markt worden verlaagd tot ongeveer de productiekosten, zoals die naar mag worden verwacht aan het einde van de overgangsperiode zullen zijn.
De prijsschaal die op deze grondslagen wordt vastgesteld kan niet zonder toestemming van de Hoge Autoriteit worden gewijzigd;
b. om te voorkomen, dat de Belgische ijzer- en staalindustrie door de speciale regeling voor de Belgische kolen wordt verhinderd haar prijzen te verlagen tot het op de gemeenschappelijke markt voor staal geldende peil en daardoor niet in die markt kan worden opgenomen.
De Hoge Autoriteit zal met regelmatige tussenpozen het bedrag vaststellen van de door haar noodzakelijk geachte aanvullende compensatie voor de Belgische kolen, die geleverd worden aan de Belgische ijzer- en staalindustrie, rekening houdend met alle factoren van de exploitatie van deze industrie, waarbij zij er voor moet waken, dat deze compensatie geen nadelige gevolgen kan hebben voor ijzer- en staalindustrieën van naburige landen. Bovendien mag, rekening houdend met de bepalingen van het hierboven onder a. gestelde, deze compensatie er in geen geval toe leiden, dat de prijzen van de door de Belgische ijzer- en staalindustrie gebruikte cokes lager worden dan de prijs, die zij zou kunnen bedingen, indien zij cokes van de Ruhr kocht;
c. om voor de uitvoeren van Belgische kolen binnen de gemeenschappelijke markt welke door de Hoge Autoriteit, rekening houdend met de vooruitzichten van de productie en behoeften van de Gemeenschap noodzakelijk worden geacht, een aanvullende compensatie toe te staan van 80% van het door de Hoge Autoriteit vastgestelde verschil tussen de af-mijn prijzen, vermeerderd met de vervoerkosten tot aan de plaatsen van bestemming van de Belgische kolen en van de kolen van de andere landen van de Gemeenschap.

3. De Belgische Regering kan in afwijking van het bepaalde in § 9 van deze Overeenkomst onder toezicht van de Hoge Autoriteit voorzieningen handhaven of treffen om de Belgische markt af te scheiden van de gemeenschappelijke markt.

De invoeren van kolen uit derde landen zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Hoge Autoriteit.

Dit bijzondere stelsel zal een einde nemen op de wijze als hieronder omschreven.

4. De Belgische Regering verbindt zich om, op zijn laatst na afloop van de overgangsperiode, de voorzieningen ter afscheiding van de Belgische markt voor kolen, als bedoeld in het derde lid op te heffen. Indien zij van oordeel is, dat buitengewone omstandigheden die thans niet voorzien kunnen worden zulks nodig maken, zal de Hoge Autoriteit na overleg met het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad aan de Belgische Regering tweemaal een bijkomend uitstel van een jaar kunnen verlenen.

De aldus voorziene integratie zal plaats vinden na overleg tussen de Belgische Regering en de Hoge Autoriteit, die de geschikte middelen en wijze van uitvoering zullen vaststellen om haar te verwezenlijken; deze wijze van uitvoering zal voor de Belgische Regering, ongeacht het in artikel 4, onder c. bepaalde, de bevoegdheid kunnen medebrengen om subsidies te verlenen overeenkomende met de bijkomende exploitatiekosten, die het gevolg zijn van de natuurlijke gesteldheid der steenkolenlagen, en waarbij rekening wordt gehouden met de lasten, welke eventueel een gevolg zijn van uitgesproken onevenwichtigheden, welke deze exploitatiekosten zouden verhogen. De wijze waarop de subsidies worden toegekend en het maximum bedrag ervan, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Hoge Autoriteit, die er voor moeten waken, dat het maximum bedrag der subsidies en de gesubsidieerde hoeveelheden zo spoedig mogelijk worden verminderd, daarbij rekening houdend met de middelen ter vergemakkelijking van de wederaanpassing en met de uitbreiding van de gemeenschappelijke markt tot andere producten dan kolen en staal en daarbij vermijdende, dat de grootte van de eventuele productieverminderingen fundamentele moeilijkheden in de Belgische economie te weeg brengt.

De Hoge Autoriteit moet elke twee jaar voorstellen met betrekking tot de hoeveelheid, die voor subsidie in aanmerking komt, aan de Raad ter goedkeuring voorleggen.


(1) Voorbeeld: in 1952 totale productie van de Gemeenschap 250.000.000 ton, van België: 30.000.000 ton. In 1953 totale productie van de Gemeenschap: 225.000.000 ton, d.w.z. een productie-index van 0,9. De Belgische productie in 1953 moet niet lager zijn dan: 30 X 0,97 X 0,9 = 26,19 millioen ton. Deze productievermindering komt overeen met 900.000 ton als een blijvende verplaatsing en voor de rest, d.w.z, 2.910.000 ton, als een conjuncturele vermindering.

Italië
§27.

1. Het voordeel van de bepalingen van § 25 zal worden toegekend aan de mijnen van Sulcis, teneinde het hun mogelijk te maken om in afwachting van de voltooiing van de lopende moderniseringswerkzaamheden, de concurrentie van de gemeenschappelijke markt te doorstaan; de Hoge Autoriteit zal met regelmatige tussenpozen het bedrag van de noodzakelijke hulp vaststellen, zonder dat de hulp van buiten langer dan twee jaren kan duren.

2. Rekening houdend met de bijzondere omstandigheden waarin de Italiaanse cokesfabrieken verkeren, is de Hoge Autoriteit bevoegd aan de Italiaanse Regering toe te staan, voorzover nodig gedurende de overgangsperiode omschreven in § 1 van deze Overeenkomst de douane-rechten op cokes, afkomstig van de andere deelnemende Staten te handhaven, met dien verstande dat zij in het eerste jaar van genoemd tijdvak niet hoger kunnen zijn dan die, welke voortvloeien uit bet Besluit van de president no. 442 van 7 Juli 1950, terwijl dit maximum het tweede jaar met 10%, het derde jaar met 25%, het vierde jaar met 45%, het vijfde jaar met 70% wordt verlaagd, om tenslotte op de volledige opheffing van deze rechten aan het eind van de overgangsperiode uit te lopen.

Frankrijk
§28.

1. Erkend wordt dat de kolenproductio van de Franse mijnen:

  • elk jaar vergeleken bij het voorafgaande jaar geen grotore achteruitgang behoeft te vertonen dan 1 millioen ton, indien de totale productie van de Gemeenschap gelijk is aan of groter dan die van het voorafgaande jaar;
  • of niet lager behoeft te zijn dan de productie van het voorafgaande jaar, verminderd met 1 millioen ton, terwijl het aldus verkregen cijfer in geval van vermindering der totale productie van de Gemeenschap zelf wordt vermenigvuldigd met de productie-index van de Gemeenschap in vergelijking met het voorafgaande jaar.

2. Teneinde de verplaatsingen van de productie binnen de hierboven genoemde grenzen te houden, zal aan de maatregelen bedoeld in § 24 kracht kunnen worden bijgezet door middel van een door de Hoge Autoriteit ingestelde bijzondere heffing op de vergroting van de netto leveringen door andere kolenmijnen, zoals deze blijken uit de Franse handelsstatistiek, voorzover deze vergroting een productieverschuiving betekent.

Dientengevolge zullen voor de instelling van deze heffing in aanmerking worden genomen de hoeveelheden, die uitgaan boven de netto leveringen, welke verricht zijn in de loop van elk tijdvak, vergeleken bij die van 1950, binnen de grenzen van de in de kolenproductie van de Franse mijnen vastgestelde vermindering ten opzichte van 1950, welke grenzen bij een vermindering van de totale productie der Gemeenschap worden gecorrigeerd door middel van de productieindex van de Gemeenschap. Deze bijzondere heffing bedraagt ten hoogste 10% van de ontvangsten der producenten op de betrokken hoeveelheden en zal in overeenstemming met de Hoge Autoriteit in daarvoor in aanmerking komende gebieden worden gebruikt ter verlaging van de prijzen van bepaalde kolensoorten, door de Franse mijnon voortgebracht.

HOOFDSTUK III
bijzondere bepalingen voor de staalindustrie
[bewerken]

§29.

1. Erkend wordt, dat gedurende de overgangsperiode bijzondere beschermingsmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn met betrekking tot de staalindustrie om te voorkomen, dat productieverschuivingen als gevolg van de instelling van de gemeenschappelijke markt, ertoe leiden dat ondernemingen, die na de aanpassing voorzien in § 1 van deze Overeenkomst in staat zouden zijn om de concurrentie vol te houden, in moeillijkheden worden gebracht, of dat werknemers worden uitgeschakeld in grotere aantallen dan die, welke voordeel kunnen trekken uit de bepalingen van § 23. Voorzover de Hoge Autoriteit van oordeel is, dat de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder die van de artikelen 57, 58, 59, en het tweede lid van artikel 60 onder b niet kunnen worden toegepast, is zij bevoegd gebruik te maken van de hieronder omschreven maatregelen in de rangorde waarin zij zijn opgesomd:

a) Het, na raadpleging van het Raadgevend Comité en de Raad direct of indirect beperken van de netto­verhoging der leveringen van het ene gebied van de gemeenschappelijke markt naar het andere;
b) Het, na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad zowel ten aanzien van de wenselijkheid als van de wijze van uitvoering van deze maatregelen, gebruik maken van de mogelijkheden tot ingrijpen, overeenkomstig artikel 61 onder b, zonder dat, zulks in afwijking van het bepaalde in dat artikel, het bestaan of de dreiging van een uitgesproken crisis hiervoor vereist is;
c) Het, na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad, instellen van een stelsel van productiequotering, zonder dat dit de productie bestemd voor de uitvoer kan beïnvloeden;
d) Het, na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad, machtiging verlenen aan een deelnemende Staat tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in de zesde alinea van § 15 volgens de in genoemde alinea gestelde bepalingen.

2. De Hoge Autoriteit zal voor de toepassing van bovengenoemde bepalingen gedurende de voorbereidingsperiode, omschreven in § 1 van deze Overeenkomst, in overleg met de verenigingen van producenten, het Raadgevend Comité en de Raad, de technische criteria voor de toepassing van de eerder genoemde beschermingsmaatregelen vaststellen.

3. Indien gedurende een deel van de overgangsperiode, de aanpassing of de noodzakelijke omschakeling van de productie, hetzij door een toestand van schaarste, hetzij door het niet toereiken van de finanziële middelen, die de ondernemingen in hun bedrijf hebben kunnen verwerven of die hun ter beschikking zijn gesteld, hetzij door buitengewone en thans niet zoorziene omstandigheden, niet heeft kunnen plaatsvinden, zullen na het einde van de overgangsperiode de bepalingen van deze paragraaf na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad kunnen worden toegepast gedurende een aanvullende periode, welke ten hoogste gelijk is aan de tijd, gedurende welke de bovenomschreven toestand heeft bestaan, zonder dat deze periode de twee jaren te boven kan gaan.

Italië
§30.

1. Rekening houdend mot de bijzondere omstandigheden waarin de Italiaanse ijzer- en staalindustrie verkeert, is de Hoge Autoriteit bevoegd aan de Italiaanse Regering toe te staan, voorzover nodig, gedurende de overgangsperiode omschreven in § 1 van deze Overeenkomst, de douanerechten op ijzer- en staalproducten afkomstig uit de andere deelnemende Staten te handhaven, met dien verstande, dat zij in het eerste jaar van genoemd tijdvak niet hoger kunnen zijn dan die, welke voortvloeien uit de Conventie van Annecy van 10 October 1949, terwijl dit maximum het tweede jaar met 10%, het derde jaar met 25%, het vierde jaar met 45%, het vijfde jaar met 70% wordt verlaagd, om tenslotte op de volledige opheffing van deze rechten aan het einde van de overgangsperiode uit te lopen.

2. De prijzen, welke door de ondernomingen in rekening worden gebracht voor de verkopen van staal op de Italiaanse markt, herleid op het voor de opstelling van hun prijsschaal gekozen uitgangspunt, zullen niet lager mogen zijn dan de prijs volgens genoemde prijsschaal voor gelijksoortige transacties, behoudens goedkeuring door de Hoge Autoriteit in overeenstemming met de Italiaanse Regering, onverminderd de bepalingen van de laatste alinea van het tweede lid van artikel 60 onder b.

Luxemburg
§31.

Bij de toepassing van de in § 29 van dit hoofdstuk voorziene beschermingsmaatregelen zal de Hoge Autoriteit rekening moeten houden met de bijzondere betekenis van de ijzer- en staalindustrie voor de algemene economische verhoudingen in Luxemburg, en met de noodzakelijkheid, ernstige verstoringen te voorkomen onder de bijzondere omstandigheden welke voor de afzet van de Luxemburgse ijzer- en staalproductie voortvloeien uit de Belgisch-Luxemburgse Eoconomische Unie.

Zonodig kan de Hoge Autoriteit, bij gebrek aan andere maatregelen, gebruik maken van de middelen, waarover zij uit hoofde van artikel 49 van dit Verdrag beschikt, doch ten hoogste voor zover als nodig is voor het teniet doen van de nadelige gevolgen, welke de Luxemburgse ijzer- en staalindustrie eventueel van de in § 26 van deze Overeenkomst vervatte regelingen mocht ondervinden.

Gedaan te Parijs, de achttiende April negentienhonderd een en vijftig.

Adenauer
Paul van Zeeland
J. Meurice
Schuman
Sforza
Jos Bech
Stikker

van den Brink