Overeenkomst van Linggadjati

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Akkoord van Lingadjati

Auteur Koninkrijk der Nederlanden en Republik Indonesia
Genre(s) verdragen
Brontaal Nederlands
Datering 18 november 1946
Bron Keesings Historisch Archief (17-23 november 1946) 6951-6952, (2-7 december 1946) 6969-6970
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Akkoord van Lingadjati op Wikipedia

De Nederlandsche regeering, vertegenwoordigd door de commissie-generaal, en de regeering van de republiek Indonesia, vertegenwoordigd door de Indonesische delegatie, -beide geleid door een oprecht verlangen een goede verhouding te verzekeren tusschen de volken van Nederland en Indonesië, en zulks in nieuwe vormen van vrijwillige samenwerking, welke de beste garantie bieden voor een gezonde en krachtige ontwikkeling van belde landen In de toekomst, en welke het mogelijk maken, dat een nieuwe grondslag wordt gegeven aan de verhouding tusschen de twee volken, -komen als volgt overeen en zullen deze overeenkomst zoo spoedig mogelijk ter goedkeuring voorleggen aan de respectieve parlementen.

Artikel 1: De Nederlandsche regeering erkent de regeering van de republiek Indonesië als de facto uitoefenend het gezag over Java, Madoera en Sumatra. De door Geallieerde of Nederlandsche troepen bezette gebieden zullen geleidelijk, door wederzijdsche samenwerking, in het republikeinsche gebied worden ingevoegd. Hiertoe zal aanstonds een aanvang worden gemaakt met de noodige maatregelen zoodat uiterlijk op het tijdstip in artikel 12 genoemd de invoeging zal zijn voltooid.

Artikel 2: De Nederlandsche regeering en de regeering van de republiek werken samen tot de spoedige vestiging van een souvereinen, democratischen staat op federatieven grondslag, genaamd: De Vereenigde Staten van Indonesië.

Artikel 3: De Vereenigde Staten van Indonesië zullen omvatten: het geheele grondgebied van Nederlandsch-lndië met dien verstande, dat, indien de bevolking van eenig gebiedsdeel, ook na overleg met de overige gebiedsdeelen, langs democratischen weg, te kennen geeft niet of nog niet tot de Vereenigde Staten van Indonesië te willen toetreden voor dat gebiedsdeel een bijzondere verhouding tot deze staten en het Koninkrijk der Nederlanden in het leven kan worden geroepen.

Artikel 4: De samenstellende staten van de Vereenigde Staten van Indonesië zullen zijn de republiek, Borneo en de Groote Oost, onverminderd het recht van de bevolking van eenig gebiedsdeel om langs democratischen weg te kennen te geven, dat zij haar plaats in de Vereenigde staten van Indonesië op anderen voet geregeld wenscht te zien.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 en in het eerste lid van dit artikel, kunnen de Vereenigde Staten van Indonesië een bijzondere regeling treffen ten aanzien van het grondgebied van haar hoofdstad.

Artikel 5: 1. De Grondwet van de Vereenigde Staten van Indonesië zal worden vastgesteld door een constitueerende vergadering, die zal zijn samengesteld uit op democratische wijze aangewezen vertegenwoordigers van de republiek en van de andere toekomstige deelgenooten der Vereenigde Staten met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid van dit artikel.

2. Partijen zullen in overleg treden omtrent de wijze van deelneming aan deze constitueerende vergadering door de republiek, door de niet tot het gezagsgebied van de republiek behoorende gebiedsdeelen en door de niet of onvoldoende vertegenwoordigde bevolkingsgroepen, een en ander met inachtneming van de onderscheidene verantwoordelijkheden van de Nederlandsche regeering en van de regeering der republiek.

Artikel 6: 1. De Nederlandsche regeering en de regeering der republiek zullen, ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van Nederlanders en Indonesiërs, samenwerken tot de vorming van een Nederlandsch-lndonesische Unie, waardoor het Koninkrijk der Nederlanden, omvattende Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao, wordt omgezet in genoemde Unie, bestaande uit eenerzijds het Koninkrijk der Nederlanden, omvattende Nederland, Suriname en Curaçao, en anderzijds de Vereenigde Staten van Indonesië.

2. Het vorenstaande laat onverkort de mogelijkheden tot nadere regeling van de verhouding tusschen Nederland, Suriname en Curaçao.

Artikel 7: 1. Ter behartiging van de in het voorgaande artikel genoemde belangen zal de Nederlandsch-Indonesische Unie beschikken over eigen organen.

2. Deze organen zullen worden samengesteld door de regeeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Vereenigde Staten van Indonesië, eventueel mede door de volksvertegenwoordigingen dier landen.

3. Als gemeenschappelijke belangen zullen worden aangemerkt: samenwerking inzake buitenlandsche betrekkingen, defensie en voorzoover noodig financiën, alsmede onderwerpen van economischen en cultureelen aard.

Artikel 8: Aan het hoofd van de Nederlandsch-Indonesische Unie staat de Koning der Nederlanden. De besluiten ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen zullen door de organen der Unie worden genomen in naam des Konings.

Artikel 9: Ter behartiging van de belangen der Vereenigde Staten van Indonesië in Nederland en van het Koninkrijk der Nederlanden in Indonesië, zullen door de onderscheidene regeeringen hooge commissarissen worden benoemd.

Artikel 10: Het Statuut van de Nederlandsch-Indonesische Unie zal voorts o.m. bepalingen bevatten over:

a. Verzekering van de rechten van beide partijen jegens elkander voor de nakoming hunner wederzijdsche verplichtingen;

b. De wederzijdsche uitoefening van het staatsburgerschap door Nederlandsche en Indonesische staatsburgers;

c. Een regeling houdende voorzieningen voor het geval door de organen der Unie geen overeenstemming kan worden verkregen;

d. Een regeling van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de organen van het Koninkrijk der Nederlanden bijstand zullen verleenen aan de Vereenigde Staten van Indonesië, zoolang deze niet of onvoldoende over eigen organen beschikken;

e. De verzekering in beide deelen van de Unie van de fundamenteele en menschelijke vrijheden waarnaar ook het Handvest der Vereenigde Natles verwijst.

Artikel 11: Het statuut van de Unie zal worden ontworpen door een conferentie tussen vertegenwoordigers van het Koninkrijk der Nederlanden en van de toekomstige Vereenigde Staten van Indonesië. Het statuut zal in werking treden na goedkeuring door de onderscheidene volksvertegenwoordigingen.

Artikel 12: De Nederlandsche regeering en de regeering der republiek zullen er naar streven dat de vestiging van de Vereenigde Staten van Indonesië en van de Nederlandsch-lndonesische Unie haar beslag krijgt vóór 1 Januari 1949.

Artikel 13: De Nederlandsche regeering zal onmiddelijk stappen nemen opdat, na de totstandkoming der Nederlandsch-lndonesische Unie, de Vereenigde Staten van Indonesië als lid van de organisatie der Vereenigde Naties worden toegelaten.

Artikel 14: De regeering van de republiek erkent de aanspraken van alle niet-lndonesiërs op herstel van hun rechten en teruggave van hun goederen of zich bevinden in het gebied waarover zij de facto gezag uitoefent. Een gemengde commissie zal worden ingesteld om dit herstel of deze teruggave te bewerkstelligen.

Artikel 15: Teneinde de Indische regeering te hervormen op zoodanige wijze, dat zij in haar samenstelling en werkwijze zoo goed mogelijk aansluit op de erkenning van de republiek en op de ontworpen staatsrechtelijke structuur, zal de Nederlandsche regeering bevorderen, dat aanstonds wettelijke maatregelen worden getroffen om, in afwachting van de totstandkoming der Vereenigde Staten van Indonesië en der Nederlandsch-Indonesische Unie, de staats- en volkenrechtelijke positie van het Koninkrijk der Nederlanden daarop te laten aansluiten.

Artikel 16: Aanstonds na het tot stand komen van deze overeenkomst zullen beide partijen overgaan tot vermindering der strijdkrachten. Zij zullen in overleg treden omtrent mate en tempo van deze vermindering en omtrent hun samenwerking op militair gebied.

Artikel 17: a. Voor de in deze overeenkomst beoogde samenwerking tusschen de Nederlandsche regeering en de regeering der republiek zal een organisatie in het leven worden geroepen, bestaande uit delegaties door elk van beide regeeringen aan te wijzen met een gemeenschappelijk secretariaat.

b. De Nederlandsche regeering en de regeering der republiek zullen alle geschillen, welke naar aanleiding van deze overeenkomst mogen rijzen en die niet door partijen in onderling overleg in een conferentie tusschen deze delegaties tot een oplossing kunnen worden gebracht, door arbitrage doen beslechten. In dat geval zal die conferentie worden aangevuld met een door de delegaties in onderling overleg, of, mocht dit overleg geen resultaat opleveren, door den voorzitter van het Internationale Hof van Justitie te benoemen voorzitter van andere nationaliteit met beslissende stem.

Slotbepaling: Deze overeenkomst wordt opgesteld in het Nederlandsch en in het Indonesisch. Beide teksten zullen gelijk gezag hebben.