Naar inhoud springen

P.C. Hooft/Brief aan Maria Tesselschade

Uit Wikisource
Wanneer de Vorst des lichts Litterarische fantasiën en kritieken (1868) door C.Busken Huet

Brief aan Maria Tesselschade

Grafschrift voor Brechtje Spiegel

Brief van P.C. Hooft aan Maria Tesselschade over de dood van Hoofts echtgenote Christina van Erp, opgenomen in Busken Huet, Litterarische fantasiën en kritieken deel 1. Zie ook: Op het overleyden van Mevrouw van Sulekom
[ 22 ]
 

„Mejufvrouwe,

„De wijzen gebieden verliesbaar goed loshartig te lieven, en het verlorene zonder bedroeven over te zetten. Tot houden van het eerste gebod heb ik altoos zoo weinig wils gehad, dat het mij billijk aan magt mangelt om het tweede te volgen. Die nooit anders dan spelden en spijkers opzocht om 't geen hij beminde nagelvast in zijn harte te maken, hoe kan 't hem daar afgescheurd worden zonder ongeneeslijke reten te laten? Die gewoon was zelfs de geringste gunsten en begaafdheden van degene die hij opperlijk bezind hield uit te schilderen, en die beelden in zijne binnenborst als in eene kapelle te metsen, hoe kon hij zonder mistroostigheid zich zien verlaten van zijnen oppersten toeverlaat naast God? Evenwel heb ik het geloof niet dat droefheid deugd is, of kante mij met stijfzinnigheid tegen allen troost. Te zeer zoude mij wroegen de ongehoorzaamheid jegens degene die, onder haar uitersten wille, mij de verkwikking mijns gemoeds zoo ernstelijk bevolen heeft. Ik zoek de rouw niet, maar zij weet mij te vinden. Duizend en duizend dingen daags halen mijne schade op, en meten ze ten breedste uit. Dat de uiterlijke zinnen in 't gedacht dragen, moet er noodlijk plaats grijpen. Terwijl men op leed peinst, is de troost vergeten. Want niemand kan meer dan één ding tevens denken. Dit is een groot mangel in den menschelijken aard: alhoewel de snelheid der gedachten ten deele de schade boet, verdrijvende het eene gedacht het andere dat het niet uitsluiten kon. Die fraaije meesters van de kunst der hengenisse, eere zoude ik hun geven konden zij ons de vergetelheid leeren. Neen ook. Zoo waard is mij het vieren van de gedachtenis der verloren edelheid, dat ik eerder wenschte meer te lijden dan harer niet gedachtig te zijn. Of ik in verlies van overlieve kinderen door rouwe veroverd ben, is UE. bekend. [ 23 ]Want afbreuk van have, alhoewel uit de kerf gaande [1] weet UE, dat mijne vrolijkheid niet uit haren tred deed gaan. Dien Seneca, zoo fier tegen den wederspoed, hoort hem eens kleen zingen, als bij, op Corsica gebannen, den vrijeling Polybius smeekt. Den gascoenschen wijzeman, zoo waanlos, zoo oordeelvast (heb ik eenig oordeel), dunkt dat er geen zon voor hem opgaat sedert den ondergang van zijnen Étienne de la Boétie. UE, vergeve dan aan mijn gemoed de verslagenheid, dat op veel na niet, gelijk die helden, voorzien is met kracht van vernuft of wapen van geleerdheid; en verbidde te mijner troost den goedertieren God.” —

 

  1. „Toespeling op het aanmerkelijk geldverlies, dat hij door zijn nee Willem te Londen geleden had.” Van Vloten. No. 132.