Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 112 —

de Mikania Guaco, eene plant uit de Familie der Compositæ,—of eene plant uit de Familie der Aristolochiæ, waartoe er vele behooren die tegen slangenbeet beroemd zijn,—en, volgens sommigen, de verkoolde kop van eene ratelslang, de hoofd-ingrediënten daarvan uitmaken. Voor de zekerheid der uitwerking kan intusschen niet worden ingestaan, zoo lang men geene betere waarborgen heeft dan de bestaande "verhalen." Het feit echter der inenting bestaat, en volgens blödig, gaat men daarbij in Afrika op eene geheel andere wijze te werk. Men laat daar de kleine kinderen bijten door eene bepaalde soort van giftslang, wier beet men echter kent als niet doodelijk te zijn. Na deze vergiftiging te hebben doorgestaan, zouden de aldus ingeënte voorwerpen later onvatbaar zijn voor doodelijke verwonding door giftige slangen.

Verkieslijker voorwaar, dan alle geneesmiddelen, is het dan ook, om het beschreven gevaar zoo veel mogelijk te voorkomen. "Zijt voorzigtig als de slangen," luidt de gulden spreuk, die ook hier ter harte mag worden genomen, vooral door de geneeskundigen, die haar stilzwijgend huldigen in het zinnebeeld van aesculaap. De mensch behoort voorzigtigheid te leeren, zelfs van het dier, dat hem bedreigt. Tegen onverhoedsche beten beveiligt de reiziger zich door dikke laarzen; doch slechts voor een deel. De haak der krachtige slangensoorten slaat daar door heen, en ten anderen springen de giftslangen, naar wij hebben vermeld, dikwijls bovenwaarts. Ook is het dragen van laarzen in de heete gewesten op den duur niet mogelijk. Soms kan de nabijheid van giftslangen worden opgemerkt aan de bewegingen en het geschreeuw van sommige vogels, die haar bijzonder vreezen. Zoo schrijft moreau over de gele driehoekskopslang van Martinique, dat deze dikwijls verraden wordt door het gekrijsch van de Loxia indicator, een vogeltje, dat, even als onze inlandsche Loxia, tot het geslacht der kruisvinken behoort, en door sommigen het "witborstje" is genaamd. Het schijnt, zegt hij, dat dit diertje daarbij als het ware de bedoeling heeft, om den mensch te hulp te roepen en dezen de verblijfplaats van zijn' vijand te ontdekken. Ook van eene, mij niet nader bekende valken-soort, in Zuid-Amerika, (sommigen noemen haar