Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 132 —

Terstond nadat het pas geboren kind de hem nieuwe wereld is ingetreden, ontwaakt het uit den tot hiertoe ongestoorden slaap, waarin het naauwelijks eenige prikkels van buiten ontvangen kon, door voor hem geheel vreemde nooit gevoelde indrukken; zijne zintuigen bezitten echter nog niet de volkomene geschiktheid om die met juistheid over te brengen, en zijne nog niet ontwikkelde geestvermogens zijn nog onvatbaar om die behoorlijk te kunnen opnemen en onderscheiden; het zijn slechts indrukken en gewaarwordingen, nog geene waarnemingen.

Zijn eerste zieleleven bestaat nog alleen in het tijdelijk ontvangen van die indrukken, die hij nog niet begrijpt; hij treedt in de eerste oefenschool om de ontvangene gewaarwordingen te leeren opnemen en te onderscheiden, en zoo door menigvuldige herhaling die eerst later meer en meer te erkennen en te leeren verstaan; die zinnelijke indrukken geleiden tot waarnemingen; zij zijn als 't ware het voedsel voor den geest, hetwelk de wereld hem aanbiedt, de eerste stof voor zijn denken. Behalve den nieuwen indruk van het licht, hetgeen zijne oogen treft, schijnt hij naauwelijks eenige andere gewaarwording te ondervinden, dan van het hem vreemde gevoel van honger of dorst; vroeger bestendig gevoed, wordt hij nu reeds spoedig uit den hem weldadigen slaap, waarin hij als 't ware zijn vruchtleven voortzet, door het eerste onaangenaam gevoel van honger of dorst gewekt, hetgeen hem het onwillekeurig geschrei afperst; zijne eigene stem, die hij hierbij slaakt, behoort zelfs onder zijne eerste gewaarwordingen. Voor alles echter heeft de weldadige Natuur gezorgd; de bewegingen, tot het zuigen noodzakelijk, worden niet door den wil of het verstand bestuurd, maar zij zijn in den beginne onwillekeurig; zoodra iets zijne gevoelige lippen aanraakt, volgt van zelve deze zuigende beweging, en ook kinderen zonder hersenen geboren, 'verrigten dat zuigen even volkomen. Zoo lang het kind nog niet in staat is zijn eigen ligchaam te beheerschen, wordt dit bestuur door eene eigene kunstige inrigting van het ligchaam overgenomen; voor alles is gezorgd en niets is aan zijne onervarenheid en nog niet bepaalden wil en werkkracht overgelaten.

Aan de zachte warme moederborst wordt zijne eerste behoefte