Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/161

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 137 —

zij bedwingen hunne hartstogten veel moeijelijker dan blindgeborenen; zoo roert ons de toon der klagt veel sterker dan het gezigt van eene ongelukkige: het geluid werkt meer op het gevoel en spreekt tot het gemoed, het gezigt werkt meer op het verstand.

Met zijne meerdere ontwikkeling begint hij ook spoediger het vreemde en ongewone van het reeds bekende te onderscheiden; hij staart eerst den vreemden met wijd opgespalkte oogen aan, wendt dan het gelaat af, verschuilt zich aan de moederborst, en begint te schreijen; eene nieuwe aandoening, de vrees vertoont zich, en hij wordt angstig en eenkennig bij het naderen van eenen onbekenden.

Evenzoo begint hij datgene, wat hem aangenaam en opmerkelijk voorkomt, te herkennen; hij verlangt dat ook te grijpen, en in dat verlangen om het te vatten ontwikkelt zich de eerste begeerte tot het bezit; hij is nog geheel egoïst, het denkbeeld, dat iets ook aan eenen anderen kan toebehooren, verkrijgt hij veel later en eerst door opoflering en gemis; zoo iets vordert een overwinnen zijner begeerte, een eigen bedwang over zich zelven; en geen wonder, dat dit het kind moeijelijk valt, als wij zien, dat in dit punt zoo vele menschen hun geheel leven door kinderen blijven.

Worden zijne begeerten gedurig bevredigd, bemerkt hij, dat men gedienstig zijne wenschen voldoet en hem geeft wat hij verlangt, zoo leert hij meer en meer de heerschappij kennen van zijnen wil, en verschaft zich door geschreeuw, hetgeen hij niet dadelijk bemagtigen kan. Geeft men hier niet altijd acht op, en onthoudt men hem soms, wat hij verlangt, dan leert hij de wet der noodzakelijkheid kennen, zijne begeerte te bedwingen, hij onderwerpt zich aan orde, en leert te gehoorzamen. Integendeel door te spoedige bevrediging zijner wenschen, verwent men hem tot een dwingend begeeren; door eindelijk toegeven voedt men zijne eigenzinnigheid, en de kracht om zich zelven te beheerschen, de hoogste kracht in den mensch, blijft hem vreemd; zijne hoogere ontwikkeling wordt vertraagd, hij wordt eigenzinnig en halstarrig; hij blijft kind en is voor zijn geheel volgend leven doorgaans verdorven, indien niet tegenstand en dwang der omstandigheden later zijnen verijzerden wil leeren buigen.

Met elke verdere maand neemt het kind sterk toe in ontwikke-