Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/166

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 142 —

van haar af. Voor hare speelgenooten en speelgoed had zij nu geen zin meer. Bij de latere scheiding der moeder bewees zij, het nu negenjarige meisje, even veel verstand en beradenheid als diep gevoel; zij begeleidde hare moeder bij de afreis tot voor het huis, waar zij zich vast aan haar klemde; tastte toen rondom de moeder heen om te weten, wie in hare nabijheid was. Toen zij nu eene zeer geliefde meesteres bemerkte, vatte zij deze met de eene hand, terwijl zij de andere krampachtig aan de moeder vastklemde; liet deze toen los, keerde zich om, en hield zich snikkende aan de meesteres vast.[1]

Drukt deze roerende opwelling van gevoel en liefde, deze werking van het verstand, waartoe zoo weinige zinsindrukken toegang hadden, nu niets meer uit dan eene eenvoudige stofwerking uit stofwisseling geboren? Of niet veeleer een eigen zelfstandig wezen, hetgeen, niettegenstaande hare veel gebrekkiger zinswerktuigen, dan bij eenig dier bestaan, zich boven alle beletselen verhief, en zelfstandig en vrij zich ontwikkelde?

Het is niet door gedurige herhaling der zinsindrukken, dat onze zintuigen scherper worden, wij vernemen dan op het laatst die naauwelijks meer, maar alleen door de eigene zelfstandige opmerkzaamheid van den geest op deze of gene gewaarwordingen, waardoor wij fijner leeren opmerken; de blindgeborene voelt veel fijner, maar na de herstelling van het gezigt, verliest hij langzaam dat fijner gevoel, doordien zijne opmerkzaamheid nu van het gevoel meer naar het gezigt wordt afgeleid. Het is dus de eigene zelfstandige werking van den geest, en niet die van het zintuig, die ons de geschiktheid geeft tot fijnere waarneming, en zoude deze geest zelve dan niet een zelfstandig iets zijn? De blind en doofstomme james mitchell in Schotland leerde niet alleen zijn huis maar zelfs den omtrek kennen, ging alleen wandelen, en kwam ter geschikter tijd te huis, ofschoon hij slechts het gevoel had, hetgeen hem geleiden kon (burdach l.c. pag. 36). Eene menige treffende voorbeelden voert burdach aan van de ontwikkeling, en de

  1. Uitvoeriger berigten over laura bridgman kan men vinden in de Vaderlandsche Letteroefeningen, 1844, Mengelwerk, blz. 18 en 67.