Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/167

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 143 —

wijze om alleen door het gevoel de letters en hunne beteekenis en daardoor eene gevoelspraak te leeren, ten bewijze, hoe bij dit gemis van zintuigen toch de mensch zich ontwikkelen kan, en de zelfstandigheid van zijnen geest toont; veel is er wat wij hier konden aanhalen, indien niet de uitgebreidheid van het onderwerp ons noopte ons te bekorten.

In gelijke mate met de ontwikkeling van den geest, neemt nu bij het kind ook het ligchaam in groei en krachten toe. Het leert zijne bewegingen te besturen, te grijpen, te staan en eindelijk te gaan en zich zonder steun te bewegen. Door deze dagelijksche oefeningen wordt het ligchaam versterkt, welks toenemende kracht weder op de levendigheid en werkzaamheid van den geest terugwerkt en de ontwikkeling van beiden bevordert.

In zijne beoordeeling van anderen, beschouwt het kind bij zijne nog geringe ervaring alles uit zijn beperkt kinderlijk gezigtspunt naar zich zelven. Zoo zag ik meermalen op zijn derde en zelfs vierde levensjaar een kind bij eene vermaning de oogen sluiten, in het denkbeeld, dat hij dan zelve ook niet gezien werd; of ook wel met geslotene oogen naar eene verbodene schotel grijpen, in de meening, dat, als hij niet zag, anderen ook zijne kleine snoeperij niet zouden bemerken.

Doch te lang heeft mij reeds de kinderkamer geboeid, dat gewigtig tooneel, waar de mensch zijne vorming begint, en waar zoo vele zaden worden gestrooid en ontkiemen, die later rozen of doornen zullen voortbrengen.

In de verdere ontwikkeling zijn levendigheid en bewegelijkheid eigene trekken van het kind; het handelt in alles snel, zoowel in zijne bewegingen, als gedachten en voorstellingen; ligt gaat dan ook menige indruk verloren; om wortel te vatten en te beklijven, moeten de vermaningen dikwijls herhaald worden.

De gedurig herhaalde en steeds volkomener waarneming van voorwerpen, die hij van meerdere zijden leert kennen, zijne behoefte aan bezigheid, de vatbaarheid voor indrukken, waardoor alles hem boeit, maakt hem nieuwsgierig en eindelijk weetgierig; zijn leertijd begint en daarmede eene eigene werkzaamheid van den geest,