Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/189

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 165 —

langs de kust van Frankrijk uit; in de golf van Gaskonje vindt men slechts enkele, als afgedwaalde voorwerpen van deze soort.

Volgens sommige schrijvers zouden de haringen in groote scholen jaarlijksche togten doen. Zij zouden, volgens gilpin, in den Noordelijken Atlantischen Oceaan ieder jaar eenen in zichzelven terugkeerenden loopkring beschrijven; zoodat zij in Januarij en Februarij bij Georgia en Carolina aankomen, zich op de hoogte van New-York in April vertoonen, en daar in de baaijen en rivieren hun kuit schieten, daarop weder in zee trekken en zich noordwaarts naar New-Foundland begeven. Zij trekken vervolgens noord-oostwaarts naar de Orkadische eilanden, waar zij zich in Junij bevinden, verdeelen zich rondom de Britsche eilanden in Augustus, en voegen zich weder bij een om in October en November weder zuid-oostwaarts te trekken, zoo dat zij zich in December op eenigen afstand van Amerika's kust bevinden, om in Januarij bij Carolina terug te zijn.

Tegen deze togten der haringen kan men echter vele bedenkingen inbrengen. Vooreerst is het bekend, dat men op sommige plaatsen het geheele jaar haringen vindt, wel niet altijd in dezelfde menigte, maar toch altijd enkelen; zoo is het bij Doggersbank, de bekende plaats der kabeljaauwvangst. Rondom Ierland wordt de haring gedurende het geheele jaar aangetroffen.

Wat bepaaldelijk de groote togten in den Atlantischen Oceaan betreft, nieuwere onderzoekingen en vergelijkingen hebben aangetoond, dat de haring van Noord-Amerika's oostkust, de haring van New-York, tot eene wel zeer gelijke, maar echter van onzen gewonen haring verschillende soort behoort. Men heeft die soort Clupea elongata genoemd. Zij heeft geene adervormige strepen op het onderoog-been en op den rand van het kieuwdeksel, en fijner tanden; de soort der Zwarte zee (Clupea pontica), waarvan wij reeds met een woord melding maakten, heeft daarentegen sterker tanden en een of twee stralen minder in de rugvin dan onze gewone haring. (Eichwald, Fauna Caspio-Caucasia, Tab. 32 fig. 2).

Indien de haring uit het noorden trok, zou hij bij Groenland niet zoo zeldzaam zijn als o. fabricius zegt. Aan de noordkust van IJsland vindt men slechts weinig haringen, volgens olafsen.