Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/190

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 166 —

Is, zoo als wij vroeger zagen, de parallel van 47° N. B. als zuidelijke grens van den haring aan te merken, dan zal veelligt die van 67° N. B. de noorder grens van zijne geographische verbreiding zijn. De haring trekt eigenlijk niet, maar hij zwerft. Van de neiging tot verplaatsen ontstaat het verschijnsel, dat de haring overal inkomt, waar hij kan inzwemmen. Het gebeurde met eenen Frieschen Edelman onder de regering van Graaf willem de tweede, strekt daarvan ten bewijze. In het midden der 13 eeuw werd het noorden van ons vaderland door herhaalde overstroomingen der zee geteisterd. Bepaaldelijk had het land tusschen Stavoren, Harlingen en Enkhuizen bijzonder veel van geweldige inbraken te lijden. Men kon echter, naar een oud berigt, in dien tijd nog met eene plank of deele van Stavoren langs de landen naar Enkhuizen komen. De Eriesche Edelman hartman galama zou evenwel zijne goederen in die streek, verkocht hebben, daar hij een' haring in eene wel gevonden, en daaruit besloten had, dat deze landen weldra door de zee zouden verzwolgen worden.

In den rijtijd komt de haring digt bij de kusten. Die tijd is niet bij alle haringen dezelfde en daarom vangt men te gelijker tijd volle haring en ijle haring, gelijk men het noemt. De haring trekt niet om kuit te schieten, maar doet dit op alle breedten waar hij zich ophoudt. Harmer berekent het aantal eijeren op 21,000—36,000 (Phil. Transact. 57, p. 291), bloch op 68,000. Neemt men 50,000 aan, dan zoude eene gemakkelijke berekening aantoonen, dat er, zoo alle de eijeren tot ontwikkeling kwamen, reeds in het derdejaar meer dan 9 biljoen haringen van eene enkele moeder kunnen zijn voortgekomen. Gelijksoortige vruchtbaarheid treft men ook bij andere vischsoorten aan. De talrijke scholen der haringen kunnen ons dan ook niet verwonderen. In de straat van Pentland, tusschen Schotland en de noordelijke eilanden, is in het saisoen de veelheid van doortrekkende haringen zoo groot, dat men met reden kan zeggen, gelijk van de rivier Theiss in Hongarijen gezegd wordt: een derde water en twee derde visch.

Bij vroegere schrijvers vindt men de meening, dat de haring alleen van water leeft. Dit behoeft geene wederlegging. Reeds het gezond verstand van onzen voortreffelijken vaderlandschen waarnemer leeu-