Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/202

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 178 —

verscheidenheid van in vorm en kleuren zoo rijk afwisselende voorwerpen!..... Niets van dit alles; maar in plaats daarvan een diepgaande schrik, die ze angstvol deed terugdeinzen en de oogen met de handen bedekken; want zij verbeeldden zich, dat alle voorwerpen, die zij zagen, naar de letterlijke uitdrukking van een hunner, welke voor ons is opgeteekend geworden, op hunne oogen lagen. En dit is wel te begrijpen; zij wisten bij ondervinding, dat de voorwerpen voor hen slechts voelbaar waren, wanneer hunne hand of eenig ander ligchaamsdeel zich daarmede in onmiddellijke aanraking bevond; en door deze ondervinding geleid, besloten zij dat er evenzeer onmiddellijke aanraking moest bestaan tusschen de voorwerpen, die zij zagen, en de oogen waarmede zij die waarneming deden. Maar, zal de lezer misschien zeggen, er is toch een groot onderscheid tusschen het voelen en het zien van een voorwerp! Dit onderscheid is lang zoo groot niet als het wel schijnt te zijn, gelijk ons duidelijk worden zal bij eenen vlugtigen blik, dien wij nu gaan werpen op de inrigting en de werking van het menschelijk oog, waarbij wij ons natuurlijk niets anders ten doel stellen dan om daardoor aan diegene onzer lezers, welke dit nog mogten noodig hebben, eene schets te geven van hetgeen er bij het zien in ons oog eigenlijk geschiedt,—de eerste schrede natuurlijk tot eene klare voorstelling van het zien zelf.

Het zij mij vergund, mijne lezers daartoe eene eenvoudige proefneming aan te raden. Men houde, op twee à drie ellen afstands van een sterk verlicht of sterk lichtend voorwerp, des avonds de vlam van eene lamp of kaars b.v., een stuk wit papier, en tusschen dit en het voorwerp een bolgeslepen glas,—een gewoon brandglas is hiertoe reeds goed genoeg. Wanneer men den afstand tusschen het glas en het papier allengs verandert, dan zal men spoedig het zoo ver kunnen brengen, dat men op dit papier, regt tegenover het glas, eene afbeelding van het voorwerp ziet ontstaan. Over de wijze, waarop die afbeelding, dat beeld, gelijk men het gewoon is te noemen, door de werking van het glas op de lichtstralen, die van het voorwerp zich naar alle kanten verspreiden, ontstaat, kan ik hier in geene nadere bijzonderheden treden. In het voorbijgaan merk ik